(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Woordenboek der frequentatieven in het Nederlandsch"

Google 



This is a digital copy of a book that was preserved for generations on Hbrary shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 

to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we liave taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain fivm automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generatics lang op bibliothcckplankcn hccft gcstaan, maar nu zorgvuldig is gcscand door Google. Dat 

docn wc omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willcn makcn. 

Dit bock is ua oud dat hct autcursrecht erop is verlopen, zodat hct bock nu dccl uitmaakt van hct publickc domcin. Ecn bock dat tot hct publickc 

domcin bchoort, is ccn bock dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijkc autcursrcchttcrmijn is verlopen. Hct kan per land 

vcrschillen of ccn bock tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn ccn stem uit het vcrlcdcn. Zc vormen ecn bron van 

geschicdenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden wccrgcgcvcn in dit bcstand, als hcrinncring aan dc 

langc reis die het bock hccft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliothekcn om materiaal uit het publieke domein te digitaliseien, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publickc domcin behoien toe aan hct publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
levercn, hebben we maatrcgelcn genomen om misbruik door commercicle partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische bepcrkingen op 
automadsch zocken. 
Verder vragen we u hct volgende: 

+ Gebruik de besianden alleen voor niet-commerciSle doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpcn voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het sy steem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hicrvoor materiaal uit het publickc domcin te gebruiken, en kunnen u misschien 
hicrmee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watcrmerk" van Google dat u onder aan elk bcstand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kuni cr 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domcin is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
ccnmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakclijkhcid voor autcursrcchtcn is bchoorlijk strcng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Hct docl van Google is om alle informade weieldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de voUedige tekst van dit boek doorzoeken 

op hct web via |http: //books .google .coml 




? • 



^^ - 



/ 



^ 



WOORDENBOEK 



DKR 



rreqiientatieven 



« 

in het Nederlandsch, 



f 






f. 



T>v. A^. de J A. G Eli, 



r 



KfCIiSXli: UKKIu. 



n 



4 

I". 



4 



t? o I' n A, 

(; \\. VAN GOOU ZOKEN. 

187 5. 



^vtoordbistbobk: 



BBH 



Frequentatieyeii in het NederlandscL 



*fp^s^*^>M>«B>W^|^B|H^^^^ 



WOORDENBOEZ 



DER 



rEEQTJEIfTATIEYEI 



IN HET 



NEDERLANDSCH, 






DOOR 



3>r. Jd^ d e J ^ G E R. 



aSBBTI sasL. 



O:0UDA, 

G. B. VAN GOOR ZONEN. 

1875. 



«*4 



^ 



* i 



i 




AN OEN 






Gemeentei\aad van Rottet^dam 



WORDT DIT WERK, 



TEN BLIJKE VAN ERKENTELIJKE HOOGACHTING, 



DOOR DEN SCHEIJVER OPGEDRAGEN. 



VOOK.K.EIIDE!. 



Bg de uitgave van mijne Proeve over de Werkwaorden van HerhaUng en During in de 
Nederduitsche Taaly nu drie en veertig jaar geleden, liet ik dat werk voorafgaan door eene 
Inleiding^ die ten doel had, den aard en de vorming der behandelde werkwoorden te doen 
kennen. Zulk eene toelichting van myn onderwerp was toen niet overbodig; in de vader- 
landsche Spraakkunsten van dien tyd vond men daaromtrent geen of weinig terechtwijzing. 

Thans is het met de zaak anders gesteld. In bet vak der nederlandsche taalkunde 
zagen verschillende handleidingen het licht, in welke, onder veel wat meer grondig en weten- 
schappelyk is bewerkt, ook eene beschouwing van de meergenoemde werkwoorden niet 
wordt gemist. Ten voorbeelde noem ik de beide voortreifelijke Spraakleeren van den hoog- 
leeraar Brill; een stel werken, zoo om den leiddraad — het in mljne oogen steeds onover- 
troflen Lehrbuch van Heyse — die daarin is gevolgd, als om de oordeelkundige wgze, waarop 
dat volgen ten behoove van nederlandsche beoefenaars plaats had, hoog te waardeeren. Zelfs 
onder de leerboeken van kleineren omvang en voor het middelbaar en meer uitgebreid lager 
onderwys bestemd, koraen er voor, zooals die van den hoogl. Kern en Dr. Cosyn, en den heer 
De Groot, die meer of min beknopt onze werkwoorden van herhaling en during behandelen. 

Op grond van het aangevoerde heb ik gemeend, dat de Inleiding, die voor de Proeve 
noodig en misschien nuttig kon zyn, bij het tegenwoordige Woordenboek zonder bezwaar mocht 
worden achterwege gelaten. Om zich voor zooveel noodig is tot het begrypen en schatten 
van den inhoud mijns works te zien ingelicht, kan men thans op eene voldoende wyze elders 
te recht raken. En verlangt iemand aangaande het onderwerp eene meer opzettelijke, eene 
grondige en zich over het gansche taalgebied uitstrekkende ontwikkeling, hy zal de Sprach" 
wissmschaftliche Abhandlung van Dr. Georg Gerland, getiteld Intensiva und Iterativa und ihr 
VerhdUniss %u einoMder en in 1869 te Leipzig verschenen, met vrucht kunnen raadplegen. 

Terwyl ik my aldus thans ontslagen reken van de behandeling van het onderwerp 
op zich zelf en in het algemeen beschouwd, mag ik dit niet ten aanzien van de wyze, waarop 
het door my in het Woordenboek is opgevat en uitgewerkt. Die opvatiing moot verantwoor- 
den wot door my is opgenomen ; de uitwerking, hoe het opgenomene is behandeld. 



VI VOORREDE. 

Onder de benaming van frequenUUieven in hel nederlandsch is door my begrepen de 
klasse vaa werkwoorden in onze taal, die uit reeds bestaande werkwoorden zijn afgeleid, en 
door verlenging of versterking van den uitgang van het zakelgke deel eeiie herhaling of 
voortduring, eene vermeerdering of afneming van de werking aanduiden. Bij de taalkundigen 
dragen ze den naam van frequeniatieven^ fortatieveny mtentUieven, Ueratieven en dimmutieven (of 
wil men Mever deminulieven); benaniingen, deels hetzelfde aanduidende en dus onverschillig toe- 
gepast, deels onderscheiden en dan gegrond op het verschil dat men meende te bespeuren in 
den aard der wijziging, die de beteekenis des primitieven ^verkwoords by het overgaan tot 
afleiding ondergaat. Uaar by die wyziging het denkbeeld van herhaling zeker het meest 
algemeene is en de overige onderscheidingen dikwerf ineenloopen en moeyelyk zyn uit 
elkander te houden, is door my, in navolging van anderen, de geheele woordklasse met den 
naam van frequentatieven bestempeld. 

De meest gewone vorming van frequentatieven is die, waarby de werkwoordswortel 
de uitgangen el of er aanneemt, en zoo nieuwe werkwoorden maakt met de uitgangen elen 
of eren^ door Lambertus ten Kate zacht-dubbelstaartig genoemd.- Zy maken de Eerste en de 
Tweede Afdeeling van het Woordenboek uit. Dat de tweederlei verlenging in beteekenis 
weinig verschil maakt, blykt uit het aantal frequentatieven van beiderlei uitgang, die van 
hetzelfde primitief zijn afgeleid, b v. bobbelen en bobberen^ kekelen en kekeven^ kenielen en ket^ 
tereUy knippelen en knipperen, mangelen en mangeren^ pondelen en panderen^ enippelen en mtp- 
peren, slamelen en statneren, teutelen en teulereny wandelen en wanderen, wispeUn en wisperen^ 
zengelen en lengeren^ zijpelen en iijperen enz. Men weet trouwens, dat de tongletters, op 
welke het bier aankomt, ook in andere gevallen meermalen wordeu verwisseld. 

Veel minder talrljk zijn de werkwoorden. die in de Derde Afdeeling zyn opgenomen. 
Zy voegen achter den wortel den uit^^ang en^ en geven alzoo afleidingen op enen. Het be* 
staan van deze soort van werkwoorden als frequentatieven is niet algemeen aangenomen, en 
ook werkelijk betwistbaar. By niet vele toch is een blyk van het herhalende in de betee- 
kenis te ontdekken, en de vorming op enen heeft groote overeenkomst met de gewoonte in 
het middelnederlandsch om de vormen der onbepaalde wyze in de uitspraak te veriengen, en 
het nog heerschende gebruik in onze volksspreektaal om die verlenging steeds in acht te 
nemen bij eenlettergrepige werkwoorden, als sij sienen het niet, wij ganen niet mei^ de voldoe- 
nende maatregelen enz. Intusschen, door Bilderdyk en anderen is het bestaan van nederland- 
sche frequentatieven op enen aangenomen, en ook Adelung noemt b. v. reehnen een intensi- 
vum van rechen^ en zeichnen van seichen Ja zelfs Dr. Gerland, in zyne bovengenoemde 
geleerde Verhandeling, meent in verschillende talen sporen te zien van de verlenging door n 
en voert als voorbeeld daarvan het tegenwoordige hoogduitsche werkwoord stwmen aan, dat 
door hem, evenals vroeger door Adelung, verklaard wordt door staue-nen^ van den wortel 
stau, aan stehen^ staan, verwant. Hoe dit zyn moge ; nevens amen^ bakenen, bameny rokkenen, 
tameny samenen heefl of had onze taal arren, baken, barren, rokken, tarren, %amen, in blykbaar 
dezelfde of samenhangende beteekenis. Wat zou beletten, de eerste vormen te beschouwen 
als uit de tweede ontstaan, en de wijziging der beteekenis, door de verlenging aangebracht, 
gelyk te stellen met die, welke de invoeging van e/ of ^ veroorzaakt, en die waarlyk ook niet 
altijd evenzeer in het oog loopt? Wie in zamelen een frequentatief ziet van %amen^ mag dit 
ook zien in samenen, zlj de aard van het sufiHx in het laatste daartoe minder geschikt dan 
in het eerste. Verre van het moeyelyke vraagstuk als door deze opmerkingen uitgemaakt te 



m.Mwm «. — : 1 .: — ^ --» '-^ -jr 1. ~ ' "I ~\.d V ' . ~ 



VOORREDE. Vn 

willen zien, ontleende ik er de vr'ijheid aan, om de werkwoorden op enefi in het Woorden- 
boek, geiyk vroeger in de Proeve, op te nemen. 

Als de Vierde Afdeeling uitmakende zgn opgenomen de werkwoorden met de uil- 
gangen eh ten of gten en ftm. Zij ontsiaan door zelfstandige naamwoorden, die eigenlgk den 
onvolmaakt verleden tijd van het primitieve werkwoord vormen. Zoo is van wakefi wacht, 
van togen tocht^ van stijven siift of door eene gewone letterwisseling $ticht^ en vandaar we- 
derom de afleidingeu wachten^ iochten en slilten of slichten. Bilderdijk, die in zyne Verhand. 
over de Geslachten vooral over dit onderwerp verdient nageslagen te worden (zie b. v bl. 109, 
133, 134, 305 — 310 en 327) merkt te recht op, dat wachlen een aanhoudend waketh tochten 
een aanhoudend togen is enz. Zoowel de wyze, waarop deze werkwoorden ontstaan, als de 
wijziging, die z'y in hunne beteekenis vertoonen, geven hun eene plaats onder de frequentatieven. 

Aangaande de woordklasse^ in de Vijfde Afdeeling van het Woordenboek opgenomen, 
die op igen^ is het recht tot die opneming niet zoo zeker. Sommigen onzer taalvorschers 
brachten ze tot de frequentatieven ; sommigen niet. Bilderd'yk, die moest erkennen, dat onze 
werkwoorden op igm niets minder dan frequentatieven zijn, en dat zij noch herhaling noch 
during uitdrukken, stemt toch toe, dat, om door hem gegeven redenen, in eenen mimen zin 
genomen, de benaming van frequentatief er op toegepast kan worden; zie zijne Verhand. over 
de Gesl. bl 329 en 332. De Redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal erkent, 
in oDze taal zoowel als in het hoogduitsch, afgeleide werkwoorden op igen^ met bljvormen op 
«fi, en gevormd van grondwoorden die niet op t^ uitgaan, zooals reinigen van rein ; doch weet 
de wyze hoe die vorming heefl plaats gegrepen, niet voldoende op te lossen; zie Kolom 7 
van het art. G. Welnu, tot zoo lang verdere nasporing hier meer licht geeft, neem ik de 
vrijheid, om de byvormen op en te beschouwen als primitieven, van welke door eene in- 
lassching van t^, die de Redactie i^anorganisch noemt, naar analogie van regelmatige afleid- 
sels" afleidingen ontstaan, die, zooals Bilderdijk het uitdrukte, iets hebben zoowel van het 
herhalende als van het durende, of wil men liever zooals Lulofs zeide, die den sch'yn van 
frequentatieven hebben. 

Ziedaar de stof, die het Woordenboek heeft opgenomen I Wat betrefl de wijze, hoe 
zij is bewerkt : die kan in weinig woorden aangeduid worden. Het doel des works is de 
freguentatieve werkwoorden omer taal in hun bestaan, afkomsty beteekenis en gebruik te staven. 

Is een frequentatief uit zyn aard een afgeleid woord, dan moet het woord waaruit 
het ontstond, 't welk den naam van pritnitiefy ook wel van simplex draagt, zyn aan te wyzen 
of op te sporen. Is het binnen de grenzen van ons taalgebied niet te vinden, dan moeten 
de verwante tongvallen of talen het opleveren; en doorgaans is dit ook het geval. Niet 
dikwerf is door my een primitief moeten worden aangeuomen of ondersteld, dat niet door 
den een of dnderen vorm in verwantschap of afleiding werd aan de hand gedaan of bevestigd. 
Ik houd het voor niet onmogelyk, dat een werkwoord van frequentatieven vorm als op eens 
en zonder voorafgaand primitief zij ontstaan; woordvormingen, bloot uit analogie met andere 
geboren, zyn in de taal geene zeldzaamheid. Zelfs acht ik het voor zeker, dat somwijlen 
door een omgekeerden gang der zaak, een primitief werkwoord is gesteld nevens een vroe- 
ger reeds bestaand frequentatief, om de eenvoudige reden, dat voor het taalgevoel nu een- 
maal een woord van de laatste soort niet geacht werd te bestaan zonder een vorm van de 
eerste. Het juiste tydperk van het ontstaan der meeste woorden ligt te zeer in het onzekere, 
om hier met stelligheid ep de voorbeelden te kumien wyzen. 



Vra VOORREDE. 

Uit het verband van het frequentatief met zyn primitief vallen natuurlyk opmer- 
kingen te maken over de overeenkomst of het verschil in beteekenis en gebruik van beiden. 
Die beteekenis en dat gebruik heb ik gemeend zooveel mogelijk in tweederlei opzicht te 
moeten nagaan; vooreerst uit de verwante talen, en ten tweede uit onze vroegere en latere 
spreek- en schrgflaal. Den schat onzer moedei*spraak, zooals die gedurende de opvolgeiide 
eeuwen onzer lettergeschiedenis in de geschriften der nederlandsche schrijvers in gebonden en 
ongebondeu styi is nedergelegd, heb ik mij bevlijtigd vooral te raadplegen. Het is mij steeds 
voorgekomen, dat door het te weinig putten uit die bron menig onjuist oordeel is geveid, 
menige verkeerde beslissing is gevallen. Men kan een geleerd en scherpzinnig taalbeoefenaar 
zijn en toch, waar het op het stellen en toepassen van regels aankomt, mistasten, alleen 
omdat men verzuimd heeft, den aard der taal uit den mond des volks of de pen der schrg- 
vers behoorlyk te leeren kennen; omdat men, met andere wooiden de processtukken niet 
heeft bestudeerd, waaruit hoofdzakelijk het vonnis moet worden opgemaakt 

Dat ik my in alle artikelen des Woordenboeks even strnng aan dezelfde methode 
heb gehouden en niets geleverd, wat buiten het opsporen der primitieven en het toelichten 
der beteekenis door het gebruik gaat, zal ik niet beweren. Veeleer beUjd ik, waar de gele- 
genheid my voorkwam tot het maken van opmerkingen van anderen aard, daarvan te hebben 
gebruik gemaakt Bijzonderheden van eenig taal- of letterkundig belang, ook niet in recht- 
streeksch verband met het frequentatiefwezen, kwamen mij voor in een werk als het mgne 
niet misplaatst te zyn. Het werd opgezet en byna voltooid, toen Weilands werk i^hei Woor- 
denboek'' was: aan te vuUen wat daaraan ontbrak, was by de uitgave mgner Proeve evenals 
by de latere bewerking van haren inhoud steeds mijn toeleg. 

In verband met de laatste opmerking kan de vraag rijzen, of de volvoering der taak 
zooals die door my werd opgevat, geacht mag worden haar belang te behouden by de bear- 
beiding van i^het Woordenboek", dat we nu sedert elf jaar zien verschynen ; dan wel of de 
artikels van het eene wellicht die van het andere overtoUig maken, zooals werkelyk een 
myner Beoordeelaars daaromtrent eenige bekommering scheen te voeden. Mij dunkt, voor 
vrees te dezen opzichte bestaat geenerlei grond. Twee boeken, waarvan het eene de woor- 
den uit ^en of twee oogpunten beschouwt, en het andere zulks doet in veel, in alle mogelyke 
opzichten. kunnen elkander niet in den weg zyn. Wil men eene proeve van deze bewering 
nemen, men vergeUjke slechts myne bearbeiding van het woord Aarzelen met die van ihet 
Woordeiiboek'' op hetzelfde artikel, het eenige van myn Eerste Deel, dat het met de elf 
A-Afleveringen der Redactie gemeen heeft. Dat »/iref Woordenboek'\ indien het tot de be- 
handeling der overige frequentatieven wordt voortgezet, van myn voorarbeid gebruik zal 
kunnen maken, ligt in den aard der zaak en wordt door my ook wenschelyk geacht; doch 
ongerustheid, dat aan de Redactie door mij het werk uit de handen zou zyn genomen, en 
dat zij zich slechts tot overnemen zou hebben te bepalen, bestaat by mij volstrekt niet Ik 
meen dat z'y, ook naar den aard van haar werkplan, in enkele opzichten wel iets minder, 
maar in andere heel wat meer zal hebben te leveren dan mljn werk bevat 

Tot de opmerkingen, waartoe een blik op het Woordenboek der Frequentatieven, 
waarvan het nu verschynende Eef*ste Deel de kleinste helfl aanbiedt, my, en ik vertrouw ook 
anderen, leidt, behoort in de eerste plaa's, dat onze moederspraak eene ryke taal is. Wie 
zou hebben kunnen vermoeden, dat alleen de Afdeeling, die het tegenwoordige Deel uitmaakt 
en in myne Proeve van 1832 nog geen vierhonderd hoofdwoorden telde, tot meer dan 



VOORREDE. IX 

duizend artikels zou uitloopen? Wei mag, zooals ik in myne vroegere Inleiding opmerkte, 
op eene taal geroemd worden, die de onschatbare eigenschap bezit om door eene eenvou- 
dige wijziging der uitgangen haren woordenschat als tot in het oneindige te vermenigvuldigen ; 
eene eigenschap, die (naar de uitdrukking van Huig de Groot) zelfs de kinderen in staat 
stelt, onder het spelen en dartelen, zonder dat zlj er zelve om denken, zich woorden te 
laten ontvallen, die wel nieuw zyn, doch geen de rainste gedaante van nieuwheid vertoonen ; 
en die men niet alleen verstaat, maar zelfs niet aanhoort, dan als zulke, waaraan men 
dagelijks gewoon is. 

Ter voorkoming van misverstand is het wellicht voor sommigen nuttig hier te herinneren, 
dat het Woordenboek alleen frequentatieven opneemt, die het werkelijk zijn en niet die er 
den vorm van hebben. Tot de laatsten behooren behalve de werkwoorden van vreemden 
oorsprong, als duivelen^ spiegelen>, boegeren, foeteren^ foltereny dezulken, welker wortels geen 
verbalia zijn, zooals adeleuy disseleriy pekelen, hamereny meesteren enz., alsmede de zoodanigen 
die, ook wanneer de wortels van werkwoorden afstammen, genomen worden in eene betee- 
kenis, die niet ontleend is aan het primitieve werkwoord,* maar aan het daarvan gevormde 
naamwoord; dus is het met handelen voor koophandel drijven, btnrelen voor een borrel drin- 
ken, maselen voor aan de mazelziekte lyden, wervelen voor met een' wervel sluiten, ankeren 
voor het anker uitwei*pen enz. Al de genoemde dubbelstaartige werkwoorden zijn wat men 
noemt denominatieven en geen frequenUUieven, Achter m'ljne Proeve gaf ik er eene lijst van, 
die voor groote uitbreiding vatbaar is. In plaats echter van de vermeerderde opgave hier 
opnieuw te leveren, zag ik er grooter nuttigheid in, meer opzettel\jk stil te staan btj die uit* 
drukkingen er onder, welker afleiding niet zoo dadelyk in het oog valt. Onder den titel van 
Sehijnbare FrequenUUieven in het Nederlandsch vindt men in De Taal- en Letterbode eenige 
reeksen opgenomen, die ik denk daar of elders voort te zetten. 

Eene andere opmerking, die zich ook den oppervlakkigen beschouwer van dit 
Woordenboek aanbiedt, betreft de nauwe verwantschap der germaansche talen en tongvallen 
onderling. Zij bliikt, zou ik zeggen, in geene woordklasse meer, dan in de hier behandelde. 
Bijna geene uitdrukking, byna geene beteekenis, of zy wordt gestaafd door meer of min over- 
eenkomstige vormen of beteekenissen van elders. Van een nederlandsch frequentatief het 
jirimitief alleen in een of ander hoogduitsch dialect of in het verouderd engelsch aan te 
treffen, is geene zeldzaamheid ; wederkeerig is van vreemde frequentatieven somwylen de 
1 oorsprong alleen in het nederlandsch voorhanden Eene krachtiger bydrage ter aanbeveling 

/ van eene vergelykende taalbeoefening kan wel niet worden geleverd. 

Van niet minder waarde is my by ondervinding gebleken de kennis onzer volkstaal 
te wezen. Aan een goed deel onzer frequentatieve werkwoorden gaf zy het aanwezen. Het 
volk is in dit opzicht vooral het spraakmakende deel der natie. Ik houd my verzekerd, dat 
zoo iemand zich wiLde verledigen om, by voorbeeld, uit het Idioticon van Schmeller de fre- 
quentatiefvormen te verzamelen, die in dat werk uit den mond des volks zyn opgeteekend, 
hun aautal duizenden zou bedragen, waarvan de Woordenboeken er geen enkelen bevatten. 
De werken der belgische taalkundigen, Schuermans en De Bo, leveren eene dergelijke by- 
drage ter waardeering der door hen behandelde volksdialecten, en het verblydt my, dat ik 
met die twee onschatbaar ryke bronnen myn voordeel heb mogen doen. Zy hebben my de 
gelegenheid verschaft om aan menige uitdrukking, die alleen in de aloude vlaamsche taal 
wordt gehoord, naar recht eene plaats te verleenen in een nederlandsch Woordenboek, 



X VOORREDK 

In hoeverre ik overigens geslaagd ben in het opsporen en raadplegen van wat by 
de behandeling van mgn onderwerp van diensl kon zyn, moet de inhoud des werks getuigen. 
Dat ik niet alles heb gezien, dat ik niet altyd juist heb geoordeeld, weet ik zeif te goed, 
dan dat ik er e^eeu verschooning voor zou inroepen. Meer lectuur, een |anger onderzoek, 
zou tot grootere volledigheid en nauwkeurigheid hebben geleid. Dan, geiijk ons leven, moet 
ieder onzer werken een einde hebben. Ofschoon onder de later verschenen hulpmiddelen 
er nog wel een en ander voorkwam, dat ik gewenscht had te gebruiken, zooals b. v de nu 
onlangs volledig geworden voortrefifeiyke uitgave van Hoofis Gedichten door den heer Leen- 
dertz: ik moest het opgeven. En ook, wkkr zou het einde zijn? 

Ik zou aan m'yn plicht te kort doen, zoo ik hier niet met erkentenis gewaagde van 
de gunstige wyze, ^aarop het Woordenboek door deskundigen is ontvangen. Zoo wel vlaam- 
8che als noordnederlandsche Geleerden hebben er van gesproken op eene wyze, die my 
voldoening schonk. Mogen zy wederkeerig de voldoening smaken, dat huiine aanbeveling by 
velen belaugstelling wekt. Het behoefl niet te worden gezegd, dat ondernemingen gelyk deze 
zoodanige ondersteuning te onzent grootelijks behoeven, om tot stand te komen. De wyze 
waarop en de spoed waarme^ de Uitgevers zich van hunne taak kwijten, geven hun, myns 
bedunkens, daarop almede biilyke aanspraak. 

Den belangstellendrn Lezer dezer Voorrede zy nog bericht, dat aan het slot van het 
werk een alphabetische Kolomwyzer der behandelde nederlandsche woorden en vormen 
zai geplaatst worden, 

fiotttrdam, 16 Jiudj 1875. A. SB JAOEB. 



yan eenige yerkorte aanhalingen en gebmikte mtgayen. 



Adeliing. — Grammatisch-Kritisches WOrlerbuch der Hochd. Mundart, u. s. w. von Job. Christ. 

Adelung, 4 Theile. Zweyte Aiisg. Leipzig 1793—1801. (4to ) 
Akensch dialect, zie MOIler u. Weitz. 
Anton. — Alphabetisches Verzeichniss mehrerer in der Oberlausitz ublichen, ibr zum Thei) eigenthOm- 

Hchen, Wdrter und Redensarten, 19 Stucke. G6r]itz 1825—1848. (4to ) 
Bekker, De betoverde Weereld, Deventer, 1739. (4to ) 
Benecke. — Mittelhocbd. W6rterbuch. mit benutzung des Nacblasses von Georg Friedricb Benecke 

ausgearbeitet von Wilh. MQller und Fr. Zamcke. 3 Bde. Leipzig 1854 — 1861. (Roy. 8vo ) 
Bemd. — Die Deutsche Sprache in dem Grossherzogth. Posen und einem Theile des angrenz. K6nigr. 

Polen, u. 8. w. von Dr. Ghn. Sam. Theod. Bemd. Bonn, 1820. (Kl 8vo ) 
Bloemkrans. — BLoemkrans van Verscbeiden Gedichten, door eenige Liefhebbers der Po^zij bij een 

verzamelt. Amst. 1659. (Kl. 8vo.) 
Bo (De). — Westvlaamsch Idioticon, bewerkt door L. L. de Bo, Priester en Leeraar enz. 2 Deelen. 

Brugge, 1873 (Roy. 8vo ) 
Bock. — - Idioticon Prussicum oder Entwurf ein. Prauss. Wdrterbuches, u. s. w. er6fnet von Job. Geo. 

Bock, u. s. yf. Konigsberg. 1759. (Kl. 8vo.) 
Bomhoff. — Nieuw Groot Woordenb. der NederL Taal enz. door D. Bomhoff, Hz. Leyden, 1858. (8vo.) 
Borel. — Dictionn. des termes du vieux Francis, ou Tr^sor de Rechercbes et Antiquit^s Gauloises 

et Francises, par M. Borel etc. Paris, 1750. (Fol.) 
Bouman. — De Volkstaal in Noord-holland, enz. door J. Bouman enz. Met een Voorw. van P. Leen- 

dertz Wz. Purmerande, 1871. (Kl. 8vo.) 
Bredero. — Alle de Wercken, soo Spelen, Gedichten enz. van den geestrijcken PoSt Gerbr. Adr. Bre- 
. dero. Amst. 1644. (Kl 8vo ) Inh. (met afzonderlijke titels) : Roddrick ende Alphonsus — Griane — 

Lucelle — Moortje — Jerolimo — Stommen Ridder — Angeniet — Schijn-heyligh — Het daget 

uyt den Oosten — Nederd. PoSmata — Kluchten — Boert Amor, en Aend. Liedtboeck (ongepagineerd). 
Brem. Nied. Wtb. — Versuch eines bremisch-nieders. Wftrterbuchs, u. f. y/, von der bremischen 

deutschen Gesellschafl (J. H Tiling) 5 Theile. Bremen, 1767—1771. (8vo ) 
Brockett. — A Glossary of North Country Words with their Etymology etc. Third Edition, 2 Vol. 

Newcastle upon Tyne, 1846. (8vo) 
Brune (Jan de) de Jonge, Jok en Ernst, Minnedichten enz. Harlingen, 1668. (8vo.) — Dez. Wetsteen 

der Vemuften. Aemsteldam, 1648. (4to.) 
Babler. — Davos (Kanton Graubdnden) in seinem Walserdialekt, u. s. w. von Valentin BQhler, St. 1 — 3. 

Heidelberg, 1870-4874. (8m) 



Xn AANWIJZING ENZ. 

Burmari. — Eenige Aanmerkingen, de Nederd. Taal. en versch. Oudh aengaende, door Frans Burman 

2 Din. Utrecht, 1768. (Kl. 8vo.) 
Cflstelli. — W6rterb. der Mundart in Oesterr. unter der Enns, von J. F. Gastelli. Wien, 1847 (Kl 8vo ) 
Cats. — Alle de Wercken soo Oude als Nieuwe van den Heer Jacob Cats enz. in Folio, 2 Din. Amst. 

en Utrecht, 1700. Daarachter: Gedachteii op Slapel. Nachten en hetTwee- en tachtig-jarig Leven. 
Gieraet (Vrouwelick) van Sint Agnes versmaedt, enz. (door Joh. Stalpaert van der Wielen.) t*Sher- 

toghen-Bosse, 1622. (4to) 
Dahnert. — Platt-Deutsches W6rter-Buch, nach der alten und neuen Pommerscben u Rugischen 

Mundart, von Joh. Carl Dahnert. Stralsund, 1781. (4to.) 
Danneil. — W6rlerbuch der altraark. plaltd. Mundart von Joh. Friedr. Danneil. Salzwedel, 1859. (8vo.) 
Delling. (Von) — Beitrage zu einem baierischon Idiot ges. von Joh. von Delling 2. Th. Miinchen, 1820. (8vo ) 
Discoursen van Machiavel. — De Discoursen van Nicolaes Machiavel Florentijn enz. uyt den Italiaan* 

schen in onse Nederd. Tale overgeset door A. van Nievelt. — Daarachter: Nicolai Machiavelle 

Prince ofle Onderrichtinghe enz. Beiden z. p. Ghedruckt Anno 1625 (KL 8vo ) 
Don Quichot. — Den verstandigen vromen Kidder Don Quichot de la Mancha, geschreeven door Mig. 

de Cervantes Savedra, en nit de Spaansche in onze Ned. Tale overgezet door L. v. B. De 6e druk. 

2 Din. Amst. 1707. (Kl 8vo.) 
Epkema. — Woordenboek op de Gedichten enz. van Gijsbert Japicx, door E. Epkema. Leeuw. 1824. (4to.) 
Erasmus Lingua. — Lingua, Dat is de Tonge leerende enz. Inden Latijne beschreven door. Erasmus 

van Rotterdam, enz. 's Gravenhaghe, 1628. (Kl. 8vo.) 
Fulda. — Sammlung und Abstammung Germanischer Wurzel-WOrter u. s. w. (von Friedrich Carl 

Fulda.) Herausgeg. von Joh. Georg Meusel. Halle, 1776. (4to.) 
Fulda, Idiotikens. — Versuch einer allgem. teutschen Idiotikensammlung, u. s. w. von Friedrich Carl 

Fulda. Berlin und Stettin, 1788. (8vo.) 
Gangler. — Lexicon der Luxemburger Umgangssprache u. s. w. von J. F. Gangler. Luxemb. 1847. (8vo) 
Gedichten (Versch. Ned.) — Verscheyde Nederd uytsche Gedichten, van Grotius, Hooft, Barlaeus, Huy- 

gens, Vondel en andd. Amst. 1651. (Kl. 8vo.} 
Graff. — Althochdeutscher Sprachschatz oder WSrterbuch der althochd. Sprache u. s. w. von Dr. E. G. 

Graff. 6 Theile. Berlin, 1834—1842. Mit Vollstandiger alphab. Index von H. T. Massmann. 

Berlin, 1846. (4to.) 
Grimm. — DeuUche Graramatik, von Jacob Grimm. 4 Theile. Gottingen, 1819—1837. Erster Theil, 

2le Ausg. 1822. 3te Ausg. 1840. (8vo.) 
Grolman. (Von) — Woiierbuch der in Teutschland ublichen Spitzbuben-Sprachen, von F. L. A. von 

Grolman. ler Band. Giessen, 1822 (8vo.) Der 2. Bd. ist nicht erschienen 
Ualbertsma Aantt. — Aanteekeningen op hel Vierde Deel van den Spiegel Historiael van Jacop van 

Maerlant, door J. H. Halbertsma. Uitgeg. door de Tweede Kl. v. h. Kon. Ned. Inst. Deventer, 

1851. (8vo.) 
Halbertsma Woordenb. — Woordenboekje van bet Overijsselsch. Proeve van J. H. Halbertsma. Gepl. 

in den Overijsselsche Almanak voor Oudh. en Lett, van 1835. Deventer. (Kl. 8vo.) 
Halliwell. — A Dictionary of Archaic and Provincial Words, absolete Phrases, Proverbs etc. by Jam. 

Orch. Halliwell, 2 Vol. Third Ed. London, 1855. (8vo.> 
Halma. — Woordenboek der Nederd en Fransche Taalen, enz. door Francois Halma. 4e druk. *8 Hage 

en Leiden, 1781. (4to) 
Harrebom^e. — Spreekwoordenboek der Nederl. Taal enz. door P. J. Harrebom^e. 3 Din. Utrecht, 

1858—1870. (Royaal 8vo.) 
H^cart. — Dictionnaire Rouchi-Fran^ais. Par G. A. J. H^cart. 3e Ed. Valenciennes, 1834. (8vo.) 
Helicon. (Den Nederd.) — Den Nederduytschen Helicon, Eygentlijck wesende der Maetdichtbeminders 

Lust-tooneel, enz. (door K. van Mander en andd.) Alckmaer, 1610. (Kl. 8vo.) 
Heyns (Maria) Bloemhof. — Bloemhof der Doorl. Voorbeelden enz. Uit de Schriften van Ph. Gome- 



AANWIJZING ENZ. Xffl 

rarius, Michiel de Montanje en andd. Schr. getrokken en veiiaalt, door Maria Heyns. Aemst 

1647. (4to.) 
Hoeufft. — Proeve van Bredaasch Taaleigen enz. verz. en toegel. door Mr. J. U. Hoeuffl. Breda, 1896. 

Aanhangsel, aid. 1838. (8vo.) 
Hoeufft. — Verzameling van Fransche Woorden, uit de Noordsche talen afkomstig enz bijeengebr. 

door Mr. J. H. Hoeufft. Breda, 1840. (8vo.) 
H5fer. — Etymologisches W5rterbuch der in Oberdeutschland vorzQgl. inOesterreichQblichenMundart. 

Von Matth. H5fei. 3 Theile. Linz, 1815. (8vo.) 
Honigbije. (De) Zes deelen. Leeuvtr. 1765—1771. (Kl. 8vo.) 

Honigbije. (Nieuwe) Zijnde een uitmunt. Verzameling van schoone Verzen. 4 Din. Leeuw. 1784. (Kl. 8vo.) 
Hooft. — P. G. Hoofts Nederl. Historien. Derde Druk. AmBt. 1677. (Fol.) — P. a Hoofls Werken. 

D. i. Henrik de Groote. Rampzaaligheden der verb, van den huize Medicis. Gedichten. Amst. 

1671. (Fol.) 

Hoofts Brieven. — P. G. Hoofts Brieven, Nieuwe vermeerd. uitg. enz. (door Dr. J. van Vloten.) 4 Din. 

Leiden, 1855—1857. (Kl. 8vo.) 
Hoofts Tacitus. — G. Gomelius Tacitus Jaarb. en Hist. enz. Vert, door P. G Hooft. Amst. 1684. (Fol.) 
Hoogstraten. — Lijst der gebruikel. Zelfstandige Naamwoorden, bet. door hunne Geslachten enz. door 

D. van Hoogstraten. Zesde Druk enz. aanmerk. verm, en opgeh. door Adriaan Kluit. Amst. 1783. (8vo.) 
Hor. Belg. — Horae fielgicae, Studio atque opera Henrici Hoffmann, Fa llerslebensis, 12 Vol. Vratislaviae, 

Lipsiae. Hannoverae, Gdttingae, 1830—1862. (8vo.) 
HQgel. — Der Wiener Dialekt. Lexikon der Wiener Volksspracbe. Von Dr. F. S. Hflgel. Wien, Pest, 

Leipz. 1873. (8vo.) 
Huppel — Idioticon der Deutscben Sprache in Lief- und Ehstland, (von G. Huppel.) Riga, 1795. (Kl. 8vo.) 
Huygens. — Korenbloemen. Nederl. Gedichten van Gonst Huygens. Tvreede Drack. 2 Din. Amst. 

1672. (4to.) 

Idioticon (Algemeen Vlaamsch) enz. bewerkt door L. W. Scbuermans enz. Leuven, 1865—1870. (8vo.) 
Johnson. — A Dictionary of the English Language etc. By Samuel Johnson. In two Volumes. 8tb. 

Ed. London, 1799. (4to). 
Juweel (Gonstthoonende), by de loflijcke stadt Haerlem. . in H licht gebracht. Enz. In twaelf Spelen 

van Sinne. Zwol, 1607. (4to.) Daarachter: Haerlems Juweel. Zwol, 1606 (beiden ongepagineerd.) 
Kaindl. — Die Teutsche Sprache aus ibren Wurzen u. s. w. von Job. Evang. Kaindl. 4 Bde. Sulz- 

bach, 1815—1824. (8vo.) 
Kaltscbmidt. — Sprnchvergleichendes W5rterbuch der deutscben Sprache u. s. w. von Jak. Heinr 

Kaltschmidt. Leipzig, 1839. (8vo.) 
Kate. (Ten) — Aenleiding tot de Kennisse v. b. verb. Deel der Nederd. Sprake enz. door Lambert ten 

Kate Hermansz. 2 Din. Amst 1723. (4to.) 
Kausler Denkm. — Denkmfiler altniederlfindischer Sprache und Litteratur, herausgeg. von Eduard 

Kausler. 3 Bde. TQbingen, 1840—1844, Leipzig, 1860. (8vo.) 
Kehrein. — Volksspr. und Volkssitte im Herzogthum Naspau von Jos. Kebrein. 2 Bde. Weilburg, 1862. (8vo.) 
Kil. Kiliaan. — Etymologicum teutonicae Linguae, etc. Gurante Ger. Hasselto. 2 Vol. Traj. Batav. 1777. (4to.) 
Klein. (Von) — Deutscbes Provinzialw6rterbucb. Von Ant. Ed. von Klein. 2 Bde. Frant u. Leipzig, 

1792. (Kl. 8vo.) 
Klioos Kraam, toI verscheiden Gedichten. Leeuw. 1656 (Kl. 8vo.) 
Krul. (J. H.) Pampiere Wereld enz. In Vier (naar de pagin. in Twee) Deelen. Amst 1681. — Dez. 

Eerlycke Tytkorting, waarin Minnebeelden, Minnel. Sangbrympjes, Bruyl. Gred. Diana, Gloria en 

Philida, Rosemondt en Ranicles, Helena enz. alles afzond. gepagineerd. Haerlem, 1634. (4to.) — 

Dez. Minnespiegel ter Deugbden en Weghwyser ter Deughden. Amst 1639. (4to.) 
Laurman. — Proeve van Kl. taalk. Btjdragen tot beter Kennis v. d. Tongval in de Prov. Groningen, 

door M. T. Laurman. Gron. 1822. (8vo.) 



XIV AANWIJZING ENZ. 

Leven van Marc. Aurel. — Fgulden Boeck, Van het leven ende Seyndbneven van den welaprek. 

Orateur ende Keyser Marcus Aurelius, enz. Amst. 1612. (Kl. 8vo.) 
Levens van Plut. — 't Leven der doorl. Griecken ende Romeynen, tegen elck anderen vergeleken door 

Plutarchus van Chaeronea. Wl de Grieksche Sprake overg. door M. Jaques Amyot ens. van nieoa 

verduyscht door A. Y. Z. V. Nieuvelt. Delft, 1644. (Fol.) 
Lexer. — KSrntisches W5rterbucb von Dr. Matthias Lexer. Leipzig, 1862. (Kl. fol.) 
Lexer, Uandwtb. — Mittelhochdeutscbes Handwdrterbuch von Dr. Matthias Lexer, u. r. w. 2 Th. 

Leipzig, 1860—18.... (8vo.) 
Mareta. — Proben eines Worterb. der Osterreich. Volkssprache, von Hugo Mareta. Wien, 1865. (8vo.) 
Marnix. — Het Boeck der Psalmen, wt der Hebr. Sprake in nederd. dichte enz. doir Phih'p van Mar- 
nix. Middelb. 1591. (KL 8vo.) 
Marnix* Bienkorf der Ueyl. Roonascher Kercke, z. p. Anno 1572. (Kl. 8vo.) 
Meijer. — L. Meijers Woordenscbat enz. Twaalfde Dnik. Dordrecht, 1805. (8vo.} 
Manage. — Dictionnaire Etymologique de la Langue Fran^aise, par M. Manage etc. Nouvelle ed. etc. 

2 Vol. Paris, 1750. (Fol. ) 
Moock. (Van) — Nieuw Nederduitsch-Fransch Woordenboek, door S. J. M. van Moock. 5 Stukken. 

Amhem, 1833—1846. (8vo.) 
MuUer und Weitz. — Die Aachener Mundart. Idiotikon u. s. w. von Jos. Muller und Wilh. Weitz. 

Aachen u Leipz. 1836. (Kl. 8vo.) 
Museum. (Belg.) — Belgisch Museum voor de Nederd. Tael- en Letterkunde en de Gesch. d. Vad. door 

J. F. Willems. 10 Din. Gent, 1837—1846. (8vo.) 
Museum. (Vad.) — Vaderlandsch Museum voor Nederd. Letterkunde, Oudheid en Geschiedenis, uitgeg. 

door C. P. Serrure. 5 Din. Gent, 1855—1863. (8vo.) 
Nachtegael. (Den Gheestelijcken) Inboudende Geestel. Lofsangen op alle de Feestdagen, en%. 3 Din. 

t' Antwerpen, 16:34. (Kl. 8vo.) 
Nares. — A Glossary or Collection of Words, Phrases, Names and Allusions etc. By Robert Nares. 

Stralsund, 1825. (8vo.) 
Nicolai. — Versuch eines dstreich. Idioticon, von F. Nicola i. 1785. (8vo.) 

Oorlog (Uytbeemschen) ofteRoomse Mintriomfe, doorM. van Merwede, enz. 3e dr. In 't jaer 1676. (K1.8vo). 
Orangien Lely-hof, (Het Leydsch Vlaemsch) verciert met veel verscheiden nieuwe Vruchten, tsaemgest. 

by de Brooders In liefden Groeyende. Leyden, 1632. (4to.) 
Oudaan, Agrippa. — Henrik Komelis Agrippa van Nettenheym. Van de Onzekerh. en Ydelh. der 

Wetensch. en Konsten, Uit het Latyn enz. door J. Oudaan. Rotterd. 1661. (Kl. 8vo.) 
Outzen. — Glossarium der friesischen Sprache, besonders in nordfr. Mundart, zur Vergleichung u. s. w. 

von N. Outzen. Herausgeg. von L. Cngelstoft und G. Molbech. Kopenhagen, 1837. (4to.) 
Paffenrode. — Gedichten van J. van Paffenrode, 12e Dr. Amst. 1711. (Kl. 8vo) 
Plantijn. — Thesaurus Theutonicae Linguae. Schat der Nederd. Spraken. Antv. ex- ofllc. Gliristoph. 

Planiini Prototyp. Regii. 1573. (4to.) 
Plutarchus. — Z\e Levens van Plut. 
Rabelais. (Werken van) — Alle de gaestige Werken van Mr. Francis Rabelais, Geneesheer, enz. Met 

groote vlijt uit het Fransch vertaelt door Glaudio Gallitalo. 2 Din. Amst. 1682. (Kl. 8vo.) 
Hegel, — Die Ruhlaer Mundart, dargestellt von Karl Regel. Weimar, 1868. (8vo.) 
Reinaert — Reinaert de Vos, Ep. Fabeld enz. met Aenm. en Opheld. van J. F. Willems. Gent, 1836. (8vo.) 
Reinwald. — Hennebergisches Idioticon u. s. w. von W. F. H. Reinvtrald. 2 Th. Berlin und SStettin, 

1793—1801. (8vo.) 
Richey. — Idioticon Hamburgense oder W6rterbuch u. s. w. von Michael Richey. Hamburg, 1755. (8vu) 
Richthofen. (Von) — Altfriesiscbes W5rterbuch von Dr. Karl Freiherm von Richthofen. Gottingen, 

1840. (4to.) 
Roquefort. — Glossaire de la Langue Romane etc. par J. B. B. Roquefort. 2 Vol. Paris, 1808. (8vo } 



AANWIJZING ENZ. XV 

Rusting. (Van) — De Volgeestige Werken van Salomon van Rusting. Med. Doct. 2 Din. VierdeDruk. 

Amst. 4699 — 1698. (Kl 8vo.) (Het 2e Dl. bevat afzond gepagineerd: Lucifer in zyn Biegtstoel. Luc. 

in zyn Regterstoel. De Kat in H Vagevuur. D«ivels leven onder de Duvelen. Aran en Titus.) 
Schade. — Altdeutsches Worterbuch von Oscar Schade. Halle, 4866. (8vo.) 
Schambach. Worterbuch der niederd. Mundart der Fiirstentb. Grdttingen und Grubenhagen u. s. w. 

von Georg Schambach. Hannover, 4858. (8vo.) 
Scheler. — Dictionnaire d' Etyraol. fran^aise etc. par Aug. Scheler etc. Bruz. et Paris, 4862. (8vo.) 
Schjlter. — Joannes Schilteri Thesaurus Antiquitatum teutonic, ecclesiast. civ. litter, etc. etc. 3 Vol. 

Ulm. 4728. (Fol ) 
Schmeller. — Bayerisches Wdrterbuch, u. s. w. von J. Andreas Schmeller. 4 Th. Stuttgart und Tu- 
bingen, 4827—4837. (8vo.) 
Schmeller, Gimbr. Wtb. — Gimbrisches Wdrterbuch, oder Wdrterb. der deutschen Sprache wie sie sich 

u. s. w. auf den Alpen von Vicensa und von Verona erhalten hat. Von Dr. J. A. Schmeller. Mit 

Einleitung und Zusatsen im Auftrage der Kaiserl. Akad. d. Wissensch. herausgeg. von Jos. Berg- 

mann. Wien, 4855. (8vo.) 
Schmid. fVon) — Schwabisches Wdrterbuch met etymol. und histor. Anmerkingen von M. Job. Ghrist. 

von Schmid. Stuttgart, 4834. (8vo.) 
Schmidt. — Westerwaldisches Idiotikon, oder Sammlung u. s. w. von Karl Ghrist Ludw. Schmidt. 

Hadamar und Herbom, 4800. (Kl. 8vo). 
Schdpf. — Tirolisches Idiotikon von J. B. Schdpf, nach dessen Tode voUendet von Anton J. Hofer. 

Innsbruck, 4866. r8vo.) 
Schr5er. — Beitrag zu einem W5rterbuche der Deutschen Mundarten des Ungrischen Berglandes. Von 

Karl Julius Schrder. Wien, 4858. Nachtrag, Wien, 4850. (8vo.) 
Schueren. (Van der) — Teuthonista of Duytschlender van Gherard van der Schueren, uitgeg. door 

wijlen Mr. G. Boonzajer, met eene Voorr. van Mr. J. A. Glignett. Leyden, 4804. (4to.) 
Schuermans. — Zie Alg. Vl. Idioticon. 
SchuUer. — Beitrftge zu ein. W5rterbuche der siebenb.-sfichs. Mundart. Von Job. Karl SchuUer etc 

Prag, 4865. (8vo.) 
Schultze. — Idioticon der Nord-thur. Mundart. Von Dr. Martin Schultse. Nordhausen, 4874. (Kl. 8vo.) 
SchQtze. — Holsteinisches Idiotikon, u. s. vtr. von J. Fr. Schatze. 4 Theile. Hamburg, 4800^4806. (8vo.) 
Smyters Fabelen. — Esopus Fabelen, in rijm ghestelt door Anthoni Smyters enz. Rotterd. 4642. (4to) 

ongepagineerd. 
Snellaert, Ned. Ged. — Nederlandsche Gredichten uit de veertiende Eeuw van Jan Boendale, Hein van 

Aken en andd. enz. uitgeg. door F. A Snellaert Brussel, 4869. (8vo.) 
Spelen van Sinne. (Antw.) — Spelen van Sinne vol scoone moralisacien enz. Ghespeelt binnen der 

stadt van Andtwerpen enz. 4564. Antw. 4562. (4to) ongepagineerd. 
Spelen van Sinne. (Rotterd.) — Spelen van Sinne vol schoone allegation enz. Ghespeelt ende vertoont 

binnen der Stadt Rotterdam enz. 4564. Rotterd. 4614. — Daarachter: Dryderley Refereynen ghe- 

pronuncieert opte Rethorijckfeest enz. Rett 4644. (Kl. 8vo) beiden ongepagineerd. 
Sprankhuisen (Dion.), Opuscula Practica ofte Alle de Stichtel. Werken enz. byeen vergadert enz. 

Franeker, 4658. (4to.) Daarin afzond. gepag, Vande Scheppinge. Van Blyschap. Van het Ghe- 

bedt Vande Danckbaerheydt. Vermaninge tot Danckbaerheydt Geestel. Balsem. Greestel. Bataille. 

Geestel. Triumphe. Rouwklage. 
Stade. (Von) — Erl&uter- und Erklarung der vom. Deutschen Worter, Deren sich Doct. Martin. Luther 

In Ubers. der Bibel in die D. Sprache gebraochet. Von Diederich von Stade. Bremen, 4724. (Kl. 8vo). 
Staider. — Versuch eines Schweizerischen Idiotikon, mit etyraol. Bemerkungen untermischt u. s. w. 

Von Franz Jos. Stalder. 2 Bde. Basel und Aran, 4806^4842. (8vo.) 
Strodtmann. — Idioticon Osnabrugense, u. s. w. von Job. Ghrist Strodtmann. Leipzig u. Altona, 4756. (8vo.) 
StQrenburg. — Ostfriesisches Wdrterbuch. Ges. und herausgeg von G U. Sturenbuig. Aurich, 4857. (8vo.) 



XVI AANWUZING ENZ. 

Terwen. — Etymologisch Handwoordenboek der Nederd. Tail enz. door J L. Terwen Gouda, 1844. (8vo.> 

Teuthonista. (De) — Zie Van der Schueren. 

Thirsis Minnewit, bestaande in een Ten. der moyste en aangen. Minnezangen en Voysen. 3 Din. 
Amst. 1752, 1750 en z. j. — Daarachier : De Trolyke Zanggodin enz. z. j. (ISmo.) {Dit te onder^ 
scheiden nan Scoperos Satyra ofte Thirsis Minnewit enz. door Job. van Dans Rechtsgel. 2 Din. 
Amst. 1668. (12mo.) 

Tiling. — Zie Brem. Nieders. W5rt 

Tobler. — Appenzellischer Sprachschatz, Eine Samml. u. s. w. Heranageg. von Dr. Titos Tobler, Zu- 
rich 1837. (8vo.) 

Toekomst. (De) Tydschrift onder Red. van Frans de Gort Brassed Amst en Gron. 1857 en verrolg. (8vo.) 

Trachsel — Glossar. der berlin. W5rter und Redensarten u. s. w. Ton Dr. G. F. Tracbsel. Berlin, 1873. (8vo.) 

Tuinman. — Fakkel der Nederd. Taale enz. met Verrolg. Door Garolus Tuinman. 2 Din. Leyden, 
1722, en Middelburg, 1731. (4to.) 

Ueberfelder. — Anton Ueberfelder's Kftmtneriscbes Idiotikon. Herausgeg. von S. M. Mayer. Klagen- 
furt, 1862. (12mo.) 

Vilmar. — Idiotikon von Kurhessen. Zosammengest. von Dr. A. F. G. Vilmar. Marburg und Leipzig, 
1868. (8vo ) 

Vondels (J. van) Tr^urspelen, 2 Banden in 4to. Inhoudende le Band: Lucifer, 1654. Adam in ball. 
1664. Noah, 1692. Het Pascha, 1636. Jos. in Dotban, 1692. Jos. in Eg. 1644. Jos. in *t Uof, 
1692. Samson, 1694. Jeptha, 1659. Gebroeders, 1650. David in ball. 1691. David herst. 1693. 
Adonias, 1661. Salomon, 1648. Peter en Pauvir. 1691. Hienis. verwoest, 166i. — 2e Band: 
Fasten, 1663. Salmoneus, 1657. Herk. in Trachin, 1668. Hippolytus, 1658. Edipus, 1660 Eurip. 
Fenic. 1668. Palamedes, 1652. Amst Hecuba, 1693. Elektra, 1658. Iflgenie, 1666. Batav. Ge- 
broeders, 1690. Maechden, 1643. Gysbr. van Aemstel, 1659. Maria Stuart, 1646. Zungchin, 1692. 
Leeuwendalers, 1647. 

Vondels (J. van) PoSzy, 2 Din. Franeker, 1682. — De Helden Grodes, Amst. 1620. ^De Heerlyckheyd 
van Sal. Amst 1620. — Toonneel des Menschel. Levens, Amst 1GG1. — Vorstel. Warande der Die- 
ren, Amst 1682. — De Vaderen, Amst 1708. — Horatius Flaccus Lierzangen en Dichtk. Amst 1703. — 
Publ. Ovid. Nas. Heldinnebrieven, Amst. 1716. — Kon. Davids Harpzangen, Amst 1723. — Bespiegel. 
van Godt en Grodtsd. Rott 1700. — Joannes de Boetg. Amst 1696. — Aitaergeheim. Keulen, 1618. — 
De HeerL der Kercke, Amst. 1702. — Brieven der H. Maechden, Amst. 1702. — Ovidius* Herschep- 
pinge, Amst 1671. — Virgilius* Wercken in Dicht, Amst. 1660. — Viiigil. Wercken (in Ondicht), 
Amst. 1646. ^ Allen in 4to. 

Wassenbergh. — Taalk. fiydragen tot den frieschen Tongval, door Ev. Wassenbergh, enz. 2. St Leeuvir. 
1802—1806. -^Inhet ie St het Idioticon Frisicum. (8vo.) 

Weiland. — NederduiUch Taalkundig Woordenboek, door P. Weiland. 11 Din. Amst. 1799—1811. (8vo.) 

Weinhold. — Beitrage zu einem schlesischen Wdrterbuche von Dr. Karl Weinhold. Wien, 1855. (8vo.) 

Wiarda. — Alt friesisches W5rterbuch von Tileman Dothias Wiarda. Aurich, 1786. (8vo.) 

Wright. — Dictionary of obsolete and provincial English etc. comp. by Thomas Wiight etc. 2 Vol. 

London, 1857. (Kl 8vo.) 
Zanpfer. — Versuch eines baier- und oberpfllz. Idiotikons, u. s. w. von Andreas Zaupfer. MQnchen, 

1789. (Kl. 8vo.) 
Ziemann — Mittelhochdeutsches Worterbuch zum Handgebr. von Adolf Ziemann. Quedlinb. und 

Leipz. 1838. (8vo.) 
Zingerle — Lusemisches Wdrterbuch von Dr. Ignaz v. Zingerle. Innsbruck, 1869 (8vo ) 






EERSTE AFDEELING. 



WERKWOORDEN 



OP 







WERKWOORDEN 



OP 







Aaraelen— Aarzen. 

Buiten samenstelling is bet ww. aarzen mij een 
paar malen voorgekonien ; in Brederoo's: Het da- 
^et uyt den Oosten, 23: 

— dan isf Ircckt aen mijn leerseii; 
Jhut jonyh jy trecki te atijf^ wilt nu weerom 

wal eersen. 
dat wil zeggen : wijkeiu a/'hternilgaaH^ en dus on- 
zijdig. Evenzoo bij Dullaeii, Ifigenie (1697) bl. 69: 
Met welk een stoutheyt heeft me ons over at gefioant. 
En H scherp der achichten voor 7 verhaast ge- 

zig^ getootit? 
De lijfwacht aarssen doen 9 — 
Racine heeft hiervoor vrepouss^s." In het e6ne 
voorb., mij van H woord in H hoogd. bekend, is 
het bedrijvend; Hans Sachs, aangeh. bij Schmel- 
ler, L 110: 

Doss ifie anlauffenj stunnen soltetu 
Dess s^ie aich arssten ntui nicht wolten. 
Samenstellingen met dit woord vinden we intus- 
schen bij ons meermalen, b. v. hlikciarzenj bij Kil. 
eenen bleckaers rijden^ door te rijden de achter- 
deelen bescbadigen, eigenlijk het vel afstroopen, 
van hlecken, bij Kil. decorticare, ^ij Schnieller 
»die Blatter abnehmen," en dus niet van H eng. 
blacky zwart, als Bilderdijk meende Verh. o. d. 
Gesl. 345; te onderscheiden van blek-eernen, bij 
Wiarda en in 'tBrem. Nied. Wtb. met het achter- 
ste bloot loopen, van blekketi^ blikken, scbijnen. — 
Voorts bolaarzen, bij Kil. hetcelfde wat onze vroe- 
gere schrijvers ook noemden oars aver bol tuime- 
ten; 't ww. komt voor in de Spreckwoorden (Cam- 
pen, 1550), 127: Weel sijn wtjser leert, aijn rijc- 
ker gixeeft^ ends sijn stercker stoept (slaat), die 
bolleerst geenu — In gelijkebet. heeft Kil. werpel- 



(Mvzen. — Boutaat*zen, bij Kil. nederstorten, afval- 
len; voorts gebrekkig gaan, onwiUig handelen, als 
ontleend van den bout of pijl, die in omgekeerde 
richting vliegt. — Draaiaarzetiy met een hoovaardi- 
gen tred gaan, bq De Bo oeselaarzen; dus Bre- 
dero, Moortje, 76: 

Hoe parmatiiigh^ hoe prat^ of hy H aeher wel weet 
Hoe kostlijck dat hy H maecktf hebje van al u dagen 
SiUck draey-aersen gesienf ick kant niet welvet^ 

dragen. 
Starters Jan Soetekau, 2: {ken bijt^ 

— dat 'sal me ien veughel die de korf an stuc" 
Die goat so draey eersen, besietse iens te deghmi^ 
Hadse ien Beusem in 't gat^ se sou de straet y/ocl 
Van der Veens Zinneb. 139: veghen. 

Wamieer ghy draay-eerst op der straeteti: 
Een yeder voijckt sich aen een kant 
Visscher, Sinnepoppen, 86: de hoveerdighe opghe- 
blazen mensdien^ die by der straten gaefi pron^ 
cken, ende draeyeerssen met fiaer kostelijcke klee- 
deren. Werken van Rabelais, 1. 444 : eomje hieraan 
draayaarsen ont mijn wijn te pegelen? — Gelijken zin 
had draaifiaarzeti en draaibUlen^ zie Te Winkels 
N. Ned. Taalmag. IV. 36 ; men kan daar H subst. 
qidhbil bijvoegen, dat Jonctijs bezigt van een licht 
vrouwspereoon, Toon. d. Jal. I. 23. — Van gelijke 
beteekenis is wringaarzen bij Kil. en Ten Kate, 
II. 495, alsmede in Jan Zoets (Jitsteek. Digtk. 
Werken, bl. 378 : Als je — wringaarst als een aal, — 
PieraarzeHy naar H mij voorkomt van ptcr, worm, 
ontleend, is ook wel eene draaijende beweging 
maken, doch minder uit trotschheid, dan uit on- 
wil; H komt bij onze schrijvers niet zeldzaam 
voor, b. V. Bredero, Boert Liedtb. 25: 
Sy rijsty sy staety sy coemty sy pieraerst, neetiy sy gaeU 



AA.RZELEN. 



Dez. Roddrick, 40: {eken? 

Pieraarsdy (0 mijn Iiant) nu dubb'le vntist te uw- 
Westerhaen, Ged. II. 80: 
Hoe sy meei^ peer-aerst (sic), hoe hy sich te hee- 

iei^ vindt, 
De Binine, Jok en Ernst, 272: het is een algemee- 
neti aart der metischen^ dat zy van hetgeeti daar 
meti hun voorforsselik meint toe te dwingen^ dap^ 
per pieraarzen, en 'er sich, naar hun uittet^ste ver- 
mogeti, tegen kanten. Dus ook *l spreekw. in de 
verz. te Gampen, 1550, bl. 39 : Als men die hruydt 
bidt soe piereer8tse,'d. i. als men de bniid noodigt, 
is zij weigerachtig. Tuinman, U. 235, vroeg er den 
zin van, en Meijer, in zijne uitgave, bl. 19, tee- 
kende er op aan: i>Piereer8chen beteekent in 
Kleefsiand een kinderspel, waarin men, op de bur- 
ken zittende, zicb verschuilt/' Ik geloof niet, dat 
bet woord in dien zin bij ons gebruikt is. — 
Panaarzen is bij Kil. bridse slaen, dat is volgens 
hem met een qzeren pan of ook met een schoen 
voor het achterste slaan, waarmede overeenkomt 
bij denz. bot-cuirzen^ d. i. met botten of laarzen 
voor de billen slaan. — Polaarzen, bij De Bo met 
zijn achterste een kuil in aarde of zand graven 
om daarin te gaan zitten. — Bij Halma komt met 
hetgenoemde panaarzen oyereen stutaarzen of slot- 
aarzen, dat volgens hem, zoowel als in het Brem. 
Nied. Wtb. beteekent, iemand aan de handen en 
voeten opheffen, om hem met het achterste op 
den grond te doen nedervallen. 't Werkw. leest 
men bij Oudaan, Toneelp. 284: 

— voorts is hy 
Van *t ohbeschoft en wreed stot-aarzen vry, 
Hooms Liedb. 267: 

^k Sou ligt in gebreken blyven. 
En dan raak ik in de ban. 

Of gestodaarst nan de Wyven, 
Omdat ik mijn les niet kan. 
Aid. 272: 

En doet gy 't niet ter degeti, 
H Stodaarsen op u jMst. 
Nog een* anderen vorra heefl Valentijn, Werken 
van Ovid. I. 122: ^k wens dadelijk dat stand eens 
op mijn dijen te stuitaarzen. — Btikaarzen is 
bij Kil. het achterste been en we6r bewegen ; 
terwijl het Brem. Nied Wtb. het verklaart door 
niet stil zitten, in /welken zin Dahnert tmppeer- 
aen heeft. Zoo zegt De Brune, Bancketwerck. 
II. 353: de wegh naer de helle heJt zachtje^ naer 
om leegh en volt ghemackelick voor leuye bee- 
nen; maer die naer det\ hemel leydt, is hard 
en steyl, doer men ruckaerzen moet en met ge^ 
weld opatijgen — d. i. snel loopen, of zooals de 



volkstaal zegt: de beenen goed naar zich halen. — 
Slingetnarzen^ bij Valentijn, aangehaald werk, II. 
74: den ouden dix>nken Silenus^ die met sijn krnk 
het slinger-airsen stut. — Het genoemde lexicon 
heeft eindelijk werpel-aarzeft, voor zijn achterste 
deelen om- of omhoo^werpen. In het platduitsch 
bij Dahnert heeft men sunp^werseu voor den 
gang van een vlug meisje, waarmede men onze 
spreekwijs, het is een vrouto als eeu zwiep^ kan 
vergeltjken. 

De eigenlijke beteekenis van aarzeleti ir, even- 
als die van aarzeti, achteniitgaan. Dus de Lan- 
celot, B. II. vs. 38971 : 

Hi arselde allettel over voet 
Tot enen berge, die daer stoet. 
De Grimb. Oorl. I. 169: 

Hem dachte verloren 1 s^ytif. 
Dies erselden sy, dat wet wel, 
Vordei* dan si wareti comen. 
Aid. II. 251 : 

{Si) Vochteti daer met selken tiide^ 

Dat die van in \shertoifefi side 

Erselen ynoesten eer die strijt 

Gestreden UHiet\- — 
Brab. Yeesten, II. 203: 

Want menich man van hooger dart 

Was aldaer in beiden siden. 

Die liever, eer si achter tied en 

Ocht erselen soudeti enen voet^ 

Storten wouden daer fiaer btoet, 
Der Leken Spieghel, III. 52: 

— die Me hoghe begaert, 
Aerselt sulcstont achter u^aert 
Ende valt neder o^idervoet, 
Vondel, Hierus. verw. 14: {m^shefien. 

Vef*meeMren 7 uitheemsch fv)lck, dat aeraelt t'oar 
Aid. 24: 

Het kraeckende gedreun doet aerslen otis Jordaen, 
Orangien Lelyhof, 58: {klonckei}, 

Ja! Thomas tast, en slagh, heeft soo in 'torn* ge- 
Dat hy met schand eti schaed is du^etvt ge-erselt dan, 
PI uta rebus, fol. 155 verso: staende ^>oets te vech- 
ten, sonder te eerseien, noch ran plaetse te veran- 
deren. Fol. 214 verso: overmits dat alle dingheti 
bereyt ivaren dat hy niet eti conde eerselen, ginck 
hy te schepe. Fol. 499: zy werden bedu)onghei} 
te aerselen ende de plaetse te verlaten, Heyns, 
Bartas' Wercken, II. n. 214: enehwat, om meerder 
sprang te doen. Oudaan, Agrippa, 59: derfuxlvefi 
veciitetize al aarzelende, na de Partische wijs. Bara, 
Herstelde Vorst, 10 : dies aerselen sy nae H hosch. — 
Voor het inzakken van den grond leest men het 
WW. Uyth. Oorlog ofle Roomse Mintr. 28: 



AARZELEN. 



6 



De grond is vloty en eersselt van mijn bouwen. 
Zie ook 't Wbk. des Inst, op Hooft. 

In de tot hiertoe bijgebrachte plaatsen h het ww. 
onzijdig. Hooft bezigt het bed rij vend, Ged. fol. 201 : 
//oe, zondm* hindemis zy aarzeld' hare schredeti (*). 
Hij werd hierin reeds voorgegaan door den verta- 
ler van de Discoursen van Machiavel, 142: Een 
sonderlingh rmnedie dat grootelijck suyverde oide 
eerselde de hederfenis van Rometi, Plutarchus, 
fol. 22 verso: de getie die door vertsaechtheyl 
van herien het aterven gheeerselt hadden^ *d. i. 
achteruit ^ezel, achtergesteld. Aid. fol. 76 verso: 
gheen gelt hebbende, ende nochtans niet wUletide 
sijn woort eerselen, d. i. terugtrekken. Dietsche 
Warande, X. 113: aei'selt « spraeke niet. — De 
eigenlijke beteekenis vindt men hier tot oneigen- 
lijke overgegaan, en zoo kennen wij het ww. tbans 
alleen. en dan onzijdig, voor weigeren, in beden- 
king nemen, bijv. Siegenbeek, Leerred. II. 154: 

Dat zal zeker geen verstandige e^n oogen- 

blik, aarzelen te erkennen. 

Macquet spelt aertzelen^ zie zijne Dichtl. Uit- 
spann. II. 20 en 34; om welke reden kan ik niet 
bevroeden. De oorsprong van het woord toch is 
duidelijk: het levert een bewijs, dat de gewoonte 
het aanstootelijke eener uitdrukking geheel kan 
wegnemen. Zelfs in den defligsten stijl zullen wij 
even weinig schromen ons aarzelen te gebruiken, 
als de Franschen hun reculer (j;-). 

Onze vroegere schrijvers hadden het bij woord 
aarzelings, voor rugwaarts, achterwaarts, Kil. re- 
trogade. Bredero, Griane, 50: 
Myn aessemrijcke loop^ keert aers'ling niet ic imgh, 
Vondel, Hierus. verw. 32: 

— zulcken punt — 
't Welck aersling over smyt al matter scepters draeght. 



(*) In myo Archler, 1. 148, werd als een ander voorbeeld 
van 't bedrQvead gebruik van aarzelen aangevoerd de pi. ult 
de Brab. Yeesten, In den tekst vermeld: dit enelen sowlen 
enen voet. Dit Is niet Julst. Beheerschlngen, die eene maat 
ultdrukken, hebben den vierden naaroval, zonder dat bet 
werkw. daarom bedryvend wordt. Men zegl'ook zoo: hH 
u>iiM geen" voet, hjf gaat geen" voet achteruit, 

(t) Bolleau, In zyne Ri^Qexions GriUque?, gaat zoover, dat 
by dlt woord onder de scboone rangscbikt. -11 y a (zegt by) 
des d^rtv^s et des composes, qui sont fort beaux, dont le nom 
prlDiltir est fort bas, ermine on le volt dans les roots de p^* 
tiller et reculer:" Voltaire oordeelt anders, als by In zyn 
Diet Pbllos. op bet subst. cWzegt; »ll faut r^p^ter toujonrs, 
Juspu'au terns od les Francals se seront corrlg^s, qu'il est 
Indlgne d'une langue aussi polle el unlversello que la leur, 
d'employer si souvent un mot ddsbonndte et ridicule, pour 
slgnlfler des cboses communes, qu'on pourralt exprlmer autre- 
ment sans le molndre embarras." En verder: »I1 est triste 
qu'en fall de langue, corome en d'autres usages plus Impor- 
tans, ce soil la populace, qui dlrige les premiers d'une nation." 



Gijsb. Japiks gebruikt dit voor averechte, verkeerd ; 
zie Wassenb. Bijdr. I. 8, en Halbertsma, Naoogst, 
205. Van aarzeling vindt men een werkw. aarze- 
lingen voor aarzelen, bij W. Dz. Hooft, Jan Salie, 
aangeh. in Dr. van Ylotens Levensbode, 11. 12 : 

— hOe ick nader kmn, hoe ick ^neer begin te 

aerselinghe, 
Nochtans de liefde gaet et* me schrickelijk en wree" 

delijk toe dwinghs. 

Met het voorz in samengesteld, kwam mij aar- 
zeleti voor bij Brandt, Poezy, III. 227: 

— ols Gaston zyn tuchteloze legers, 
Vei'vult van bloet en roof het rijk in aarzlen ziet. 
D. i. invluchten of inwijken (zoo ik de pi. w61 vat). — 
Uitaarzelen heeft De Bo voor achterwaarts uitko- 
men. — Voorts scfior-a^trzelen, naar ik meen voor 
schoorvoeten. Werken van Rabelais, I. 299: het 
ingewa}xd van den beuling schor-aarzelde om de 
beursen der woekeraars aan te grijpen. 

Bij de afleidingen van het woord aars, door 
Weiland opgesomd, kan nog gevoegd worden die 
van Wassenbergh, t. a. p., volgens wien *t woord 
is saamgetrokken van aversa, bij verkorting voor 
^mrs aversa gezegd. Grimms Wfirterb. doet nog 
geen stellige uitspraak. 

Akelen— Aken. 

Het WW. akelen was ten tijde van Tuiiiman, 
benevens akelig, nog in gebruik voor walgen. 
Het is mij voorgekomen bij Kiliaan, die ackelen 
als verouderd verraeldt voor schrofnen^ horrere, 
in welken zin het w. ook gelezen wordt bij Bek- 
ker en Deken, Brieven, II. 275: wi akkelen nyel^ 
um oeck al dit averspraack an di Jiaderscap toe 
te scriven, Kil. brengt er ook toe ackelick^ hor- 
ribilis. De korte a is eene hoogduitsche verhar- 
ding van de uitspraak. Wij zeggen steeds akelig 
en onze vroegere schrijvers akelijk; Oudaan, Koom- 
sche Mogenth. 370: ofider schrikkelijke gedaante, 
en akelijken tocstel; zie voorts Hooft, in mijn Ar- 
chief, I. 149, nog gevolgd door Bilderdijk, ziemijne 
Pr. 0. d. Invl. van B.'s Dichtw. 225. In Oudaans 
Uytbr. over Job, 18, leest men mede: aaklijkheid, 
en in Brederoos Schijnheyligh, 20: akelheydt, en 
bij Feitama, Tooneelp. I. 374: eikele gedachten. Dit 
akel komt in beteekenis te zeer overeen met het 
hoogd. ekel (bij ons ekel en hekel in de volkstaal) 
dan dat men hier aan geen verwantschap zou den- 
ken; van dit ekel zelf intusschen is de oorsprong 
zeer onzeker; zie Grimms Wtb. i. v. Vooral ech- 
ter komt al% grondwoord in aanmerking ons tus- 
schenwerpsel ake, bij Tuinman ak en ekke, in 't 

neders. akke, voor iets wat walging of af keer wekt 

1* 



AKfUEN. 



8 



Met het. door niij aangenomen prim, aken kan 
men vei^elijken het zwitsersche dketi, Mcken, bij 
Staider ieinand doen walgen, afkeer wekken. 

Ameleix— Amen, 

Wij zeggen he-ameti voor toesteiuiuen, oig. ahtefi 
zeggen op iets. Men had daarvoor vroeger twee 
frequentatiefvormen, be-^melen en b€-<imenen. Het 
eerste leest men in Hoofts Tacitus, fol. 432: Men 

vondt goedt het Capitolie te heraiichten 

penighe weinigheti^ die cuinzienlyke waardiyheiij 
oft het verstandt in 'tvlaayeti geoeffetit hadden^ 
beaamelden 't met ghedichte reedetien. — Meerma- 
len echter zei men bloot amelen. Dus h. a. w. foL 
172: Degemeente wakkery amelder//^ met schf^eu- 
tven. Rodenburgh, Jacoba, 89: 
Maef* wat den Prins oock doet dat moet goet zijtt 

geachty 
En d'een pluytnstrijcker of den nndet* die op wacht 
Die amelt het wmm* goed alwaert eon boos hedrijven, 
Dez. Jal. Studenten, 16: Ghy amelt wat ick aeg, 
Trouwen Batavier, 68: Te amelen ifit best. Dez. 
Po#t. Borstw. 242: (het zegghen 

Dyn UHierd houdt ick in tvacrd, en amel traegh 
Des Herders^ die o>n u beveynsde laghen leggJien, 
En 250: {de Bruydt, 

Vraeght ghy H de Bruydegomy oft aen mijn VrmiWy 
Zoo zy 't niet aemlen beyd'y zoo is mijn zeggen uyf. 
Brederoo's Moortje, 44: 

Kornt gawey seyd hyy en last ons dit eens doo**8poeleti. 
Wy ameldent cU: maer Piet Recht-uyt wouw na 

de Kerck. 
In al doze plaatsen heeft men dezelfde beteekenis 
van toestemmeHy goedkeuren, Er is echter e^ne 
plaats, die men anders heeft uitgelegd, t. w. in 
Hoofts Ged. fol. 117: ^ 

— Pallas licfUelijk belezen kon een kitidty 
Dat schoolpraat amelt en niet ongelooflijks vindt 
In wijtgehaalde reSn van ingebeelde goedeny 
Die nqa onzcuidbren windt doen hongren degemoeden; 
Tot dat zyy aan de proefy bevinden het bedroffh. 
Bilderdijk in zijne Aanteekk. op Hooft, HI. 107, 
en het Wbk. des Inst, verklaren amelt bier door 
naptKMty navolgt. Die verklaring strijdt tegen 
Hoofts meening. Hij spi^eekt, zooals uit het ver- 
band blijkt, van een kind, dat schoolpraat voor 
goede munt aanneemt en alzoo zijn vertrouwen 
en goedkeuring daaraan schenkt, en het ww. heeft 
derhalve ook hier zijne gewone beteekenis. In 6^n 
der friesche tongvallen wordt die bet. gewijzigd 
tot vlang en vervelend over eene onbeduidende 
zaak spreken;'' zie De Taalgidn, HI. 282. Zie voorts 
0^ Ametien, 



Ampelen— Ampen. Gtempen. 

Het WW. antpelen leest men in TheophihiJt, door 
Hoffmann uitgegeven, vs. 196: 

Machschein du ampels dan snlvp. na^ 

Dat die biachop irerrffM, hnhnf 

Dat sal «W wedet*fYirmi dy 

To sunte Nieolaus aventy low \ry. 
De beteekenis komt overeen met die, welke het 
Brem. Nied. Wdrt. toekent aan ampeln^ d. i. zich 
moeite geven, zijne krachten inspannen tot het 
overwinnen van hinderpalen, die in den weg slaan: 
bij Adelung, met annen en beenen beweging ma- 
ken om iets te bekomen. Het Idiot. Osnabr. van 
Strodtmann heeft daarvoor </nmpe/n,en het Hamb. 
van Richey, annmpeln. De oorsprong van het ww. 
komt mij voor te liggen in gampetu, in *t Schwab. 
Wort, van Von Schmid: met de voeten schomme- 
len of wibbelen; in Toblers Appenzell. Sprach- 
schatz, gampfeny hobbelen, over ^^ne zij gaan, 
waarvan ganiptH)s.% hobbelpaard. In 't oudfr. werd 
amblei% en in 'toudeng. to amble gebniikt voor 
den eersten gang van een veulen. dat nog niet sterk 
genoeg is om te d raven ; volgens Manage en John- 
son van H lat. amb%dave, Almede verAvant en in 
beteekenis zelf» nog naderbij komend, acht ik 
gam)^ny gampertu bij Schmeller huppelen, sprin- 
gen. Wij bezigen het ww. springeti op gelijke 
wijse, als wij zeggen: ik sta te springett naar dit 
of dat, d. i. een ongeduldig verlangen naar iets 
hebben, en dus hetzelfde wat in de plaats utt den 
Theophilus bedoeld wordt. 

Angelen— Angen . 

Het bij v. naamw. nngy etuj^ geefl het ww. a»- 
geny benaauwen, prangen, kwellen, dnikken; Roe- 
mer Yisschers Sinnepoppen, 130: die dett gt^ondt 
van zijn pt^fessie niet en kany die angt en hangt 
altijdt. Hooft, Ged. fol. 48: 

— ztw angen 
^Jet giftigh blanzeny hetiy deez' opgekndde slangen, 
Fol. 71 : 

Hetn angt, geduut^etule *tbelipdl 
Van zijnen aanslaghy d' antt^mnv niet, 
Bogaert, Ged. r>30: 

Soch U grinmien der getHWven 
U angde, noch die tyolken. 
Oudaan, Uvtbr. der Ps. I. 98: 

Wat doodsgevaar my dreef en angde. 
Voor insluiten, inpakken (in een doek) leest men 
in het Vrouw. Cieraet, 151 : 

Betiyienlt toch ttwl het pand 

7*0^ dat f/' het in de hand vanl Baitamet*8che Bijck.., 
In een dierbaren douck eens komen zult te Angen « 



■ ^^ 



9 



ANOELEN. 



10 



Zie ook H Wbk. des Inst. — Vandaai* angel^ prik- 
kei, waarvoor men ang leesl in de Rott. Speien 
van Sinne, 10: 

Myn fenijnighe anghen, zoua' ick zoo dapper uyt 

schieten. 
Voorts angeleti^ steken; Yondel, Warande der 
Dieren, 107: {Swarmenf 

Gans doodt! hoe pnckelt ghij mijn dtis^ ontelbre 
En angelt mij lev doodt^ hebt over mijn erharmetu 
'tWerkw. is ook in anderen zin gebezigd, door 
Feith, Dichtw. XI. id5: 

— zoo tang gij^ ongekrenkl^ 
Als wijsgeer zorgloos in uw' zachten annstoel denkty 
En zalig in dc t roem uws steUels aan te staren^ 
Met duitreM angelt op een' drom hewonderaren, 
Hier beteekent het fiangelen of hengeletij zie deze 
woorden. Van Hww. angen heefl men be-wigen; 
Gamphuysen, Uytbr. der Ps. 117: 

Hy stichty hy qwjnt^ hy wordt beangt. 
Aid. 286: 

De kluyster heeft sijn voet geprangt^ 
Het yser sijne ziel beangt. 
Saamgetrokken tot bangen; A. v. d. Venne, Hoii. 
Turf, 76: 

Laet geen slappe tiarien bangen. 
Wolsschaten, De Doodt vermaakert, 86: 
Wat is daer voor een beeat^ die ti, myn ziei^ doet 

banghen ? 
Huyg. Korenbl. I. iOi: 

— Hiweetetnge bangen 
Van den doffen Somei^-brand* 
Vandaar wederom verbangen; Mamix, Ps. 69, vs. 23 : 
Dies fiaren disch end* ynaeliijt hun verkeer, 
In eenen strick die hun verbang de leden. 
Met be-angen komt overeen be-engen^ dat ik, in den 
eig. zin van binnen eene nauwe ruimte beperken, 
aantref bij Luiken, Bykorf des Gem. 395: 
— die zyn licfiaam hiet* be-engt, 
Op dat zyn Geest mogt ruimte vinden, 
Fraai voegt Sprankhuisen eng en ang bij elkan- 
der, Geestel. Triumphe, 58: uxinneer ons door 
Ktmysy door Sieckteti, door den Doodt^ dese Aerde 
te engh en angh valt. — Van cmgen smeedde men 
ook ont-angen^ Gamph. Uytbr. der Ps. 299: 
Wat raedt in sulcke nooden? 

Sy ivepen tot den Heer. 
En Hy {de gtvotst' der Godeti) 
Ont-angt en redtae weer, 
Zie Angstigen, 'k Voeg hier nog het bijw. angelijk 
bij, voor an^9te/(/A;, bij Kil. onbekend; Rodenburgh, 
Jacoba, 93: 

Ma^r toont u hert en ziel tnanhaftigheyt b^iden^ 
En ghy de doodens schicht so angelqck niet vreeat. 



Babbelen-^Babbeii. 

Beide vormen komen voor bij Kiliaan. Bigmilijk 
beteekenen zij zeeveren, knahbelen^ kautven^ in- 
zonderheid van tandelooxen gezegd; en voorts, 
ziende op het geioid dat daarbij gemaakt wordt, 
keuvelen, snappen^ als bestaande dit in een be- 
stendige beweging der kaken, waarom het ook 
kakelen heet. Het oudfr. zeide 6ave, zoovrel voor 
speeksel ala voor geanap, en baver, met speeks^i 
werpen, zeeveren, gaf bavardy snaf^r. In htft 
nederl. is babbe een speekseldoek; De Brune, 
Banck^tw. I. i93: cUs {haere kinderen) nauwelicx 
de quylbabbe afgeleght hebbefi, — Hiervan de afl. bij 
H. van Halmael, De Scbynheilig, 35: 'kHeb geen 
lust voor de kwylebabbery. — Voorta een schimp- 
naam voor eene vrijster; De Schermerhomsche 
Vrijstermarkt (Amst. 1743), 24: Weg malle, laat 
de babbe loopen. — In onze platte volkstaal heet, 
evenals in het nedersakaiach bij Tiling, de mond 
van den kwijlende of snappende 6a66ei*f, waarvoor 
ik 6a&eH - aantrof in de Werken van Rabelais, I. 
248: de beusxarsters hodden hem de baabert of 
smotd niet wel gewischt. Aid. 381 : het \Joapperen 
van onse baaberts, of beweegen der kcutkebeenen, 
De Regts Mengeld. hebhen, 133: FlukSy snoermc 
je babbus! 

Ons babbelen, dat bij Kil., behalve bibbelen 
(zie dit), >ook barb^en^ babelen en beib^en, in ver- 
schillende hoogd; dialecten bappelen^ papperleny 
papelen, baberlettf bapperUy eng. to ba&Me, fr. 
babxllei% heet, had vroeger de beteekenis, boven 
als de eigenlijke vermeld; Meeimans Bootsmans- 
praetjo, 102: de paerden standen en krdbbeldmi 
de steenen uyt de straten^ en Ji>abbelden het gekit. 
Hoffm. Hor. Belg. XL 128: 

Hi sidt en babbelt al waert.een gansy 

Hi en heeft in alle sinen mont 

Och niet meer dan eenen tant. 
De Gasteleyn, Hist, van Pyramus en Thiabe, 558. 
van den leeuw: 

In syn muylgat van bloede t*oot 
Sta^et hy thooftkleedt vast en knabbdt. 
Ziet hoe hyt schudt, 
Ziet hoe hyt babbelt, 

Bloedicii root wordet va^i coleure. 
S. van der Gruyssen, Esopus, Blyspel, 26: 
-■-in de kamer wierd geruchi gemaakt^ door *t 

babb'len 
Van een klein Afuur/e, Hgeen zat op een noot te 

knabb'len. 
Westerbaen, Ged. I. 626: 

— ujyl hy iand noch kies meer in zyn mond en vt»u2 
So moet hy babbelen met waper^looie kevlen. 



11 



BABBELEN. 



12 



Zoo nog Bilderdijk, Aanteekk. op Huyg. V. 145: 
zy schreeutoen harder^ eti maken de kleinen bang, 
of geven ze een kokinje te babbelen. — Yandaar 
hebahbelen, bij Krul, Diana (1627) 14: 
Mijn lust de bebabbelde brockjes niet van jou be- 

knauwelde Koeck, 
Valenti}n, Werken van Ovid. II. 203: draagt sarg 
dat mijn loof en takken rwoit gesnoeit, of van H vee 
bebabbelt wetxlen. — In sonunige streken heel de 
kokinje zelf babbelaar, — Van Beers, Gevoel en Le- 
ven, i80, drijft, dunkt mij, de beeldspraak wat ver : 

Beken En vlieten vloeien 

Met tintlenden glans, 

Kabblend En babbelend 

Hunne oevera langs. 
Als afl. vindt men bdbbeling voor gebabbel, bij 
Bekker, Betov. Weer. II. 6: dat baart misverstand 
en brengt in floats van spraak maar babbeling 
te toege, Bekker en Deken, Brieven, I. 168 : laage 
babbelingen, uit nyd en kwaadsprekenheid voori- 
gevloeit — Nabahbelen heeft Bilderdijk, Yerscheid. 
lY. 62: Dotnmigheden,.,. die men dat.... volk.... nog 
steeds nababbelt. 

Babeguichje en babbeleguidije is een scbertsend 
of spottend gesnap, zie guichje of guigje op Gui- 
chelen. De uitdrukkingen leest men Werken van 
Rabelais, I. 152: allerley aardige babeguigjes 
van beleeftheeden. De Yrijer in de Kist, 9: Waar- 
om maakje me zukke babbeleguichjes, zukke kris- 
jesf De Gelijke Tw^lingen, 48: i42 die babbleguigjes 
aan een' zy! Bekker, a. w. III. 46: dut sy.... voor 
een huysje sich heeft konnen stellen, en daar hare 
babbeleguichjes maken. Want doe het spel vol- 
bracht was enz. D. lY. 86: sijne babbeleguichjes 
en grimatsen die hy tnaakte, otn der otnstanders 
ogen af te trekken. Dr. Hilarides (Dr. Buser) Hu- 
moristische Rijmelarijen, 36: 

— als ik, met opeti ow^en 
Haar babbleguigjes aan fnoest hooren. 
Sommigen hfibben het woord babbelen afgeleid 
van de i^bahelsche spraakverwarring;" zie Becanus, 
Opera, 11. Hermathena, fol. 218, en Le Long, Boek- 
zaal der Ned. Bijbels, 5. En zelfs nog Roquefort 
acht die verklaring niet verwerpelijk. — Ik ver- 
moed, dat Huydecoper, Pr. II. 471, op dien grond 
babelen beter keurt dan babbelen; bij onze schrij- 
vers kwam het mq het eerste intusschen alleen 
voor in de kromtaal bij Bekker en Deken, Brie- 
ven, II. 275: olycke droghefiaetv, dye soowat Fa- 
velkens baabelen. — Yan Scrieck, daarentegen, 
oordeelde dat Babel den naam had van 'tverwar- 
de babbelen der torenbouwers ; zie zijne Werken^ 
fol. 4^ en den Ind. Geogr. op Babel, 



Baggelen'— Baggen. 

Beiden, voor baggeren, bij Wassenbergh, Taalk. 
Bijdr. I. 12, die ook baggelaar heeft voor zware, 
harde turf. Zie voorts Baggeren. 

Baggelen*— Baggen. 

Baggelen is bij Kil. jongen werpen, van het var- 
ken gezegd. Baggen komt overeen met eng. to 
bag, bij Nares broeden. Kil. heeft daarvoor de 
wwn. biggen en viggen. Van dit biggen is ook 
biggelen, zie dit woord n*. 2. 

Baggelen*— Baggen. 

Baggelen is in Drenthe bakeren, stoven; Dr. 
Volksalm. 1844, bl. 144. Schmeller en Von Schmid 
(Schwab. Wtb.) hebben daarvoor bacheln, freq. 
van bachen^ dat ook bakken en bakei*en geefl. 
De uitdrukking bdchel-vxtrm bij Schmeller vindt 
men letterlijk terug in H drentsche bagge-ic^artn, 
drukkend warm. Aim. 1847, bl. 173. 

Baggelen^— Baggen. 

Baggelen is in Drenthe ook morsen, zeeveren, 
kwijlen. . In dozen zin kan het gelijken oorsprong 
hebben als het voorgaande. Yan het daar ver- 
melde bacfien is het grondwoord ba-en, bahen^ 
d. i. stoven, warmen, ook primitive vorm van 
baaijen, baden^ als zijnde het bad eigenlijk ter 
stoving. Baggelen kan vandaai* bevochtigen, nat 
maken en zoo morseu enz. beteekenen. Bdcheln 
is bij Schmeller ook in de kindertaal water loozen. 

Baggelen*— Baggen. 

Volgens Halbertsma, Overijss. Aim. 1836, is bag- 
gelen in 't overijselsch dialect zich wentelen als 
een kind dat op den grond ligt; en ook in H gro- 
ningsch komt het voor, in den zin van waggelen, 
wapperen, slingeren; Dr. Volksalm. 1844, bl. 144. 
Het primit. baggai vindt men in het eng. to bag, 
bewegen, schudden, bij Halliwell; bij Ueberfelder 
bagen, wagen, schudden, waggelen. Met een let- 
tei*wisseling zijn de wn. 66n met faggelen of wag- 
geleti; zie dezen. 

Bakelen'— Baken. 

Bake is bij Kil. verouderd voor varken. Dus 
Clignett, Bijdr. 130 : 

Die pape had selve twe vette baken. 

Die beyde waren van goeder smakcn. 
Van Yelthem, fol. 257 : 

Die Here van Biniborch lach gccloeft^ 

Van beneden tot an *t hoeft, 

Gclyc oft een bake ware. 
»Een bettk" zegt Le Long. Ook nog bij Hondius, 
Houfeschans, 133: 



■ «• ■ - . - _4 



13 



BAKELEN. 



U 



— den 08 
En de baken die verJieuen 
Hangen aeti den balcke loa. 
Vandaai* mede bij Kil. bakelen^ jongen werpen, 
heizelfde dus als baggelen^ zie hierb., en met dit 
van 6^nen oorsprong. Een belangrijk artikel over 
de verschillende vormen en beteekenissen van H 
znw. bake, backen, heeft Tobler, in zijn Appenz. 
Spracbschatz, art. Bacha. 

Bakelen*— Baken. 

Voor het gewone bakeren leest men bakelen bij 
Conscience, De Zending der Yrouw, 23: Het goede 
kind heeft eene pop ; zy bakelt enkleedt ze, — Ook 
het Alg. Vlaamsch Idioticon heeft dezen vorm, en 
zegt, dat te Antwerpen de vroedvrouw bakel ge- 
noemd wordt. In Holland zijn de baker en de 
vroedvrouw twee verschillende personen. Dat voorts 
het frequent op ten oud en nog in eenige hoogd. 
dialecten gangbaar is, zie men op Bakeren. 

Bakkelen— BakkeB. 

BaJcken wordt gezegd van het harden eener op- 
pervlakte door de vorst, zie Weil. Vandaar bij 
De Bo bakkelen voor »een weinig viiezen, zoodat 
de opperkorst er stijf van worde." 

Bandelen— Banden. 

Bandelen is bij Kil. en Ten Kate, II. i2i, bin- 
den, kluisteren, gebonden houden. Batiden is ^n 
met binden, benden. Zie ook Banderen en Bandi- 
gen, Grimms Wtb. kent bandeln alleen voor &en- 
gelen, been en weer bewegen. Doch bandeln is 
bi) Schmeller met binden bezig zijn, en vandaar 
fig. intriguet\ In 'tBi*em. Nieders. Wtb. heeft 
bandeln^ bendeln^ den zin van ons bandelen. 

Reeds in het middelhd. komt bandeln voor; een 
wapenkleed wordt gezegd gebandelt te zijn als 
lijnwaad; zie Lexer, Handwtb. Biiderdijk heeft het 
znw. bandeling voorgekluisterde, gevangene; Proeve 
door Dedekind, 75: dat hy,.„ ons als eenen losge- 
latenen bandeling in de vrijheid stelt, 

Baselen— Basen. 

Bazen heeft Kil. voor ijlen, ijlhoofdig zijn. Dus 
Mamix Biencorf, 203 recto: hy is alsoo merich- 
lick ontsteken met den yver der Heyligher Room- 
scker Kercken^ dat hy by na suft ende baest, 
etide en siet niet twit hy seght. Bredero, Ange- 
niet, 58: 

— 7 is ureemt dat ick niet baes, 
Joe dat ick f eenemael van gramschap niet en raes. 
Vondel, Amst. Hecuba, 26: 

Zoo 's baezenden gemoeds verstocktfieid zoude mogen 
Gereeckent zijn voor slaep: — 
Fr. Volksahn. 1846, bl. Ii9: 



Het voll inschencken, in grote glasen^ 
Het droncken drificken^ het biesen, het basen. 
Heyns, BarUs' Wercken, II. 361: 

— men veel serpenten saghj 
Die basend' hier en doer vast kropen voor den dagh. 
Hier komt basend overeen met wat anders biesend 
beet (zie op Bysteren). Biezen en baten trouwens 
zijn nauw verwant. In het groningsch (zie Laur- 
man), het friesch en het neders. komt bazen in 
denzelfden zin voor; ook bij Grimm, die het »ein 
seltnes wort" noemt. 

Behttlve de ail. bazing, die men leest bij Maiia 
Heyns, Bloemhof, 233: De vliegende ogen,... voor- 
teekeneti beroving van zinnetu, en hazing. — heb- 
ben wij er van ver-bazen, dat dus eigenlijk betee- 
kent: iemand in een bazenden toestand brengen; 
de Engelschen to a-bash, en waai^schijnlijk de 
Franschen bun ^bahir, esbahir^ waarvan zij geen 
afleiding weten te geven. Verbazen wordt door 
Weil, omscbreven »door iets vreemds en treffends 
bedwelmen ;" BomhofT voegt er bij j^grootelijks ver- 
wonderen." Wagenaar bezigde het w. voor »Bchrik 
aanjagen;" Vaderl. Hist. XVII. 234: De.„, Regen- 
ten^ deeze verkiezing voor wetteloos houdende, sloe- 
gen de handen aan dezen, om de burgers te ver- 
baazen; doch men hieldt htm de tromp van 'tge' 
weer voor de borst, en deedt hen terug wijkefi, 

H Frequent, bazelen, in onze woordenboeken on- 
bekend, beteekent hetzelfde als bazen, en wordt 
bij latere schrijvers aangetrofifen. Bekker en De- 
ken, Corn. Wildschut, I. 296: Wei kind! bazelje 
nu? Fokke, Yerz. vanSpreekw. 70: nu,dan moest 
je Grootje Rede rets hooren bazelen. Aid. 45: 
woorden, die men zoo dikwijls hoort en zelf uit- 
bazelt. Scheltema, Gesch. der Heksenpr. 134: z(/ 
lag ziek in het gasthuis, en had aldaar in eene 
heete koorts gebazeld, van den duivel en van too- 
verheksen. Van Lennep, F. Huyck, I. 68: het is 
een voorrecht van den ouderdom — wat te beuzelen, 
H geen sotns bazelen wordt. — In de verwante dia- 
lecten is dit woord mij alleen voorgekomen in de 
taal van Hvorstendom Lippe-Detmold; zie Herrigs 
Archiv. VIII. 351. Baseln is daar: zonder helder 
bewustzijn bandelen. Schmidt heeft vandaar in 
zijn WesterwSld. Idiot, verbaselt, verwirrt, bestOrzt 
Von Delling heeft baseln, bascheln, voor kleinig- 
heden verrichten als tijdverdrijf, knutselwerk doen; 
en Ueberfelder baseln, basteln, allerlei geringen 
handarbeid doen, als snijden, draaijen, zonder het 
ambacht geleerd te hebben. Beide schrijvers voeren 
ter afleiding der wn. eenige gissingen aan. Zou 
men hier niet aan bazelen te denken hebben ? Van 
Lennep in de aangeh. pi. merkte op, dat beuzeUn 



15 



BATEUEH. 



i6 



soms bazelen wordt ; ik meen dat hazelen ook aan- 
leiding geeft tot beuzeleit, d. i nietigheden of klei- 
nigheden verrichten. Hot schijnt wel, dat Ockerse 
die beteekenis voor oogen had, toen hij Proeve 
tot eene Algem. CSiaracterk III. 245 schreef : Voorts 
houde ik de Nederlanders voor bemoei-allig en 
bazelachtig. — Buaken Huet, Schetsen en Verhalen, 
II. 372y schriift: (/i(/) bazalt aluwewoorden na. — 
Hier schijnt men aan nahauwen te moeten denken. 
Het hoogd. heefl, door verwisseling der lipletters, 
voor ons hazelen: faseln, zie Adelung; en dit freq. 
bezigt Van Duyse, Vad. Poazy, IIL 136: 
Den belgisehen zanger b^egent slechts de uitroep: 

Wat fazelt die luitf 

Bedelen— Sedan. 

Beden is oud voor bidden. DerLeken Sp. I. 160: 
{Doe) Joseph ende Maria te samen 
Met Jhesum te JherusaXem quamen 
Toten temple vanden ateden^ 
Om datsi doer souden beden. 
Aid. 270: 

— die tempely 
Of dat huus dat daer ataet^ 
Daer dat vole in beden gaet. 
Vaderboeck, fol. 117 verso : Doe begonde die oude..,. 
te beden.... Du doetate weldattu bedeste. Fol. 118: 
Bedet sender ophouden, Gassianus, Der Oud. Vad. . 
Gollacie, fol. 102: Doen hem die oude voder ver- 
ma^nt hadt, dat hi als ghewoenlic tvas soiuiegaen 
beden. Everaert, Polit. van Lips. 5: die.... bedin- 
ghen stortt^ looft ende danckt. Rott. Sp. van 
Sinne, 78: 

Eenen Godt suldy dienen^ aanbeden en eeren. 
Voor ons bedelen zeiden de Ouden bidden; b.v. 
Maerl. Sp. Hist. I. 121 : 

Alse hem die honger dede gewout, 
Bat hi eten teenen male. 
D. n. 180: 

Ic hebbe ane mi een belofj 
Dat ic biddende mijn broot 
Beghere te blivene doot. 
Zoo ook nogbij Oudaan, Uytbr. over Job, 82: 
Die^ om zijn brood te bidden, 
Moet dolen — 
Zie voorts Ten Kate, II. 115. 

Beggelen— Beggen 

Beggelen bij De Bo, begchelen bij Schuermans, is 
vbabbelen met eene schrille stem." De bet. des 
woords schijnt bepaald te worden door den aard 
van het geluid. Het komt overeen met begelen^ 
bdgelen^ ook begenen^ bdgenen, bij Stalder geluid 
maken als eene geit, en aldaar afgeleid van het 



klanknabootsende bee^ bdd^ Hwelk dit dier laat 
hooren Het prim; beggen vindt men in bagen^ 
bdggeny bij denz. voorkomende voor een eentoonig, 
afgebroken geluid van dieren en ook van menschen. 
Ook Schmeller heeft dit bdgen^ bij Ueberfelder 
beggazn. Bij SchOpf is bdgen, bdgglen^ kij ven, morren. 

Beitelen, zie Buitelen. 
Bekkelen— Bekken. 

Het freq. is gebruikt en denkelijk ook gesmeed 
door Van der Venne, Belacch. Werelt, 290: 
Laat ofis sitte Grasjea knoopen, 
Of uxtt Biesjes-groente stroopen^ 
Daar de veugela altemacd 
Beckle aoete Seumer-Taal. 
H Beteekent : met den bek uiten. Bekken is te ver- 
gelijken met becka^ hicka, aanhoudend bla£fen, of 
ook hoesten, bij Tobler. 

Bengelen*— Bengen 

Bengen is slaan, eng. to ban^, hoogd. in Grimms 
Wtb. bangen, bij Tobler pingen, friesch bij Epke- 
ma binsgjen. Vandaar bengel^ stok, en tevens — 
gelijk die beide beteekenissen zich ook in vlegel 
vereenigen — ruwe of stoute knaap; Willinks 
Amst. Arkad. I. 44: dat men er de stoutste ben- 
gels te water en broodt gevangen zet. Nomsz, 

Het verijdeld Huwlijksontw. 63: dat uw.... oom 

het ontwerp heeft gemaakt, zyn* bengel aan u te 

koppeleny om hem door een wijf wijzer te maken. 

Aid. 119: moet de jonge een allerondeugendste en 

lichtvaardigste bengel zijn geweest. — Minder ge- 

woon is dit naamw. bloot voor knecht, als in Mo- 

lidres School van de Mannon, bl. 19: 

Ick moet mijn plicht voldoen^ en aendeti hem terstont 

Syn doo8 en brief weer H huys^ — 

Maer my ontbreeckt hiet* toe eenjongen^ of een bengel; 

Want u te vergen, Heer 

Knil past het w. op Gupidotoe;Minne8piegel, 176: 
Agh! agh! ik 6id, dien bengel doch verbiet- 
Dat hy op my stjn pijltjea niet en schiet. 
Vandaar bengelen^ bij Kjl. en Grimm met een 
stok slaan; voorts (als met een stok) uitdrijven, 
wegjagen; Hooft, Tac. fol. 168: Hy^gelyk hy veir- 
digh was tot stout bestaan^ komt binnen twee 
daaghen drie duizendt stadien ingevallen, en ben- 
gelt den onwetenden en verhaasden Gotarzes her 
uit. — Meulewels, Timon Misanthropes, 30: 

— als een onwaerdich gast 
Van u verwot*pen ^ verdruckt en uytgebengelt. 
Bredero, Griane, 57: 

rijcke dwaes! die doot die rotnmdl ande poorty 
Sy bengel t den Gelt^sttchtige Prachter voort, 
Oudaan, Uitbreyd. over Job, bl. 39: 



47 



BENGELEN. 



18 



— als een eygen slaaf^ die, zander eynd te weten 

Gebengelt hene moeL 
d. i. voortgedreven, gejaagd. Dez. Toneelp. 148 : 
Wat bengal bengelt hier d*ontzachbre Majesteyt ! 
Waar goat gy Kofiradijnf 

Betigelen is wijders ruw behandelen, kwaad of 
met minachting bejegenen, ringelooren; ook volg. 
Johnson de beteekenis van 'teng. to bang (dat hi] 
van een nederl. ww. vengolen afleidt!) en volgens 
Tobler van 't zytiis. binggela (door hem verkeerd 
van pingen, peinigen^ atgeleid). Dus twee pll. uit 
Hooft in het Wbk. des Inst.; doch ook elders; 
Heermans Bootsmanspraetje, 59: {zy) verma^n- 
den de H. Bewinthehberen de gantsche Wereldt 
over, dat zy heur niet meet* en moesteti laten ben- 
ghelen van heur Stuyrluyden seggen: maer aelfs 
H roer in de handt nemen. Paffenrode, Ged. i34: 

— zoodra en zyn se niet getrauwt, of se kennen 
somtyds de mans wel ringelooren en bengelen. 

Westerbaen, Ged. II. 408: 

Daei* is geen knecht so goed, die H hier sal konnen 

herden, 
Als men van yder een dus sal gebengelt werden. 
Van Zevecote, Ged. 254: 

Den Spaignaert hotit u veel te lanck 
Met soo veel volck becingelt, 
De straffe doot en hongersnoot 
Te seer uw* borgers bingelt. 
d. i. kwelt of plaagt, wat volgens Gastelli ook het 
oostenrijksche benzn heieekeni; dus ook Valenttjn, 
Werken van Ovid. I. 241: Een scht^aal man, die 
deerlijk met een rijk wijf gebengelt is. Oudaan, 
Voorschaduwing, 20: 

Een tuchting, die met vrees, als kind'ren, haar 

koom bengelen. 

Bij Schmeller is benzen en bengsen iemand kwel- 

len of lastig vallen door aanhoudend bidden of 

verzoeken, en daarme^ komt overeen bengelen in 

Brederoos Het daget enz. 28: 

— laet Vechthart vry wai heng'len, 
Hy vindt niet wat hy soeckt; sy laet hem soo wat 

beng*ien, 
En geekt met hem als blyckt — 

Bij Schmeller is bengeln nog eene zekere manier 
van dorschen, van bengel, soort van dorschvlegel ; 
en bij Johnson to bangle bij beetjes verspillen. 
Hoe die laatste beteekenis thuis te brengen zij, 
is mij niet duidelijk. 

BeDgelen*— BeBgen. 

Bengelen^ bingelen is ook klokluiden, en bengel 
een klok, inzonderheid een poortklok, zooals in 
Luykens Bijkorf, 71 : 

De bengel luid: de poort wit sluyten. 



Dus Willinks Amst. Buitens. 14: 

Daar legt de trekschuit aan tiet veer, 
Gereed op 't benglen af te sleeken. 
Mijns inziens terecht beschouwt Tuinman, Fakkel, 
I. 40, deze woorden als geluidnabootsend, en te 
verge] ijken met bombammen, dat van grooter 
klokken gebezigd vyordt. Bengen komt dan over- 
een met bingen en bangen in bingebangeti, zie 
mijne Verscheid. 137 en Lat. Verscheid. 450. 
Tuinman zelf gebruikt het freq. bingelen in zijn 
Rymlust, 320: 

Ei hoor eens fioe de klok daar bingelt. 
Anderen hebben betigelen; Berkhey, De Toren van 
L. Saaihal anderm. sprekende ingev. 4: 
Mijn klingeling en klokkenspel 
Zal benglen: Hga tnijn Leyden wel! 
ToUens, Laatete Ged. II. 49: 

De noodklok bengelde in 7 gehueht- 
Westerman, Ged. IV. 171 : 

— dan gebengeld eti geluid, 
Dat alle klokken scheuren! 
In de Werken van Rabelais, II. 52, leest men : het 
geluyd der klokken, die..., bombambengelden. — 
Hiertoe is te brengen bengelen, bungelen, 'bon' 
gelepi, voor been en weder slingeren; Bildei^ijk, 
N. Uitspruitsels, 174: {den bek. 

Hier hangt hy, met het fioofd hem benglende uit 
ToUeus Dichtbloemen, 91: 
— de eerlooze schooijer zal sterven als zij, 
En benglen, den kop 'naar omlang^ aan een koord. 
Van Lennep, De Pleegzoon, I. 190: Achterop bun- 
gelden drie lange slungels van lakeien. De Ge- 
nestet, Leekedichtjens, 117: 
Dat ik 14.... 

Aan een Witte Das ver?uingen 
Ergens plechtig bunglen zag, 
Ter Haar, De St. Paulus Rots (5dedr.), 47: 
Een andre spaan, in tweti gebrokeny 
Hangt met ver-uitgestoken land 
Te bunglen aan den achtersteven. 

Gremer, Twee Novelletten, 5: dan ziet gij een 

uithangbord, door den morgenherfsttvind beUHh 
geti, op zijne hengsels been en weder bungelen. 
Halbertsma, Lappekorf, door Goevemeur, II. 42 : 
eefi rotting.... waaraan een zuxirc zilveren ket^ 
ting bongelde. Aid. 85: lange kettingen, daar een 
heele vracht kopergoed aan bongelde. Beets, Nav. 
van Byron (1848), 15: 

En bunglende over H dfH}evig graf 
Hong van de zuil zijn keten af. 
De nieuwe druk heeft hiervoor: 

En benglende over 'tgraf 
Hing daar de zware keten af. 



49 



BENGELEN-. 



20 



Zoo ook in deszelfden Sch. Camera Obscura, 5de 
dr. bl. 339: het tusschen de wielen bengelende neL 

Van dit ww, heeft men gemaakt zich verbengelen 
voor zicb verslingeren ; Werken van Rabelais, I. 
631: geen Vroi(W te hebheti w, zich niet te ver- 
slaaven^ te verbengelen aan hoar, 

Het Alg. VI. Idiot, heeft voor hengeleu^ slaan, 
bentden^ naar het schijnt als bastaardvorm, en 
ditzelfde beteekent op het platte land van Noord- 
holland slastig vallen door herhaald aanloopen en 
bezoeken;" (zie De Navorscher, VIII. 89). Eig. zai 
dit laatste moeten zijn: been en weer loopen, of 
slingeren in fig. zin. Tiling heeft benterti voor het 
onrustig been en weer loopen van kinderen; 
zie ook Kaindl, II. 65i. 

Benselen— Benzen. 

Volgens Halbertsma, Wbk. voor het Overijss., is 
benzen in dat dialect aansporen, haastig drijven; 
volgens Dr. Te Winkel (Taalgids, IL 99) te Ani- 
hem, »het dwingen" van kinderen. Dat dit yr, zou 
komen van het angels, bensian^ bidden, is niet 
waarschijnlijk. Eerder zal het te brengen zijn tot 
banschen, bij Stalder schudden, stooten, ook slaan, 
waarvan bij denz. het freq. bdnseln, in gelijke be- 
"teekenis. Ook bij Halliwell is to bansel en toben- 
sU slaan, straffen. In onze dialecten komt het 
frequent, mede voor. Wegbettselen is in Gronin- 
gen wegjagen, wegdrijven, en benzelaar in Noord- 
' holland een levenmaker, zwetser, eig. dus iemand 
die veel leven, beweging of opschudding maakt; 
zie mijn Taalk. Mag. II. 344, en III. 5ii. Hiertoe 
zal ook behooren penzelen^ dat, naar mij medege- 
deeld is, het veluwsche dialect gebruikt voor ran- 
selen, afkloppen. 

In de dieventaal bij Von Grolman ife benschen 
bidden, zegenen, en tevens bestelen, het laatste 
zeker ironisch van het eerste. Althans Tendlau, 
Sprichw. und Redensarten Deutsch-jud. Vorzeit, 
147, geeft aan het joodsche betischen^ d. i. bene- 
dicere, op gelijke wijze den zin van afrossen. Ver- 
wantschap van dat woord met het zwitsersche 
banschen, en alzoo ook met ons benzen^ is niet 
onwaarschijnlijk. ' 

Bentelen, zie Bengelen*. 
Berdelen— Berden. 

Berdelen, met uitlating der d berrelen^ is bij 
De Bo hetzelfde als Berderen bij Kil. Zie dit w. 

Beugelen', zie Bogelen. 
Beugelen*— Beuken. 

Beide wwn. beteekenen in het vlaamsch het 

bulken of loeijen van runddieren ; zie de Idiot, van 

Schuermans en De Bo. Het fransch zegt beuglery 



oudfr. bugler; voorts bugle^ ook in 't eng. bij 
Halliw. voor buffel. 

Beugelen*, zie Beukelen. 
Beukelen— Beuken. 

Bilderdijk, Verb. o. d. Gesl. 180, en Vei-kl. Ge- 
slachtl. I. 67, vermeldt een ww. beukelen, waar- 
van zoude af komen ons subst. beukelaar. »Het 
beteekent (zegt hij) het schild dat gebeukeld 
wordt." Dat het freq. in den zin van slaan ge- 
zegd wordt, blijkt uit de vlaamsche Idiot, van 
Schuermans en De Bo, die het frequent, vermel- 
den voor herhaaldelijk slaan of kloppen zooals 
stokvisch ; voorts is het vlas kloppen of slaan. Dus 
lees ik in De Ned. Taal, VI. 212, dat vlaken in 
Friesland gebruikelijk is »als benaming voor het 
beukelen en hekelen van vlas." 

Eene verzachte uitspraak van beukelen is beu- 
gclen, voor slaan gebezigd in de pi. bij Oudemans, 
Bijdrage : dat ik mijn wijf soo beugel. 

De wallen eener vesting zegt men door het ge- 
schut gebeukt te worden; vandaar beukerij voor 
batterij; Schermers Poezy, 88: 

Da<tr zy voor 7 Htet^k Toulon..., 

Hun' veltmetaaleti op de beukerijen planten. 

Maria Heyns, Bloemhof, 253 : Terwijl hy de be- 

quame wegen tot de beukery bezag, wierd hy van 
de belegerden.... bekent. Wagenaar, Vaderl. Hist. 
IX. 115: 7 opwerpen eener nieuwe beukerye. 

Wat beukelaar betreft, dat behalve van beukelen 
door Bild. zelf 1. 1. a. p., zoowel als door anderen 
van beugelen, door nog meerderen van bokkenleer 
wordt afgeleid, dit zal wel van het fransche bou- 
clier zijn ; zie HoeufTt, Fransche Woorden, en Sche- 
ler, Diet, d' Etym. Fran^. 

Beurlen, zie Barlen. 
Beazelen— Beuaen. 

Bild. in zijne Geslachtl. op Bezeui, leidt beuzelen 
van boos, kwaad, ondeugend, af; beuzelen zou dan 
zijn afkeuren, tot verwerpen en verstooten over- 
gegaan. Wat het woord betreft, is die afleiding 
waar; niet wat den zin aanbelangt. Ons werkw. 
beuzelen is van boos, doch dit adj. dan genomen 
in zijn oorspronkelijke beteekenis. Bosi in H oud- 
hoogd., bose in Hmiddeld. en nog in 'tbeijersch, 
is gering, nietswaardig ; zie dit uitvoerig bewezen 
bij Graff, Benecke en Schmeller. Vandaar ook 't 
WW. boson, nugari, dat met beuzen overeenkomt. 
Ons znw. beuzel, dat bij Weiland niet had mogen 
outbroken, komt bij vroegere schrijvers dikwijls 
voor. Erasmus, Lingua, 46 verso: soo heeft het 
kint met een beusele diehy voot^de handt versierde, 
' sijn tnoeder gepaeyt ende bedrogen, Ende de moe- 



21 



BEUZELEN. 



22 



der terstont eetien yegelicketi de beusele vertrec- 
kende enz. Van Ghistele, Heroid. Ep. 427 verso: 
Hoe derfdy dun met zoo stoute manieren 
En zoodanighen loghenen verklaren^ 
En vreenide beuselen versieren^ enz. 
Jonctijs, Venus, 15 : 

Het al'te-lijdsaem oyr.... 

Dai voor deez beuzelen to lany ontsloten staet. 
Bloemkrans van Versch. Ged. 470: 
Dat z'tjn nvxar beuzelen; dies acht het maar voor 

grollen. 
Yrouw. Cieraet van St. Agnes, 170 : Dit is nu im- 
mers geen beusel. Levens van Pint. fol. 10 recto: 
nochtans zyn daer eetiighe die meeneti dat het al 
te samen beuselen, e?ide enckel leugenen zijn. Fol. 
iOfi verso: cleyne crackeelen etide beuselen. Jonc- 
tijs, Toon der Jal. I. 603: een kleinnioedige harts- 
tocht^ die op geringe beuzelen opstuift. — Vandaar 
beuzeltnarkty beuzelarij, gebeuzel, bij Kil. en Van 
Hasselt aldaar. Zoo ook Sprankhuisen, Van de 
Scheppinge, 107 : H is enckel beuselmart, dat de 
Menschen voor den Valsouden hlint gheweest zijn, 
Erasmus, De On vers. Krijghsman, 24: Siet voorts 
loat beuselmarckt daar om gaet. 

HFreq. heuzeleti, dat in het hoogd. den vorra 
poseln heefl (zie Peuzelen), staat bij Weil, als on- 
zijdig voor ^kleinigheden vertellen, niets bedui- 
dende dingen verrigten." Dus b. v. Erasmus, a. w. 
62: met dinghen daer 1x4 ttel verlanghen aen hanght 
daerheuselihymede. — HKomt echter ook bedrij- 
vend voor; Rabus, Vermak. der Taalkunde, 19: 
Hy beuzelt, dat d^ze Sibyl van haer zelven getuigt 
enz. Nieuwland, Lett, en Oudh. Verlust. II. 468: 
de Joden beuselen, dat Josephs lyk..., fiaar Canaan 
overgebragt zmide zyn, — Jonctijs, Toon der Jal. II. 
643, gebruikt uitbeuzelen in zulken zin: Rabbi 
Abraham.... derft uitbeuzelen, dat de isityrs wel 
schepsclen^ maaronvolmaakte zijn, — Op deze voorbb. 
is toepasselijk wat Conscience opteekent in zijn 
Houten Clara, 7: itBeiizelen beteekent te Antwer- 
pen zoo veel als leugenen verdichten en onwaar- 
heden verzinnen, doch zonder boos inzigt en al- 
leenlijk uit scherts." Zoo is ook met verdere over- 
dracht het holsteinsche boseln liegen*. 

Het WW. doorbetizelen heeft Beets, Stichtel. Uren, 

III. 310 : jaren en leeftijden doorgebeuzeld, doot*- 

geskipeti, — En voorbeuzelen^ Van der Palm, Salomo, 
II. 173: den zoon uit een aanzie^Ujk huis^ di&t 
men.... heeft voorgebeuzeld van zijne gcboorte. 

Kil. heeft voor beuzelen ook feuzelen, bij 't 
welk eene gewone letterwisseling valt op te mer- 
ken; en voor dit laatse hebben de Zeeuwen, met 
invoeging der r, freuzelen^ volgens Tuinman in 



zijne Fakkel, i. v. Ook in zijn Rijmlust zegt hij 
bl. 341: 

De Zeeuiven praten van gefreuzelt. 
De beteekenis van het ww. isdezelfde met die van 
beuzelen. Voor een beuzelaar zeggen zij een freu- 
zelaar. 

Het middelh. ww. verbosmi^ praet. verboste., be- 
teekende reeds met een niet ongewonen overgang: 
slecht maken, bederven, en vandaar de bij Cats 
meermalende voorkomende uitdrukkingen verboste 
saecke7i^ verboste staet., verboste sinnen enz., d. i. 
derhalve eigenlijk bedorven zaken enz., *t geen in de 
door prof. De Vries en mij bezorgde uitgave diens 
auteurs niet altijd nauw in 't oog is gehouden; 
zie b. V. D. I. 7 en 9, D. VII. 210. Een ww. ver- 
bossen, zooals daar, evenals bij Kil., is vermeld, 
geloof ik niet, dat bij ons bestaan heeft. Even 
weinig als *t ww. verbosten, dat De Brune ver- 
moedelijk van Hdeelw. verbost heeft gesmeed, 
Bancketwerck, I. 144: Ongeduldigheyt doet dik- 
wils een goede zaecke vet*brodden en verbosten. 

Voor zich boos maken treft men het ww. zich 
verboozen aan, Vliss. Red. Lusthof, 209: 
En dat elck tuier synplicht sich selven niet verboost 
Op syn Overheyt^ maer laet elcx Liefde brandcn. 

Bibbelen'— Bibben. 

Bibbelen ontmoet men voor bibbereny d. i. beven, 
trillen, bij Berkhey, Eerb. Proefkusjes, 305: onze 
lieve Brocrtjes, die in de koude staan te bibblen. 

Ook het akensch dialect kent bibbele in dezen 
zin, en het Alg. VI. Idiot, heeft daarvoor bubbelen; 
in H westei^waldsch is btibbeln zoowel snappen als 
beven. Zie voorts Bihbelen* en Bibberen, 

Bibbelen*— Bibben. 

Bij Kil. is bibbelen vlaamsch voor babbelen, m 
den eig. zin van wauwelen. Bibben is hetz. als 
babben^ doch, naar den verschillenden klank, min- 
der volmondig dan dit. Het eng. voegt beide vo- 
calen bijeen in bibblebabble, onsamenhangend ge- 
snap, bij Halliwell. De samenhang dezer wn. met 
bibberen, beven, blijkt op Bibbelen^. De korte i 
wordt in de korte u verwisseld in gebubbely ge- 
snap, bij Bekker en Deken, Corn. Wildschut, III. 
65: dat bloedlaauwe, alledaagsche gebubbel van 
onze zoogetmamde wel opgevoede tnannett. 

Biezelen— Biezen. 

Biezelen is in NoordhoUand zacht spreken, fluis- 
teren ; zie mijn Archief, I. 250. Bij Schambach en 
andd. is biseln hetzelfde wat bij ons biezen of bij- 
zen heet; zie Bijsteren en verg. Bazden, Het eng. 
to buzz, dat evenals dit biezen stiorreti beteekent, 
is insgelijks fluisteren, iemand iets influisteren, 



23 



BIEZELEN. 



24 



waanran wij het geluid ook wel door bies! biai! 
aandujden. 

Big^elen', zie Bikkelen. 
Biggelen*— Biggen. 

Biggen is, benevens viggen, bij Kil. jongen wer- 
pen (van hel varken gezegd). Dus Vondel, • Wa- 
rande der Dieren, 16: ('W<?w, 

De Wolf^ een vuyle Zogh zietide in den mesthoop 
Die zwanger nu hestond te nienen en te biggen, 

Zich vroemoei' heeft geveynst. en finer in biggens 

smert 

Te helpen aemjehooti uyt een medoogend hert. 
Smijters, Fabelen, n", 18: 

De Wolf van verre zach een Soch vol jonghen staen, 
Dewelcke viggen wouw, — 

Ons subst. bigge^ eng. pujr, luidde voorheen vigge; 
Kausl. Denkm. I. 221: 

Hi dede een jonghe vigghe bringhen. 
De Bie, Faems Weei'galm. 217: 
H Ih Hchand dfier in ally I te vroelen als een viggen. 
Moons, Sedel. Vermaecksp. 425: 
Hier legen roepl het Peerdt: gy sijt het vuylste 

viggen. 
Ogier, De Seven Hoofts. 96: 

Wat schalke Hoet* is dat? mat een doortrokken 

viggen ? 
Hondius' Moufeschans, 58: 

Twee^ dry seugen met haer viggen. 
Smijters, t. a. p. : 
Mijn vigskens zijn verveet% vertrect dan nu ter tijt. 

Van H WW. biggen^ volgens Bouman, De Volks- 
taal enz., in NoordhoIIand nog bekend, is biggelen^ 
dat Halbertsma bezigt, in zijn Woordenboekje, Over- 
ijss. Aim. 1836, art. Gelte: varken dat nog niet 
gebiggeld heeft. Zie voorts Baggelen*. Men beeft 
ook Viggenen als fi'equent., zie dit w. 

Bikkelen— Bikken. 

Beiden beteekenen bij Kil. haJcken, afhakken; b.v. 
Sprankbuisen, Geestel. Balsem, 26: Men hackt, 
bickt eti polijst eenen Marmersteen. — Steenbikke- 
laar was een steenhouwer, zie Kit. en Gloss, op 
Maerl. Rijmb. De wn. worden in dien zin nog wel 
gehoord; vooiis geven zij te kennen (met de tanden) 
vermalen, verbrijzelen, en vandaar kauwen, eten. 
Weil, vermeldt de gemeenzame spreekwijs: daar 
valt niet veel te bikken; das Maria Heyns, Bloem- 
bof, 186: de genetu,die hun tniddelen toegebracfit 
en niet meer te bikken hebben. De Pots van 
Kees Krollen, 9: 

— ik hou 800 veel van dat kieskasseti eti bikken, 
Je nout het niet gelooven, en ik kan ook wel re- 

deliik slikken. 



In Noordbolland en Westfriesland zegt mon daar- 
voor bikkelen en bikkeven^ volg. De Nav. VII. 194 
en XV. 45. Zie Bikkeren. 

Bikken^ ook bekken^ was oudtijds wat wij nu 
met verscherpte uitspraak pikken noemeQ. Dus 
Van Velthem, fol. 184: 

S((ch hi deti vogel sitten doer 
Die daer vore ntaecte mesbaer, 
Ende sat etule bicte op enen boem 
Met sinen becke. 
Snellaei-t, Nederl. Ged. 484: 

Wortne ende venijne sleeken 
Die dijn lichaetn sullen beckeu. 
Spieghels Hertsp. 64: 

Dees haattf de dierbaur steen weghschrabty en ko- 

ren bikt. 
Voorts iemand slaan, of in den oorlog op hem 
aanvallen; Bred. Lucelle, 44: 
Bickter ojj, His een wees, maer siet toe tvaer ghy 

slaet. 
Van Velthem, fol. 401 : 

(St) begonden weder bicken 
Opten soneHy na desen sticken 
Ende hebben he^n sint sender waen 
Dicke groten pant gedaen. 
Fol. 6: 

Sone wUden si niewer op micketi, 
Ende tvilden alteneti vorwert bicken 
Ende altemcUe dan bringen onder. 
En fol. 175: 

Datsi opt zee voren dicken 
Ende also op Ingelant bicken 
Ende roveden, enz. 
Verg. H Wbk. des Inst, op Hooft. — Al verder uu : 
op iemand aanvallen, door hem leed of smaad toe 
te brengen; Rodenburgh, Borstw. 366: 
Die in de necrUxech is, doer wil elck een op bicken. 
Br. van Niedek, Zinneb. der Tonge, 303: 
De hooghste trap van stoat, daar stcets de nydt 

op bikt 
Aanbikken is aanvallen, Vond. Virg. 316: Den 
Veltheere Tumus, die vast aen verscheide oorden 
toestreeft, en op den vyant aenbickt, komt een 
tijding ter odreti. — A f bikken beteekent afhakken, 
Berkhey, Nat Hist, van Holland, II. 770: de Stee- 
nen afbikken, en van de Kalk of /let Tras af' 
scheiden. — Voorts afnemen, verminderen, te kort 
doen, benadeelen; Lev. van Marc. Aurel. 12o v**.: 
dat wy — ons leveti willen afkeroen ende onse 
cere met groote moeite afbicken. Aid. 131: zijn 
lichaem te avofitueren, ende zijn goede fame af te 
bicken. — Wederkeerig leest men hetz. w. aid. 92, 
v^. :. En hebt ghy u niet afgebict van de steen- 



95 



BIKEELEN. 



% 



clippe deter ghy op ghebracht waert? En 112 y^: 
andere als verquislnvf hen afbickende, gheheel 
verartneti, D. i. dunki m^, in de eerste pi. zich 
door de rots uit of af te hakken, daarop redden ; 
en in de tweede pi. telkens van z^n goed wat af 
te kappen. — Doorhikken is doorhakken ; Huygens, 
Korenbl. I. 132: 

Hy is do wijse heesl die in de boomen pickt, 
Eu V elcker hoopi^ hel hout is daer m6 door gebickt. 

Kiliaan heefl ook bikkelen voor uitspringen, in 
de uitdrukking: de tranen hickelen wt de ooghen. 
Wij zeggen daarvoor higgelniy dat hij niet heeft, 
en dat das waarschijniijk voor bikkelen gezegd 
wordt. Bikkelende of biggeiepide tmnen zullen dan 
zijn tranen, die uit het oog springen, Het Alg. Vl. 
Idiot, heeft biggelen voor »met den kaatsbal spe- 
len" en verklaart het w. door »afrol1en." Volgens 
Bild. Geslachtl. op Pegel, is biggeleti eigenlijk pe- 
gelen^ voor zwellen genomen. Indien eene en 
vooral de eemte van deze verklaringen gestaafd 
ware, en Kiliaana bickelen haar niet in den weig 
stond, zou zij, mijns inziens, wel zoo natuurlijk zijn. 
In ieder geval zijn het de tranen die higgeletiy 
b.v. Feitama, Telem. 132: 

De Unnen biggelden uit hare aa/nlokkende oogen, 
Valentijn, Werken van Ovid. III. 184: 'K heb u 
tranen op mijn aansigt sien biggelen. — en niet 
de oogen ^ zoodat Oudaan, Tooneelp. 242, niet ge- 
viragen mocht van »met biggelende oogeti aanzien.'* 
Fraaijer is de overdracht bij Ten Kate, in zijne 
Vert van Tassoos Jeruz. I. 101 : 

— d*uchtenddaauw, die biggelt op 7 geblaarL 
Met getijksoortige overdracht, doch niet too ken- 
rig, heeft Bara, De herstelde Vorst, 31; 
Daar biggelt *t edel bloed, en borrelt uit dees adet*cn. 
, en nog minder Delcroix, Geld of Liefde, 181 : De 
voile maan spreidde Juiar weifelend vale licht over 
het landschap uit^ en biggelde in lange gele ban- 
den over het kabbelend water. — Voor biggelen vond 
ik beggeletv, Halbertsma, Hulde aan 6. Jap. II. 155 : 

Herts traenen,,., die Drucks bulstn* baden^ 

En beggMen langs bleeck^ koon voor ne'er, 
alsmede — wat vreemder is — boggelen^ Gheestel. 
Nachtegael, I. 131: 

Hier soo werdeti alle de Fonteynefi 
En de poorten van een warachtich berou, 

(rh^opent daer die tocht van tranen re^/tien, 
Overvloedelicken door boggeten sou. 

De afl. biggeling komt. voor bij Bilderdijk, Men- 
gel.IV. 151: biggeling derwangen. — Mel voorzet- 
sels heeft men a/'frt^/.^e/^i; Vondel, Herschepp. 316: 
traenetu langs de kaecken af biggelende. Antonides, 
Ged. 320: Hoe zie ik..,. zoo veel traenen langs de 



wangen af biggelen. J. de Haes, Cred. 67: de tra- 

neti vast afbigglen langs de kaken. Nieuwe Ho- 

nigbije, I. 46: 

Hoe goot hun oog een (fansdxen Tranenvloed^ 

Dte^ zill en he^t^ tvin 7 /mH, dat scheen te branden^ 

Afbiggelde — 

»Afbiggelen van het hart" is wat vreemd. — 

Voorts nederhiggelen; Feitama, Telem. 547: 

— zyn tranen bigglen ne^r {heer. 

Langs 7 achtbaar wezen van den wijzen voedster^ 
Eindelijk het bedrijvende uitbiggelen; Krul, Minnel. 
Sanghrijmpjes, 35: 

Ik biggel uyt een braeke tranens vliet. 

Dat bikkelen inderdaad ^n woord is met biggelen 
blijkt ook uit de omstandigheid, dat het niet fre- 
quent, bikkelen^ met hikkels spelen, voorheen ook 
biggelen heette. 

Bimmelen — Bimmeii. 

Beide wn. heefl het Alg. VI. Idiot, voor »het 
gelui van eene kleine schelle." Van bimmelen 
heeft men een voorbeeld in Van Dans Thyrsis 
Minnewit, I. 53: 

— verstaeje u op 7gebimmel 
Van een starte clavicimmel. 
Bimmen kennen wij nog in bimham; zie mijne 
Versch. 137, en Lat. Versch. 449. Dit bimbam, 
zoowel als bimln und bamln^ is ook in het oosten- 
rijksch dialect, voor klokluiden; zie Castelli. 

Bingelen, zie Bengelen'**. 
Blind8eleii--Blind6n. 

Blindselen is bij Kil. blind zijn. Dit ww. kwam 
mij voor bij De Brune, Bancketw. II. 405: die 
een-omngh is, is bey zijn oogen quijt, en blindselt 
op den klaren middagh. — 'tHoogd. blinzeln heeft, 
onder anderen, ook deze beteekenis. 

Bobbelen— Bobben. 

Bohbelen^ ook bobberen (zie dit woord), is wat 
men anders bon^elen noemt, d. i. waterblazen op- 
werpen, opwellen, van bob of bohbe^ borreling, op- 
blazing. Verg. Bild. Geslachtl. op Bob. Dus de 
Randteek. op Job 8, vs. 17: daer de watereti ha^ 
ren oorspronck nemen^ bobbelen, wellen enz. De 
Meijer, de Gramschap (door Schrant) 107: 
Het schuim komt wit als sneeuw gebobbell uyt 

den mond. 
Huygens, IL 401: 

De Zee zal bobbelen, en steigeren en stijgen. 
Schimmel, Verspr. Ged. 41: 

Waar de Maas.„. haar bobbelende vlokken 
Rondspat op de vruchtbre klei. 
Gonstantinus (Amst. 1637) 36: 

— aooA idt.... 



27 



BOBBELEN. 



28 



Een Boer in Koe-grip, of in H tmter^ *k ginghje deur 
En Uet hem bobb'len; ja ick sou hem ondet* donipleti. 
Br. V. Niedek, Zinneb. der Tonge, 268: 
Als des gelergdens bloedt aan 7 bobblen raakt en 
Bogaers, Gez. Dichtw. I. 275 : ziedL 

— H bobbelt en kookt en het hruisf en het sist., 

Of imter zich mengde met met\ 
V«lentijn, Werken van Ovid. II. 14S: Gelijk de 
smls genwenlijk soest..,. soo kraaki en bobbelt hun 
vn^brande keel en horst^ die niet als vlam 0}n*ujipt, 
De Brupe, Zinnew. 89: eenighe veersen en gedich- 
ten^ die de tvallende hide van dnt ziedende hloed 
uytghebobbelt hudden. — d. i. uiigehon^eld^ al hor- 
relende uitgeworpen; zoo is opibohhelen in den 
eigenlijken zin borrelend opstijgen, Randteek. op 
Levit. 6, vs. 21: soo gesoden, dat het opbobbelt. 
Vondel, Maria Stuart, 38: hoe wil dit ziedend 
hloet opbobbelen van too}*ne, Bilderdijk, Navonk. 
11. 89: 

H Watet^ schijnt zoo op te bobblen. 
Doch fig. opgeblazen zijn, zich verheffen ; Oudaan, 
Agnppa, 93, waar van Zeuxis, die kunstiglijk de 
druiven geschilderd had, gezegd wordt: A//, die 
doM* Hoordeel rfer vogelen opbobbelde. Aid. 357: 
de grootsheid^ dom* welke zij opbobbelende hoven 
haar lot en staat^ Hgeeti alle schehnsttfkketi te 
te hoven gaat^ hestaan durven. Poirters, Masker, 
237: hoe ras bobbelen op, eyi loopen over onse 
driften, en blinde begeerlijckheden. — Bobbelmoe- 
dig is opbruischend, opvliegend, Oudaan, a. w. 297: 
Alexander de groote, die van zelf bobbelmoedig 
genoeg was, — En opbobheling en opbohbelendheid 
opbruisching, aid. 29:' zulk emi opbobheling van 
dolligheid. Dez. Ged. 84 : 

— dot ve7*eischt gezag 
Bat alle opbobblentheid en twist beslechten mag. 

Weil, heeft overbobhelen en verklaart dat door 
overschreeuwen ; liever zou ik zeggen: door drift 
of geweld de overhand behouden. — In het Kin- 
derwerck ofte Sinnebeelden van de Spelen der 
Kinderen (Amst. 1626) wordt op n". 16 hohbele^x 
geheeten het zeepbellenblazen, wat mede in H ne- 
dersaks. huhhlen heet. — Een waterbel zal bohel 
beteekenen bij Bredero, Jerolimo, 56: 
En of hy eeti stucks gelts verteerde, hy achtent 

als een bobel. 
Doch wat is bij hem hohhelvaM^ Schijnheiligh, 18: 
Soo ick niet bobbelvast gingh in de jonste van m, 
Ick son meenen dat ghy waert onse vyant nu, 
Misschien ironisch gezegd voor vast als eeti wa- 
terbely zooals het neders. huhhelhaftig heeft voor 
week of los als schuim. — Numan, Strijt des Ge- 
moets, 36 recto leest men boubbele: 



Een Princersse wyens Heerschappije wijt 
Over gayisch aertrijck men siet e.rtenderen: 
hide handt droech zy het teeken van haer ioh'jt 
Een boubbele zeer schoon am contemjjleren^ 
Daermen duysent coleuren sach represent eren^ 
Gelijck int gestcente daer de Sonne op raeijt. 
En 41 recto: 

Met desen heeft Redene een cleyn windeken ge- 

maeckt 
Metten monde^ al oft Zephyrus had* gaen unteijen : 
Wa^rdeure die schoone boubbele werdt geinect 
En gescheurt, daer die Vronwe met was gelaeijen. 
De hr. Oudenians voert in Te Winkels Taalmag. 
IV. 22, een voorbeeld aan van hotibel voor mond; 
ons gemeen zegt daarvoor wel een boUe blaas-op. 
Van bobbelen is door invoeging der r gemaakt 
brobbelen^ in den Bijbel van Plantijn, herdr. bij 
Mourentorf, Exod. 8 vs. 3: den vloedt sal vor- 
sehen brobbelen, die opkomen snllen, — Evenzoo 
leest men brubbel voor bubbel of hohbel, Ypermans, 
Traits de M6d. Prat 128: dattie camerganc es 
scumech ende vol brubbelen. — Zoo ook De Swaen, 
Leven en Dood van J. C. II. 101: 
Het Bloed dat uyt syn lyf al brobb'len(d) neder- 

vliet. 
Blijkens De Bo's Idiot, zijn brohbel, bntbbel en 
bi*chhelen in Vlaanderen met deze beteekenis nog 
gangbaar. 

Boddelen— Botten. 

Volgens eene aanteekening van prof. Bormans, 
in De School- en Letterbode, I. 107, is boddelen 
te Sint Truijen genicht maken met stoelen, blok- 
ken of andere zware voorwerpen, door ze omver 
of ondereen te stooten, vooral boven iemands 
hoofd ; b. v. wat zit gij daar op H zolder te bod- 
delen? Straks zult gij zelf nog langs de trappen 
afgehoddeld komen. — Vandaar boddelkar^ hotkar, 
d. i. stootwagen. Zie ook het Alg. VL Idiot, i. v. 
Boddelen is dus hetzelfde wat wij stommelen noe- 
men, en wat bij Schmeller butteln heel, d. i. hier 
und her werfen; freq. van botten^ hoogd. butten^ 
stooten, slaan. Dit botten geefl afbotten^ afstooten; 
Moons, Sed. Verm. Tonn. 241 : dees goede verma- 
ningh sal op u ghelijck op een aenbeelt af botten. 
En 390: al htm spotteryen moet op u af botten. — 
Hiertoe zal ook wel behooren nitbotsen voor uit- 
stooten, uitdrijven ; Meerman, Com. Vet. 36: Hoe 
het oock den uytgebotsten hoop verdroot schippers 
te voet te wesen. — Het ww. botsen voor stooten 
is overigens bekend. 

Boesselen' — Boessen. 

Beide wwn. komen voor bij Schmeller onder 



29 



BOEZBXEN. 



30 



de vormen husseln en hufisen^ voor nat maken, 
bevochtigen. Boezeii^ naar hel schijnt voor red- 
deren, leesi men in de Gewaande Weiiwenaar, 
III. 54: ' 

Je fmis a tout faire 

En moet overal by zyn^ daar wat is te boezen. 
Wij zeggen hoezelen \oor spoelen, wasscben enz. 
Dns Bekker en Deken, Will. Leevend. Till. 269: 
Maar hoe er ook geboezeld (ni uiUfefuiald wot*(lt^ 
er w nieUi onreins in. — Vandaar hoezelaar^ scborte- 
kleed, bescbreven bij Berkbey, Nat. Hist. v. HoH. 
III. 992, ook hoezel gebeeten, welke ladtste naam 
mede toegepast word I op de stof, waar bet klee- 
dingsiuk van vervaardigd wordt. — Bilderdijk 
vergiste zicb met boczelen door ^mdl werk doen" 
te verklaren, Verkl. Geslacbtl. op Bezem. HMoest 
zijn T»nat werk doen;" docbbij verviel in ded wa- 
ling door de verwantscbap des woords te zoeken 
in boze^ vuil, en 't fr. boiise^ koedrek. Veeleer is 
te wijzen op H fr. baiset% kussen, want ook daar- 
voor werd bussen gebruikt; zie Grimms Wtb. 
Berkbey gaf t. a. p. twee verklaringen van bocze- 
laar; vooreerst dat bet van boezem is, als zijnde 
een boezemdekker ; ten andere van roczeboezen, 
d. i. morsen, omdat »de vrouwen baar scbrobben, 
wasscben en plassen, dat met morsen vergezeld 
gaat, niet zelden ook roezeboezen noemen." Dit 
laatste, Hwelk men leest bij Bekker en Deken, 
Com. Wildscbut, V. 331 : dut ik u m mijn Labo- 
ratorium meer te roezeboezen gaf, dun u lief zijn 
zal, — bond ik voor 6^n met roezemoezen^ door wis- 
seling der lipletters. — Van bet znw. beeft men 
bet WW. boezelaren geraaakt; Jan Klaasz, of Ge- 
waande Dienstm. 42: 

Hy boezetaert nl hiel, 7 'past hem alles ondieft, 

netjes en glat, 

Boezelen*— Bossen. 

Boezeletij beuzelen^ is in bet Alg. VI. Idiot. »on- 
acbtzaam scbieten en met marbets naar den put 
scbieten." Dit kan gezegd zijn voor bosnelen, van 
hossen^ bij Kil. betzelfde als botsen^ d. i. stooten, 
slaan, een w. dat zicb in verwante talen in ver- 
scbillende vormen voordoet, b. v. oudfr. bousser^ 
bij Stalder boossen^ bij Scbopf bossen, bij Von 
Scbmid bauachen., boogd. boazen^ middelbd. biuzen^ 
alien stooten of slaan; Scbmeller beeft in dien 
zin hossen^ docb mede voor »een kegel nitstooten'' 
en daarbij bozzefi met de bet. van »met kogels 
werpen.'* Met de laatste beteekenissen toont bet 
vlaamscbe spraakgebruik overeenkomst. 

Bogohelen— Bokken. 

In bet Alg. VL Idiot, is bogchelen^ ook bugche- 



len en boechelen »fel en aanhoudend boesten en 
geweld doen om de fluimen kwijt te raken." Het 
frequent, komt overeen met begklen^ bij Scbopf 
»uit de aangetaste long boesten;" en het primit. 
bokken met beckon^ becksen^ bij Scbmeller in de- 
zelfde bet. ; bicken, bij Stalder droog boesten ; hdc- 
ken, bdcksen, bq Von Scbmid boesten. Het gen. 
Idiot, beeft bogchelen mede in den zin van »naar- 
stig, docb met eenig gevaar arbeiden/' waarmede 
overeenkomt de plaats in A. L. F. en A. P. S. 
Proeve van Dicbtoeff. 282: 

{Jyie) op den driestnl zat te bocblen om den kost. 
alsniede boggeleti in Oudemans' Bijdrage, I. 761 op- 
genomen uit eene klucht en aid. verklaard door 
»werken, sloven," en ook dezen zin vindt men 
terug in bet prim, bij Von Scbmid t, die bet om- 
schrijft door wvermoeijend met stompe werktuigen 
kloppen, bouwen enz." 

Bogelen —Bogen. 

Kiliaan beeft beiden, on Ten Kate, II. 142, mede 
beugen en beugelen^ voor rond maken (als een 
boog), arcuare. Volg. Bilderdijk in de Verkl. Ge- 
slacbtl. I. 67, is beugelen ))by de Ouden bet goud- 
en zilverdrijven, dat is, uitdrijven, opdrijven, uit- 
slaan tot verbeven rond beeldwerk." 

Bokkelen— Beuken. 

Men leest dit frequent, in Den Nederd. Helicon, 
189: 

Op hem met zijnen donder 
Den hooghsten bockelt stijf,,,. 
Met kracht hem uyt den waghen stoot, 
D. i. slaat, treft, en dan komt bet w. overeen met 
bdckeln, bij Scbmeller stooten, scbudden, neders. 
bokerfi, kloppen, slaan, bij Adelung bakern. 

Laatstgemelde beeft ook in dez. bet. baketi, bij 
Scbambacb bdken, eng. bij Hall i well to b\wk en 
to boken^ nederl. beuken, 

Bommeien— Bommen. 

Geluidnabootsende woorden. Den wortel bom be- 
zigt Vr. Van Ackere, Geb. Doolaegbe, Madelieven, 9: 

Hoort daor den vlaemscheyi beyaerd sefiaUen, 
We^galmende met bom by bom, door \s hemela boog. 

Bommen zeggen wij inzonderbeid van ledige va- 
ten en andere boUe en ledige voorwerpen ; b. v. 
Vondel, Virg. 122: de holte (van den buik) doer 
van bomde, eti door den weerstuit een nuer ge- 
klanck gaf. Van Hoogstraten, Haegaenveld, 29: 
daer de yskegela als balken in den gudzenden 
draeypoel bommen. — V^ij zouden biervoor ploffen 
zeggen. Oudaan bezigt bet w. op gelijke wijze 
als wij van bet bombammen der klok spreken; 
Ged. 18: 



31 



BOMMELEN. 



82 



{Het) slaat^ cds 't kaper doet op H vaUen van den klop 
Een bommende gduid — 

Elders vindt men rombamhen, als samenstelling 
van rommen en hommeti of homben; Wellekens 
en Vlaming. Dichtl. Uitsp. 210: 

'k Hoor liever.,., naar Amarillia zuigen.,.. 

Dan rcMzende oorlogstoon rombomben door de hei. 
lie voorts Kluit op Hoogstr. 74; doch Kil. heeft 
hetw. ook voor trmnmelcn, Bommelen wordt ge- 
bruikt van de honigbijen; Tuinman, Rymlust, 366 : 

Zou Hwel een hommel zyn die bommelt?. 
Oudaan, Uytbr. der Ps. I. 493: 

Dat de schelle fletiyte breefi 
Op '^gebonimel van de hyen. 
De Brune, Bancketw. I. 467 : te bommelen als een 
fwmynelj en geen heunigh of wasch te maken, — De 
bij, anders hommel^ wordt ook hommel geheeten; 
Vondel, Virg. in Dicht, ii7 : 

— de bommel, traegh van aert^ quam met haer 

troepen 
En slickte een nndem kost. — 
Aid. 149: 

Gelijck de hie 

De bomraels, in eeri troep uit haere ko)*ven hoxidt. 
Hetz. w. geldt ook voor bolle ruimte, opzwelling, 
anders h6bhel\ Valentijn, Werken van Ovid. I. 128: 
dan sal ik den heelen bommel doeti uithreeken^ 
en mijn eigen sehande nan den dag brengen. Im- 
merzeel, (Jed. I. 90: 

Maar eindlijk brak de bommel uit. 
Weil, begreep dit w. volstrekt niet; bet Wdb. op 
Hooft iets beter, door aan »buil" te den ken. — 
Yoorts geldt bet ww. voor H luiden der klok; dus 
in Nijhoffs Bijdr. V. II. 182: De Heideneti welke 
in gezegden kuU verblijf hieldett, hadden gezegd^ 
dat men uit denzelveti niet zoude bommelen, hoe 
hard men ook te Epe de klokken mogt trekketi. — 
Van Duyse, Ged. 48 : 
Er bommelt geen domklok, zijn deugden ten blijk. 

Hiertoe beboort bommelgat; Boitet, Beschrijv. v. 
Delft, fol. 221: enen schoone stercke tooren.,., van 
harde steen ende back-^teen f samen, ende werd 
oock cortelijck vervolcht ende opgebracht tot den 
bommel-gaten toe, — Eindelijk is, door denzelfden 
overgang, die in bengelen is opgemerkt, de betee- 
kenis van bet geluid overgebracbt op de beweging 
die bet veroorzaakt; vandaar bommelen voor slin- 
geren. Zoo spreekt men in De Gids van Aug. 
1851, bl. 208, van skwasten die bommelen" En 
zoo heeft het Alg. VJ. Idiot, bommelen voor 9er- 
gens met eene beweging aanhangen." — Dus uit- 
bommelen^ van den zwierenden dronkaard gezegd^ 
Geld. Volksalm. 1844, bl. 204: Dan aoverkwiem 



'turn wd es niet zeldtaam^ dat i zulk en huus 
uutbommelde, zander te weten, hoe i er in ge- 
kommen tMior, of hoe i ziin eigen huus fnogt weer 
viiuieix. — In de beteekenissen van luiden en slin- 
geren heeft het Brem Nied. Wtb. bummeln; doch 
dit gewaagt niet van bommelaar, voorkomende bij 
Mamix, Biencorf, 187: de figure dcs cruyces heeft 
ontwijfeliek alsulcke cracht^ dat het de duyvel 
voor een bomraelaer oft bijtehau aensiety ende 
loopter voor wech, — *t Is de bom^neler of bom- 
melnecker van Kil. d. i. een waterdemon of spook- 
sel, die z^n naam heeft van bommelend of bulde- 
rend geluid ; zie V. d. Bei*gh, Krit. Wdb. der Ned. 
Mythol. 181. 

Tot het primitief bommen beboort bomme^ tym- 
panum, etymologisch ^n met bonge^ dat bij Kil. 
dezelfde beteekenis heeft; dus dit laatstebij Maerl. 
Sp. Hist. III. 196: 

— eene bonge iw haer UnuUi zvdc 
In die hant: doer slouglten si an. 
En lager: 

— omme datsi sonden gedoffen 
Van den bongen dat gliescal^ 
Dedi hem die oren stoppen ul 

Bondelen— Binden. 

Bondeleuy hinideletu, met tusschengevoegde s^ 
bondselen^ hufuiselcn, nedei*s. hebundeln, i^ibundeln, 
is inwikkelen, omwikkelen; zie Kil. en Ten Kate, 
II. 121. Dus losbondelen^ los maken, uiteenwik- 
kelen, Oudaan, Uytbr. over Job, 101: 

Zijn zij gelijk het losgebondelt sti'x>o^ 
Of ah het kaf^ dat van den wind gedreven 

Daar h-'ne vliegt — 
Van bundselen is bunselen, De Brune, Bancketw. 
II. 99: on<jheboren kind, dat noch in de eersfe 
windselen iHtn de mituyre gebunsett light. "Van 
Duyse, Vaderl. Poezy, III. 37: 
— H Leveti aller ding daelt van den eewgen ti*ans. 
En uit den bunseldoek straelt ondoorstaettbre glans. 
En hiervan weder onthunselen; De Toekomst, 1870, 
bl. 3: een zuigelingje ontdotm van de heele vracht 
zljner windselen.... ^tgeen wij eenvoudig weg, doch 
zoo Hschijnt niet taalkundig^ onthunselen 7wenien.^ 
lie ook het Alg. VI. Idiot, op Bnnselen. — Het 
znw. bunsel leest men Dietsche Warande, VI. 212 : 
daerom winden sg de (voeten) van jonckx af m 
bunselen. 

De br. Oudemans, Taalgids, II. 47, ziet een pri- 
mitief van hufiseleti in ponsen, bij Bredero instop- 
pen. De bet. strijdt daartegen niet, doch dit jpon^^/i 
komt niet van binden, maar van een znw. dat in 
het neders. luidt pung, angels, insgelijks pung. 



33 



BONDELEN. 



34 



middeleeu'wsch lat. pun^o, puncha, pochia^ in wel- 
ken laatsten vorm de n is uitgelaten, evenals in 
het fransche poche (doch ponch^e^ zakvol), eng. 
pouchy pocket enz., d. i. beurs of zak, zie Tiling. 
Het gen. ponseti, dat Kil. niet kende, kwam mij ook 
voor in het VrouWel. Cieraet, 451: 

Pongt, Angt met vrije moed — 
welke uitdr. \erklaard wordt door het voorafgaande: 
Betoaerfit loch xvel het pa^id,,.. 
Tot (kit g' het,.,. 
In eeti dierboren dmick eeiis komen zult te Angen. 

Bongelen^ zie Bengelen*. 
Bonselen— Bonsen. 

Het WW. opbonselen kwam mij voor bij Bekker 
en Deken, Com. Wildschut, HI. 1 31 : een' deugetiiet, 
nit de heffe des volht voor korten tijd opgebonzeld. 
— Vreemd genoeg wordt deze, naar 't schijnt, 
noordhoUandsche uitdrukkingopgehelderd door het 
luxemburgsch dialect ; Gangler toch heeft honzeleti^ 
dat h^ verklaart door 't hoogd. hurzeln en het fr. 
culhuter^ d. i. derhalve buitelen. Opbonselen \^ d\7.oo 
zich (als bij toeval) naar boven opwerpen, opbui- 
telen. Het eng. to bounce up is evenzoo opstui- 
ven, opspringen, van to bounce^ nederl. bonsen, 
eig. een ruwe beweging roaken, die een dof ge- 
luid teweegbrengt, in 'tneders. butnsen, bomsen; 
bij Lexer pumps'n, dof kllnken. slaan, vallen, un- 
pnmps'n^ aan.stooten, aanrennen. Hiervan is ook 
het fransche bondir, dat zoowel kliuken als op- 
springen beteekent, bij H^cart bonder^ kloppen, 
opspringen. 

BooBtelen— Boosten. 

Beide wwn. heeft Kil. voor pellen, van booitte, 
boostele, bustel, vlaamsch buistel, pelle, schil. Zie 
Ten Kate, U. 604. Het Brem. Nied. Wtb. verraeldt 
iHtossen, zoowel voor gepeld worden als voor pel- 
len. Ook de schil beet daar boossen. 

Bootselen— Bootsen . 

In de randteekening van een blad eener oude 
nederlandsche overzetting van den Bijbel las ik 
op 2 Chr. 18, vs. 10: om de wercken Godts na te 
bootselen. — De Bo's Idiot, heeft hiervoor boetselett. 

Borbelen, zie Borrelen*. 
Bordelen, zie Borrelen*. 
Borrelen'— Borren. 

Bom*en is van beren (imp. bor^ partic. gthoren), 
d. i. beuren, dragen, ophefTen ; zie Ten Kate, II. 584 
en 589. Ons borrelen is dus eigenlijk het opstij- 
gen der waterbellen, en wordt onzijdig gebraikt; 
b. V. Sifn^ Ged. 195 : 

Vreugde borrelt in bokcUen. 



Bedriivend kwam H ww. mij voor. bij J. H. Krul, 
Diana, 40: 

Ick borrel traen op traeti, eylaes! uyt dese oogen. 
Overdrachtig zegt Bredero. Lucelle, 54: 
Myn sinnen borlen saem, myn harte schopt van 

w^esen. 
d. i. mijn zinnen loopcn in de war, mijn hail 
schommelt of schudt van vrees. Bij Bilderdijk is 
het voor overvloeijen ; Zedel. Gispingen, 66: 

Het overbodig ivalgt en borrelt van verdrieten. 
Met voorzz. heefl men o^jborrelen; Van Merken, 

David, 383 : dat 7 bloed met aterke stroomen 

Opborrelde uit de kloof. Oudaan, Ged. 104: 
Daar r' aU een Zeenimf op komt borlen 
In eene parlemoere schulp. 
Met overdracht der bet. J. de Haes, Ged. 9: 
Thans boirelde allesop in zijn wraekgierigh fiarle. 
Verv. op Wag. XX. 372: De oude w>H>k borrelde 
op. D. XXIX. 175: Het ongenoegen der Vtootelin- 
gen borrelde op. — Ontborrelen; Vondel, Al- 
taergeh. 153: 

{Het wuter) dat met bloet gemengt, Godts harte 

ontborrelde — 
Bilderdijk, Ter Naged. 7: tranen.,.. die.... Zijn oog 
ontborrelden. — En nitborrclen; Valerius, Ge- 
denckkl. 254 : 

Eer het qnaet En 7 verraet 
Overluyd Qnam borr*len uyt. 
Rodenburgh, Geb. Christi, 23: Dickwylen boilen 
uyt /laer tranen. Bilderdijk, Bydi% tot de Too- 
neelp. 47: als hy Rozelijns tranen ziet uitborlen. 
Vr. Bild. Vad. Uitboez. 98: borreP ze uit by 7 
dwikgelyed. 

Boi^^eleti was bij onze vroegei-e schrijvers min- 
der bekend dan bortelen^ en komt bij Kil. niet 
ecns voor. Bortelen had dezelfde beteekenis als 
tegenwoordig borrelen; (:k)omherts Odyssea, I. 
81 vei'so: 
Het water bortelde in de lucht rnyssc/iende ver- 

vaerlick. 
Six van Chandelier, Poesy, 67: 

— toaaterglas, 
Dat krik kraJ: o^ibarst. en een plas 
Van ^tduister en benaauwde nat 
Doet bortlen, uit het lengend gat. 
Oudaan, Poezy, I. 137: 

7 Bloed bortelt door de lippen van de wand, 
Bortelen, zoowel als ontbortelen, beteekenden 
voorts borrelende als *t ware opkomen, voor den 
dag komen, ontstaan, voortspruiten ; Erasmus, 
Lingua, 25 verso : hy loopt ende bortelt in de huy- 
sen, doer hem een yegelick terstondt moede is. 
Gats, I. fol. 315: 

2 



BORRELEN. 



— Ami lofise vreugl^ 
IHe van de urereft spntyt of bortelt uyt de jeuffL 
Aid. fol. 352: 

Wat koomt er ooerai gebortelt tttfftet' wepMen ! 
Udemans, Geestol. Gebouw, 42: 
Siet wat uyt Aerdegro^idt tot onsen dienMo. bortelt . 
Houwaert, Liisth. der Maechden, I. 377: 

fitriji in 7 eerMe vromelijck ieghen de. minne^ 

Tot dat Cttpido uyt u fu^He {(hebortelt w. 
Klioos Kraam, 344: 

'A* Meen schomiheit^ toientt cfeboortestraien 
Doorschmn'ren 'tdak ihwi Phoebi zalen ; 
Niet die in H klippicJi minnetuneer 
Ontbortelt: — 

Opbortelen is opechieten, ven*qzen ; Erasmus, De 
Onvers. Krijghsman, 6: dat het oorlogh uyt dm 
afgi^nd der Hellen tot ons komt opbortelen. Heyns, 
Bartas* Wercken, 11. ii. 212: 

Ha! ick ghevoel airee x^eel sina tot rnijn on twerp 
Opbort'len in m^n breyn — 
Oudaan, Ged. 39: 
Ziet weei* het heeracfien/t f/wi*, zoo t>aak op weinitf 

leevens 
Gdn^acht^ in kracht en jeughd opbortelen nl tei^ns. 
Huydec. Hekeld. 22: 
0/*, noch nntunr^ noch kivao yewoonte^ danr geen 

zaad 
Van ondengd heeft geattyxnd^ die somtijds op komt 

bortlen. 
Oudaan, Agrippa, 422 : van toen af is het recht der 
oolkeren opgebortelt. 

Met heen leest men H ww. bij Van Hoogatraten, 
Haegaenvelt, 42: dam^ de heek.... met een eenzaam 
ruischen heen bortelt. 

Doorhoii*telen is door- of voortdringen. Marnix, 
Ps. 93, vs. 3: 

De baren fel doirbortlen met gedruys. 
Houwaeit, a. w. II. 173: 

Dns moet doer stercke resist entie zijn^ 

Eei' het herte iHiu de liefde doorboilelt is. 

IJitbortelen is iiitvloeijen, uitsti'oomen, zich ont- 
lasten; De Harduyn, Goddelycke Wenschen, 426: 
met wat redent(tele^ in voat ghestel van woorden 
sy {de liefde) uytbortelt. Aid. 428: e^i woordt dat 
in te g^*oote stoulicfieifdt uytbortelt. Den Nederd. 
Helicon, 301: om dese feesten oock te het pen we**- 
ciereti..*. doot* H uytbortelen van hunne kioeek he- 
redende oeet^ssen. Gate, I. fol. 413: 
Men siet het nienigi}wel, dot tweederley gebreken 
Gemeenlijck in het breyn van oude vrouwen sieken ; 

Het eerste bortelt uyt rf«w at te lossen i>raet; 

Het tweede^ dat ei^ schort^ is sparen boven maet. 
Nog bij David, Vaderl. Hist. VU. 270: Op dat ge- 



zigt kivam de bnrgery van Dinant haestiglyk uit- 
gebortelt, om de Saemsche aionterikken met over- 
magt aen te randen, — Met het denkbeeld van 
hevigheid of onstaimigheid daarbij, in den zin duK 
van onii uitspatten, losharsten, is het Heynn, a. w. 
II. II. 173: 
(iodn wrarek den Kaningh straff, die teghen Godr 

iiytboilelt. 
Gats, I. fol. 410: 
Myn geest is op de toop^ myn fosse reden hott^ 
Myn breyn dat bortelt uyt, mijn sieie snynehoft, 
Bredero, Boddrick, 35: 

Doch '.s (lonincr strack nntnagh '/ gemoet alsoo 

betemt, 
Dat fin mijn ginmsehap hert nirt tin sljn lust 

uytbortelt. 
Zoo ook liortrlen, aid. 70: 

Siet yemant al een anders schaa, 
Hy leert daar an, noch lant niet na 
Sijn bremstigh bortelent rase»i. 
dat mede in dien zin — en niet in dien van zieh 
ritwir rerg}nmmen of vertoornen^ zie Oudemans' 
Wdb. — voorkomt bij denz. Lucelle, 54 • 
Tck tart u alle ^lyt^ komt hebdy hart of macht, 
Bortelt op dese borttt, en knenst myn kloecke leden. 
d. i. barst los, valt aan. — Eldei-s ontmoet men 
het WW. voor door iets heen of legen iets inbnii- 
sen; Van. Ghistele, Hemid. Ep. 81 verso: 

Bortelende door bosschm^ hegghen (*n haghen, 
Zoekende meest de onbekende zydweghen 
Antw. Spelen van Sinne, 45: 

Soo ist dan om niet^ dat ick ei* teghen bortele. 
Eene all. leest men in den Nederd. Heltcon, 188: 
Met borteligh geluyt zijnd' ^ff*^ quaet uyt' 

schuymigh. 
en, zoo het mij toeschijnt, eene andere bij Maria 
Heyns, Doorl. Voorbeelden, 142: dat lute^' (d,udei* 
zalve) dikkigheyt doet^ dat ^et loodaan de handen 
niet kleven kan^ en dat in kleine poi'teltjes van 
hem drijft, — Ik vei'sta hier borteltjes, d. i. bob- 
beltjes, verg. Porteien*. 

Van boi^relen is bij Kil. en Ten Kate, t. a. p. 
behalve bmHeJen^ ook borbelen en bordele$iy welke 
beiden mij bij onze schrrjvers nog niet zijn voor- 
gekomen. Tot bot^delen heeft men gebracht het 
subst. bordel, dat gelezen wordt bij De Derker, 
BijmoefT. I. Ill: 

— zander dezen nood den menschen Of>gclegd„., 
Stand byl en beitel stU^ perftaende V aenbeeidspel^ 
Liep alle nutte kunst en ambaeht in bordel. 
En 149: 

Ghy mocht uw' buicken wel of keieti toe doen 

knoopen : 



37 



BORRELEM. 



88 



WantiUV zou V in bordelF, alV^ cUV in ^t wiide loopen. 
Witsen Geysbeek, in zijne uitgavo der Oorspr. 
Dichtst. van De Decker, I. 40, teekent aan: »Men 
moet hier niet aanbordeel (hoerhuis) denken: dit 
III bordel is zooveel als in de war, in het hon- 
derd^ en is afkomstig van het oude werkwoord 
bordelen, tumultuariy etc." Wat den zin betreft, 
kan die verklaring worden aangenomen; doch hoe 
de vorm hordM van bordeien af te leiden zij, is 
nog niet duideiijk; evenroin, hoe De Deckers uit- 
drukking met het oudfr. bordel, waarvan ook ons 
6o»vJee/, kan samenhangen. Men zie voorts Bornen*. 

Borrelen'— Borren . 

Kil. heeft borlen voor clamare, vociferare; dus 
Houwaert, Lusthof der Maechden, I. 493 : 

Ick en hoorde niet flan wilde Dieren 
Zeer vreeslijck gheheeren^ borlen en huylen. 
Ten Kate II. 589, die dit ww. vlaanisch noemt 
brengt het. tot 6^nen oorsprong met het voorgaande 
borrelen. 't Kan evenwel ook het frequent, zijn 
van barren, een geluidnabootsing van dieren, bij 
Oudaan, Uytbreyd. over Job, 112: 

/>' uur-assen en woudezeh der woestijn, 
Die vroe(f aan 7 borren, 
Aan V ruchchelen, aan'tbrallen met den. rfa//, enz. 
En 189: 

Dat r.i/.... f'rt/i toorne 

Aan 't borren, bulleken en ruchchelen eti brullen 

H Veld met geloey vervullen. 
Of hetzelfde met burrelen, burlen, brullen ; zie dit w. 

Borstelen— Borsten. 

'tis niet duideiijk, wat Van Lennep bedoelt met 
dit werkw., Ged. zoo 0. als N. 207: 
En vechtend en dechtetidf 
En worsflend en borst'lend, 
En wijkend eti strijkend. 
Waarschijnlijk is 't genomen voor tegenstreven, te- 
gen iets opzetten, waarvan wedrbarstig ' /'e^rbor- | 
stig, van borsten, bersten, barsten, ^- . an ook de 
stugge, Rt^ve rugharen, zoowel ai. .i^ daarvan ver- 
vaardigde schiiijer, den naam van borstel hebben, 
die weder het ww. borstelen, afschuijeren, geeft, 
hoogd.^r<r«^^>i, van bCn^ste, borstel. Het groningsch 
dialect heeft borstelen voor vechten (Taaik. Mag. 
I. 311), hetwelk het freq. van Van Lennep zijn 
kan, of ook voor afschuijeren in overdrachtigen 
zin, zooals men mede zegt : ieniand uitstrijken, den 
mantel uitvegen enz. Daar in het nederl. geen 
subst. borst voor schuijer, of borsten voor afschui- 
jeren bekend is — zooals in het hoogd. — kan ons 
WW. bontteleth, afschuijeren, niet als een frequent. 
aaDgemerkt worden. 



Bortelen, zie Borrelen*. 
Bosselen— Bossen. 

Beide wwn. worden veiTneld door Bilderdijk, 
Verkl. Geslachtl. I. 102, met de bet. van »door H 
verzaraelen tot een bos of bossel maken." Van bos- 
sen hennner ik mij^geen voorbeeld bij onze schrij- 
vers ; nogtans komt het in de spreektaal wel voor, 
b. v. in »radijs bossen" Ook hebben Weil., Boni- 
hoff en andd. het, benevens opbossen, in gelijken zin 
opgenomen. In Hofers Idiot, is bascfien ^kaarten 
bundelsgewqze samensteken." Voor bosselen vindl 
men in het Alg. Vlaamsch Idiot, ook busselen ge- 
zegd in gelijken zin, beantwoordende aan het hoogd. 
bascheln, bij Stalder baschelen, veel zaken tot een' 
bundel vereenigen; bij Von Schmid einbifschein, 
(een kind) inbakeren. 

Als zelfst naamw. is thans de gewone vorni h(fs^ 
doch vroeger zeide men daarvoor bttssel, Intsscl^ 
dimin. bnsselken, bosselken; Moons, Sedel. Ver- 
maecksp. 165: 

Den Esel droeyh een bussel hout. 
Van Oudenhovens 0. en N. Dordrecht, 225: de 
Fasces of kleyne busselkens inin roeyen, rontom 
den btjl ghebonden. Wtenhove, Hond. Psalm. Dav. 
140 verso: 

Daert>an syn hand de maeljer niet vullen kan^ 

Noch haeren sclwot diede handbussels versamen. 
Zie voorts raijne Handl. tot den Statenb. i. v. en 
Lat. Verscheid. 209. 

Brabbelen— Brabben. 

Het WW. brabbelen beteekent wat wij gewoonlijk 
rammelen of snappen noemen, d. i. op verwarde 
of onverstaanbare w^ze spreken. Hoofts Ged. fol. 200: 

Wat brabbelt me deuze vent ? 

Bredero, Lucelle, 29: 

— wat brabbelt myn dit bocheitjei 
Siel teghen wien ghy spreecki, as ick myn dingen doe, 
Dez Jerolimo, 21: 

Wat brabbelt mijn die ficksert f 

De Ingebeelde Zieke, 26: 

— Het brabblen van die Tool, 
Die gy toeh niet verstaat, vertneerdert wis uw kwaal. 
Delia Casa, GalatSus, 95: gy zult niet stamelen op 
elken oogenblik, noch brabbelen om eenen naam 
te vinden Bilderdijk, N. Vermaking, 204: 
Op doode talen heeft de Tijd zijn recht verloren; 
Maar ons, na honderd jaar, wie zal ons brabblen 

fiooren? 
Bedrijvend in dezen zin is uitbrabbeUn; Hooft, Br. 
III. 390: Omdctt ghy wUt dat ick eef*st uytbrabbel 
wcU ick wel willen aoude. Ogier, Seven Hoofts. 192 : 
900 moet ick het al drolligh uytbrabbelen. Delia 






39 



BRABBELEN 



40 



Casa, a. w. 87: de gene die hen futofcn een taal 
uitbrabbelen die hen vreemd en onbekend w. — 
De afl. hrabbelaar vindt men voor rammelaar, 
snapper; Bredero, Moortje. 38: 
Dees brabbelaer die quant in ecu hiif over tafel 
Doer een snot by men sfit^ Rhntrx gingh hem daer 
Wt de kerf, — {de wafel 

Bij uitbreiding zegt het ww. bederven, knoeijen; 
Hnydec. op Melis Stoke, III. 468: Wij hel)hen el- 
ders gezien^ dafer meer gebrabbeld is in de Tel- 
letten^, — Voorts ver^'anren en twisten, bij Kil. 
confundere, miscere, turbare, rixari, altercari; 
Discoursen van Machiavel, 21 : de Gemeeiw re- 
gieringhen die langhe tijt in Vryheyt gednert 
hebben^ sonder nlsoo beroet*t ^t^r -ghebrabbelt te 
zijn, — waarvan binhbeling, bij hem zoowel als bij 
Van der Schueren warring en getwist, gekijf. Het 
eng. heefl in dezen zin to brabble en a brabble^ 
bij Johnson to contest noisily, to clamour; bij 
Nares to quarrel, en afgeleid van ons brabbelett. In 
den zin van verwan-ing of twist komt brahbeling 
voor bij Hoofl, N. Hist. fol. 858: d'ottwde xoeeder- 
streevers,... braghten in Vlaandre zoo veel te weeghe^ 
dal de vier Leeden van dat Graafscliap hnnnen 
gemaghtighden bemaiepi in geeti v^rder onder- 
handeling met Anjou te beiiyiUighen^ '/ en uHtar 

dat hy eerst de sleeden ontruymde ^t ivelk bystre 

brabbeling maaktey en V verdragh zeei* vetnchterde. 

Meerman, Com. Vetus, 45: Somtnighe willen 

andere seggen.... Dese brabbeling had lanqh ge^ 
duyrt enz. — Anders ook brabhelarij; Don Quichot, 
II. 160: Meeker Pieter wou geen brabbelary me^v 
met Don Quichoi aenreehien. 

Brahbelen beteekent als hedrijy. ww. voorwer- 
pen op eene verwarde wijze dooreenmengen ; 
Duyfk. en Willem. Pelgrim, 19: en brabbelt soo 
gheene vremde woorden ondet* uwe redenen. Aid. 
146: Waerom wilt ghy dan uytheemsche \coorden 
leeren^ ende die d/ter on der brabbelen. Ogier, De 

Seven Hoofts. 301.: Dat onse Dochter brabbelde 

noch iety dal Sottigheyt tfelpech.' Van der Veens 

Zinneb. 433: 

% haspelt en vermenght en brabbelt onder een 

De Schelde, Rijn ew Maes, de Scliansett met de St een. 

Vreemd past Valckoogh het w. loo, Kegel der 

Duytsche Schoolm. 35: 

Hout V tianden stil^ mltse hier noeh doer hi-abbelen. 

Hustings Werken, If. 98: 

Behalven dat mijn mnkel nog 
Geen mengzel ftad, als, met Itedrotf 
En scha4^terzueht, byeen gebrabbelt. 
Verbrabb^en i» door brabbelen verdoen, verknoei- 
jen; V d. Veens Zinneb. 221: 



I Want daet* is txipi d^Echten staet 

, So reel sehoon jxipier verbrabbelt 

I En bekrahbelt. 

, Nolet de Br. Ged. 11. 104: t ft-anscii vorbrabbelen 
en bnllen, Quos Ego! Hekelr. 29: de engelschootte 
knnst, tot Itastertkunst verbrabbeld. 

Voorts verwarren; Werken van Rabelais, I. 581: 
ik hen zoo verbruid verbrabbelt en ^^erhijstert in 
mijn gemoed. D. 11, 190: eet^en gfooten verbrab- 
belden hnndel fvi« slentelen. 

Wat de afleiding van brahbeleti betrefl: men 
kan, met het ong op de beteekenis van rammelen, 
snappen, denken aan txihbelen (zic dit woord) met 
een voorgevoegde h ; doch daar bij ons somwijlen, 
en in 'teng. bestendig, die van verwan'on plaats 
vindt, met Kil. aan *t eng. to hi^awl, dat wederoni 
vei-want schijnt aan 't fi*ansch b)*ottillei\ 

Er is een bij v. nw. of bij woord t^erbml}beldy dat 
als vloek of stop woord gebniikt werd, waarvoor 
wij nu rervloekt,, vei'wenscht of zoo iets zouden 
zeggen en dat ook rerbmhheld en vet'hrihbeld luidt; 
V. d. Muyr, De Ketelboeter, 11 : dien verbrabliel- 
den Boer. Jori8.«ien, T-onst. Huygens, I. 371 (in 
een brief van 1624): Die verbrabelde meysn^s en 
stfn noeh niet genoch geleert. De Oriek, Mis- 
luktp Di*agonder, 3: Wat svght ghy Ijjhhekaek: 
verbrubbelt SlangenrrL Van de Venne, Bel. We- 
relt, 18: 

Fi/, mijn nujste}\ mooy en glimpigh^ 
Is soo niet verbrubbelt schimpigh, 
Dez. Sinnemal, 28: 

Waarom kiesd mijn kaar geen nv 
Voor de onntst win de st^, 
Daet* V verbribbelt schietigh spotten^ 
Uyt de scheitd'luy staagh eomt rlotten. 
Coster, Teeuwis de Boer, 33: die verbribbelde 
Jonghe. Jorissen, a. w. 375: Ghy verbribbelde 
werekmaecker als ghy sijt, — Tuinman zegt in zijn 
Kymlust, 387: 

Men zegt ook t^oor verbt*ilt verbribbelt. 
waarmed hij zai hebben willen aanduiden, dat 
verbribbelt in beteekenis met vetbrilt overeenkomt. 
Hij gewaagt ook van een subst. bribbel, t. a. p. : 
Ontbreekt noeh rym. dan rtdF eett bribbel '/. 
En hi. 155: 

Ken hafidenstomp is sleehts een bribbel. 
Van deze woorden dnrf ik de beteekenis niet lie- 
paien. 

Braggelen— Bragen. 

Indien b^^aggelen of bragelen als nederlandsch 
woord mag aangenomen worden, kan men bet van 
hragen afleiden, dat Bilderdijk als een zwakker 



41 



BRA66ELEN. 



48 



vorm van ons pnigchen erkeni, (Aanmerkk. op Huyd. 
72) in 't fr. braguer^ bij Kil. braggereri, in 'toud- 
eng. to brag^ zie Nai*es. — Doch braggelen komt 
mij voor, alleen door de sclirijvers der Tael- en 
Dichtk. Bydr. uitgevonden, ora het door hen te- 
gen Huydecoper in bescherming genomen braileti 
ais eene samen trekking daai'van te doen voorko- 
men ; zie prof. De Vi ies, Warenar, 172, en de daar 
aangeh. schrijvers. Ik kan echter mijn lioogge- 
]eerden Vriend niet nazeggen, dat »het gevoelen, 
dat brallen uit braggelen ontataan zijn zou, alge- 
meen is aangenomen." Ter gunste van dat ge- 
voelen heeft, zoover ik weet, alleen geaproken fvot 
Siegenbeek in het Wbk. des Inst, en in de Oct. 
uitgave van Hoofls Hist. 1. 51. Het freq. is ook 
niet noodig oin brallen te verklaren; dit kan zeer 
wel, zooalsBild. (Aanmerkk op Huyd. 29) terecht 
beweert, eene andere uitspraak van pralen zijn, 
gelijk er ook eene verschillende nuance van be- 
teekenis in beide woorden valt op te merken; 
ftbrallen, zegt htj, in een grover en minder kiesche 
wijze van pralen^ En bmllen staat tot //iv/^i, 
gelijk p}*agc^ien tot btxigeti. 

Brakelen'— Braken. 

Kil. heeft beide ,wwn. voor wat wij ledebreken 
en fuichtbrorken noemen, d. i. door zwaren arbeid 
of langdurig waken zich de ledematen als *t ware 
breken. .Dus Biblioth. van Middelned. Lett. 4* en 
5* Afl. 97: 

— die slapen toter Hoeru, 
Voert dan niet en mogheu doen^ 
Etide die tuwhts wiiken etide braken. 
Bredero, Podm. 11: 

Of als den rijcken wiuicki en braackt 
Opdat gheen IHef met list Item taackt 
i^ijn Huga-raet^ KleeiVven of Juweelen. 
d. i. nachtbraakt. Eiders is het zlch door zware 
vennoeijing uitputten en dus ' lexiebrekefi ; Van 
Ghistele, Heroid. Epist. 30: 

Over berch en dul heefl men my zien braken, 
JVoej' loopende de honden aUf de onverzaechde. 
Bijns, Refer. III. lil, bee A het frequentatief : 
Kee}*dt weder^ teratondt sal Gods ioren mindervN, 
Tot W8 moeders hnysy ter rechter bane/i v^*y. 
Grooie compassie doet dit vennanen my, 
Dinckt hoe ghy van d'cen bandt in <f atider bra- 
kelen moet 
Als ballinglien — 
Ogier, De Seven Hooftsonden, 197: 

"^sy is als dul 
Van Amouretten^ sy keef*t Jioer^ stj xvendt tuier, sy 

braeckelt, 



En peyst gednerigh om die Smoddermuyly enz. 
Bij Van Velthem least men fol. 239: 

Wie oec van den Pans spraken, 
; Dat hi den ik)ninc sonde doen braken, 

I Dien tvildi graven op ter stai 

Oft sijn Hff nemen omnie dat. 
Le Long veiiolkt dit doOr overgeven (!). Men zou 
kunnen meenen, dat hier aan leddtreken te den- 
ken is ; doch dezelfde schrijver gewaagt lager meer- 
mal^n van brake als subst voor halsketen of boei; 
b. V. fol. 371: 

— om dit ward si gevaen 
Ende in gevangenesse geleit swaer^ 
Ende gevetert doer openbaer 
Ende met ketenen gestagen mede 
An een stijl doer ter stede, 
Ende otn den hats een brake 
Daer si in lack met ongemake, 
zoodat het mij waarschijniijk voorkomt, dat het 
WW. braken door hem voor ketenen, boeijen, geno- 
men zij. — Brake^ inmiddels, goldt ook voor hala- 
sieraad, als in de Hor. Belg. 111. 44, bij de beschrij- 
ving van een prachtigen paardentoom: 

die braken entie ketenen waren van goude, 
Kil. heeft daarvoor broke, broocke, breuckcy oma- 
mentum colli etc. 

Brakelen*— Braken. 

In Meulewels' Misantix>p08 leest men bl. 8: 
Dan schorst ghy weer deti nacht, dan braeckelt 

met gefluyt 
Het soet ghebeckt gediert uyt sijn stiefwulers muyL 
Ik verklaar dit brakelen door roepen, schreeuwen, 
tieren ; bij Fulda, Idiotikensamral., is bradien apre- 
ken, bracht groot geschreeuw; bij Benocke in H 
middelh. bmhten, brehten^ bij Schmeller brdchten 
in dezelfde beteekenis. Zie ook Graff, III. 269. 
Deze Geleei*den brengen de wwn. tot breciwn, bre- 
ken; men zal dan te denken hebben aan het uit- 
of lo^i^ken der stem, gelijk wij inderdaad uitbre- 
ken voor roepen lezen in den Stateubijbel, Gala- 
ten 4, vs. 27: breeckt uyt ende >*oepty ghy die 
geenen barensnood en hebt, — Wij zeggen in gelijk- 
soortigen zin lot^ersten, en inderdaad wordt bij 
Graff brahtan gelijkgesteld met brestati^ welk 
laatate ons bet^steti is. 

Brandselen— Branden 

Het deelwoord der wwn. verbmnden en oer- 
brandselen komt, met meer of min afwijkende 
vormen, in onze oude kluchtspelen voor als een 
vloek- of scheldwoord, voorts bloot als stopwoord 
ter versterking en dan zelfs in goeden zin. Hoofts 
Ged. fol 271 : die verbrantate peekdhoer. Noose- 



43 



BRANOSEUat. 



44 



man, Bei'oyde Student, 9: jou verbrangde stucke- 
vleys. Bredero, Jeroliroo, 15 : dese verbrancste acker' 
luynen. Fielebout, 29: verbi'sngste gtHllen. J. Vos, 
Oene, 3: ik bin zoo verbranst hiet. Bredero, Meu- 
lenaer, 3: soo verbrangst gilden de sparten, Dez. 
Roddrick, 46: die (kelderin) eer ick noo verbranxst. 
Aid. 52: /loe verbrancxt stel ghy den Dief. Dez. 
Jei'olimo, 10: ghy verbranselde hoerenkijnt. Aid. 
56; cUit verbranghselde bengeltje. — Zie ook de 
aant. achter prof. De Vries' Wareiiar, 175. 

Bra43selen — Brassen. 

Mijn vriend Bormans bericbtte inij, dat broitse' 
ten in het trugei'sch of ]imbui*g»ch dialect gebriiikt 
wordt voor Dbanketteeren, als kinderen ; met vnich- 
ten en koekjeseen maaltijd simuleeron." Deze bet. 
komt overeen met die van bnissen^ in het akensch 
dialect, Hwelk nog bij kinderen gebruikelijk is, als 
zij allerhande lekkernijen bijeenbrengen en geza- 
menlijk opeten. 0ns btrissen^ hoogd. proufsen en 
brassetL, voor slempen, zwelgen, is bekend. Het 
siibst. bt*aii is bij Kit. mede comessatio, epulatio, 
ui Grimms Wtb. brna en pros. Men leest in den 
Reinaert, vs. 3134: 

Die welpkine liepen ten brase, 

Efide gingen eten algemefic. 
Willems, evenals v66r hem Bilderdijk, Brieven, 
III. 248, en na hem Grimm, t. a. p , vei-staan hier 
»om te brcvsseny De hoogl. De Vries verwerpt die 
verklaring en meent dat in het aangeh. vers nioet 
gelezen worden : ten banc, d. i. bij den baas, den 
huisvader; zie zijne Proeve van Middeln. Taalzui- 
vering, 26 en volgg. De eerste bet. van het ww. 
brassen wordt aldaar beweerd te zijn brouvren, 
waaruit die van slempen later zou ontstaan zijn; 
en al den bras, d. i. den geheelen hoop, zou eig. 
zijn »het geheele brouwsel of mengsel." Grimm 
verklaart die spreekw. anders; hij ontleent ze van 
de opgehoopte gerechten, die bij het brassen wor- 
den opgedragen; terwijl Stalder, die /weaw, prass 
schrijfl, denkt aan het eng. pvestt. De hoogl. De 
Vries had zijne verklaring van brrvtsen kunnen 
staven met het gezag van Tuinman, die in zijne 
Fakkel zegt, dat f>bimssen voor onder een mengen, 
hetzelfde is met brouwen'' en dat het genomen 
wordt »voor zuipen en 3»welgen, dewiji de brassers 
spijs en drank in hunne magen onder een raengen." 
Zie mede Bild. Geslaehtl. op Bran. Ook 't fr. werk- 
woord brcuiser, door Roquefort nog van bras, arm, 
afgeleid, werd i-eeds door onzen Hoeutft als af kom- 
stig gehouden van het keltische brais, mout; Vera 
van Fi*ansche Wooinien, i. v. 

BresBohelen— Bressohen. 

. Beide wwn. heeft De Bo voor met kracht gaan, 



met 8[K>ed loopeii. Brenichen is door onizetiing 
hetzelfde als berschen, in het vlaamsch en ook 
bij Kil. in die bet voorkomende, en beantwoordt 
aan het eng. to Inxuf^u, bij Halliwell onstuimig eii 
snel loopen; bij Fulda (Idiotikeusamml.) brvjtehen, 
jagen, bij Anton (XVI) brescheti, snel loopen, 
bij SchOpf barzen, met geweld voortdiingeu. Het 
frequent, vindt men terug in brasteln^ bronteln^ 
broMeltL, bij Scbmeller haastig te werk gaan en 
iemand op lastige wijze voortdrijven. Alles mis- 
schien van het stamw. rattch, eng. rush, spoedig, 
in tallooze vormen en veel talen voorkomende. 

Breuaelen, zie BrJijselen. 
Bnesselen— Briezen 

Deze woordvoiTuen, voor brijzelen en brijzeH^ 
komen overeen met het friesche briezjefu Men vindt 
ze bij enkele schrijvers, als HoiTerus, Poem. 299: 
'Ten is geetis menschen hand die ^s viands kracht 

verbriesl, 
Maar cere sy den Held, dien God dtutr toe verkicst, 
Huygens, Korenbl. I. 44: 

— ten zy ghy my vennoordt 
En van tnijn selven scheart, en brieselt de ge- 

imichten 
Van mipC verstockte Zicl — 
Luyken, Jezus en de Ziel, 24:' den Hemel moet 
briezelen, en de Helle silteren. Dez. Gezangen, 157 : 

Laat u Goils tnaxft verbrieslen en uet^breekai. 
Startei-s Fr. Lusthof, 181 : 

— *t dondt*en uyt ons Stadl 
Verbrieselt al sijn macht, en schiet sijn wercken plat. 
J. G. Tengnagel, Verw. des St. Naerden, 13 : (o/w) 
gansch verbrieselt hart. Bl. 56: Verbrieselt door 
gebeden..., H hart van Frederick. — De « wordt 
vei-scherpt; Klioos Kraam, 309: 

— ick fioogh de ebben randen 
Te briess'len en te bmndcn. 
Btiezen luidt bij Bilderdijk, naar eeue gewone 
klankwisseling, bruizen; Oprakel. 27 : 

Uw last zal hem de schouders bruizen 
en de Dichter zegt (Verkl. Geslachtl. I. 114) dat 
brijzelen het frequent, is van bruizen. In zijne 
Aanteekk. op Huygens echter (V. 40) verwerpt hij 
de spelling briezelen, op grond dat het primitief 
brizen is, van het fransche briser. 

Brijzelen— Brij sen 

Het thans verouderde ww. brtjzen, dat overeen- 
komt met het fr. bt^er en ook bij Kil. is opge- 
teekeud, wordt bij onze sclinjvei's aangetrolfen. 
Six van Chandelier, Poesy, 408: 

— de dood die tost 
En bryst, in Anistels kroan, die paarel. 



46 



BRIJZELBM. 



VlistiingK Red. Luftthof, '282: 

Al yheniieckl oiut vcel bedtrveven 
Dat het hart hcumt wort gebiijbt: 
Als den Hmiiels ktHichi omt spijttt 
Wy zijn giUist genieteti. 

Brijzelen is zoowel oiizijdig; Poirters, Deii Ald<»i*h. 
Naeni, 41: dat fjhy.,., tot stof toe suit briselen. 
Zweeils, Zede- en Zinnebeelden, 271 : 

Het tnaeksel van uw hant^ aen 't bryslen, wilt 

ilaer keen. 
Berkhey, Nat. Hist, van Holland, H. 759: daciv zijn 
{Spathateenen)^ die, door 'tdrukken ttiet de haiid^ 
bryzelen. — alnbedrijvend; Berkbey, a. w. II. 746: 
eenige (steetten) zijn zelfn door een ztoaren moker 
niet te bryzelen. David, Vad. Hist. VHI. 340: niet 
bekvoaem zyndr het (jok) af te schudden of te 
bryzelen. 

Zoo ook verbrijzvii; Pers, (iez. der Zeeden, 167: 

— dat de dood^ als 7 iwch in 't hloeifen twwr, 

.S««/ vei'bnjst dit teeiCre yltus, 
Belg. Mu8. IV. 1: ik zal de pen verbryzen. 

Het WW. oerbrijzelen wordt wederkeert^cgebruikt 
door Bilderdijk, Mengelp. If. 190: 

De 8j)eer verbtijzelt zich tot yruis. 
(^elijk in briesselen vindt men ook hier de h ver- 
scherpt; Levenn van Plut. fol. »^0 verao: nl^t tnen 
ttvee licfiatnefi onder malcanderen vermenyhen wily 
die om hen fiardicheyt ofte tegfientttrijdetitheyt der 
natuei*etiy yheen vermenyinghe de eenc met het 
aiuiere ontfanghen willeny men die brijftselt etide 
in stucken alaet — Dan wordt de i ook koii, aid. 
131 : de 8tm*m qiuxm^ omwrnyettde etide brisselende 
(U de gene die in de week waren. Boet. a Bolsw. 
Duyfk. en Willein. Pelgrim. 255: yhy blixemj 
brisselt, scheurt ende verbrandt my. Roden burgh, 
Alexander, 15: 

Hoe wreed it wreede fiandt nu Ouydeun iientaste, 
En brisselt yantsch tot niet uw smekende yhedacht. 
Dez. Boratweringh, 383: 
Hoe wrevlicii dat Fortuyn een deuydzaem man 

mach quellen 
Kn zijn verheoen lucken briss'len yantsch tot niet, 
Hier van wederom, door vei*wisseling der korte t 
met de korte », brusselen, dat wij, althans ten 
tijde van Tuinman, hadden voor vin kleine stuk- 
jens breken*' (zie zijne Fakkel, I. 51). Dit is raij 
in dien zin elders npg niet voorgekomen, zoom in 
als breuzelen en bt*ozeletiy b^ Ril. en Ten Kate, 
II. 610, almede in dezelfde beteekenis vermeld. 
De twee laatste vormen komen overeen met het 
hoogd brwelny door Adelong van brosen afgeleid, 
bij Stalder broaelen en verbroselen, en wijzen ook 
op ons broaa voor breekbaar, verkort tot 6rot. 



Bij sommigen kwam mij de spelling breiz^len 

voor; Bogaert, Ged. 384: Den eendrachtsbandt 

4'e breizeleu. Nomsz, Titus, 56: Verbreizel Sextwf 
hart, Dez. Zoroaster, 41: den kop verbreiielen. 

Met voorzz. heeft men afbrijzelen ; Berkhey, Nat. 
Hist, van Hoi I. II. 746: Mommige {Heenen) die af- 
bryzelen. D. VI. 108: ctoai* de gaUteefien.... ligter 
afbryzeleu. — Minder gepast nederbrijzden; Tol- 
lens. Ged. II. 90: 
Zij (d. i. de hel) brijzelde op u nedr : </(; weder- 

stondt hour schokken, 
Eindelijk uiteenbrijzelen; Bilderd , Najaarsbl. II. 30: 

Zoo brijzelt deze slag de balken wijd iiit ^n. 

Het hoogd. heeft brosame voor stuk, brokje, 
kruimel, en Stalder broseli; wij hebben daarvoor 
brijsely brisel; Six -van Chandelier, Ps. 51, vs. 4: 
H gebeenty dat gy aan brysels sloegt. Rodenburgh, 
Melibea, II. 9 : '« Hemels dondertooven u in brislen 
scheurt, Gonstth. Juweel, 248: 
Oe/t, ufOMer yetnant die ons wat briselen yaf^ 
Om onsen hongherighen buyck mede te versaeden. 

Brijzetigy breekbaar, ontmoette ik bij Berkhey, 
a. w. II. 218: die (schoteltjes) warefi ontferbonden^ 
mitsgaders bryzelig. Bl. 1095: vaste, dog Piiet U 
min bryzelige, klonten. 

Aan het dirainutief brosatnlein beantwoordt ons 
brijzeltje of brifselketi; Don Quichot, II. 406: soo 
wel oude als nieuwe boecken ologen terstont in 
bi78eltjes mn malkander. Van Zevecote, Ged. 
312: De bryselkens van H broot, — Zie voorts 
mijne Latere Verscheid. bl. 81, en Vpeij, TIesch. 
d. Ned. Taal, II. 77. 

Brikkelen— Broken. 

Tot de beteekenissen van het ww. breken be- 
hoort die van eene afwijkende richting aan iets 
geven. Vandaar in het vlaamsch bij De Bo het 
w. \iH)r Bde gelijkaai*digheid van iets^ wegne- 
men met er iets anders in te roei^n en te men- 
gen. Meelbloem bi^ken in het water. Dooiers van 
eiers breken met olijfolie. Een dierenras wordt 
gebroken door 't paren met een ander." Voor dit 
breketi van dierenrassen zeggen wij kruiseti, het 
fransch croiset^ en het is in dezen zelfden zin 
dat volgens den genoemden Schr. het vlaamsch 
brikkelen en brekkelen bezigt, van welk gebruik 
mij elders geen blijk voorkwam. De e van het 
nederl. breken is ook kort in *t hoogd. brecheny 
middelhd. brichen, goth. bHkan^ eng. to breaks bij 
Halliwell to brick, 

Brimmeleix'-Brimmen. 

Brimmeleny bremmeleny brummeleny is bij D« Bo 
licht vriezen, en brimmel rijm of rijp. Het w. ii 



47 



BRIMHELEN. 



48 



van het angels, biv/nrnwy eng. 6rm), middelhd. 
hrenij hoogd. b^^me, d. i. rand, boord, zoom. Van- 
daar het middelhd. ww. bremeny hoogd. bmrneHy 
omzoomen. 

Brimmelen is eig. een zoom van ijs aannemen, 
zooals de rijm om de takken, en het oudfr. noemde 
met gelijke figuur zulk vriezen barbcler^ en de 
rtjra barbeUe. 

Brinselen— Brinsen. 

Bij De Bo is brinselen broddelen, morsen, en 
brinsel afval, onbruikbare dingen. Ik denk hierbij 
aan het oudfr. briiiser^ breken, brijzelen, niettre 
en bHngue^ volkstaal, voor in stukken of lappen 
breken, lat. frangere, 

Brobbelen, zie Bobbelen. 
Broddelen— Brodden. 

Brodden is knoeijen, op eene slordige of onhan- 
dige wijze lets doen; Goomherts Wercken, I. fol. 
270 verso : vreemde bedel-lappen te brodden opten 
rijcken nutntele det" NeerlanUcher talen. — Van- 
daar brodder; Van Beverwijck, Schat der Ong. I. 
90: Niemant sal een kleet laten maken, als van 
een Snijder^ die een goei meester is, vreesende dal 
het een brodder mocht bederven, — »Het werk te 
verhi^odden" voor te bedei*ven, was vroeger eene 
zeer gewone uitdrukking, en is nog niet geheel 
verouderd, hoeivel men thans meer het frequent, 
hoort ; Willinks Amst. Arkad. II. 41 : vonden (zy) 

door de drift den ganschen aanslag verbrod. 

Don Quichot, I. 222: om sijn Icvch op te houden.... 
't welk al den handel sou verbrod hebben. Wage- 

naar, Vad. Hist IV. 25i: Bredet^e vernam 

/masi^ dat de aanslag verbrod loas. — Ook van 
pei*sonen, Ogier, De Seven Hoofts. 51: 

— soo ist een trek der Voddcn, 
Om deughdelijcke Lien hun Kinders te verbrodden. 
Verbroddelen heeft gelijke bet. David, Vad. Hist. 

IX. 585: de Engelschpnan verbroddelde aldus 

geheel het werk. — Luyken bezigt voortbroddelen^ 
Gezangen, 190: 

»SV>o broddelt elk onagtsaam vooil, 
Maar H aardsche tnaakt hy soo het hoort. 
in den zin van onachtzaam en slordig, ten aanzien 
van de hemelsche dingen, voortleven. — De afl. 
gebroddel is gebezigd van leelijk schilderwerk door 
Bogaers. Gez. Dichtw. I. 165:' Dat himtlljk ge- 
broddel.... )noet uit. — Bij Kil. is het adj. en subst. 
brodde wat slordig of leelijk is; doch in de Antw. 
Speien van Sinne, 230: 

Oc/i tis heel brodde en verloren que paers. (9) 
beteekent het verknoeid of bedorven werk; en 
zoo kan ook de spreekwijs de brod in iets brengen, 



in het Wdb. des Inst, uit Hooft vermeld, verklaard 
worden door eene saak bederven, of, zooals men 
zegt: de klad er in brengen. — Het neders. 6fn«f- 
dcln en verbruddeln en het hamburgsche verbru- 
den komen in beteekenis met ons broddelen^ ver^ 
broddelen en verbrodden overeen. In Gastelli's 
Wtb. der Mundart in Oesterreich is brodln lang- 
zaam te werk gaan ; in Toblers Appenz. Sprachschatz 
brodla onduidelijk en snel sproken, rammelen, 
en in Von Schmids Schwab. Wtb. brudeln het 
eerste stameren der kinderen. 

Brokkelen— Brokken. 

Brokken., hoogd. brocken^ middelhd. brucken^ is 
onzijdig; Schimmel, Verspr. Ged. 2: 

Te^npels schokkcn^ Beelden brokken! 
Porjeere, Zangl. Uitsp. 211 : 

Hiet* ligt een schoorsteen o//t, tot enkel gruis gebrokt 
of bedrijvend; Biestkens Klaas Kloet, 5: 
Sou ik tnijn schoonJieytj die van elck ien wort 

behaacJU^ 
Voor hem bewaren f ick wouse Itevcr afrukken. 
En biockense vetir de fioenderen in kleyne stucken, 
Vondel, Joannes de Boetg. 90:. 
Als zoH men hier de kroon^ en lijf en ziel in brocken. 

Met voorzetftels hebben we a/- en verbrokken; 
Van Zeggelen, Licht en Bruin, 52: 

/a, Richelieu^ uw werk brokt af 
In 'toverleefde ivonder. 
d. i. onzijdig; bedrijvend bij Van den Bergh, Fan- 
tazij en Leven, 182: 

— de zee., die wilde! die in toornegloed ontbrand^ 

Hoisen a f brokt, duinen loegscheurt., enz. 
Van der Hoop, De Henegaat, 17 : {het fort) in pu in 
verbrokt. 

Het frequent, is insgelijks zoowel onzijdig; Deii 
Nederd. Helicon, 189: 't gebrockelt lijf. Beets^ 
Sticht. Uren, II. 274: als de kinderen met het,... 
brood brokkelen. — als bedrijvend; Berkhey, Nat. 
Hist, van Holland, II. 40: men kan {de korst) met 
weinig moeite brokkelen, en aan stukken wryven. 

Het heeft dezelfde voorzetsels als het primitief. 
Geel, Onderzoek en Phantasie, 50: een steil en 
naauw pad, dat somtijds afgebrokkeld is. Max 
Havelaar, I. 93: dat af brokkelen, dat stooterige en 
hobbelige^ maakte het aanhooren {des sprekers) las- 
tig, Bogaers, Gez. Dichtw. II. 274 : 't Us verbrokkelt 
telkens weder. Bilderd., Krekelz. I. Voorafspr. : Wat 
de Lentelos verbrokkelt, enz. — Doch ook nog an- 
dere, min gewone; Nolet de Brauwere, Ged. III. 228 : 

Wuar 't letterjongske iets had misbrokkeld. 
d. i. naar het mij voorkomt: verkeerd afgedeeld, 
of behandeld had. Dodd, Liefde — Lief en Leed, 1: 
het nedrgebrokkeld Steen. 



- 1 



49 



BROKKELEN. 



50 



Het verouderde nw. brokkel heeft Beeloo, Ged. 67 : 
— het mat*mer stolid te beven 
Waar tnijn hamerslag op klonk^ 
Dat in brokkels Hhulsel zonk, 
Waarme^ H beeld nog was wngeven, 
tirokkeling in denzelfden zin zie men in de aani. 
op Troetelefi. 

Hoogstraten kent het znw. btx>k alleen in het 
mannelijk geslacht. Het wordt nogtans ook wel 
6ens onzijdig gehoord. Dus zong ook H. H. Klijn, 
Ged. (tweede druk) IL 40 (van een volk): 
Dat nog bij iedren stap voor ^ameesters tiichtt^o^ 

beefty 
En van 't verachtliik brok, het toegeworpen^ leeft,- 
Bilderdijk zeide daarvan in zijne Yerkl. Geslachtl. : 
loKwalijk maakt men 'twoord bij ons Onztjdig." 
Evenwel schreef hij zelf, Nieuwe Verscheidenh. I. 
178 : Dit brok begint wedet^om afgebroken in 't mid- 
den van eenen volzin. Aid. bl. 209 intusschen 
leest men: Men zal in dien brok echtergeen stop- 
wootxlen vinden, 

Brommelen— Brommen. 

Bij Kil. en Ten Kate, II. 690, brummelen^ brummen. 
Ab eene herhaling van het geluid heeft Dodd, 
Liefde — Lief en Leed, 47: V poesjen brombromt 
bij de loarme hautasch. — Bi*ommen is ook snoeven; 
dus Bilderdijk, Avondsch. 13: 

— wars van de aard ten hemel opgeklommen, 
Waar cchtef* H zelfgevlei niet naUuit op te bix>mmen. 
Vonde], Lucifer, 54: 

-^men zagh ontelbre dt*ommen. 
In een ihnekantigh heir^ aen alle kanten brommen. 
d. i. meen ik, pralen, pronken. Bij Plantijn is het 
w. ook schuimen, van bi*om of bt'oem^ schuim. 
Doch iets anders bij Moons, Sedel. Yermaeckton- 
ueei, 371: 

fst dat ghy my belooft^ dit brommen 8tU te awijgen, 
(if/ suit tils gy niaer xcilt, vapi my veel slempen 

krijgen, 
D. i. naar hei verband te oordeelen, diinken of 
slempen; van het subst. brofn, datslemper^ of zoo 
iets beteekent, aid. 274: 

Want mijnen Boet* ml t^omlen brom, 

En oock genoodt sfjn wederotn, 
Dez. Sedel. Verm. Spiegel, 174: 

Ick vindt ghereedt den vollen brom, 

Ick krijgh den onbesorghdeti kost. 
Ogier, De Seven Hoofts. 160: 
Sackerloot meester^ efi »uUen wybruyloft houwen? 

Wei dat* 8 een brommeken onvetn/mcht. 
Aid. 106: 

Slampafmte}% toen gy waert genegen tot den Brom, 
By onghelijcke 8lachy toeti ginck u Maeghdom crom. 



Hier schijnt aan het wijntje zich Trijntje te ver- 
binden. 

Brommelen, dat in onze woordenboeken niet 
voorkomt, bezigt Bilderdijk, Botsg. II. 81: 
— gantsche neevels van door ^i gedreven hommelen. 
Elk vliegende in 7 gezicht met hoi en aaklig 

brommelen. 
Ueberfeider heeft brumeln voor mompelen, door 
onverstaanbaar spreken onvergenoegdheid toonen, 
en Stalder en Schmeller brummeln voor aanhou- 
dend morren. Bij Kehrein daarentegen is brum" 
meln en brumbeln een weinig brommen, en met 
den laatsten vorm zal prompelen overeenkomen^ 
dat Schuermans heeft voor pnittelen. 

Brondselen, zie Frondselen. 
Bronkelen— Bronken. 

Bronken, ook pronken^ is bij Kil. met wolken 
betrekken, en vandaar stuursch of zuur zien, 
pruilen. Ik lees dit ww. in de Antw. Spelen van 
Sinne, 608: 

Suertnuyl wilt dat ghy thuya 8ult aitten broncken. 
vandaar het freq. bronkelen, in gelijken zin, het- 
zelfde werk, bl. 572: 

Mynen scheel en ataet niet recht ^wwri* dbix)nckelen. 
d. i. mijn wenkbrauw staat niet goed, naar 't 
stuursch uitzicht te oordeelen. H Wordt gezegd 
door iemand, dien men zich in den spiegel laat 
bekijken, en die er op ten antwoord ontvangt: 
NiV/ met dit ijser 8al ment wat ci^mckden, 
Het WW. bi^nken^ in de vermelde beteekenis van 
pi*uilen, ontevreden zijn, komt ook reeds in het 
middelned. voor; Van Velthems Spiegel, fol. 366, 
waar verhaald wordt van twee legei*s, die elka<)r 
gaarne zouden aantasten, maar niet durven : 

Aldu8 gesciet min no mee — 

Onder getie heren twee. 

Die al bronckendc hene varen 

Ende deen den andren niet der daren, 
{Der daren, durft deren.) Maerlant, Alex. Gees- 
ten, II. 20 : 

Die wijf.... 

Waendi hen en ml vet^dt^tett 

Ende si en aonden sere bronken, 

Odit si Uigen met desen strmiken. 
Snellaert, Ned. Ged. 246: 

Songhen si, het dochte hem lachter ; 

Maer si sitten daet* ende broncken. 
Grimb. Oorlog, I. 152: 

Daer hoerde men menich ors neyen, 

Dat broncken ginc te dier tijL 
Dus ook gebronc, Belg. Mus. I. 296: 

Mer wat dooch al dit gebronc 7 



51 



BRONKELEN. 



52 



cL i. wat baal al dit pruiten? — Of dit htwiken 
met oan gewone pronken sameohangt, kan GrimiD 
niet uitinaken; zie zijn Wtb. i. v. Brangen. Het 
schijnl wel zck*, want de Teuthoiiista heefl bnm- 
ken ^z. prijkenj en prof. Bormans verklaart Partho- 
nopeon, vs. 8154: tti tiat in hi'onc^ door zij zat in 
praai, hield zich deftig. 

BronBOlan— Bronsten. 

Scboemums heeft bronsden voorkoken. Ik acht 
dit w. gezegd voor hrwuftelepi^ van bronsten^ in 
*t boogd. en nederd. niet onbekend. 

In bet middelbd. is brunitt een van brinnen^ 
branden, afgel. subst voor brand, dat ook in bet 
iniddel- en later ned. voorkomt. Snellaert, Nederl. 
Ged. 587: 

Doer hen die ducebt schicken 
hi die ewelike bronst. 
d. i. vuar of brand der hel ; aid. 611 : 

(.Si) sincken haer ziele met /tare ctnutt 
In die ewelike bninst 
Sluiter, Huis- en WinterL 112: 

Uw saele gioist- en lief dens bruiiat, 
Sal my venioegt weer maken. 
l>ez. Gesang. 66: 

Door uw' Hoeie lief dens brunst. 
Vandaar brunst it/, loiddelbd. bruujstei\ boogd. bran- 
tftiy^ bq lateren brantffig, en bij Kil. ook brnnistitf 
en bruistiy, brandend. hitsig. paardriftig; Sluiter, 
Oeung. 112: 

Door herte nijd zijn wif ijemeenlijk brunstig. 
Swaanenbui^, Arleq. Distel. 62: de Deerens^ als 
ze zo bronzig (aic) ivotxlen, yelijk de Pmrlen in 
den Herfnt, Potgieter, Lied, van Bontekoe, 4: 
De tijger lekie in 't seheetnrig duister, 
Van 7 roode hoi zijn bronstig lief, 
Oeeetel. Nachtg. II. 211 : 

V Maechden bloede, bruystich rloede. 
liriuustiyheid voor vurigheid heeft het Wdb. des 
Inst, op Hoofl. 

Het WW. bnuviten kende Kil. nog niet, lioewel 
Mamix het bezigde, Ps. 42, vs. 1: 

Ghlijck een heri met yroot vet*lanyhen 
Brunst tui waterbeken koel. 
Bredero, Lucelle, 21: 

Het hooyhmoediyhe beest 
Verheuchdeti in tfyn yheest,... 
En bronsten dies te blyet\ 
d. i. toonde zijn vuur; en zoo dan ook bij starter, 
aang. door Oudemans' B^drage: 
Gelijck een Honiyh-bye 

Verifoerl den honigh dauw en sinyi en btmyst en 

brunst. 



waar het w. onjuist tot brunseti gebraclit wordt. 
Van Rusting, Geb. Duvel, H>5: 

— een stortn^ die over Dijkken 

Ja A>rA% Palleys, en Raatsaal broiut. 
d. i. met onKtuioiige drift raast. — Adelung kende 
het WW. zooiuin als Kiliaan. (Trimm nam het in 
zijn Wtb. op uit Luther, doch Fulda had het reeds 
in zijne Idiot ikensam ml. voor het hitsig zijn van 
herten. 

Bronselen — Broiuien. 

Dit frequent, heefl De Bo voor bronzetu, d. i. 
eene bronskleur geven, fransch bronzer; zie Bom- 
hoffs Wdb. In 't boogd. vind ik b}^nziren. Bil- 
derdijk zegt, dat het nederl. w. voor brmis is 
klokspijs en dat het w. konit van 't zware geluid, 
datdeze stof aan de klok geeft (!). Brotis^ fhinsch 
bronze^ is een romaansch woord, van een stamw. 
bnino^ d. i. bruin; zie Scherqr, en Schade op BnUi. 

Broaelen, zie BryaelexL 
BrusselenS zie Br^aelen. 
Bru88eleii*~BrQBa6ii. 

In het groningsch dialect is briisselen lumoer 
of twist maken. Men heeft dit van de Brusselaars 
willen verklaren; verstandiger zal het zijn, aan het 
WW. bruHsen te denken, vroeger gebruikelijk voor 
kwellen, plagen, enz. : b. v. De Yakantie, door Con* 
stantia et Lahore (Amst. 1707) hi. 13: ik zalhaar 
zo lany brussen en kwellen enz. Scapyn, 3: wat 
hrustme dese Gekf PaflTenrode, 67: w<tt brust me 
dese narf Aid. 156: W(d brust me die ventf De 
Schilder door Liefde, 2: 

— i#i floats van t roost uuUkatuler lydiy brussen. 
Fielebout, of de Dokter tegens Dank, 43: 

Brust been, loopt saameti veur Sint Felten! 
Bekker en Deken, Econom. Liedjes, 189: 

— /let vaaren is myn lust! 

'k Heb er myn moeder lany om gebrust. 
Zie vooiis mijn T. Mag. II. 333. 

Brutselen— Brutsen. 

In het Alg. VI. Idiot, is brutselen Dweinig en 
langzaam koken of stoven."' In denz. zin heeft 
Schmidt brotzeln^ brutzeln, 

Het prim, vindt men gebezigd door Gremer, in 
het geldersche bi*oetscn; Neerl. Biblioth. door De 
Keyser, Jaarg. 11. D. I. 297 : dat de vrouwe..,. dctx 
middagpot reeds te vuur heeft en dat de yroen- 
tenmoes er reeds aan Hbrortsen en proetsen is, 

Dat de wn. nauw verwant zijn aan ons prutteln 
(zie dit art), bij Schmidt brudeln^ broddeln enz. 
valt in het oog, en evenzeer dat prosselen^ H welk 
Schuermans ook voor ^stillekens koken" heeft. eene 
verloopen aitapraak van brutselen is. 



50 



BUFFEIJEN 



54 



Buflblen — Buflbn. 

Het WW. buff'elen is in het dialect van Utrecht 
eten, smullen; Belg. Mus. VII. 266, in de gelijke- 
• nis van den Verloren Zoon : most tie sen murf wel 
vol sioppen met de varrekeskost, om datti van nie- 
mand wat luidet^s te buffelen kreeg. En bl. 267: 
slacht gouw het vette kallef, dan selle we is lekker 
buffele. — *tZal zijn van huffen^ hoffen, den mond 
vulJen. Bij Kil. is hof, bij V. d. Schueren hxif, 
bucca ; &o/fWt, inflare buccas; buffen^ insolenter so- 
nitum facere. Meer gewoon is anders h\ilfen en 
hoffen voor blazen, en dan figuurlijk voor pogchen; 
b. V. Jan Praet, Speghel der Wijsheit, 135: 
ghi ne durt blazen, scalpen no bufTen. 
Van Zevecote, Ged. 336 : 

Balde^ wat helpt iiw stoffen, 

Uw schelden en nw boffen? 
Anders oak poffen (zieWeil.). Zoo spreekt Jonctijs, 
Venus, 57, van: hooger roem en opgepoften lof; 
— gelijk men onze vrouwen van opgepofte mouiven 
hoort spreken, en reeds bij Berkhey, Nat. Hist. v. 
Roll. III. 508, van ]>eene losse opgepofte kleeding" 
voor ruime mansbroeken, leest. De vraag is, of 
poffe^ puffe, dat volgens Ypeij en Dermout, Gesch. 
der Ned. Herv. Kerk, I. Aantl. 225, in Vriesland 
wen wel gerezen tarwenbrood" beteekent, den 
naam heeft van het rijzen, zooals het meer be- 
kende poffertje^ in sommige streken ook boffertje 
geheeten, naar zijn boUen voim genoemd schijnt. 
Wij kennen nog bof voor klap, slag, in den Lan- 
celot buf; B. IL V8. 37517 : 

Swigei daer af^ quade pute! 

Bi Gode, haddic u daer ute 

Ic saude u geven ene buffe. 
En vs. 7629: 

lo ware quaet datiic ne wtxiecs mi 
Vander buffen die gi hare hebt gegeoen. 
Ook het middelhoogd. en het oudfr. had 6m/ en 
buffe in dezen zin, zie Benecke, en Burmans Aan- 
merkk. II. 28; waarbij het opmerking verdient, dat 
het fr. souflety voor klap of slag, van soufler af- 
komt, dat evenals boffen^ blazon beteekent; 't fr. 
woord wordt inzonderheid verstaan van een klap 
op de wang, hetgeen ons weder naar de bof of 
kaak^ waarvan we uitgingen, terugvoert. Van bof^ 
buf^ in dezen zin, is buffelen^ slaan ; Noozeman, 
Bedrooge Dronkkaart, 24: 

— eti met dat voile lijf^ 
Teeg hy dan met vuisten en stokken /6 buffelen op 

Hijn Wijf. 

Buitelen— Buiten. 

Dit buitmi herkent men in 'tfr. (Hi^-6u^*, dat 



letterlijk ons buitelen uitdrukt. AU ziende op de 
afwisselende beweging van deu buitelaar, verklaart 
Ten Rate, II. 6ii, het voor ^en met buiten^ dat 
ruilen beteekent, en btjzonder ruilhandel drijven ; 
b. V. R. Visscher, Lof der Mutse, 16: 
Tsy int coopen oft vercoopen, int beuyten off raylcn. 
Zie ook Fortmans aant. achter ztjne DichtL Mengel. 
58; in 'thoogd. beuten, ruilen, verwisaelen; ne- 
ders. bCiten^ verbiitefij umbuten. Dit verbHteti treft 
men ook bij ons aan; Dietsche Warande, VII. lil: 
Sijn raet uxis, dat men gheen lant vercoepen off 
verbuten en solde, Don Quicbot, 11.110: kooptnan- 
schap die men vcranderen^ verruylenof verbuyten 
madi. 

Van dit buitefi is ook het compositum^ ruilebui' 
tefiy bij Weiland; Van den Bei*g, Gestoff. Winkel 
en Luyfenbanquet, 20: 

Ik ben een Stnotis en handelaar; 
Verkoop TabaJi, voor geld of waar; 
Ik ruylebuit in Lombardyen. 
Valentijn, Werken van Ovid. III. 147: Ik swerf 
niet over zee als een gt*elig kooptnan^ om met rui- 
lebniten oneindige rykdmnmen te vtrgaderen. 
Van Swaanenburg, De Vervrol Momus, 26: ruyle- 
buyte lioomen zyn Hemelgloben voor de Comeet" 
star der aarde; — alsmede hetzelfst. nw. ruilebuit^ 
dat ik aantref in het blijspet De Verstandzoekster, 
door Van Elvervelt, 5: 

^ 'k Ben met die ruilebuit 
Wel in myn sehik^ ik rail een daalder voor een duit. 
Men zou buitelen ook verwant kunnen achten aan 
't hoogd. beuteln, schudden, mede beiteln luidende; 
en zoo spelt ook Vondel ons frequent. Warande 
der Dieren, 89: 

Den Aep eetis guychelaers bed reef zeer vreetnde 

dingen^ 
Met danssen in het perck^ met beytelen, en springen. 
Dez. Poftzy, II. 457: 

De boxvoet o^t hippelt 
Langs d'oevei*s van H water ^ 
En beitelt, en tnppelt. 
overaenkomende met beyteler^ buyteler^ bij Kil. 

Eene afl. vindt men bij Valentijn, a. w. II. 118: 
sat gij Sisyfua op uweti beuitelsteen. 

Weiland heeft buitelen als onzijdig ww.; men 
bezigt bet ook bedrijvend, b. v. Van Swaanenburg, 
De Vervrol. Momus, 36 : Wat scheelt het Diogeties^ 
waar hy zyn Toti buitelt. 

Het voorz. om versterkt de bet. van het ww.; 

Halbertsma, Ret Geslacht der Van Harens, 289: 

dat een zware koffer bij het ombuitelen ixxii een 

poetwagen op zijne borst viel. 

Afbuitelen leest men Beronicius, Boeren- en 



56 



BUITELEN. 



56 



Overh. Strijd, 162: die,,., onlvlugtte op eenen Ram.... 
van wdken de Zuster otujelukkig af buitelde in dat 
gedeelte det* Zee. 

Bundselen, zie Bondelen. 
Bungelen, zie Bengelen*. 
BuDselen, zie Bondelen. 
Bnrrelen— Barren. 

Burlm Rtelt Kil. gelijk met bndlen. Zoo ieest 
men Proverb. SeJecta, HS. : Kaeyen, die meest bur- 
len, geven 7 minst meld: ; en in het Vad. Mus. II. 
440, in eene vertaling van Ps. 38, vs. 9: ic bur- 
relde vanden ghescuUen mijnre herten. — waar de 
Statenbijbel heeft: ik brulJe van het geruysch 
mijns herten. Despara, Cronijcke van Vlaend. I. 
35: wat hy hadt, huylde, burrelde ofte riep.'tivas 
nl te vergeefH. Vanden Heil. Sacranienle, door Dr. 
Verwijs, 70: 

Laedtons UH hnireXen.... iMedtons nu crygschen. 
Baron Penninck, 127: burrelen mn den hanger, 
lijk de koeyeti. — Volgens het Belg. Mus. VIII. 170, 
en het Alg. VI. Idiot, beet dit in Vlaanderen 
beurlen. Het prim, bnrren vindt men bij Schmeiler, 
waar bet o. a. van het huilen van den wind ge- 
zegd wordl. Zie voorU Borrelen^, 

Bosselen, zie Bosselen. 
Bustelen, zie Borstelen. 
Buttelen— Botten. 

Beide wn. heeft het Alg. Vlaamsch Idiot. Bollen 
wordt uitgelegd door >aan de buurtwegen werken" 
en buUeleti door »bouwland met den riek rein, 
klein en mul maken." Bij Tiling is boteln, dat 
hetzelfde w. zai zijn, »de zoden, nvaarmede een 
dijk belegd is, vast kloppen"; en bij Fulda, Idioti- 
kensamml. »niet een beitel af hakken." De eig. bet. 
zaI kloppen, slaan, houwen, zijn, dat verschillender- 
wijze wordt toegepast. Men vindt dan ook die bet. 
aan het ww. botten toegekend ; zie b. v. Fiilda, a. w. 



Dabbelen— Dabben. 

Kil. heeft beide wwn. voor graven, stof of slijk 
met de handen of voeten omwentelen; enPlantijn 
voor betasten, streelen, ook Hodderen. Met dc 
voet int sUjck dabbelen is bij den laatste : tr^piner 
des piedz en la fange, en dabbinghe: pattelage, 
trepinage. Volgens De Navorscher, IX. 293, is 
dabben in het land van Kuik nog in zwang voor 
in de aarde wroeten; en volg. mijn Archief, III. 
3^, dabben en dabbelen beiden in Maastricht, voor 
graven met handen en voeten. Volgens het Alg. 
Vlaamsch Idiot, is dabbelen, dabberen en dnbben 
»met de voeten in slijk trappen en wroeten." De 



overeeukomst valt . in bet oog van deze wn. met 
het eng. to dab, zacht met iets slaan; to dabble^ 
nat maken, besprenkelen, in water of slijk morsen ; 
zoowel a Is met het eng. to duub, besmeren, bepleis- 
teren, fransch duuber, met de hand op den rug 
slaan; ook het hoogd. dappeln, dat Grimm in zijn 
Wtb. uit Got he opteekent voor Hrippeln^ trepidare" 
behoefl niot te worden uitgesloten, als lijnde dit 
niet anders dan een herhaald bewegen van de 
voeten. 

Bij de nederlandsche schrijvers is mij alleen voor- 
gekomen het primit dabben; Croon, Cocus Bonus, 
II. 48: 

Het en stael niet met den duym 
H Dabben over al in H schuym. 
I), i, wroeten. Sprankhuisen, Geestel. Triumphe, 
31 : l)e CJiristetiefi moeten lijden, dat haere Lichae- 
men onder de Aerde ghedabt ofte geschrabt ivor- 
deti, am dxier te ven^otten. D. i. al gravende of 
wroetende induwen. Doch voor graveeren, Wols- 
schaten, De Doodt vermaskert, 252 : 

Al leyt men op syn lijff een steeti 
Doer met houweel is in ghedabt 
Wat hy gheweesf is voor eeti Abt, enz. 
Het WW. afdjobben of afdappen is duwende weg- 
nemen; Valentijn, Werken van Ovid. I. i9o: Laat 
sij u bekreten sien, en i/i 't knssen u ttnneti met 
de drooge lipjens afdappen. 

Danunelen— Dammen. 

Volgens Boers' Beschrijving van het Eil. Goede- 
reede en Overflakkee, bl. 50, is dammelen op het 
gen. eiland gangbaar voor )>niet de voeten stomme- 
len"; en volgens het tijdschrift De Nederl. Taal, L 
193, dameln in Groningen voor het drentelen van 
kinderen. Deze wn. zullen wel 66n zijn meidem- 
melen en bedemmelen, in het VI. Idiot, verklaard 
door ))den grond vasttrappen." Verwanten zullen 
zijn dammera^ ddmmern, demtnem, bij Kehrein 
met gedruisch stampen, den grond plat trappen; 
dammeren^ stampen, bij Kaindl, II. 277, en Schmidt, 
Westerwald. Idiot; tammem, temmem, bij Lexer 
kloppen, en d^immern, dampetm, bij Scbmeller 
kloppen met de vingers. De woorden bootsen 
blijkbaar het geluid na. zooals ons stomtnelen en 
stampen; en het prim, dam men is van dam, bij 
Schmidt t. a. p. een klanknabootsend woord, dat 
oorspronkelijk stooten beteekent, volgens Lexer 
bijzonder het aanslaan van krijgswapenen ; voor 
welk laatste Schmeller (I. 369) gedam heeft. 

Dampelen--Dempen. 

Beide wwn. benevens bedampelen, heeft Kil. voor 
met de voeten treden. De afleiding zie men bij 



57 



DA.MPELEN. 



58 



Ten Kate, II. 6i4, en Kaindl, II. 279. Men zeide 
hiervoor ook dampeleny zie dit woord. 

Dangelen— Daugea. 

Beide woorden zijn in het viaamsch in gebruik 
voor dingeleii en dingen^ zie dit art. Het frequent, 
luidt ook djangeleti; zie de Idiot, van Schuermans 
en Do Bo. In het noordhollandsch is dangelen 
»beuzelend, bijna doelloos zich bewegen," zie De 
Navoi-scher 1874, n°. iO, bl. 530. Men kan hier 
denken aan de beteekonift van slingeren, die het 
eng. to dangle heefl. 

Dantelen— Danten. 

Prof. Bormans deelde mij mode, dat in het lim- 
burgsch dialect het frequent, dantelen zeer gemeen 
en dagelijksch is voor »op zijne beenen, als een 
dronken mensch, waggelen.'' Het eng. bij Halliwell 
heefl to dandei' voor waggelend gaan, wat dus 
hetzelfde is, en to tantle voor zachtjes gaan, wat 
er eenigszins bijkomt. Als primitief zou men kun- 
nen aanmerken tanden^' diki nevens tandnti^ bij 
Schroer beteekent »nieder und under einander 
treten.'' Al deze woorden zijn wellicht verwant 
aan dansen^ hoogd. tanzen^ dat oorspronkelijk 
trekken is, doch in de verachillende talen, waarin 
H overging, springen beteekent, en dus evenals 
dantelen op eene beweging der voeten of beenen 
ziet. Zie Diaz, Etymol. Wtb. I. 151. Zoo Ade- 
lung w<^l gezien heeft, dat in datuen de beweging 
het hoofdbegrip is en het hoogd. tdndeln daaraan 
verwant, dan behoort ons dantelen tot tantelen 
(zie dit w.). 

Dartelen'— Darten. 

Bilderdijk leidde ons adj. dartel van darreti^ dur- 
ven, af; zie zijne Nieuwe Verscheid. IV. 79 en de 
Aantt. op Hoofts Ged. 5 ; voorts Epkema, Wdb. op 
Japix, 77, en Terwen, in zijn Etymol. Hand wdb. 
insgelijks. De bet. van het adj. zou dan zijnstout- 
moedig, koen, vermetel. 

Het gebruik intusschen past het w. niet zoozeer 
in d^zen zin toe, als in dien van speelsch, wulpsch. 
Hoe stoutmoedig een held ook zij, hoeveel hij 
durve ondememen, nooit geefl men hem uit dien 
hoofde den naam van dartel. Bij voorkeur past 
men het w. toe op kinderen, op knapen of meisjes, 
en dus op den tederen leeftijd, en in het denk- 
beeld van tederhetd ligt de hoofdbeteekenis des 
woords. Kil. verklaart dan ook dertel^ zooals hij 
spelt, door teder, week, en voorts wellustig, weel- 
derig. Halbertsma zegt, dat het w. mn het tegen- 
woordig gebruik de vroolijkheid van een kind aan- 
duidt, dat van speelzucht niet weet, welke kuren 
dat het maken zal." Letterk. Naoogst, I. 278. 



Deze beteekenissen vindt men door het gebruik 
steeds in acht genomen. Valentijn, Werken van 
Ovid. n. 199: een vervelde pUmg^ die^ met de huid 
den oxtderdmn uitgeschooten hehbende^ P^gt te 
verdartelen. D. i. weelderig te worden. D. III. 215 : 
Ik was dartel-aardig, min-siek. Goomhert, Wercken, 
I. fol. 526 verso: Doe hebstu het gheluck schoon 
woorden ghegheven, als sy dy niet, anders dan 
Iiaer deilelaersken troetelde, D. i. haar teder 
wicht, haar troetelkind, anders geheeten een det*- 
teling; zie de pi. uit De Brune op Troetelen aan- 
geh« en verg. zdrielinc^ bij Benecke een verweeke- 
lijkt mensch, bij Schmeller zdrtling^ troetelkind. 
Rodenburgh, Geboorte Ghristi, 24, van eene wel- 
lustige vrouw: 

Die met jeuckend' oog en dartelijcke pronck 
Bedectelijck ontsteeckt, door vleesche tochtens vonk, 
d. i. weelderige of wellustige pronk. Der Minnen 
Loop, I. 47, van meisjes, die wispeltnrig van aard 
zijn, zoodat zij nu neen, en dan ja zeggen : 
Al zijn zij hi wijlen derten, 
Het staet hem oock \imel itider herten, 
Spreckwoorden (Gampen, 1550) bl. 22, wordt dit 
derten verwisseld met lekker, d. i. iemand die 
weelderig of kiesch is in spijs ein drank: Ick en 
bin niet lecker, of derten, mer wat wel smaeckt 
dat mach ic wel geerne. Bij Huygens^Korenbl. 1. 273: 
'k Kan 'tniet omchuldigen^ 'tisdwie\i}e»gepraett. 
De Didkter wil zeggen: het is niet emstig ge- 
meend, het is uit jokkernij gezegd. In Molls An- 
gel us Morula leest men 195: soe wye van det% 
iongheren niet leeren en wil^ ofte rebellicheyt ende 
dartsimheyt pleichde tegens den anderen. — De 
Hoogl. denkt hier aan »dartele simheid, van «m}, 
simia, aap'!; 'tw. schijnt eenvoudig eene afleiding 
{dartsenheidy dartzaamheidf)^ die speelschheid be- 
teekent^ of moedwil, in welken zin althans Dfthnert 
dartenheet kent. 

In den Teuthonista is dartten &^n met overtardt, 
verweent". Verweent is in het nederl. bekend 
vx>or weelderig, zie De Taalgids, I. 128; envertardt 
wijst op het hoogd. adj. zart^ d. i. fijn, teder, in 
welk woord de wortel ligt van ons dartel, en 
waarvan het hoogd. ww. zarteln, tederlijk behan- 
delen, en verzdrtehi, vertroetelen. Het primitieve 
WW. dat in het nederl. derten of darten zou lui- 
den, geeft het middelhd. zm*ten^ lief hebben (waar- 
van verzerten, verweeken), zarfen, met tederheid 
behandelen, lief kozen ; oiidhd. zai*^an, zartmi, stree- 
len, lief kozen; zie Graff, Sprachsch. V. 696. Bij 
t)chmeller hebben zarten en zurteln nog gelijken 
zin. Het ww. dartelen heeft derhalve met darren 
niets te maken. 



so 



DARTBLEN. 



60 



Dit treq., zooals het boven naar het tegenwoor* 
dig gebruik is omechreven, ^ijkt das Yan de oor- 
spronkelijke bet. eenig^zins af. Het hoofdbegrip 
van tederheid of liefheid is tot dat van wulpsch- 
heid en speelschbeid overgegaan, en dan wordt 
het woord vooral door onze dichtens op verachil- 
lende wijxe toegepast Zoo b. v. op bloemen; 
Schimmel, Verspr. (led. HO: 

Hoeveel bloemen in de weide^ 
Thands te dartlen op de heide^ 
Ah de vogelkens omhoog! 

Weil, heeft niet de afll. doordnrtelen en opdarie* 
ten; Schenk, Nachtged. I. 177: 
In H zwieHff tretirgewcuid ter feesizaal ingeleid, 
Doordai'telt ze al den tiacht in ongebondeii dansen, 
Bogaers, Gez. Dichtw. I. 311: 
Doch *8 avonds — dan dartelde ze op uit den vloed. 

Dartelen*— Darden. 

Dit primitief beantwoordt aan het fransche dar- 
der, eng. to darU d. i. schieten, uitachieten, van 
het subsl. dardy darde, in het fr. een ptjl of werp- 
spies, doch ook de scheut eener plant, eng. darl^ 
schicht, pijl, angels, darath^ dareih. Gelijknuhet 
fr. w. darder ook gezegd wordt van het uitschie- 
ten der boomtelgen, smeedde Oudaan een nederl. 
darteleny uitdartelet}, in dezen zelfden zin, PoSzy, 
I. 52: 

— vruchteii^ die men wacht 
Van goede boomen^ of die wel yeatelt ter dragt 
Hun schaduryke loof uitdart'len aan de stroomen- 

Dauwelen'— Dauwen 

Het onpers. dauwen^ d i. dauw ontstaan, wordt 
ook flg. en bedr. gebezigd, zie Weil. Bij De Bull 
'leest men Verspr. Ged. 140: 

^tRiAst alles in de kloostet^muren..,, 
Maar op zijn slapen dauwt het zweet, 
Vondel heeft ook nederdauwen; zie Weil. 

lets he-dauwen of he-dauwelen is bevochtigen en 
voorts bevlekken, bezoedelen ; zie Bilderdijk, Verb. 
0. d. Gesl. 349. i>Onbedaauwelde onschiUd is, waar 
de minste walm of waas niet op becht" zegt bij 
Verkl. Geslachtl. I. 169. Das P. van Woensel, 

aangeh. in De Gids, 1863, H. 519 : tenuiil hij een 

cnidfix kvst en met zijne tranen bedauwelt. 
Berkhey, Nat. Hist, van Holland, H. 1216: als tnen 
het stuk,,., ter beschouwinge opneemt,... zondet* het 
veel te behandelen of te bedaauv^elen. 

Bedauwen in gunstigen zin is met dauw over- 
dekken, De BuU, Verspr. Ged. 134: 
Hij ynaait^ loai gH zaaii en bedauwt met uw zweet. 
En zoo fig. Jan Praet, Speghel der Wijsbeit, 8 : 



(dat) mi uwe grade so bedauwe, 
dat mi de duvet niet ghelanwe. 
Aid. 15: 

— die bed a u wet es met t*ouwen 
e^ide vreese heeft in sijn ghedochte, 
Vondel, Poezy, I. 475: 

Godt zegetxe en bedauw zijn zaligh graf, 
Het vlaamsch bij De Bo heeft in dei^relijken zin 
deiolen^ dexvvoelen. 

Dauweien*— Dauwea. 

Een dnuwel is in de volksspraak een traag vrouw- 
mensch; bij Bekker en Deken, Com. Wildschut, 
VI. 118, leest men daarvoor daaweltje (zooals 
daar zal moeten gelezen worden voor dwaaweltje). 
Dauweten is traag, langzaam handelen ; zie Weiland. 
Volgens Bild. (Beg. der Woord v. 59) zegt men 
dnuwelen van doffe en daardoor trage menschen. 
DuR Fokke, Verz. der Werken, VH. 61 : Mercuur^ 
wiens eene hielvleugel bij ongelnk losgeraakt mxw, 
gtond nog wat te dauwelen en te bindeu. — Hiermed 
komt ovei-een daueln^ bij Richey den tijd verbeu- 
zelen, niets ilegelijks uitvoeren; daueler, tijdver- 
beuzelaar. In Groningen is da^teln drentelen, 
tijdschr. De Ned. Taal, I. 193; en in Overijsel en 
Gelderland dauwelen dartelen, stoeijen, volgens 
Hall>ert8ma's Woordenboekje (Ov. Aim. 1836)^ 
en het tijdschrift De Ned. Taal, II. 201. Dus 
Geld. Volksalm. 1865, hi. 119: Heele dagen leep 
ik met mieti mooder in dc weide te dauwelen. 
Overijss. Aim. 1836, Achterw. bl. VI: 
Et lutke wichtertuug dat lacht 
En speuU en maakt getnaier 
En dauwelt umme f^er modentschoat. 
Van der Veens Zinneb. 73 : 

Au gaettet uyttet spoor met watigelaetigh kussen^ 
Met trecken Mondl an Mondt^ en dauwlen mettet* 

hant, 
Zulk do-uwelen met de )mnd^ hoewel dan niet wel- 
lustig, bedoelt Oudaan, Toneelp. 224: 
Dies wacht uw* handen voor fiet krabben vatt 

di^ krauwel^ 
Of meent gy dat voor elks gedauwel en gewauwel^ 
En H kiieken aan den discii^ *t AartS'priesterlijk 

gesloiJit, 
Hun tegenwoordigheyd^ en byz{jn waardig achtf 
Vandaar bedauwelen voor met de hand op wel- 
lustige wijze betasten; Berkhey, Vad. Afscheid,50: 
Daar ligi voor het toilet eepi ligtmis op de knien 
Bedaauweld, dataileen den braven mcui mag zxe*h, 
Om dus aan de afkotnst en cum 7 bloed de krngt 

te mitste^len. 
versta: Bedaauwelt, wat all een de brave. 



ftl 



DAUWILEN. 



9i 



Een primitief ww. dauwen is mi] in onze iaal 
11 let voorgekomen, dan raisschien in Bloramaerts 
Oudvl. Ged. II. 105 : 

IJie maghet tfi dauwen metier anttcn^ 
Rechi of sine wilde verwarmetu 
Ende ctisteti daemui met ten mont. 
waar aan een welluHlig oraarmen of botasien te 
denken iF. Het naast bij koint daven (waarvan zio 
op Davereti)^ op hetwelk ook Halbertsma wijst, en 
dat Richey aanvoert voor ronddartelen; enSchutze 
(Holstein. Idiot.) stelt danebi, davelti en davrn 
nevens elkander, zoowel voor talmen, als voor ra- 
zen, tieren. 

Deekelea— Deuken. 

Oudaan, Ged. 15, heeft: 
(hv Joodsche Zanggodin^ die »tnerige Bnmiette, 
Het zy ze op d'outerdisch hoar oly-koekefi zettc^ 
Met Huim en vingeren gedeekelt; — 
Ik verfita dit gedeekelt het naast al8 ingedinikt, en 
alzoo van deuken^ het transit, van duikefi, Een 
det4k in iets geven, zeggen wij; dus raede een in- 
ged^uhte hoed. Zoo meen ik ook, dat Oudaan van 
oliekoeken spreekt, met duim en vingeren gedeukt, 

DeinMlen— Deinsen. 

In het Tlaamsch is deinzeleti gebruikelijk voor 
het gewone ww. deinzeny achteruit|^aan. Zie het 
Idiot, van De Bo. Verg. Dijzele)K 

Demmelen, zie Dammelen. 
Dibbelen— Dibben. 

Beide wn. zijn in het vlaamscb dialect gebrui- 
kelijk voor duhbelen, duhben, d. i. in het oneekere 
zijn. Zie Dubbelett. Bij Schuermans wordt dibben 
en dubben ook verscherpt tot dippetiy duppefi, 

Diohtselen— Diohten. 

Het WW. dichtselen voor dichtefiy doch, zooals 
de invoeging der « medbrengt, in den minder ede- 
len zin van dat woord, treft men aan bij Gremer, 
in de Luimige Poezy van V. d. Bergh, enz. (Rott, 
1^2) bl. 49 (van een bruiloftsvers) : 

7 Is toch niet veur heur gedichtseld. 
Hei subst. gedichtsel voor gedicht, poenuiy heeft 
Kil., doch het is anders meer bekend voor ver- 
ziersel, veninael; Vondel, Noah, 15: 

Laet dees gedichtzels, die de geilheit voMj dan 

vaei^efi. 
Statenoverz. des Bijbels, Gen. 8, vs. 21 : hei ge- 
dichtsel van 's tneiuchen herie. Randt. op Jerem. 
23, vs. 28: valsche lecvey ofte menschen gedichtse- 
len, die geen nut en hontxen doen. — Wij zeggen 
nu verdiclitsely dat Kil. nog niet kende. 

Dijaelmi— Deiaen. 

In het Weatvl. Idiot, is dijzelen of dizclen aar- 



zelen, dubben, eit wordt aldaar gebracht tot dein- 
zen^ bij Kil. ook deizen, Ter bevestiging daarvan 
dient, dat bij Anton (VII) deiseln beteekent »zij- 
nen weg zachtjes aan vervolgen," en bij Von Schmid 
deinscH en deinseleiiy weggaan, heensluipen. Dei- 
zen was voorheen bij onze schrijvers niet onge- 
woon; Houwaert, Lusth. der Maechden, I. 639: 
Ick hesorchde nemetij en roeyers, V uwer bnten. 
Doer ghy van my na huys met zijt ghedeyst. 
Aid. 705 : 

r 

— Jupiter heeft Mereumim ghepreaen 
Aen hem ghesonden, dat hy v:^n/it>r zou deysen. 
Vondel, Jeptha, 53: 

— indienge stil bleef siaen 
Of deisde voor dit outer — 
Foot, Ged. I. 319: 

Haer heugt van meer dan vyftigh deizende een wen, 
D. II. 55: 

Hoe deisden toeti de ryke. dalen 
En U vaste land te rug I 
Brandt, Leven van De Ruiter, IV. 387: dat hy.... 
zidi genoodzaakt vondt wat van de vyandt af te 
deizen. 

Dingelon— Dingen. 

In het vlaamsch zijn dingelen en dingen beid«n in 
gebruik, t. w. in de samenst. achterdingen en ach- 
terdingelen voor (iemand) napraten, d. i. spottend 
zijne woorden herhalen; alsmede dingelen voor 
dingeoy d. i. voor eene koopwaar een prijs bepalen, 
een bod doen, een lageren prijs bieden dan gevraagd 
wordt, anders afdingen genoemd, in het fransch 
marchander. Het frequent luidt ook (^iingel€n en 
dangelen. Zie dit laatste en voorts het Idiot, van 
De Bo. Weil, merkt op, dat dingen oulings was 
over en weder spreken, wat degemelde verklarin- 
gen bevestigen. Voor spreken voor het geracht, 
leest men het w. in het Passionael Wlnterst fol. 
89: doe die voder mitten s&ne voer den Keyser 
periemente of dinghede, soe wort ghewijst enz. — 
Een rechthuis heet daarvan dinghuisy aid. fol. 67 : 
wert ic g}ietogh&n iotten dinchuse dairmen die 
misdadige menschen plach te verwiseti tot enz. 

Bij Schmeller komt mede een freq. dingeln of 
dingern voor, doch in anderen zin, t. w. als werkw. 
voor een ander woord gezegd, dat men zich op H 
oogenblik niet herinnerl of niet weet uit te bren- 
gen, zooals wij gewoon zijn het aubst. ding en het 
ady. dingsig in soortgelijke gevallen te gebruiken. 
Nog een ander w. is dingele bij Outzen, ook dan- 
geln luidende en in bet. overeenkomende met het 
eng. to dangle^ d. i. slingeren, wapperan, bij Halli- 
well to diiigle-dangle. 



ds 



DOBBEL 



64 



Dobbelen— Dobben 

In Pers' Belleropfaon, 135, leest men: 
Sy is gelijck sen bel die vliegt. 
En dobbelt op eeti xvater-plas. 
Zoo het geen drukfout is voor dobhert^ heeft men 
bier het freq. dobbelen voor het gewone dobberen 
of voor tothelen, weike twee wwn. in afl. en bet. 
nauw verwant zijn. Zie op die art I. 

Dodelen— Doden . 

Volgens de Vad. Letteroeff. 4852, n\ 10, bl. 74, 
bezigt de belgische schrijver Zettemam in zijn 
Arnold de Droomer, het ww. dodelen voor stame- 
ren. In het Alg. VI. Idiot, beet dit doddeieti en 
dodderen, Het ww. is niet vreemd in de verwante 
talen. In het neders. toch beteekent doddeln, in 
het zwaabsch dudtnti^ oostenr. dudarn^ zwits. do- 
derriy dadetn, todet^eti, hetzelfde. Tobler nieent, 
dat het w. een gemeenen oorsprong heeft met stol- 
teren. Mij dunkt het dnikt het tegen de tanden 
duwen of stooten van den stamelaar uit, in wat 
zachier graad dan stotterenj en Tobler omschrijft 
het WW. dan ook door »schne11 nnd undeutlich 
reden, beinahc stottem." 

Doebelen— Dubben. 

Doebelefi heeft De Bo voor duwen, dompelen, en 
de Schr. brengt het tot dtd}hen, bij Kil. onder de 
aarde steken. In het friesch is dohbjen in een 
kuil begraven, bedchhjen met aarde bedekken. Zie 
Epkema. Hiertoe behoort het znw. dohbe, kuil, 
groef, put enz., waarover men zie Taalk. Mag. IV. 
680 en Archief, I. 258. 'k Voeg daarbij een voorb. 
van hem*ddchbe^ voor haardkuil; Bekker, Bet. 
Weer. IV. 172 : de asch in de heerddobbe liggeude. 

Doedelen— Doeden. 

Doeden is zachter dan toeten, doch er overigens 
aan verwant. In H hoogd. is hoomblazen duien^ 
bij Wachter dud en, son are. Vandaar doedeleti, 
een geluid maken als van den doedelzak. Bilder- 
dijk, in zijne Voorafspraak van de Ziekte der Grel. 
past het WW. toe op de herdersfluit: 

Hoar zacht, hoar zoet, hoar doedelend geluid. 
Bus mede Hippokreen-Ontzwaveling. 5: 

— ezels.,., die by gevnl aan 't doedelen, 

De kroon verdienen, enz. 
Het w. komt ook in *t hoogd. voor, doch dudeln 
beteekent daar inzonderheid op eenig instrument 
slecht spelen; zie, behalve Adelung, het Brera. 
Nieders. Wtb., Schmeller, SchAtzes Holstein. Idiot., 
Schmidts WesterwSld. Idiot., Idiot d. deutsch. Spr. 
in Lief- und Esthland, alien i. v.; en in dozen zin 



zingt onze dichter Ten Kate, Aim. voor Jan en 
AJIeman, 1853: 

Te doedlen en te veedlen 

Op allerhande nuxat, 
Om bravooft rond te beedlen 
Bij 7 volkjefi van de straat. 

Doekeleo— Doeken. 

Beide wwn. s^taan vermeld in den Drenthschen 
Volksalni. l844, bl. 148, voor kussen, liefkozen, 
troetelen. Zij worden aldaar bij gissing tot duiken 
gebracht »van kinderen die wegduiken in den 
sohoot of aan de borst der moeder." Ik meen, 
dat nict het kind, maar de moeder troetelt, en sou 
duiken dan nemen als *t hoogd. ducken^ voor 
drukken. Sich anducken is bij Schmeller zich 
aan iemand vastklemmen. 

Doetelen— Doten. 

De Teuthon. heefl i. v. Basen i^verdoetelen^ de- 
lirare. Verdoctelty delirus." En wijders werdoU, 
vrrdoetelU deliratus." Het primitief heeft Kil. y^dotrn^ 
dutten^ delirare," ong. to dotr^ fr. ra-doter, oudfr. 
re-dot rr. Bij denz. nver-doten^ ver-duiten^ delirare, 
desipere, dementem es.<ie." Tot dit dutten sal be- 
hooren het adj. duto, dwaas, onzinnig, waanzinnig; 
Oudaan, Po6zy, III. 431 : 

duHtze daad der zinnen^ duts en dom ! 
Dez. Toneelp. 76: 

— de J n IP ren duts ett dom^ 
Door druk p« treungheyd, zien nergena recht 

an oui. 

Doeeelen— Doeaen. 

Boezelen is in de teekenkunst een term, waar- 
mefi wordt aangeduid het verdrijvenofdoen smel- 
ten der omtrekken door middel van een dotje wol 
of katoen, of een opgerold Htukje zeem of let^r, 
welks punt afgestompt is, waarom dit werktuig 
in 't fransch cstompe genoemd wordt, bij ons doe- 
zelaar; zie Feith en Kantelaar, Bijdr. II. 100. — 
Het prim, doczeti zou ik verklaren door zacht ma- 
ken, fransch doucir, waarvan ook het adj. does 
voor zacht; Van Swaanenburg, Arleq. Distel, 275: 
fiet zuiker van het ziltig, }iet does van het schei^p, 
Porjeere. Diclitmengel, 169: 's tortels doesch geluid. 
— In de spreektaal hoort m€(n: er doezig uitzien, 
voor: een zacht, goedaardig voorkomen hebben. — 
En het subst. doeze, onnoozel meisje (Bild. Ge- 
slachtl. III. 302), anders doefje, b. v. Krul, Drooge 
Goossen, 2: hoe souje beivaert wesen met sulck 
een doetje. Dez. Pamp. Wereld, I. 311: 

Vrijd gy mn het geld van Doetje. 



66 



DOEZELEN. 



66 



Aid.. 

Als een Doetje 7iiet kan dragen 

Ldste die zy dragen moet. 

Bekkeren Deken, Com. Wildschut, III. 340: Otize 

Keetje is zo een doetjen niet. 

Doflfolen— Doffen. 

Hel WW. opdoffelefi, leest men in de vertaling 
van Marryats Newton Forster, II. 64: Toen voor 
eenige dayen Nicolaas en zijn zoon hier kwametL, 
en zich bij tnij vet^oegden^ om otidersteuning, wel, 
dat was alien goed oi hest^ (Uiar kwam hloedver- 
wanUchap bij te pas; tnaar waarlijk, om zoo inaar 
het kind van een ander mij op te doffelen ! — De 
bet. is blijkbaar opdrijigen. In gelijken zin zegt 
men elders opstoffelen^ z\e Sto/felen. Doffelen. met 
verschei*pte uitspraak toffelen (zie dit w.) en met 
8 voorop, stoffelen, komt overeen met doffeln^ vol- 
gens Von Klein in den Elzas slaan, bij Schmeller 
deffehi^ slaan, kloppen; bij Regel doffeln^ treffen 
van het gemoed, verslagen maken, bij Wright to 
duffle^ futuere, bij Schmidt en Kehrein to/feln en 
stoffeluy aandrijven, voortduwen; van het bij ons 
bekende do/fen^ d. i. een dof (duw of stool, in bet 
vlaamsch doef) geven; eug. bij Halliwell to duf^ 
slaan, bij Schambach doffen^ deffen^ angels, diifian^ 
ten gronde stooten. Diis lees ik dit in De Tijd, 
XXIV. 240: het dringen tm dofTen der dansers^ het 
stooten en storten der schotels. — lemand, die zich 
goedschiks laat voortduwen, een dom of onnoozel 
mensch. is bij Schmidt, Kehrein en Regel een 
stglfel, stoffely toffel, toffel^ \ welk de beide laalsten 
verbasterd achten van Chtnstolfel, hoewel de eerste 
reeds voor eene halve eeuw die afleiding voor een 
misverstand hield. 

Dokkelen— Dokken. 

Beiden heeft Kil. voor duikelen^ duikcn; zie ook 
Ten Kate, II. 472. Een voorbeeld van dokkelen 
vindt men in Matth. Anal. 8". V. 325: met* die 
Arkelsciie scoten mil donrebussepi, die doch geen 
scade deden mt heer^ ende hieldent doch al vaste 
dockelende om Vheer allencken neder te trekken, 
D. i. bukkende of duikende, om het leger nader te 
trekken, of te naderen. In *t hoogd. beet dat dui- 
ken ducken^ eng. to duck^ en Schmidt heeft daar- 
van 'I frequent, duckeln^ zich al bukkende verbergen. 

Dommelen'— Dommen. 

Dommelen is bij Kil. en Ten Kate, II. 644, een 
dof, brommend geluid maken. Dus van het klok- 
gebom; Van Bleyswijck, Beschryv. van Delft, 1. 397 : 
dus wierdt hy ingefiaelt met groter tnagnificetUie 
ondep* het gedommel van de Klocken, Van Lennep, 
Ged. zoo 0. als N. 485: het dommlend klokgebom. 
Blieck, Mengelp. I. 48 : De dorpklok dommelt reeds. 



Dautzenberg,'Ged. 89: een klokjen domndelt. Dez. 
Verspr. en Nag. Ged. 242 (van een kerkklok) : 
— dommelt mij bij struik of boom 
Die dorpsstein vroeg of laat ten ooren. 
Van het gonzen der bijen ; Mamix, Byencorf, 261 
verso: dar gaen (de bien) al U*uerende in hare 
cellekeiis sluypen^ ende dommelen oft swermen so 
langhe enz. Sleeckx, in Goeverneurs Huisvriend, 
4864, bl. 403: rfe muggen en de vlieqen snot^defi 
en dommelden. Antonides, Ged. 6: 
Al 'thonigleger..,. 

— mort en dommelt met een moinmelend gedniis, 
Schimmel, Verspr. Ged. 445: 

Wespen^ hommelen Gonzeti^ dommelen. 
Voorts van verschillende geluiden; Huygens, 
Ghebr. en Ong. van 'tOrghel, daarachter, 468: 
Dnar hoort ghy nu de zucht, 
Jjln 'tstervendegheluyt, noch domlen door de lucht, 
E. Bekker, Adele en Theodoor, III. 288: Men 
hoorde een stil gedommel van zuchien en trnanen. 
Van Duyse, Vad. Poezy, I. 59: 

Geen mokerbons dommelt er langer. 
De Nieuwe Honigbye, II. 34: Hsctwr geluid Der 
dommelende dotiderklooten. Werken van RabelaiK, 
I. 104: deed hy Trommelen en Ti*ompetten de 
gafische stad aoor dommelen en grommelen. Geestel. 
Nachtegael, III. 496: 
Ghy ivalvisch..,. 

Doet dommelen s^fn lof van onder op lot boven. 
Oudaan, Uytbr. der Ps. II. 242: 

— 7 zacht gedommel 
Van de trippelende TromtneL 
Zweerts, Semiramis, 40: 
Hoorde ik *t gedommel niet der Tromm'ten en 

Trotnpettenf 
Van Beaumont, Gad. (door Tideman), 444: 

— als de Rol is vol spraeck en gedommel, 
Wnnneer op V end veel overJwop xoat seggen^ enz. 

Levens van Plut. fol. 89: dat sy binnen de fiaven 
souden zeylen^het meeste ghertichiy verba^stheyt ende 
gedommel maeckende. Fol. 205 verso : dat hy nau- 
lir.r wackf*r konde worden door het ghedommel 
iHxn de nederlaghe ende vlucht van zijn volck. 
Fol. 224: so tvas het rumoer ende het ghedommel 
groot. Gamphuyzen, Uytbr. der Ps. 435: een woe-- 
Ugh voet-gedommel. Bekker en Deken, Com Wild- 
schut, V. 474: wij sliepeti in^ doch eenig gedom- 
mel hoorende^ stonden wij op. 

Met voorzetsels heeft men Van Beers, Jongelingsdr. 
(2e dr.) 13: 

— luister 
Wat zielbetoovrend geftuister 

0ns tegen dommelt ! ^t is als biegegtms. 

9 



67 



DOmiELEN^ 



68 



Beki. en Deken, Will. Leevend, III. 285: eenstem^ 
die zo van tvMchen de kussens op dommeit. — Op de 
volgende plaaUen : Oudaan, Toneelp. 232 : 

7 Geluyd verzwcuiri en kottit uyt alle^straten 

ruyssen ; 
Men melde ons wat het zy: dat dommelen, dai 

dniyssen^ 
Dat loopen^ neemd geen eynd : — 
Dez. Uvtbr. over Job, 193 : 

Dat donderend gedreun, en dommelend yejuych, 
zouden wij liever stommelen Z6gg[en. 

De samenst. dommelmetten beteekeni melten 
(matutinae) die in de Goede Week gezongen wer- 
den ; in 't boogd. genoerad pomper- of jnimpennet- 
ten. Op het einde dier metten werd, onder het 
maken van zeker gedruisch of gebons, een lich- 
tende kandelaar van acbter het altaar te voorschiin 
gehaald. Symbolisch gaf men door dat.gebons 
de groote verwarring te kennen, in welke de we- 
reld door Jezus' dood gebracht werd; zie Moll en 
De Hoop Scheffer, Studien en Bijdr. op 't Gebied 
der Hist. Theol. HI. i. 75 en 76. 

Het primitief dommen leest men voor dreunen, 
daveren (de tekst heeft dofjefi)^ in de variant op 
den Grimb. Oorl. I. 2(H: 

Men mochte d'eerde dommen hoorett^ 
Doer hi were ghevaeren qtiam. 

Dommelen*— Domen. 

Dommelen is bekend voor sluimeren, nietvolko- 
men slapen; dommelig zijn is neiging faebben tot 
slapen. Zie de plL in mijn Taalk. Mag. III. 58. 
Niet zeer juist zong dus Me v. Overdorp, geb. Post, 
Ontw. Zanglust, 26: 

Lief onschuldig teder wigt ! 
Dat zo rustig dommeit. 
De denkbeelden rustig en dommelen voegen niet 
bij elkaAr. Beter bij Schimrael, Verspr. Ged. 109: 
Weldra sliep hij in op rozen 
Domlend op de handvol stroo. 
De 8laap was niet rustig; 't was sluimeren, want 
er volgt op: 

Hoe de kranke onrustig woelde! 
Beets, Ged. (1847), bl. 193: 

Gy dommeit in halfsluime^^ende nist. 
S. J. van den Bergh, De Geuzen, 37: 
hdearme moeder dommlend in zachten dut gerankt, 
Dichterlijk wordt het w. toegepast in Ten Kates 
Schepping (3e dr.), 55 : 
De nevely die,.,, 

ZuMarmoedig dommelde op de varenji aan de 

Zftotnen 
Der Zee — 



Van Oosterzee, Redev. II. 276: 

StU! Geeti etikel koeltje fluiittert; 
U Golfje dommeit aan de kusl. 
Ten Kate brengt dit bij Kil. onbekende woord 
tot demp^ damp, damp, waarvan ook de wwn. 
dompeny dometi enz. Ik meen, dat die afleiding 
juist is, doch niet zoozeer om »het met dompen 
of dampen als overdekt zijn," als wel wegens den 
tusschenstand tusschen waken en slapen, tusschen 
het helder zijn en niet holder zijn, tusschen het 
licht en donker alzoo, in wel ken de sluimerende 
, verkeert, en die ook de beteekenis uitmaakt van 
het hoogd. damtnem^ ons detnsteren of deemsteren 
(zie dit w.) en het eng. to dim^ die eigenlijk be- 
teekenen tusschen licht en donker in zijn. 

Bij Houwaert tref ik een ww. verdotnen aan, dat 
verduisteren, benevelen, bedekken, schijnt te betee- 
kenen, en alzoo-een primitief zou opleveren ; Lusthof 
der Maechden, I. Voorwerk, XIX: 

God heJioede u voor den mist^ die het crttyt doet 

veixiomen. 
En d'edele gheeslen honden in de muyten. 
Nog een ander gebruik van ons domttielen schijnt 
deze verklaring te bevestigen: ik bedoel dat voor 
ineensmelten, dooreenmengen, mede reeds in mijn 
Taalk. Mag, III. 298 met enkele voorbeelden aan- 
gewezen, en hier nader te staven. Zoo leest men 
de volgende regels, ziende op het ineensmelten van 
de tonen eener dichterlijke Her, in Groebes Versch. 
Ged. I. 126: 

Als dat zielvervoerend trecken 
Onse hlijdschap op sal wecken^ 
En die dommelende spraeck, 
Opgepronckt met guide woorden^ 
't Leven gee ft aen doode koorden, 
Dat het rotsen schier vermaeck. 
Zeeus, Ged. 174: 

De stem der Joffers^ die zich dommeit zacht 

in een^ 
By toonverwisseling — 
Hoogvliet, Abr. de Aartsv. 73, van Saraas gelaat: 
Nu zag tnen H blank en rood gedommelt onder een, 
Oudaan, Uytbr. der Ps. H. 193: 

(Die) de veru)en zag verdeelt^ 
En gedommelt op de moat, 
De Haes, Verb, en Vem. Portugal, 120: 

o /a, wy zien H aen cdV dien zwier' en glans\ 
Zoo schoon en grootsch gedommeld en gemengeld, 
Antonides, Ged. 278: 

Hoar schoonJieit vint zy net gedommelt in uw 

wezen, 
De Brune, Wetsteen, II. 59: om te kentien te ge- 
veth, dat mefi de zielen wederzijdeUks^ wel d'een 



60 



DOMMELEN 



70 



in cTandre wenschte ie gveten^ en hciar feenemael 
ondereen te dommeien. Bekk. en Deken, Will. 
Leevend, 11. 253: onze gevDoanoordingen domme- 
ien zich verwardelijk in een. Oudaan, Uytbr. over 
Job, 182: 

Dcuir anders cUles leyt gedommelt onder een. 
Bekker en Deken, Brieven, III. 103: eene klevige 
mist... dommelde, als H ware lucht en land onder 
elkander. Oudaan, Roomsche Mog. 371: alderleye 
slag van toapens.... zoo onder een gedommelt, datae 

kunstelyk ouerhoop gesmeten schenen. Gats, I. 

fol. 390: - 

Siet doer een jonge stam en al het teer geivaSy 
Geslingert op het velt^ gedommelt in het gras! 
Bilderdijk, Vad. Oranjez. 70: 

*k Zie U woelen der vermengde scharen : 
'k Zie 't dommlen onder een op H rokende Oor- 

logsveld. 
Hier gaat de beteekenis over tot op eene ver- 
warde wijze vereenigen, en zoo vermengen, ver- 
warren. Bij Oudaan geldt het ww. voor zich ver- 
eenigen, zich scharen; Agrippa, 446: om dezen 
(Leeraers) dommelt zich dan een ^neenigte van 
toehoorders, 

Huygens maakte het ww. ddordoinmelen voor 
doormengen; Korenbl. I. 46(J: 

Konnen u de tamtne trecken 
Van mijn' darmen-nijpers wecken 
Doorgedommelt door mijn' spraeck. 
Meer bekend is bedommelen; Verwer, in de Boek- 
zael van 1708, bl. 532: in groote nevelen bedom- 
melt. — Zulke nevelen worden gezegd te dommeien^ 
Beets, Navolg. (1847), bl. 119: 

Zal zy den nevel zien verdwijnen^ 
Die domlend voor de erinnng zweeftf 
en heeten zelve dommelingen bij Hilarides, Phae- 
drus, Voorreeden, 2tt: meer vlekken van duizend 
malle gHmmassen, ais ooit tiei klaarste vergetticht 
dommelingen in de moan hespeurd heeft. — Luy- 
ken, Gez. 115: 

Wat zoo diep bedommelt lag 

Komt dan /telder voor de oogen, 

Schaduw heeft het Hert hedroogeti^ 

Dat het oog niet klaarder sag. 

d. i. als in nevelen bedolven. Don Quichot, II. 

395 : latende de hergen en dalen.... in een dvysterheit 

bedommelt. — Bij anderen is het w. bedel ven, ver- 

bergen, bedekken; Oudaan, Roomsche Mog. 126: 

dat {de Pannoni^s) van de hoofdjMn tot de voeten 

toe wel gedekt,,.. en bedommelt zijn. Wagenaar, 

Vad. Hist, II. 317 : zig bergende in een VissrJiers 

Schuity alwaar hy^ onder de natte netten bedom- 

meld, van zyne vervolgers gezogt; doch niet gevon- 



den werdt. Dus reeds b»j Oudaan, Uytbr. der Ps. 
n. 254 : — bedommelt met die Deken. Dez. Ged. 74 : 
Daar m'alle naarheid, tnet de hamjende gordyn 
Bedommelt en verbergt: — 
Dez. Uytbr. over Job, 82: 

— 'tprossig a/inzicht xoas bedommelt in zijn vet. 
In de laatste voorbeelden zou men ook dompelen 
kunnen lezen, dat etymologisch met cfommeZen e^n 
woord is. Zie dat w. Een bijw. dommeling bezigt 
Oudaan, Roomsche Mog. 329, voor in benevelden 
of verwarden toestand: Daar my geen heldere fak- 
kel voorlicht^ wil ik veel liever wangeloovig stille 
staan^ dan dommelings in eenige duystet*e en krom- 
gedrayde ofirdspelonken volgen. — Voor verbergen, 
bedekken, zeide men ook verdommelen; Oudaan, 

Agrippa, 161 : verhorgentfieden die otulei' de 

schorsse der woorden des Wets verdomnieli lagen. 
Dez. Roomsche Mog. 57 : een besnedenheyd der le- 
dematen, onder te groote genoegzanmheyd ver- 
dommelt. Dez. PoSzy, II. 55 (van een schilderij): 
— als we dus dit Huis^ met alle zyn vertrekken^ 
Zyn veeldei*leiheid zien verdomm'len en ontdekken. 
Aid. 207: 

Daar H hagelwit gewaad doorschytiig^ zonder 

vlekken^ 
(reen ivangestaite i<ri/ verdomMen, noch bedekken. 
Huygens, Korenbl. I. 442: 't gerommel van sijn' 
snaet*en^ Verdommelt met sijn^ keel. — waarop 
Bilderdijk (V. 309) aanteekent: ^door e^ gemen- 
geld. Schilders kunstwoord, voor zacht in een 
smeltend." 

0ns adj. dom^ voor bot, plomp, behoort hier 
mede toe, en *t woord, gelijk zulks te recht door 
Schmeller ten aanzien van het middelhoogd. is op- 
gemerkt, had oorspronkelijk geenszins de ongun- 
stige beteekenis van tegenwoordig Dom of dmnp 
— want ook dus schreef men — is iemand, die 
onbesuisd, onbezonnen, te werk gaat, die geene 
heldere bewustheid heeft van 'tgeen hij doet, met 
6^n woord, -die dommelig of dof is. Belg. Mus. 
VII. 192, leest men : 

Die meester^ fmre aire here^ 
Seide: Die broecrime es mijn. 
Doe antworde die grave pjn: 
Jn^ selde mi laten bloety 
Dat ware u lachter alte groet. 
Nenic, seide die domme, 
Ic sal u den minen doen ombe. 
Willems verklaart domme hier voor domintis; 't is 
ons gewone adj., doch in den zin van die onbe- 
dachtzame. N. Werken der L. Maatsch. IV. 68: 
Want ghene dine es hem te swaer. 
Die van sinne es wijs en doer, 

a* 



71 



DOMMELEN. 



75 



Andrr doniine in ftjtrekene plum : 
Hod hi^pt romeit t^ndf vortfim eiiz. 
lie ttotinttett worden hier tejrenover de wijzfn en 
liUiranft ran zitaipn gesteld. Hor. Belg. FIl. 'H'. 
t/i hi^nck^tt domlike ghetninL 
ic weet »/•*»/, dni hi mi ni^i ffhefeme. 
d. i, dwafielfjk. Aid. 65: 

mrier it seggu (merluui. 
Kidi om hare tjheporret uut^ 
mt nidi dommelike hier comen. 
MaeH. Sinte Franc. I^ven, vs. K738: 

AU hi dompelike vceder nxH** tutrt 
W'finderrie, daer iwater Hep. 
In den iftroani, daert usijt diep. 
Vel hi doer twater lopen >/i/W, 
fjat de muelne keren doel. 
iJ. i. onbedacbtzaam. onbefmisd. Aid. vs. 84X8: 

I He man anUintorde in dompheit fjr<Mtl. 
en \K 8404 : 

Al te hart herau den rtuin 
IkU hi milke dompheit began. 
'/jfto ciok 't WW. domwftt, onbedachtzaani zijn. TVr 
I.ek. ftp. rU. 165- 

Mi dunct daUti zerr. dommen 
/He dene loghene maken cmd. 
VolgenK Dr. Halbertsnia^ Aanteekk. op Maerl. i:U, 
\% de eigenlfjke beteekenLs van dam stom; met 
evenveel recht kon men die in doof zoeken; want 
de woorden /.oowel aln de beteekenissen van dottf. 
dom en ntorn liepen vanoudx in elkander (zie 
GralTf V. 425), en nog verschillen een dajfe. een 
dttmnte en een utomme jon$(en bij ons alleen in den 
ffrnad van vatbaarheid., niet in wezen Ik twiifel 
pchter of men in onze taal immer darn voor stom 
^ebezigd heeft, en vind ook, onder de menigle 
voorbeelden^ die bij Benecke van bet middelhoogd. 
tufrtJt/ worden aanjrevoerd, er niet (^en, dat Hien 
zin heeft. 

Ik voeg hier nog de opmerking bij, dat wij den 
vomi damp^ ala adj., nog kennen voor dof: du»s 
FeitbK Werken, X. 75: 

Hm' fvuik is de tntderdom^ fpnk uYiar zijn funnAt 

ons vleitj 
Km donipe ntaap drr zirl hij iontrt' wnffUoasheid. 
En bl. »8: 

Dp. floffe ffolm dfn* kUmt^ die op dp doodkist schiet^ 
Donip oni hnar dontlert^ dan vprdirijnt^ is H Inat- 

ste lipd. 
Zoo ook Paffenrode, Ged. 'Mi: 

Dal de veUftrom h%<j verdtHtfl... 
Op dat otiJtp dropvp (tor en 
Uttrp donipe fou-tnarit hoot^pH. 



I 



I 



Pompelen'— Dompen. 

Hel prim, tl nnf»en^ duiken. is tban*« \eroudenl 
en door zijii freqnentatief vervangen. Hooft?? Ged. 
fol. tJO! 

Maar ' / irt*prt rpden 

Van mntdttirttftiifhed0*n, * 

Dat dompt' pen .W<?'' 

In de zm*ije9i wijder. 

Lvdius, Vrol. l.'ren des Doodtis, 2: 

— de vtoeck sal m nmranffen 
Kn pf*pn at.'* peti Meet om ai de t*fien hangen^ 
En dompen in tie gtitetit ratt 7 omjphiaxte njer. 
Oudaan, Tytbr. over Job, 53 : 

Hg doch zon my nederi>lomften 

In een tstlle rnylniji-gajt. 
En mg dnykelen en dompen 
In Pen diejte tnodder^4ns<. 
Blasiiis. Dubbel en EnkkeU 61: 

Sg hadden mg ondeneepgen 
Sog wpI in V uyiater gaan dompen. 
Bara, Galteno, 58 : 

!)pn Af grand hulkt. en Itteit.... (dompen 

Kn sjtfdkt haar niiigl^ en haakt tu*rhH om u te 
In haar gpzitlfprt wrak. — 
Berkhey, Zeetriunipb. Tl. 2IU: {tjp ziet^ 

Xij wppten dtkrr dp knnst^ ipaar niett ppn hruin- 
Dph rtptit tp dompen, en dp golf deert haar datt 

nipt. 
Dei. Eerbare Proe! kusjes, H70: Vadt*r dompte {de 
ineptigestrengelde reehtehanden) in hpt nat, 

Hel frequent is bij Weil, bedrtjvend: dus b. v. 
Valentijn, Werken van Ovid. II. JWO: I -it n*elkp 
( vloag) (Ighele..., dp ncheptm met de nnnit w)orm*er 
te grand dompelt. — Doch het ww. ik ook onzij- 
dig; a. w. III. 19i: de noorflerheeretK die nooit in 
zpp dompelen. — Voor doinpelen leest men dumpp- 
ten; Van Dans, Thyrs. Minnewit, I. 102: 
Savants ah hg na de Zee 
Dumpelt iVi de u^estpr-stpp, 
Meer gewoon echter was hpdomppten; Tuinmaii, 
Voorr. van de FakkeK bl. 3: in zulk pen duvtfeniis 
bedompelt. Overbeke, Rijmw. 14: 

Den Hpglgpn Biaschopa-Hoefi 
Bedompelt pn gevprwt in 's Mcpstprs pggpn hlopd. 
Nieuwe Hoomse Speelwerck, 57: 

'/ Veei^schip van de Hetse glapt 
Leght bedompelt i>* dp Moed. 
Van Hustings Werken, I. 342: 
Wat wgsheit vont zig noit in V minnezoet bedompelt '? 
/eeusche Narhteg. II. 59: 

W'pgh dan, verslijmt ghemopt, bedompelt in dp 

fhtgwen. 
Van la/fe deuyhd-loosheyd — 



78 



DOMPELEN. 



74 



Holl. Pania8. 445: 
De nilvre maen koml iiow\ en Titans ifulde iduymen 
Bedomp'Ien in 'el nat imn Thetis pekel-schuyynen. 
Vondel, Palam. 78: (valsch 

Zoo woelt en ifooyht hy oock bedompelt, om hrt 
En loos ychreit yenMU't ie nwken van den haJn, 
Sehaep, Bloemtuintje, ?08: 

Dat hy {hoe hy sich wendt) bedoiupeli leyt in druk. 
Zoowel dom}Km als dompelen hebben in de aan- 
gevoerde voorbeelden den /.in van duiken, duike- 
len, onder water of iets anders hileken. Vandaar 
de vogelnaam, bij Van 's Gravenweert, De Ilias, II. 
206: hij tuimell van den wal^ Een' dompelaai' (fe- 
Ifjk. — Het WW. dompen beteekent echter ook datn- 
fpeny b. V. De Harduyn, Uytgel. Dichtst. 74: 

— den imylen stanck 
Die dompte tnn mijn iicfuiem cranck, 
bij Bilderdijk hedomyen^ Ki^kelz. II. 45: 

Doch als '/ yehmisch der woeste najaarsvlayen 
De rozen knakt op de ijlyedorde hayen^ 
Met vuile tnist de heldre luchl bedompt. 
zooals domp ook gezegd werd voor damp; Huyg. 
I. iOi: 

Joe veryadert aiV de Dompen, 
Uaer het voehtiyh Veen af sweet, 
Hondius, Moufeschans, 57: 

Daer de dompen dick en swaer 
Mij verdrijven liaest van daer. 
Van Beaumont, Ged. (door Tideman), 7: 

Wat eenen dicken doryp beduyelmt ons sivacke 

sinnetii 
Oudaan, Uytbr. der Ps. 1. 328: 

Is dan zoo diep, om niet V ontfonken^ 
7 llert in zijn dnyzeldomp verzonkim! 
Nog bij Wiilems, Mengel. I. 17: 

Toen zich van ait de wet een zwartyekleurde domp 
Verhief -^ 

Het zooeven vermelde ww. dampen geeft het 
t'req. dotnpelen, in Vlaanderen bekend voor: in 
dampen of nevelen omdwalen, fig. om een onzeker 
heenkomen rondiasten, daar ook geheeten op den 
dompel zijn; zie Belg. Mus. VIII. 478. Daartoezal 
ook behooren het ww. dampeleny in sommige hol- 
iandsche steden gebruikeltjk voor het begraven des 
avonds met fakkellicht; zie de beschrijving daar- 
van bij Berkhey, Nat. Hist. v. Holl. III. 1875. — 
Een ander ww. ontmoet ik bij De Brune, Jolf en 
Ernst, 483: '/ Ihnnenste des hemels^ het heiliydam 
der heiliyen^ sien wy nn dayelix intn ailerlei men- 
svhen^ sonder nitnnninye, met onyetvasse voeten^ 
bedompelen en helreden. Dit bedompelen is 66n 
met dampelen^ met voeten treden; zie dit woord. 
Dwnp en dampen luidden ook dooni, doomeny 



I doemen (verg. Domrneleni), Zie van deza wn. 
niijne Proeve over Bilderdijk. 464, en voeg bij de 
daar geleverde plaatsen nog de volgende. Der 
Vrouw. Heimel. vs. 4653: 

— die bit^oet in water sode^ 
Knde yaeft haer dritiken in der noede^ 
Knde daese daer^over sitten gaen^ 
Ende liet den doom opwaert slaen^ enz. 
De Bnuie, J ok en Ernst, 20: dat de ylanssen van 
ontzayh of rijkd-om die hun oniynngeti, dikwils 
eenige doonien verwekken, die.... hun ihanieren 
met een bittere sniank veronaanyenamen. Van 
Beers' Jongelingsdr. (2e dr.) 448: 

Ziet hoe het kerkje^ als in een doom t>an nrede^ 
Met ylansen onqewooner blijheid glimt. 
SchimmeU Verspr. Ged. 38: 

De ridders vermoeid — 
Xiett nit nxmr de plaatse der ruste 
Als 't scheepsvolk naar 't doemen der kuste. 
En bl. 42: 

Waar de Uriel /uiar torens opheft^ 
H Kerkjen doomt van Zwartexoaal. 
Dez. Nieuwe Ged. 23: 

Zie^ een boot doemt uit de baren. 

Dompelen*— Dompen. 

Van rfotwp, damp., (zie Dmnpelen^) is het ww. 
dampen., in de uitdr. de kaars dompeti of uitdom- 
pen. Eig. zegt het w. door domp of damp verstik- 
ken of smoren, en voorts stikken of smoren met 
andere toepassing; hoogd. ddmpfen^ middelhd. 
dernpfen, eng. to damp^ nederl. dempen, Dus uet*- 
dompen bij Marnix in de pi. aangeh. in Weil. Wdb.: 
de verstanden der slechte eeninnidige menschen als 
met eenen t*ook verdompen. Hulde aan Gijsb. Ja- 
piks, II. 454: 

Dencke of den geest niet yansch verdompt 
//* swyndraf van zulk' zond-genuchtefi. 
Niet dikwerf, maar toch enkele malen, bezigt 
onze taal in deze bet. der freq. vorm. Dus voor 
het uitdooven der kaars, bij Malfait, aangeh. door 
den beer Oudemans, De Taalgids, II. 48: Ik zal 
de kaars uitdompelen. En meer figuurlijk bij Von- 
del, Poezy, I 70: 

— De tnaght 
Der Stastzuvht, die de Vrede dompelt, 
Ih ntst der weerclt overrmnpelt, enz. 
Voor ons gewone w. damper heeft Kil. domphoorn., 
demphooni^ en Tiling damphoorn. 'k Moot echter 
opmerken, dat Bilderdijk het w. gebruikt voor 
een muziekinstrument; N. Uitspr. 46: 

— Andren slaan de rinkelende trom.... 
Dmm domphoom of klaroen zijn schorre tonen 

gcUmen, 



75 



DONKELEN. 



76 



Dcmkd0n'— Donken. 

Ilet WW. dankelen voor donkeren heeft het mid- 
delnetL in den Parthonopeus, door Bormans, 80: 
Hier es ene Umieme to ghemaect^ 
Dot ge no wiril no water modi 
Donkeien, ende bernt nacht ende dach^ 
llet rniddelbd. heeft tutikeln^ donker zijn of wor- 
den, hetunkeltL, donker makea zie Benecke ; hoogd. 
dunkeln Voorts zie Iknuusren. 

Dcmkeleii*— Donken. 

VolgenH de Idiot, van Schuermarif* en De Bo is 
dunkelen in het vlaamsch bekend, en ook bij 
echrijvers gebniikt voor duikelen. Het primit. heeft 
het hoogd* in tunken, middelhd. tunken en dunken, 
oudhoogd. dnnkfin. Bij Schmeller is dunken het 
doiken van het hoofd bij iemand, die zittende in- 
jfluimert; en bij St alder tunkelen het doopen van 
kleine sneden brood in brij. Dat donkelen even- 
zeer aan duikelen verwant is als klont aan kltiit^ 
fftronk aan ttlruik, wordt door De Bo te recht opge- 
merkt Men kan er nog het hoogd. tauchen en 
tunken bijvoegeo, over welke en andere vormen 
men raadplege Diefenbachs Vergl. Wtb. II. 627 en 628. 

Doovelen— Dooven. 

Het veri. deelw. van verdoavelen heeft deGnm- 
bergache Oorlog, IL 124: 

— hi verdoevelt ende 'tangereke 
Sat van den selven tteke, 
Nine wi$te xverwaert 
liy was gekeert, — 
De variant luidt »verduyselt.'' Elders zegt de Dich- 
ter op de gewone wijze verdoofd\ aid. 110: 
Een cleine wonde van der snede 
Hadde hi in ttljn vortioeft 
Soe dat hi mit at verdoeft. 
En bl. 145: 

(Heinric) mIoccH fieer Jamie van Aa op *thooft 
Dot fd lii/yefi bleef verdooft 
In ofirnacht op Ugereide stjn, 
Zie ook de Glosaaria op Der Leken Spieghel en 
Der Minnen Loep. Kil. ^verdoouen, exsurdare, sur- 
(hini reddere; obsurdescere, surdum fieri." 

Drabbelen'— Drabben. 

D/'ubben is bij Kil. en Ten Kate, II. 622, draven, 
loo|>en. Dus Van Rijssele, Sp. der Minne, 77 verso : 

Sy wilt tot haven Lieve waert drabben. 
Doch Oudaan, Voorschad. 166: 

— mana en jxuirden drabben 
fit '/ uiUjeBtorte bloed tot over hunne knien. 
Aid. 16(J: 

( [)nt beest) monjen drabt in bloed en knuraselt 

0(1 de schonken. 



Dez. Uytbr. der P«. I. 3K: 

— hy dtabt eti plaM in ^t bloed, 
aid. 406: 

!k zal u zelfs doen drabben t/tet den vuet.... 
In 7 vyaudlijk^ en uytgestortc bloed. 
Hier heefl het ww. bepaaldelijk de beteekenis van 
•door bloed heentreden.*' en het komt mij voor, 
dat dtrd)ben zich van de verwante wwn. draven 
en trnpften onderscheidt door meerdere plcfnipheid 
of ongeschiktheid bij den gang, zooals men die 
\iaameenit bij iemand, die door weeke of vioei- 
stoffen heenwaadL — De benaming drabbers voor 
schoenea, bij Kil. voorkomende, zal wel tot dit 
WW. behooren. 

0ns nederl. frequent, dmbbelen wordt, gelijk 
het prim, drabben zelf, gebniikt voor eenvoodig 
dribbelen, been en we^r loopen. Dus Six van 
Chandelier, Poesy, 64: 

Hoar rokken^ wtiar veel winds op stuit^ 
Ihxuxistaarten abt een drabblende eend. 
Bredero, Roddrick, 59: 

De schaapjes aabbrend kmtbblen 
llet groene grasjen ol\ 
Die met hoar woelend drabb*len 
Bewolcken hvn in 7 stof, 
Dez. Moortje, 46: 

— ghy dacht de hockelingen 
Ghy hipitelt^ ghy drabbelt, ghy tytest^ ghy springt^ 

ghy baert, 
Al eveleens of ghy niet gaer gebacken waert. 
Dichtje op Camphuysens dood, v6<>r diens Stichtel. 
Rijmen : 
Zy voerd hem op huerkoets^ ivtuir voor viei^heiuj- 

sten drabbelden. 
Met voorzetsels: Franssoons, Giertje Wouters, 18: 

— de kindertjes — 
Die met sulcken soeten tret dan komvn drabblen aa. 
Coster, Itys, 27: 

Datter u teedere voeten maer even 
Over heen drabbelen. — 

Drabbelen*— Drabben. 

Het hier bedoelde dt'abben is van dtxib^ drabbc, 
angels, drab, eng. draff, thans nederl. dtxif^ bij 
Ueberfelder trnf, doch nog voorkomende bij Nolet 
de Brauwere, Ged. III. 75: 

Dat de heldre ivelvaart8b}*onnen dempe tot een 

rnoddrig drab, 
en waarvan bij Weil, drabbig, troebel, onzuiver; 
Valeiitijn, Werken van Ovid. III. 301: Gelijk de 
dibbe de bronaderen drabbig maakt en stopt. 
Bilderdijk, Vaderl. Oranjezucht, 30 : geeti huurlings 
drabbige ader, Porjeere, Zangliev. Uitsp. 6: het 



77 



DRABBELEN. 



78 



drabbig zweet. Bl. 22: drabbige aarde, — Het eng. 
zegl biervoor dra/fy, draf- of spoelingacbtig. Hal- 
liwell heeft drafaak, zak met draf, en voorts een 
verachtelijk mensch, en die samenst. leest men 
ook bij ons; Valentijn, aang. werk, I. 103: vaar 
wel, lootne drafsak. Bl. 194: de min fieeft een 
weertfin in logge drafsakken. 

Het WW. drabbeti komt voor in den zin van vuil 
keukenwerk doen, flodderen; Van de Venne, Be- 
laccb. Werelt, i08, van een' man die voor zijne 
vrouw den vloer moest dweilen: 

Na sijn Wijf heur leppigh dwingen^ 
Gingh hy drabben, gingh hy wHngeti, 
Stof op-licken mit der vaart^ 
Gins en weerom aen den hciari. 
Vondel, Pascha, 36: 

— als ghy meyni te drabben 

In zyn gestolen vet, zult gy u niet beslabhen. 
Van Lennep verklaart dit in zijne uitgave door 
Btrappen, been en weer loopen;" doch dit levert 
geenen zin. Het w. is gericbt aan de kraanvogels, 
die, naar luid der fabel bij den vos genoodigd, de 
spijs bereid vinden op platte scbotels. Er viel dus 
niet door dat vet »heen en weer te loopen," maar 
er den bek in te steken en er in te flodderen, zoo- 
als vogels, voor den drinkbak staande, plegen te 
doen. 

Nog meer eig. is de zin in bedrabben bij Oudaan, 
Voorscbad. 178: 

— miJH kleedren zijn bedrabt, 
Bezoedelt van de kracht der bezen. — 
d. i. met droesem bedekt. 

In de verwante talen heeft bet frequent, derge- 
lijke bet. Bij Halliwell is to drabble in slijk mor- 
sen of flodderen; bij StQrenburg draJbheln met 
water morsen; bij Ricbey (in het ditmarsch, 406) 
beailabbertx, zich bij het eten beslobberen; evenzoo 
bij Tiling, die er toe brengt het eng. drab ]»eine 
schmutzige Magd." Dan, dit drab beteekent een 
licht vrouwspersoon, en Home Tooke, Ep. Pter. II. 
154, leidt het af van het partic. van het gotb. 
dreiban, aJs zijnde die persoon eene verdrevene, 
verworpene, het uitsc^ot der maatschappij, waar- 
voor ook wij met gelijke overdracht, schuira, heffe 
des volks en derg. benamingen bezigen. 

Bedrabbelen is, evenals bedrabben, met vuil of 
onreinheid bedekken. Dus Duyfk. en Willem. Pel- 
grim. 68: de bedrabbelde kcUveren met de vuyle 
stinckende bocken. Werken van Rabelais, II. 264: 
waren (de wapenen) op een ander plaats in uw 
huys geschUdert; het zy in uvo slaapkamer.. . of 
elders. Help Sinte Veronica niet je vaatdock! hoe 
zou je 't over al bedribbelen en bedrabbelen zoo 



haast gyse slechts kwaamt te kyken, — Uit wat 
voorafgaat blijkt, dat deze wwn., alleen in klank 
verschillende, beteekenen: bekakken, bedrijten, en 
den oorspronkelijken tekst raadplegende, vindt men 
dit bevestigd. De fransche uitdrukking luidt: 
»Sacre Dieu, vous chieriez partout." 

De afl. drabbelig is hetzelfde als drabbig, boven 
vermeld; Bredero, Quacksalver, 7: 

Want H Hep tappelingh uyt rnijn lijf, soo drab- 

, beligh en soo dun, 
Zie voorts Dribbelen^. 

Dragelen— Dragen. 

Indragelen at indraggelen zegt men te Gronin- 
gen voor indragen: gij moet zoo niet itidraggeletu 
d. i. de sneeuw aan de voeten in huis dragen. 

Draaelen— Draaijen . 

Draselen is bij Kil. en Ten Kate, II. 620, om- 
zwerven. dolen; met tusschenvoeging der s is het 
van dra-en, draaijen. Schmeller heeft evenzoo 
van draen: droMn en dtnhseln. 

Drebbelen, zie Dribbelen. 
Dreeselen— Dreesen. 

In den Teuthonista is dreeselen draaijen; zie p. 
323 op Wryten; en dt^eeseler is daar wat bij Kil. 
een draaijeler of drawjer beet, d. i. een kunst- 
draaijer. Dreesen en dreeselen zijn verzachtingen 
van het hd. drichsen en drechseln, draaijen, in 
een kring bewegen. Beiden bij Kaindl, II. 363, zoo- 
wel als p. 374 en 375 driesen en drieseln, 

Dremelen, zie Dreumelen. 
Dremmelen— Dremmen. 

Dremmen is dringen, benauwen; Lancelot, B. 
n. vs. 37659: 

S^n helm die was hem ontletst. 
Hi spranc op er^de bantene weder, 
Dat hi was gesteken neder 
Dat dremde hem sere utermaten: 
Hine wist hem hoe gelaien. 
Vandaar bedrenimen, in het nauw brengen, pran- 
gen; Don Quichot, IL 92: Sanche, die doer door 
bedremt wierde, niet wetende loaer hy met de 
kaes sou blyven, Paffenrode, Gred. 10: 

Geli/k de leeuw, als hy sig voelt atom bedremt. 
Met dobble kracht de klaauw in 's vyands spiet^en 

klemt, enz. 
Elpenor, 24: 

Maer als s'haer lichtlijck van de honden laet 

bedremme. 
Zoo komt de pijn en doot aile beyde haer be- 

kUmme, 



79 



DREMMELEN. 



80 



Van Dans, Thyrs. Minnewit, I. 8i : 

Moent Leander niet gaen swemmen 
Na sijn Lief, dat hem bedrenimen 
isymiijcUs quam een hooge b<ier? 
Berkhey, Akad. Vertell. I. 26: 

Heef" Defikwel zweeg en slovd bedremt, 

Want hij had ook geen geld, dat too* het dat 

hem klemt. 
En bl. 139: 

Lizet ziet hern bedremt, zij lacht, begint te lonken. 

Volgens de Navorscher, 1854, n**. 7, bl. 193, is 
bedremd in Noordholland nog gangbaar; anders 
zegi men thans gewoonlijk bedremmelen, in dezelfde 
beteekenis. Alzoo Trip, Tijdwinst, 27i 

Gelyk een schuwe snip doot^ 't wappren zyner 

vlerken 
Zich in het klevend net bedremmelt en verwari, 
Wagenaar, Vad. Hist. IV. 64: I)e Friezen vonden 
zig, op '/ ontvangen deezer niaare, tefi uitersten 
bedfemmeld. Ockei^se, Nagel. Rede v. 80: dat af 
de wapeyien der natuur..., het bedremmeld dieren- 
heer te gelijk ontvallen. — Laatstgen. schrijver beeft 
ook H zn. bedremmeling, a. w. 58 : Julitu (hesar.,.. 
roept den bedeesden scfUpper toe, .. en « tnafit be- 
dremmeling wijkt. — Elders leest men bedremineld- 
heid; Verv. op Wagenaar, XXIII. 260: Men zou 
van dit Antwoord mogcn zeggen, dat hetzelve by 
het Gouvememetit eene bedremmeldheid met dit 
geval tekende. 

Het frequent, zegt eig. in bet nauw dringen; 
b. V. Rivier, De Verover. v. d. Briel, 38: 

Om. hen, op 7 onvet*waght en spoedigst, te ver- 

rasschen. 

En te bedremmelen in zooveel waterploMen. 
Meer fig. bij David, Vaderl. Hist IX. 4(i7: Het 
schot der musketten en de ballen bedremmelden 
hen nog meer, — Uet w. beeft den zin van belem- 
meren, hinderen, bij Nieuwland, Letterk. Verlustig. 
III. 19: de algemeene overlevering is, dat Hannibal, 
om in zynen overtogt over de Alpiache klippen 
niet bedremmeld te warden, zich eenen weg baande 
midden door* de rotzen heen, Dez. Uitlegkund. 

■ 

Vermaakel. 39: welke zegwyze de Uitleggers zeer 
bedremmelt, en in verscheiden zypaden heeft doen 
uitloopen. 

Bedremmelen, zegt Weiland, is hetzelfde met 
bedrommelen; en dremmen dus met drommen, 
dromen, waarvan zie op Drotnmelen. 

Drentelen— Drenteu. 

Het prim, drenten heeft Brederoos Moortje, 30 : 
Om dat myn oudt Oom dour so langtie stont en 

drenten. 



Verg. Trentelefi en Trantelen. — Plantijn en Kil. 
hebb^n ook een ww. drenten, doch voor zwellen. 
dat ook drinteti luidt, en over welks mogelijke 
verwantschap met drentelen men zie Glarisse in de 
N. Reels v. Werken der 1.. MaaUch. IV. 381. 

Onze vroegere scbrijvershebben een mans bijnaam 
1)rent„ voor iemand die boei'soh of plomp is; 
Focquenbroch, Werken, I. 1>f5: Sthenelus, diestyve 
drent. Hooms Liedb. 19: 

Van waar komt ons desen drent? 
Van Arp, Glaes Klick, 0: 

Ochy was ick aoo gheluckig dat hy doot was, 

dieti Drent. 
Ck>ster,,Teeuwis de Boer, 5: 

Sidcken plotnpen Drent, een mensch soo bot en 

anbeschoft, 
Thirsis Minnewit, HI. 107: 

Van waar komt otis deze drent? 
De hr. Oudemans (N. Reeks van Werken der L. 
Maatsch. IX. 94) verklaart dit door treuzelaar, 
beuzelaar, als van drenten afkomende; doch op 
dez. bL wordt door hem op deze pi. uit Bi^ederoos 
Moortje : 

— ick wijck hier in een stoep, 
I En sie wie dat het is, een Waei, een Drent of Poep. 
aangeteekend : »Inwoner van Drentbe, welk woord, 
in Bredero's tijd, brjna met Poep of Westphaling 
gelijk stond.'* Mij dunkt, er kan geen reden be- 
staan om hier aan tweederlei bijnaam te denken. 
De laatste verklaring, die mij het aannemelijkste 
voorkomt, zal ook wel voor de overige plaatsen 
gelden. Iemand. die drent of drentelt, is daarom 
nog geen stijve plomperd, en zijn naam zou dan 
een drenter of drenteler moeten zijn. Ook schijnt 
de kapitale letter, die niet alleen bij Bredero, maar 
ook bij eenige der andere aanhalingen wordt aan- 
getroffen, een eigennaam aan te wijzen. — Eon knup- 
pel wordt bij Plantijn »een drentsche hellebaerd" 
genoemd, wat misschien met den brjnaam Drent 
in verband staat Drentelen luidt bij De Bo ook 
drendelen, 

Het Wdb. der Ned. Taal heeft afdrentelen voor 
sdrentelend nederkomen, met langzamen en onzeke- 
ren gang afdalen;" het w. beteekent echter ook 
»a] drentelende ten einde loopen." Dus De Veer, 
Frans Holster, II. 69: Antoine.... had de Kalver- 
straat reeds fherhaaldelijk afgedrenteld. 

Voorts heeft men nog aandrentelen en achter- 
aandrentelen; Valentijn, Werken van Ovid. II. 347 : 
Eindlijk komt de oude koude winter..,, at riUen- 
I de aandrentelen. Bl. i^.d'oude luitjes, die..,, door 
H lang achter aan drentelen sig selve afmatten* 



»1 



DRETELEN. 



82 



Dretelen— Diijteii. 

Driiten is het bij Kil. zoowel als bij Weil, be- 
kende ww., dat ook voorkomt in bet schotsche to 
drite^ angels, gedritan^ den buik ontlasten. De wor- 
tel drijt is bij Kil. sterciim, waarvan in het vlaamsch 
bij De Bo drits^ drets^ drek, en het eng. heeft 
daarvoor, zooals Ten Kate, II. IQ^, juist opmerkt, 
dirt. Kil. heeft ook, van het imperf., dreet^ neders. 
drot^ zoowel voor merda als voor crepitus; zie 
meer over dit w. in niijne Lat. Verscheid. 131. En 
geen andere bet. heeft het w. bij Vondel, Poezy, 
II. 184: 

Nu Prekers hljstre wegen gaeity 
Riep Breroo, vijst'er tegen aen: 
Laet Luit en Koster^ Viktorijn, 
Of McUzen vry de piktor zgn, 
Om af te mcUen dezen dreet, enz. 
Hiervan is dreiUel^ drotel^ bij Kil. en Weil. hetz. 
als keutel, bij De Bo dretel, fig. toegepast op iemand 
die klein en rond is.* Kiliaan heeft in dien zin 
dreuteleerken^ Ten Kate, II. 21: dreutelken^ dreu- 
telmannekeny en hiertoe zal ook wel behooren 
dreetelifick in het oude spreek-w. vermeld bij 
Oudemans, Bijdrage, i. v. aldaar in navolging van 
Meijer door stroetelkind" verklaard. 

Het WW. dretelen zegt derhalve een herhaald 
drijten. Zoo leest men bij Huygens, Koranbl. 1. 588 : 
— Hay ml soo uxtch go&n dreutele 
Bay halve woardekens, en mompden en preutele. 
D. i. zooals Bilderdijk, Aantt. VI. 145, zegt, »eigen- 
lijk by kleine flortjens uitbrengen." Vandaar bij 
De Bo hedretelen^ bevuilen, nederl. bedreutelen; 
Herst. Uitgel. Ged. 245: 

Hoe *t Lot ona opschikt hter beneen^ 
't Zy 't ona bedreutelt, of bepeerelt^ 
Men moet er aX me^ zyti te vreen. 
hetzelfde dus, wat anders bedtyten beet, b. v. 
Berkhey, Snerpende Hekelroede, 45: 

Kwam vaardige Ramein^ en Brouwer uit hun 

kisten^ 

Ik wedd* dai zy den hoop bedreeten en bepinten! 

Overdragtig word dreteleti, dreutelen, gebezigd 

voor langzaam te werk gaan, talmen, treuzelen. 

Richey en SchCktze hebben drotelen insgelijks voor 

Bsaudem, z6gern." Dus Bredero, Aoddrick, 52: 

Nouw komt wat by de Luy, hoe ata gy dua en 

di-eutelt ? 
Glaas Kloet, III. 8: 

Wel wat achorter, hoe atae ick hier dtis en dreutel ? 
Dezelfde bet. heeft het w. nog in Drenthe ; zie den 
Dr. Volksalni. van 1839, bl. 188. Kil. verklaart 
het WW. door »inet kleine schreden voortgaan," 
drentelen. 



Dreumelen —Dreumen 

Dreumen = dromen (zie Drommeleti) is dringen, 
draaijen, wringen.; bet ww. komt voor bij Bredero, 
Moortje, 64: {nomen. 

Siet daerom heb ick dese dreumde dweyl me ghe- 
Wlj zeggen hiervan een dreumis^ voor een klein. 
ineengedrongen manneke. Door eenen vrij natuur- 
lijken overgang van beteekenis geldt het frequent. 
dreumeleti voor wegdringen, wegstoppen, verber- 
gen; dus dezelfde schrijver, in Jerolimo, 54: 
Ick heb hier ien sack dnar kan ick myn mait 

yaet* in dreumelen. 
Kl. van den Meulenaer, 8: 

Se dreumelt het goetje so wech datset self niet 

weer weet te soecken, 
Hoofts Ged. fol. 277: 
Daer ging hy de Pot dreumelen onde^' een stei- 

ger in de nieuwe stadt. 
Op andere plaatsen beteekent het ww. draaijen, 
doch verscheidenl'rjk toegepast. Het geldersche 
dreumelen beteekent draatjend of waggelend gaan, 
zooals een driejarige dreumes doet, zie V. d. Helm, 
Proeven van Woordgronding, II. 37. In Bredero's 
Boert. Liedtb. 5, draaijend dansen: 

ISy gingen in H selacip : daar worden so eschrangst. 

Gedroticken^ geaongen^ gedreumelt en gedangst. 

Dus nagevolgd in VanLenneps Voorouders, IV. 73: 

Komt aameti in 't gezelachap! daar wordt nu 

geachranat^ 
Gedronken en c/<?ron(/en, gedreumeld en gecUttiat! 
Voor dralen, talmen, en dan met de* spelling dree- 
melen of dremelefi^ bij Kolm, Malle Jan Tots boer- 
tige Vryery, 3: 

Soo begin je dan te aeemlen^ 
Hadt ghy H niet ghesneen^ siejc wel dat koml 

vanje dreem'len, 

NoH ael 't niet klaer, weaen, — 

Voor draaijend zingen; H. van Halmael, DeListige 

JufTer betrapt, 13, zegt de boer Kees, nadat hij 

eene jufTer een minneversje heetl hooren zingen : 

0! de pokken^ de droea^ ik weet niet wat me 

achort^ 
Van dit dreumelen ia 't of ik punr niialyk ivord. 
Een wellustig denkbeeld is aan het draaijen ver- 
bonden in de Bruyloftskost, 47: 

Gooaen woti efi moeat mee hniven — 
Dit acheen at de atat een wonder — 
Wyl hy H dreumlen niet ve^^ataet. 
In dien zin zal ook drenmeldar op te vatten zijn 
bij Paffenrode, Ged. 149: {verkloeken^ 

Wat komt de dreumelaer ovef% da* hy hem durft 
Om een jonge meid, ala ik beru, i}oot* hem ten 

huwelijk t€ veraoeken ? 



83 



DREUMELEN. 



84 



De beteekenis van wellustelimj^ dien men andei's 
ook een siwukelaar noemde (zie op Sneukelen), 
schijnt verkieslijk boven die van oude sukkel; zie 
Dr. De Vries, Warenar, 205. 

Dreutelen, zie Dreteleu. 
Dreuzelen— Dreuzen. 

Dreuzen vermeldt Bilderdijk, als beteekenende 
»suizen of suizelen," zie Verkl. Geslachtl. I. 164. 
Het zal wel 66n zijn met drozen of droozen^ dat 
Kil. verklaart door sluimeren, staperig zijn, en 
Plantijn door zacht ademende slapen. Volgens het 
Alg. Vlaamsch Idiotikon is dit w. in het vlaamsch 
nog in gebruik voor »sluimeren, suflfen, twijfelach- 
tig zijn, droomen, er onnoozel uitzien, gaan of 
staan te gapen, tangzaam aan iets bezig zijn, moei- 
lijk iets doen." Er behoort toe het deensche dross, 
talmen, dralen, waarvan bij Strodtmann droser, een 
talmachtig mensch. 

Vandaar dreuzelen, in het aangeh. Idiot, akwtj- 
nen, ziekelijk zijn, iets traagzaam verrichten ;*' en 
in het Westvl. Idiot, omschreven door »ziekachtig 
zijn, kwijnen," Met dit frequent, acht ik 6en ons 
WW. treuzelen, sukkelen, talmen, zooals dan ook 
reeds prof. Lulofs dit ww. afleidde van het deen- 
sche droife; zie zijne Reis naar Hamburg, I. 330. 
Dus leest men bij Bilderdijk, Bydr. tot de Tooneelp. 
29: lang te loopen treuzelen dient ons niet, zegt 
Aaron. Ik weet heter weg. Westerman, Ged. 
II. 127: 

'A Wil niet win al 'tgoedje beuzlen^ 

Waar gij {met vennaak misschien) 
Dagen lang aan zat te treuzlen, 
Om het kindje net te zien. 
Vandaar het znw./reifzf^, trenzcltje, voor sukkelaar 
of -laarster; Ogier, De Seven Hooflsonden, 85: 
— coml hiev myn treuseltjen eti spreeckt my toch 

,^. ^ eens aen. 

Bl. 87: 

^neen, sey hy, doer moetik die alhasten Poppen, 
Die treuseltjens, die lloerkens noch loat mi onder 

hun kin cloppen. 
Bekker en Deken, Corn. Wildschut, II. 178 : een 
ktHbbig nei«{tt'/> treuseltjen. —Bekend zijn ook de 
nfieidd, getreuzel, treuzelarij enz. — Tuinman, Fak- 
kel, I. 383, en na hem Weil, en Willems, Mengel. 
376, achten het niet zeer oude treuzeleti, min ver- 
kieslijk, 66n met trijselen; zie dit woord; en Bil- 
derdijk doet, nog minder aannemelijk, het w. af- 
komen van legertros, omdat deze pleegt achteraan 
te komen; zie de Verkl. Geslachtl. III. 161. 

Bogaei-s heeft het ww. vertreuselm; Gez. Dichtw. 
11. 326: 

Ik heb mijn lente vertreuseld. 



Drevelen— Dreven. 

Drevelen is bij Kil. »heen en wedr gaan,'' bij 
De Bo )>straat op straat ne^r gaan." Dreven is dan 
voor drijveti, zie Ten Kate, II. 167. H Schijnt in- 
zonderheid een vlaamsch woord en is ook inKort- 
rijk nog gangbaar, volg. Belg. Mus. VIII. 173. Men 
trefl het aan bq De Harduyn, Godd. Wenschen, 
303 : Ick ben opghestaen, ende hM>e V alien kan- 
ten doordi*eveIt de stadt van dese teghenwoordiyhe 
wereldt. Aid. 332: ick en. prtjse niet dat ghy 
loopt drevelen langhst de fnerckteti. Lager: die 
dwaese ende quaelijck beraedde Maegfiden drevelen 
daef^ sy unllen. Dez. Uitgel. Dichtst. 13, van Diana: 
Als zy door het boschwout gaet drevelen terjacht. 
Hiervoor zou men anders zeggen drillen. vDoor 
de stad of het woud drillen'' is een gewoon zeg- 
gen. Dus aimede bij Van Zevecote, Ged. 188: 

Al drevelen aUmi de schichten door de wolcken. 
Dit drillen nu is hetzelfde met trillepi, schudden, 
en ook dozen zin had drevelen bij Poirters, Masker, 
48: Hgene de conscientie — soo dede drevelen. 

Volgens den Dr. Volksalm 1847, bl. 177, heeU 
drevelen in Drenthe twee beteekenissen. Voor- 
eerst die van »het voortgedreven worden van de 
iijne sneeuw door den wind,'' en ten andere van 
»nevelachtig wedr zijn;" de laatste is als gdvolg 
of toepassing van de eerste aan te merken. 

Drtjven is bij Kil. ook verscherpt tot drijffen, 
en voor drevelen heeft De Bo dreefeletu, »drijven, 
voortdrijven, voortdringen." Ook het eng. bij Hal- 
liwell heeft to drife, angels, drifatx, en het partic. 
drefene, 

Dribbelen'— Dribben. 

Dribben is ^n met drebben, draben, hoogd. tra- 
hen, bij Otfried dreiyhath, gaan, enz. Dribbelen is 
met kleine schreden gaan ; Berkhey, Eerb. Pi-oelk. 
195: als gijlieden nog pas dribbelen en even loo- 
pen kost. Dez. Verb. Leyden, 71 : 

De kinders dribbelden, daar moeder lakens nopte, 
Immerzeel, De Moederliefde, 16: 

Z(/ dribbelt af en aan met hemelheldre blikken, 
Dez. Ged. I. 125 (zij): 

Dribbelt been met zachte stapjes. 
Dat ztj 't slotgezin niet wekk\ 
Bekker en Deken, Adele en Theodoor, I. 23: ter- 
wyl myn meisje been en weer dribbelt, en aan 
myn Bureau stoat te s])elefi. Beecher Stowe, De 
KI. Vossen, 58 : fiet geschrreuw van zijn jmigste 
kind of het ronddribbelen van zijn oudste, — Het 
luidt ook drebbelen; Huyg. II. 186: 
Mae}/ heeft een' mann die nacht en dagh sUxeft^ 
En spitt en delft, en drebbelt en dracft; 
Oni m*ouw en kindet^en H undetiiouwen. 



85 



DRIBBELEN. 



86 



Margrietje, 15: 

Och data een kleyniyheyt^ het drebblen van een 

Luys, 
En drubbelen; Stoke, III. 371: 

Hi drubbelde, ende spratic op waert 
Van bliscapen, ende sane. 
d. i. hi] trippelde, danste. Van Beverwijck, Schat 
der Gresondh. 128: door h>aer (d. i. der Gey ten) 
gestadigh dnibbelen wert deovertoUige vochtigheyt 
verteert Van Bleyswijck, Beschrijv. van Delft, I. 
368 : VoeH en moet niemandt opten Kerchove Kaed- 
sen.... stiene*} noch a^etibeelten (*) werpetL, stellen, 
drubbelen, te Vogelinge lopen^ met Stocken sprin- 
gen, noch Ludsen. — Hier schijnt met het woord 
eenig spel bedoeld te ztjn, vermoedelijk hetzelfde, 
dat Huydec. t. a. p. op Stoke als de beteekenis 
opgeeft van dvibbelen, »8pringen (nanielijk) met 
de twee voeten vaatgeslooten neven& elkanderen." 

Voor drubbelen zegt men droebelen in den zin 
van trappelen, gedroebel^ getrappel of gedreun, in 
het Land van Kuik, volg. De Navorscher, 1859, bl. 61. 

Het WW. bedribbelen ontmoet ik in een' onge- 
wonen zin in Scharps LeeiTede: De achtste Maart 
1791, bl. 59 : Staatszaaken moeten van deezen Leer- 
stoel bl{fvefiy bediUen van Regenten, bedribbelen 
van elks doe^i^ hacttelijk twistvuur stooken is zoo 
vreetnd van onze bediening^ als kvoalijk passende 
bij den eerdienst. — lElks doen bedribbelen'' zal be- 
teekenen zich daarme^ bemoeijen of inlaten, zich 
er druk me6 bezig houden, er (als 't ware) gedu- 
rig om heen drentelen, om het te bespieden en te 
beoordeelen. Een gelijken overgang van beteekenis 
treft men aan in drillen^ loopen, en iets bedrillen^ 
zich druk met iets bemoeijen of bezig houden. 

Aandacht verdient het gebruik van bedriUen in 
R. Visschers Sinnepoppeu, 118: soo haest de Gie- 
righeydt haer herte bedrilt, soo loopt men van de 
eene kromme gafig m de ander. Huygens' Ko- 
renbl. I. 31: 

HZijn de konstelicke grillen, 
'tZijn de krabbelgrepen niet 
Die my Ituft te sien bedriUen, 
'k Vergh u heel een ander lied. 
d. i. doen drillen of trillen. Zoo ook betrUleny 
aid. 136, van den matroos: 

— die HZuyden meest bestoeet 

En H Noorden heeft betrilt — 
d. i. dien het Noorden heeft doen trillen (van de 
koude). Dit ww. is door Bilderdtjk in Hgeheel 
niet, en door Hinlopen (Verhandd. van de M. v. 



(*) Jenbeelten zal beteekenen (kerkeiyke) beeldjes, over 
tudten, inderg Ivdsen geepeld, zle men op Loleren, 



Lett. n. I. 251), niet naar eisch verklaard. En 
zoo zal ook te verstaan zijn de plaats uit Der Min- 
nen Loop, U. 85: 

Ic hebbe dicke horen prisen^ 
Die horen mannen ere bewisen 
Etide him ontsieti in redelicheit; 
Mar die horen mannen toem ende leyl 
Hebben ghedaeti mit weder stribben^ 
Ende over hem lieghen ende dribben, 
Daer off en hoordic nye, in ttvaren^ 
Datmense prijsde van enen hare. 
Over den man dribbeti kan beteekenen steeds 
rondom hem zijn, om zijn doen te bedillen; ende 
vrouw, die dat doet, is een dribbe, in hetz. werk, 
L 113: 

Men vint menigheti qnaden dribbe, 
Mocht sy haren toem soo wreken^ 
Sy soude u vriendelic aenspreken 
Mit zulken lieftiken woerden, 
Zulk eene dribbe is eene looze en bedriegerqke 
vrouw, en die beteekenis past zeer wel op tripe^ 
in de Hor. Belg. VL 111 : 
Tfi der pelsen, tfi! 

Ghi hebse ghecocht eenre atider tripe. 
Lager veenre ander hoerenf' althans beter, mijns 
bedunkens. dan die van trijpbuiky panszak^ welke 
door Hoffmann, en later ook door Prof. De Vries 
(Warenar, 107), of die van gtdzigaard, slemper^ 
welke door het Wdb. des Inst, op Hooft is voor- 
gestaan. Ook in het eng. is drab, dat met drib 
verwant is, eene hoer. Het denkbeeld van slim- 
heid of loosheid bleef later aan het woord trip of 
trijp verbonden. Men denke aan »de looze trip" 
in Gats Twee-en- tachtig-jarig Leven; doch ook el- 
ders is het dus, b. v. Bredero, Schynheil. 53 : 
Ick segh fortuyn dat ghy een trijp zijt, heel 

loos en schrander. 
Bilderdijk (Aantt. op Hooft, III. 148) zegt, dsiiirip 
eigenlijk knip of val is. Het bewijs ontbreekt ze- 
ker; doch men kan toch niet loochenen, dat de 
trip iemand zoekt te betrappen, d. i. in den trap 
of vol te krijgen, en dat zij, in hare kunst bijzon- 
der ervaren zijnde, eene doortrapte genoemd wordt. 

Dribbelen'— Dribben. 

In Greenwoods Boere-Pinxtervreugt leest men 24: 
Daar niet te doen valt^ ja^ daar benje elkeen 

de baas.... 
Maar Piet^ dat ziUlen je de kindercn verwyten^ 
Kan je altegaar begut wel dribbelen en schyten. 
De bijeenvoeging van deze twee wwn. doet aan 
eene gelijke bet. denken, en inderdaad werd bedrib- 
belen voor beschijten genomen, zie de pi. op Drab- 



87 



DRIBBELEN. 



88 



helen*. Men heeft dus hier met verwisseling van 
klank dezelfde wn. als di\ihbehi en (Irabhelm. 

Drimmelen— Trimmen. 

Drimmeien, drernntrltm^ is bij De Bo ))d raven, 
trippelen, met kleine stapjes loopen/' en wordt 
aldaar in verband gebracht met het fr. trinwr, 
snel loopen, van welk ww. Scheler de all. vraagt. 
Zij ligt in hel staraw. tn/m, trntt^ in het angels, 
een slap, en tnmmtni hiidt bij ons trimpeit (zip 
Triniftelm)^ verwant aan trmnprn^ en dit wederom 
aan Ivappen^ trippen. In het neders. wordt he- 
trimmd en betripjpd beiden gezegd van iemand »die 
met kleine en afgemeten schreden gaatf' zie 
Tiling. 

Dringelen— Dringen. 

In het Alg. VI. Idiot, is dnnyelcn, ook wel drun- 
ijelen uitgesproken, gebruikelijk vuor ))met behulp 
van schouders en ellebogen door de menigte been 
dringen." Bernds Idiot, heefl insgelijks drmigcln^ 
als frequent, van drdngen; en Stalder drunffeli, 
dmnyelicfi^ als bijw. voor drimjend^ hd. drimjlich. 

Drispelen— Drispen. 

HoeufTts Proeve van Bredaasch Taaleigen veniieldl 
drispelm voor been en we^r draaijen, waarvan 
ook gcdinspet. Met invoeging der p kan dit ww. 
zijn voor 't hoogd. driesebi^ ronddraaijen, in een' 
knng bcwegen, van driesen^ voor diaaijen bij Stal- 
der voorkouiende ; welk drleselvn in Hoistein ook 
bekend is voor talmen, waarvan drieselev,, dri'tsler^ 
sammelaar. Dat zoodanig ww. ook bij ons niet 
geheel vreemd moet geweest zijn, blijkt uit Kil., 
die voor di*aaijer^ di^uiijider^ ook dresseler heefl. 
Misschien is dnspen echter ^^n met iHpschen^ 
in Schmidts Westerwald. Idiot, druk op- en ne^r 
loopen. 

Droebelen, zie Dribbelen 
Droezeleu — Droezen. 

Van droezeleu is verdyvezetdy dat hi Drenthe 
bedwelmd, verbijsterd, beteekent; zie den Dr. Volks- 
alm. 1846, bl. 267. Droezen of druizen is drui- 
ftchetL, d. i. zich met geweld aankanten of verzet- 
ten. Kil. heetl, wellicht met uitlating der r, doesen^ 
met drift of geweld stooten. Verwant met dit 
denkbeeld is dat van dreitjen^ d. i. een vertoon 
van geweld maken, 't welk in dezelfde provincie 
droeslen&n drietften heet, zie den Dr. Volksalm. 1839, 
bl. 188, en 1846, bl. 255 Dreiyen luidde voor- 
heen dan ook niet alleen drieyen^ als Vondel, 
Pascha, 13: 

Dus Inet OHit dene i-oe umer tnede ht/ ons drieght, 
Waet'netncfi nog in tyU^ eer onMen tyl vervliegL 



Nieuwe Hoornse Speelwerck, 2r>2: 

Op dat ick itH'peu mayh^ u>antieer fie doodt wy 

drieght. 
Luyken, Bijkorf des Cem. 21H: 

ly Eletidenn^ die het Leneti drieghen. 
maar ook driesehen; Coster, Iphig. 62: 

Men aa/, lUifftses^ my tot (ioddelijcke dinyhen^ 
ihor dr lessen nm^h door stacl ten yhener tyiie 

du*inghen, 
ilooft, (fed. foL 51 : 

Hoe zy nieer riep^ en kennd\ en badt^ 
Hoe dat hy dwong en drieschte y rover, 
en foL 63: 
By niutre tnUtdernacfU doe ik mijn eunjers drtiven 
Het kerkfiof Ofiu, en driesch de dooden uit de graven. 
En hreek htm yzren slaap — 
Hier is drieachen meer dan dreigen; 't is werke- 
lijk met geweld aanranden, aanvallen; zoo is op^ 
driesehen bij Antonides, Ged. 11, met geweld op- 
jagen, opschrikken: 

— f/' Ykoning wort gelooft, 
Zijn uxiteryodendom^ om hunne wntek te wetten^ 
Te hdbhen o[jgedriescht inet klinkende trotnpetten. 
S(imetuh*ieitchen bezigt dez. bl. 145, voor met ge- 
weld bijeenbrengen van woeste soldatenbenden ; htj 
hoemt ze »een znemyedrieschten hoop, het schuim 
van Oostenrijk". Zich verdrieschen is bij Camp- 
huysen zich (met geweld of oproer) verstouten, 
Psalm 106, vs. 4: 

— ter muytsctier re en 
Verdrieschten sich de boone tonyen 
By '/ itMde nieyr. — 
, Ons adj. dnest krijgt door drieseheti zijne op- 
heldering : H zegt »met stout en woest geweld zich 
verzettende." OnzeOuden hadden t/n/uirtalssubst. 
voor geweld, b. v. Maerl. Sp. Hist. III. 200: 
Met groter druust so viel hi snen 
Itidie rinnden mettien. 
Zie voorts Huydec. op Stoke, III. 110. In den 
Bijbel van 1477, Job 22, vs. 11: vind ik daar\an 
druusting: du iixiensle.,.. mitten druusting van 
overotoeyende \vatet*en niet verdmct te gaen. Als- 
mede hedrmtsch^ be4ruisehy voor geweld, storm, on- 
weder; 2 Reg. 23, vs. 8: hi dode achte hondert 
man mit e>j<»n bedruyssche. 4 Reg. 2, vs. 11: helyas 
voer op mitten bediniissche in den hemel. Nah. 3, 
vs. 3 : tgfieluyt van den bedrusschen des wiels. 2 
Machab. 3, vs 25 : dit pnert omrreet met bedrusche 
heliodomm daer neder. Job 38, vs. 1 : die het*e 
antwoerde iob wt enen bedrrsche. Parab. 27, vs. 4: 
xvie mach bedrieghen eens geests bedrusch? En 
elders. Passionael, Wintei-st. fol. 85 verso: si 
tnaecten eenpaerlic een be(b'uysch in (d. i. tegen) 



8» 



DHOEZELfiN. 



9() 



hem enffe sy uH>rpfiti (hem) utm* stadt fni steenrien 
{hem). Blomrnaert, Oudvl. (red. II. 17 : 
Dfter voer die A'le/, i>/ cortcH wylf*^ 
i)i)t*i* meniffe mile. 
f)at qitmn van enen bedruussche, 
Endc van eena wintn (fhe^'wussche. 
Kil. kent deze wn. niet; wel droesligh^ druMligft^ 
violentiis, impetuosus, bij Bredero dvuititieh^ zie 
Oudemans Wdb. i. v. en voeg daarbij Boertigh 
Liedtb. 57: 

0ns Korperael wat druystich i% 
En dner by al tvat vet. 
Dus ook Coornherl, Wercken, I. fol. 3j2: In .wo- 
danicfhefi {mensch) werdt de dniystighen aanloop 
den wraackgierighen looms betemt. — Bij Roden- 
bni'gh, Melibea. II. 47, druizig: 

Mijn gheest zo druyzich ia, dnt ick tm slaep moet 

haken. 
d. i. verward, onstuimig. Voor onstuiraig roepen 
heeft Oudaan het bedrijvende dmyssen, Aand. 
Treurigheyd, 38: 

Wanr op zy 7 oude lied^ kruyst kruyst hem^ 

neemi hetn weg, 
Met voUen mande druyssen. 
Meer op de handeling ziende, beteekent het v/. 
onR gedmisvh nmken; Thirsis MinnewiL, I. I^: 
Ik heb en Oebutir^ 
Digjes by mijn Huyze^ 
Die schier alte uur 
Door het huya goat druyze. 
Valentqn, Werken van Ovid. I. 59: wanr dniist 
gij Keen ? gij suit brant xoeer brengen. 

Elders is dit ww. eenvoudig dreigen; a. w. 1. 8: 
(fij druist om mij hier te latenf Goat heen. — 
Een oudere vorm van drtiischen is dntweti en 
drouwen^ zie Van Hafselt op Kil. Dus Kai'ei de 
Gr. 237: 

Onse reede die heeft gedruwt wale. 
Hor. Belg. IX. 10: De iran druwen sterft^ den sal 
inen mil dretgn overhiden, EnbL8: Alle druwers 
eti vechteti niet. — Het middelhd. had drowen^ en 
Schmeller heeft droen^ hoogd. drohen^ en volg. den 
Dr. Volksalm. 1846, bl. 255, het tegenwoordige 
drenthsch nog drfnvwf^i, uitgesproken drowen, 
drotiwen. 

Van het aangewezene droezen zal te onderschei- 
den zijn verdroesten^ dat men leest in Vlaerd. Re- 
(lenrijckb. 159: 

Wilt doch inspireren die noot heeft abondant^ 
Op dat dHnlantschen twist oproerich heel verdroest, 
Wat middel dat best dient genomen byder hant^ enz. 
d. i. verstikke of smore, van drfisten^ bij Tiling 
in deze bet. te vinden. 



Drogelen— Drogen- 

Het freq. drogelen van drogen d. i. driegen, is 
in de Aant. op Hoofls Hist, (in 8vo) I. 52, onder- 
steld, als hebbende bij samentrekking voortgebracht 
hftt WW. droclen^ hetwelk beteekent : bedriegen 
foppen, te leur stellen. Dus de gem. Hist. fol. 17 
de Francois gedroelt en bedrooghen. Fol. 1003 
door spyt dat men zyn vonden dus droelde. Dez. 
Ged. fol. 157: 

Jk meetly ghy^ Venus^ voelt 
IJw vlammen wel verkoelt^ 
Sint dat zy u dus heeft gedroelt. 
Dus het subst. droely fopper, bedrieger, Negenthien 
Refereynen int Sot, 29 : 

Al schiet den droel over den DoeU ten is geen 

noot f\ 
Maer die hem iaeckt^ daej^nn hy ma^'kt ecu Esel 

snoot. 
Dit droelen is te onderecheiden van een ander, 
b. V. Udemans, De waekende Ooge, 125: 

— als komt wel te varen 
Sijn evenfuieste Mensch, dan sit hy eerst en droel t. 
Aid. 149: 

Siet }fensch ghy moofft dan niet soo ledigh sitten 

droelen. 
Van Dans Thyrsis Minnewit, II. 35: 

{Ghy) watidelt met hem door het groen, 
Om dit misschien of dat te doefu, 
En zet u met heur in het gras... 
En als dat droelen is gedaen, 
Ghy kondt weer na u Hengsten gaefi. 
Dit is wat anders druilen heet. Antw. Spelen van 
Sinne. 46: 

Daerom niet beters lael ons gaen druylen, 
Ghelijck de Wlen moet ick wel by nachte vlieghen. 
Hofferiis, Poem. 392 : 

De ossen kotnen oock wel rmede druylen aan. 
Wij hebben daarvan het znw. druilom\ bij Sprank- 
huisen het ww. druhren; Geestel. Balsam, 3: dat 
hij veeltijds dubf, druloort, vt*eest, droemch is eti 
weent. 

Ik moet echter bekennen, noch bij onze schrij- 
vers, noch in de verwante dialecten, een spoor van 
drogelen te hebben aangetroffen, zoodat ik het be- 
staan van dat freq. in twijfel trek. Ook meen ik, 
dat droelen.^ \ welk in de volksspraak ook IruUen 
luidt, beter verklaard wordt door het middelhoogd. 
trullen, bedriegen, oorspronkelijk betooveren, be- 
goochelen, van trolle. spookachtig wezen uit de 
noordsche mythologie, bij Kil. drol, waarvan bij 
dezen ook drol voor potsenmaker, snaak, kwast, 
fr.drdle; zie Benecke, en Van den Berghs Krit. Wbk. 
der Ned. Myth. 24. Laatstgemeld subst. drol, thans 



91 



DR06ELEN 



92 



in dien zin geheel verouderd, ontrooeten we in de 
Antw. Sp. van Sinne, 571 : 

— ick sdL die sinnekens van den ionghen drol 

So hlijelijck noch sleypen^ in mijnen hoL 
Goomhert, Odyssea, II. 136 : 

d'Eerste volt hy in H lijer* odtoos^ de dronken drol. 
Vondel, Toonneel des Mensch. Lev. 65: 
De Drol en is niet slinks, hy past op deze stukken. 
Waarvan drollig, aardig, snakig; aid. 73. 

Be droirge en oude Pouts^ Diogenes ik meen 
Gats, I. fol. 439, van bet sVenus soontjen" : 

(JJet) koppelt menig drollig paer, 
De Brune, Jok en Ernst, 24 : Op zo droUigen voor- 
stel herste H gantsche geselschap in lacchen uit Van 
Effen, Holl. Spectator, I. 23: de vtx>nderlykste in- 
vailen^ en de drolUgste grappen, die becUicht kun- 
nen wordeti. Aid. 428: men moet drollig ofhoog- 
dravetid zijn, — Bilderdijk leidde in de Tael- en 
Dichtliev. Oefen. van het leidsche Gen. III. 292, 
dit drollig van het fransche drdle af; later in de 
Geslachtl. III. 169, omgekeerd — en beter — het 
fr. drdle van het noordsche of germaansche trul. 

Voor bedrieger zei men oulings drogenaar^ bij 
Kil. drogener; Maerl. Spieg. Hist I, 94: 
Die zieleverterres^ die drogenaren, 
Die onwetefide loghenaren. 
Aid. 394 : 

So dattene elc goet inan daere 
Hilt voer etien droghenare. 
En in het oude rijmf^e, vermeld bij Bilderdijk, 
Aantt. op Huyg. VI 70 : 

Spreekt ge van eeti drogenaar; 
Op het noemen is hij daur, 
Dit w. kan doen denken aan een frequent, droge- 
nen^ en, hoewel niet bij ons, bestaat dit werkelijk. 
Graff, V, 509, heeft trtiganon, waarvan het subst. 
trugatiariy bedrieger, welk laatste zoowel in het 
middelhd. trugenaere^ trogenere^ als in het mid- 
delned. drogenaar, wordt aangetroffen. 

Drommelen— Drommen. 

Drommen, drotnen, is dringen; Glignetts Bijdra- 

gen, 270: 

Alsi den vleeschhouwer saghefi comen 
Detie woude achter den andren dromen. 
Elc woude and'n steken voert, 

Kauslers Denkm. I. 20: 

Hi soude hem sciere te hulpen comen, 
Ende doen den keyser achter dromen. 

S. 196: 

Want te Trengis in den tomoy 
Waert doot ghedroomt die t*udder moy. 

En S. 256: 



Doer was de paeus in persen zwaer 
Ghedroomti ende staerf over waer 
Van der zwarer perse (jroet, 
Th. Ill, 20 : 

Want twijf drijft deti cierbeit fel 
In haers kints voert dromen. 
V^apene Martijn (door Verwijs), 76 : 

Dus wilie hi nten hemel dromen 
Den mensce — 
En bl. 86 : 

— thelsce vier.... 
Doer hem die duvel in droerot. 
Maerl. Spieg. Hist. I. 409 : 

So quamen dan die niordenaren. 
Die hautaaiseti^ mids der scaren 
Drommende, nu hier, dan daer^ 
Ende daden den volke groten voer. 
Havtasisen, verbasterd van het fr. assassins, betee> 
kent moordenaars. 
Vandaar dromming, gedrang, aid. 408 : 
Eleven daer in die dromminge doot 
Jueden onder cleine ende grooi, 
Dit drommen korot nog bij Hooft voor, zie het 
Wbk. des Inst. Mede bij Despars, Cron. van Vlaend. 
lU. 465: dater zulc een ontallicke menichte van 
volcke vei*saemde, dat zy mencandren,.., in de re- 
mere van den Tijbere dromden. Aid. IV. 476 : 
dat tvolck mencanderen voot* die backers teinckels 
doot droomde. 

In samenstelling ontmoet men bij Valentijn, 
Werken van Ovid. I. 47: V Volk dromt bij een. 
Vondel, Virgil, in Dicht, 111: 

Men zietze in eetien drom oock dicht in een 

gedromt. 
Oudaan, Po§zy, I. 249: 

Laat alle zwarigheen zic/i samendrommen — 
Vandaar doordroomen voor doordringen, d. i. door- 
drijven; Despars, a. w. II. 472: by ghemeenen 
txisschensprekene een huwelijck te makene ende 
deur te droomene tusschen deti hertoghe Philips,... 
en vra\t Margriete. 

Ons drom, een samengedrongene menigte, welk 
w. Vondel heeft voor dromgaren (zie Kil.), Virgil, 
in Dicht, 30: binde ick u met dees dry linne 
dromme. — luidde vroeger dromel of di'vmmel; 
Bredero, Lucelle, 34: 

De hoopen dicht gemengt, de dromels ysre lien, 
Jerolimo, 18: 

Daer staen die Laarystei'S, zy an zy, dronmiel by 

drommel — 
Jan Vos, Ged. I. 13: 

— godt Augustus — bestuwt van yzre drommelen. 
Vondel, €rebroedeis, 57 : een drommel volx. Dez. 



93 



DROMMELEN. 



94 



David herstelt, 33 : 

Zoo drcLeft deti prins den drommel voor. 
Peter en Pauwels, 9 : 

'kZnl Htnmpeft, dat het drextnf^ en al den drom- 
mel wecken. 
Salraoneug, 25 : 

Gewelt te keeren nut een' drommel hofsoldaeten, 
Virg. 31(): nu verzamelen de Tt^ojanen in eenen 
drommel weder by eeti. Zeeus, Ged. 208 : Een 
drommel van afgrysselijke Vloekcn. — Voorts (fe- 
drommel^ gedrang, eng. bij Halliwell drutuje^ dat 
KiK niet kent; Vondel, PoSzy, 1. 15; in het ynid- 
deti van 't gedromroel Det^ duizetiden. Virgil in 
Dicht, IH: 

Dan tH)ort ter ix)oi*te met gedrommel uitgeborsten. 
En elders. Doch ook op zaken toegepast; Hoofl, 
Henr. de Groote, fol. 109: eenen drommel van 
noodtlykheden. 

Vandaar het froq. drommeleti^ dringen, prangen ; 
Hooft8 Tacitus, fol 184: daar drommelt eefi' ge- 
mengelde meenighte 7 zaamen. — Bedrommelen 
is, gelijk bedremmelen (zie op Dremmeleri)^ nauw 
insluiten; Verscheyde Ned. Ged. 175: 
Terwijlen homt hij aen bedrommelt eti benauwt. 

In het limburgsch dialect wordt drommeleti of 
drummelen als drungelen uitgesproken ; zie mijn 
Archief, II. 366. 

In een niet gewonen zin komt dromen voor, 
D. Warande, I. 31 : 

Wanen comt dat esbattement^ 
Die trotnpetten die ick hoor dromen ? 
Bfisschien heeil men hier een gelujdnabootsend 
dromen of drommen^ H welk men mede aantreft 
bij Berkhey, Meygroete aan de Haagsche Schutte- 
rye 1785 : 

/a, Echo brond en dromt weerom^ 
Op 't raetlen van haer Burgerstrotn. 
Doch wat beteekent drum^l bij Rusting, I. 555 : 

— ik ben een sterflyk tnens: 
Geboren met een ropy en drumel, biana eti pens. 

Droppelen— Droppen. 

Droppen^ hoogd. tropfen^ eng. to drop^ eii bij 
Halliwell to drope^ is van drxiipen^ Ten Kate, II. 
170. Het is onzijdig ; Westerman, Ged. IV. 62 : 
Toen nog de moedertnelk op mijne lippen dropte. 
J. C. van de Kasteele, Nag. Ged. 180: 
Ook holt den hardsten steen H vocht^ dat gedurig 

dropt. 
Bilderdijk, Nigaarsbl. 11. 50: 

Niet andersj of eeti lek doot^ V g^^tgewelfsel dropte. 
En bedrijvend ; dez. Ovidius' Gedaantv. 7 : 

-— wa/ de eik of betikatam droppen 



Wanneer het najaar door hun bladers ruischt. — 
En Sadi, Spreuken en Voorb. 9 : 

De gra^loein dropte een traan. — 
Bogaers, Gez. Dichtw. II. 93 : 

— als dropte een teedre hand 

Verkoelende artsenij. 
Het frequent, droppelen is alleen onzijdig; b. v. 
WesteiTuan, Ged. III. 119: 

— de tirannij 7 {bloed) doet dropplen. 
zie Weil. — Vrouwe Bilderdijk heeft verdroppelen ; 
Ged. 17: 

H In gloed verdroppelend gestamt\ 
Blieck, Mengelp. I. 71, bedroppelen: 
0ns nog met najaersdauw zoo mild bedropplen mag. 
En bij Bogaers, Gez. Dichtw. II. 265; 

— 7 zoety ons gegeveiu, 
Bedroppeld met zuur. 

Elders, t. w. Friesche Volksalm. 1836, bl. 106, leest 
men ontdroppeleti : 

Ween vrijy zie^ elk onzer ontdroppelt een traan. 
Deze wn. verwisselt men met druppen en rfm/>- 
pelen. Zie dat art. 

Drubbelen, zie Dribbelen. 
Druipelen— Druipen. 

Druipe^f in zijne verschillend toegepaste bet. zie 
men bij Weil. Aardig bezigt Vondel het w. Noah, 21 : 
(iy zijt aerstherder.... 

En kotntge hier om hulp gedropen van uw wachtf 
De Brune heeft wegdruipen; Bancketw. II. 46: 
krijght hy (d. i. de }wnd) niet, zoo druypt hy 
wegh, met de steert t\isscfien de beenen. 

Voor druipen heeil Kil. ook droopen^ inzonder- 
heid droopen met vet; men leest dit bij Brandt, 
Leven van De Ruyter, II. 233 : daama brieden zy 
hoenders aan een houtte spity daar men hun boter 
toe gafy om ze te droopen. 

Het freq. druipelen komt voor in De Hollebol- 
lige Lachende Dokter, bl 20 : een druipelende hoar- 
nacdd, Eii De Harduyn, Goddel. Wenschen, 280: 
U liandekens wit ende socht 
Die druypelen een hemels-vocht. 

Drukkelen— Drukken. 

Dit dnikken komt overeen met het hoogd. 
drticksen. dat Grinftn in zijn Wtb. een iteratief 
noemt van druckeny genomen in de bet. die hij 
Kol. 1447 onder letter e (en niet zooals hij opgeeft 
letter d) opneemt, t w. van zich terughouden, 
zich terugtrekken, in het spreken niet vooruit 
vnllen of kunnen uit list of schroom. Zoo hebben 
Bemd en Vibuar drucksen^ versterkte vorm van 
drucken^ talmen. Reinwald heeft in denz. zin 
trucksen en troeken. Bij Schmeller is trucken, 



95 



DRUKKELEN 



96 



trocken^ met schroom te werk ^aao, niet vooniit- 
komen. Schmidt omschrijft zijne wwn. druckse, 
trocksey op gelijke wtjze met uitbreidiiig der bet. 
tot die van langzaam arbeiden, bij een besluit of 
onderneming aarzelen, hetzij uit list, overleg of 
vrees ; doch, wat de afl. aangaat, wijst hij op twee- 
derlei : op drukken en op Irekken; want, zooals hij 
juist opmerkt, het zwaahsche dialect heeft in dez. 
bet. het frequent, treckeln^ waarvan brj Von Schmid 
drekkelen voor iemand die niet gereed kan komen, 
en . ook Reinwald leidt dit treckeln af van het ne- 
derl. trekketK Als men overweegt, dat hetnederl. 
Irekken^ in verirekketi^ tot de bet. van vertragen 
ovei*gaat, en dat tragen zelf trekken beteekent, 
dan heeft de laatstgem. afleiding inderdaad een 
goeden grond. 

De frequent, vorm echter, die raij in het nederl. 
voorkwaro, moet liefst aan dt^tikketi doen denken. 
In Despars' Cronijcke van Vlaend. leest men IV. 
327: die^ wierdeti zy daer beide antboden, ende 
deden haerlieder eedt... niet jeghenstaende dat er 
Joos de Deckere ontwijffelick wat jeghe>tjf druckelde, 
maer hy en hadts anders. — De i>et. komt mi] 
voor te zijn, dat men tegen den eed opzag en dien 
zocht te ontwijken, dat men alzoo overhelde om 
zich terug te trekken. Drukkelen komt dan over- 
een met trukkeletu biJ Schuerman.s tmggeleny truk- 
kelen^ talmen, bijna niet voort kunnen gaan. 

Druppelen— Druppen. 

Hetzelfde als droppen^ en droppelen; zie dit. 
Van druppen, neders drupen^ heeft men afdrup- 
pen; Van Hengel, Leerred. II. 134: waar geene tra- 
nen van onze oogen meer afdruppen. — En bedrup- 
pen ; Valentijn, Werken van Ovid. II. 328 : de ape- 
lonk..., met digt geboomte overlommert^ en met 
Loofdau nat bedrupt. Bilderdijk, Mengelp. I. 125: 
V h als een zachte damp, die.... 
... 't veldgebloemt^ bedrupt : — 
Van druppelen^ dat in H hoogd. tropfeln, neders. 
drt4ppeln luidt, en b. v. gelezen wordt bij Zeeus, 
Overgebl. Ged. 19 : 

Een geit, zoo wit als 't vocht dat uit haer jadders 

druppell. 
hebben wij, behalve afdrt4pjU(ten 't welk zie in het 
Wdb. der Ned. Taal, bedruppelen en ontdruppe- 
ten ; Bilderdijk, Treursp. II 94: 
— (P'OP *^** ^^^^^* mijn' voet, een' pijl, met bloed 

bednippeld. 
Wiselius, Mengel- en Tooneelp. I. 193: 

ALh welvaart uit hoar rijke bron..., 
0ns brood met vreugdenat bedruppelt. 
Schimmel, Nieuwe Ged. 40 : 



— H bloed is den top onzer vingren ontdruppeld. 

Dubbelen— Dubben. 

• 

Dubben is bij Kil. en nog tegen woordig bekend 
voor tusBchen twee dingen in het onzekere zijn, 
aarzelen in het besluiten, twijfelen. Dus> b.- v. 
Sprankhuisen, Geestel. Balsem, 3 : wanneer tnen 
bespeurt, dat hy veeWjdts dubt, dndoort, vreest^ 
droevigh is en weent, niet konneiuie seggen waer- 
om hy stdcx doet. Cats' Wercken, I. fol. 461: 
De schipper selfs die staet geheel ven^baest^ 
De stierman dubt wat dienstig is begonnen. 
De verwantschap van dit w. met het lat. duhitare, 
waarvan ook het eng. to doubt, fr. douter^ oudfr. 
doubter valt in het oog. 

Het frequent, dubbelen komt in denz. zin voor 
in het vlaamsch, benevens dubberen, doebelen^ dib^ 
belen, dibberen. Zie de Idiot, van Schuermans en 
De Bo. 

Duikelen— Duiken 

Duiken^ neders. duken, eng. to duck, beteekent 
eig. verbergen ; vandaar bij Sch metier ducksen, ver- 
boi^en kwaad doen en hoereeren, en to docky bij 
Halliwell bijslapen. Wij bezigen het voor bukken 
(d. i. het hoofd verbergen), on der water dompe- 
len enz., en wel onzijdig. Dan, voorheen was het 
mede bedrijvend; De Meyer, De Gramschap, 141: 
Een ieder weet het kwaad met schyn van goed 

te duiken. 
d. i. bedekken ; en wederkeerig, Oudaan, Poezy, 
II. 62: 

Als die zich, aU een slang, in modderigen grond 
Van 'tonherboren hert zouw duiken, en bedekken. 
Dez. Uitbr. der Ps. I. 9: 

Ik houw my stil, my duykende in my zelven. 
Dus nog bij Bilderdijk, Mengel. II. 74: 
Zoo ziet men swakke rozenstruiken 
Het hoofd in 't muU^ za^idbed duiken. 
Nalez. I. 104 : 

Zalig die in holle rotsen*,,, 
't Hoofd mag duiken in hoar kloof. 
Dez. heeft ook nederduiken^ bij Richey nedder- 
duken; Verspr. Ged. II. 92: 

Duik neSr ^t verwoestend hoofd, geteekend met 

den nioord! 
Verouderd zijn induiken en verduiken, het eer- 
ste gevolgd naar H hoogd. eintunken d. i. indoo- 
pen ; Statenb. Job 9, vs. 31 : Dan zult gy my in 
de gracht induyken. De Meyer, de Gramschap, 149: 
En wilt u fiet fenyn der Gramsciuip niet ver- 
duiken. 
Thans hebben we ontduiken, zie Weil, en af dui- 
ken^ zie het Wdb. der Ned. TaaL 



»7 



DUIKELEN. 



A8 



Het frequent, duikelen zie men bij Weil. Bij 
Schmeller is dtickeln gebukt gaan, en bij Hofer 
duckeln verdrietig en mokkende zijn. Zie voorts 
Dokkeletu 

Het WW. omduikelen^ dai Weil, niet heeft, leest 
men bij Ter Haan De St. Paulus Rots (5e dr.), 
79 (van een zeegedrocht) : 

Het neemt een luchtsprong^ duikelt om. 

0/u/ere^ut/:^^6n heeft Vaientijn, Werken van Ovid. 
n. 70: sprongense op, spartelden in '/ ivater en 
duikeldeti weer onder. — En ontduikelen. Leant- 
woordende aan het figuurl. ontduiken^ heeft h. 
a. w. 76: Thishe. . . . tnuji hem te verfwlen wat 
gevaar sij ontduikelt wds. — Eig. bl. 16(J: H fel 

gehit te ontduikelen. BI. 277 : een voor plans 

welke hij niet ontduikleii kon. En bl. 381 : als 
gij na schi}}breuk heeinhinds een mtonn ontdui- 
kelt sijl. Jonctijs, De Pijnbank (1654), 74: Dat 
niet te mi^i verscheye den nwdderfioel haver oti" 
deugden ontduykelt ztjn. 

Duimeleu—Duimen 

Het WW. duimen is met den duim vatten of 
kneden. Zoo leest men in de C4amera Obscura 
(5e druk), bl. 465 : een meester koekebakker en zijne 

vazcUlen, die dergelijke schoone wonderen kneed- 

den, duimden, schikten en hakten. — Ook het eng. 
to tumb zegt betasten: doch bij Halliwoll is hetz. 
WW. den duim onder den gordei houden ten blijk 
van zwaarmoedigheid, en dit heldert de pi. uit 
Spieghels Hertsp. op, B. III. vs. 313: 

By veel, ist weelde-hml, ryrouweren, sluymen. 

daymen, 
waar duimen, derbalve te recht, door Vlaming 
wordt uitgelegd door )»ledig en vadzig zijn." — 
Wat de afl. beteekent bij Sprankhuisen, Van de 
Schepping, 16: tot suyveringe der Aerdou om de- 
selve af te spoelen, en van tneenigm*ley ongeduy- 
roigheyt te reynigen — erken ik, niet te weten. — 
Voorts be-duimen bij Huygens, II. 189, waar hij 
spreekt van eene luit, die beduymt is, d. i. behan- 
deld, bespeeld. 

Vandaar duimelen en bedtiimeleti, behandelen. 
Westerbaen, Ockenb. 134: 

— pruymtn, fris en vers^ 
Van niemanden gefoolt^ geduymelt noch gevingert. 
d. i. eigenlijk met den duim betasten; Bekker 
en Deken, Corn. Wildschut, HI. 340 : hy scheurt 
den man de brieven uit zijn handen, beduimeld 
diey om te voelen of er ook iet in zit. D. FV. 229 : 
ze moeten alles beduimelen en in handen hebben. 
Dez. Brieven, II. 153: wierd {de brief) gebruikt 
-om een pijp aan te steken, na dat hij wel bedui- 



meld, en tot een Lant gedraaid was. De Toekomst, 
XII. 289 : Het papier is dik en stevig, zoodat het 
al eens wat onzacht mag beduimeld warden. — Hier- 
aan verbindt zich dan allicht het denkbeeld van 
bezoedelen of bevlekken, en zoo leest men Bekker 
en Deken, Will. Leevend, VI. 4: er standen (op 
het kabbenet) zoo veele moeten, en het vxis zoo 
beduimeld, enz. Dez. Com. Wildschut, HI. 74: 
als d^eze beklonterde,,,. ktiaapen.... de wilte tnar- 
mere plinten zelf beduimelden, met hunne wior- 
sige klavieren. — Hiervan bij Loosjes de uitdruk- 
king : onbeduimelde onschuld, waartegen Bilderdijk 
zoo uitvoer in zijne Geslachtl. op Duim, gelijk hij 
ook het WW. beduimen van Huygens (Aantt. VI. 
228) »een walglijk woord" noemt. 

Een later taalkundig dichter schroomde niet, be- 
duimelen te bezigen; Hilarides, Humor. Rijme- 
lar. 103: 
'A Mocht strafloos niet uw sc/iooti beduimelen. 
Intransitief komt duimelen voor in den Geestel. 
Nachteg. I. 202 (tot een zuigeling): 

— waertoe doch u handekens reyn 
Duymelen alsoo stijf 
Op het albaster van mijn borstf 
Dus ook bij Van de Venne, Belacch. Werelt, 54 : 
Sondes' morssen en duymelen 
Kan men niet verkruymelen. 
d. i. de duimen te r'oeren of te gebruiken. Voor 
handeleii of behandelen is het bij Coster, Tafel- 
spel van twee Personagi^n, 4: 
Ick gae de const beginneti, en die wel duymelen. 
Dez. Duytsche Academi, 8 : 

Doer sy swae^'moedich denckt om saken die doer 

treffen. 
En hoe sy H vast beduymelt, sy maeckt het noch 

niet effen, 
d. i. hoe zij het aan vat. — Bij Rusting, II. 88, is 
duimelen met duimijzers pijnigen, (bij Stalder en 
Schmeller daumeln mit Daumschrauben foltem 
und quSlen) : 
{Ik heb) Een menigte v^an rijke en armen, 

Na beuls wijs, sonder my V ontf armen, 
GerM, geduymelt, en gedraayt. 
Verduimelen bezigt Huygens, I. 241, voor het met 
den duim rollen, dat de apotheker b. v. zijne pil- 
len doet: 

'k Levert all in kruymelen 
Wat ghy siet verduymelen, 
Wat ghy lesen siet en pluysen 
Voor de vracht van peperhuygen 
In de bittre Coomeny. 
De genoemde verklaring althans, welke Hinlopen 
van deze uitdrukking geeft (Verhandd. der leidsche 



99 



DUIMELEN. 



100 



MastXti'h. If, f. WO) komt mij ze«r aannemeltjk v(K»r. 
Biiderdijk liet ze 'mTerkbard. 

Wei land voert nog de spreekwijs aan: f/// r*/// 
/#!>/ reH d/t/grvfitt tiuitneien, niel vee! trekken. 
Men heefl dus hicr f^M onder le vervtaan ; on 
dat denkbeeld heerscht in roeer nitdnikkin^^en. 
iPuittthrtiid kennen wij voor geld, en da I woord 
dagteekant ran reeds lanj;; Antw. Speien van 
Sinne, 3i4: 

//// Hfniile u ppneti ffHnckjptr/ininck xrhiuckrn, 
Mner doer ett gcftuylt rjh^en diiymrruyl. 
Bijnft, ffiefer. II. 56: 

h'eefi iffieX nn/j nunjh hy irel duymcriiyt fffftnen, 
Kn tVander mftet aterretu nuryh hy niet gheven. 
Bij Schmeller vind ik de spreekww. den Dautnen 
rueren. geld iiitgeven, betalen ; rinen kranken Dau- 
*/)eti hehp.ft^ geen geld bezitlen. Dpti duim ifpereti 
heefi ook Harrebom^, doch in eene geheel ande- 
re befeekenif. Wij zeggen niede van ieinand, 
wien het niet aan geld ontbreekt : hij luin zijtw 
hmulen rfjt^ren. 

Oudaan heeft een ww. deumeiett^ naar ik raeen 
voor duimelen ; Agr. 372: Epikuur (zeit) d<it het 
iza(ul) uit lirhwim en zlel saamgedeumelt (i*). 
Aid. 545: 

fiftnt' fum flenzelven du/ hem uit Panlbtus handrn 
Vet'yif en levensspijs (ptam vallen op de tande/t. 
Xu rftejd ffij, raukt dat onsf dat 'sjnren lany get ecu ! 
Mn/tr 't ifi uw kok gewecst^ die V deumeld ondn* een. 
d. i. duidelijk genoeg: kneedde. Dit ///'i/mWe>j her- 
innert rnij het snbst. dermis voor een klein 
inenKch, bij Schmeller Hans DdutYwling^ nederl. 
klein f>uimpje^ en voor 't welk men thans bij ver- 
bautering dreumis hoort zeggen. Men leest het bij 
I^ngendijk, Oed. IV. 237 : 

— i7; opende rlaar myn kas^ 
Kn ik rond dnt Vr een kleine deumis in vrrschoo- 

len tras, 
D. II. 264 : 

Jfou op ! jon deumis, hen je gek 9 
Herkhev, Akadem. Vertell. I. 149: 

(rij wfuirt hofir alleiHiefste kleine ; 

JU! vmt fu/n zij met I J dodeinen, 

Alff nw PofKitje met haar door een Linden-laan 

Van onze Bnilenplaals uh)u garni; 

En gij als Deumisje in het kUmopprieeUjt\ 

Het Hchnilemnkje inns — 

Duizelen— Duizen. 

Het prim, duizen is le vinden bij Epkema, op 
Jap. 503: dattet him itta ara david ende du8et, 
(I. i. dat het hem in H cor doof en duizelig is. Bij 
Tiling is dussen, hedussen., bedwelnid worden, en 



I 



I 



bij Schmeller dusen^ duseln. schwindlich seyn. 
Vandaar ons duizelen^ draaijerig, bedwelmd zijn. 
Bij Heyns, Bartas* Wercken, II. ii. iU8, lees ik: 

^~ nmer 't fHrnsen en het duvsen, 
W'elck fdeets nocJt grrmter werdt., deed so haee 
j itoren suysen. 

! *k Durf niet beslissen of dit voor bedwelmen ge- 
nomen is. dan voor het geraas, dat het bedwel- 
men veroorzaakt; in den Walewein tuselen^ vs. 
2100: 

De gone viel neder in dat sunt: 
Hi tuselde w). iV xcanem fnvio€i% 
Sadei" voere di hi roet\ 
Sijn hovet utevnuiten neee. 
In het vlaamsch luidt dit w. deuzelen; zie de 
Idiotikons van Schuerroans en De Bo. En bij den 
laatste gaat de bet. van duizelen over tot »niet 
wel te pas zijn, eene wankele gezondlieid hebben." 
Verouderd isheduizelen; Lev. van Plut fol. 9 verso : 
/*// Mvi* Ao lieduselt dat hy op ntaende tH)et een 
sehiekte enz. Fol. 427 : de Eunuchi natnen hetn 
(deti beswijmenden Cyrus) onder hen armen^ soo 
beduyselt als hy was. Oudaan, Roomsche Mog. 
222: die.... tw haar verstand vcrstrikt p»» beduvzell 
nnerden. Aid. 35(i: het water van Stijc..., waar 
mede een..., Wijsgeer dottrluchtige rerstanden zieh 
zouw doen beduyselen. De Briine, Jok en Enist, 
37: verlKiastheit^ daar hem de mcfiighvimde glafis- 
sen.... mee beduizelden. Huyg. I. 462: 
Soo beduyz^Ieii hem de roocken 
Die den Herten-hrand ontsnu)ocken. 
Oudaan, Poezy, I. 122: 

Schoon rook^ en smook^ en stanh\ en gloed^ en 

hlocd en brandy 
Bedompty beduizelt had het gansche Sederland. 
Dez. aid. II. 397: 

Dnt zy^ beduizelt tw« dien slag^ 
hi hunn* bedrieghclycke grand en 
Niet lialf zoo vast xtaan als ze stonden. 
Dez. Ged. 231: 

— van zulk een kracht f}ewusty 
Wttar t'vin Brittanje, noeh beduizelt, kropt met 

zuchteti. 
lieduizelen is dus bedwelmd of duizelig maken ; 
zoo is beduseld in Drenthe nog in zwang voor 
bedremmeld ; waarvoor men in sommige streken 
van Gelderland ook beduusd hoort. De all. he- 
duizcldheid hebben de Levens van Plut. fol. 323 
vei'so. Eene gelijke beteekenis had verduizelen 
i^eds in den Lancelot, B. III. vs. 11617: 
— hi ne horde noch en sach, 
Knde stont verduselt al met alien 
Gelijc als oft hi sonde vallen. 



101 



DUIZELEN. 



102 



Vs. 14675: 

Derward rindic met sfielre vart 
Ende stac drugenen ende sijn part, 
Dat hi 80 verduesselt loas, 
Dat ickene vine — 
En vs. 13899: 

Dock was di slack so groet aldaei* 
Dat hi ter eerden viel daer tmeVy 
Al verduesselt ende in onmacht. 
Grimb. Oorl. I. 199: 

(Si) en hoorden no en sagen, 
So verduselt ivaren si 
Van den valle; — 
Doch ook bij latere schrijvers ; Vondels Pascha, 21 : 
De zorg die 's Konincx hooft met heuren swer^i 

verduyselt. 
Dez. Virgilius, 388: (/«//) vatte met de slinckehant 
lijnen verduizelden vgant by de locken. Bredero, 
Roddrick, 40: 

Myn verduysselde vriendt ei\ hnllif doode Vrouwe. 
Bilderdijk heeft dit ww. meerraalen in zijne poezie 
opj^enomen, altijd in den zin van bedwelmcn, doen 
duizelen; zie inijnc Proeve over* hem, bl. 178. 
Ook Beets gebruikt het, Twaalf Preeken, bl. 166, 
doch in een' ongewonen zin, die mij niet geheeL 
duidelijk is : zoo gy allc ydelheden naloopt^ en van 
dag tot dag in hoar hedwelmenden kring utv kos- 
telijk I even verduizelt. 

In de beteekenis van bedwelmen heefl Kil. ook 
verduysemen, dat we aantrefTen in Six van Chan- 
deliers Poesy, 374: 

De brandklok homde naar. Ik liet de leexiekant, 
Verduisemt, half in 't hetYuL, de denren uitge- 

vloogen. 
In mijn Taalk. Mag. I. 56, maakte ik eene be- 
denking op het gebi*uik van het ww. afduizelen; 
zij is ook van toepas.sing op deze pi. van Tollens, 
Ged. I. 123: 

{De magt) duizelt op zijn grootheid af. (*) 
Op henenduizeleti bij denz. aid. III. 124: 

Een enkle zxicht tot u.... en alias duizelt henen. 
Op nederduizelen, dat Schenk bezigt, Nachtged. 
n. 32: d^ rede duizelt nedr. Ten Kate, Tassoos 
Jeruz. I. 69: 

En de eerste Frank, dien htj omlaag ontmoet, 
Ploft van zijn ros, dat fiaast hem nederduizelt. 
En op omduizelen, Dautzenberg, Ged. 18(): 
Hy duizelt in het dotiker om. 



(*) In bet Wdh. der Nederl. Taal wordt dlt w. genoemd 
eene •stoute, maar onberispeiyke, dlchteriyke ultdnikklng." 
Ik kan bet nog niet toegeven. De Red. slett duizeling geiyk 
met bedwelming. Weinu, zou li) toolaten te zeggen: de 
nuuht bedwelmt af ? 



Van het V7W. duizen leid^e Bilderdijk ons tel- 
woord duizend af, als zijnde het getal dat (door 
zijne grootte) doet duizelen; Taal- en Dichtk. Vei*8ch. 
IV. 9. Deze verklaring, vroeger reeds door Fulda 
gegeven, schijnt minder aannemeltjk dan de door 
Ypeij medegedeelde, Gesch. d. Ned. Taal, II. 62, 
volgens welke het woord eene samenstelling is 
van duis'hend, d. i. tien honderd, en die mede 
door Heyse (Ausfuhrl. Lehrb. d. deutschen Spr. 
1838, I. 625) wordt voorgestaan. Ik moat echter 
bekennen. dat Grotefend aan Fulda's uitleggingde 
voorkeur geeft; zie zijne geleerde Verhand. over 
de duitsche telwoorden in de Abhandl. des frankf. 
Gelehrtenvereines fur d. Sprache, III. 138. Dat 
onze fcchrijvers vroeger duist voor duizend ze\&en, 
en dat zulks ook in Vlaanderen het geval is, wordt 
aangewezen in de Tael- en Dichtk. Bijdr. I. 92. 

Met meer zekerheid dan duizend is van duizen 
af te leiden het verouderde deusig, ond. and. b^ 
Cats voorkomende, I. 367: 

Ontlast u deusich hooft van alle vyse droomen. 
En fol. 180: Loth,.., in deusigheyt van dt^onken- 
schap, syn dochters omtrent hem gevoelende, is 
o^tbesuysdelick weg geruckt, Sprankhuisen, Geestel. 
Bataille, 67: Dan is des Menschen hert op het 
alderswackste, syn verstantop het alderdeusichste. 
Oudaan, Toneelp. 202: 

Bezadig w, Mevrouw, Hzijn deuzige gedachten. 
Bij Van Velthem, fol. 180, dozig: 

Oec was hi geduwet, des geloeft, 

Dat hi al dosech was in Hhoeft, 

Ogier kapt den uitgang af; De Seven Hoofts. 49: 

Soo komter geen besluyt uit Voders deuse Cop. 
Wij zeggen nu duizclig; doch De Bo heeft deuzig 
en dozig; en Wiarda dusigh, schwindlich; het 
Brem. Nied. Wtb. diisig, dosig, schwindlig, tau- 
melig, enz. 

Dummelen, zie Tommelen. 
Dampelen, zie Dompelen. 
Duraelen— Doraohen. 

In het boerenzeeuwsch van Axel is durzelen 
verbrijzelen; zie mijn Archief, II. 161. Voor zoo- 
ver uit de omschrijving met een enkel woord is 
te oordeelen, komt het mij voor. dat dit frequent, 
afgeleid kau worden van dorscficn, bij Kil. derschen, 
bij verplaatsing der r van het oudhoogd. trescaUy 
hoogd. dreschen, eng. to thrash, to thresch, d. i. 
eigenlijk kloppen, slaan. Door gedurig te kloppen 
of te slaan worden de voorwei|)en verbrijzeld. Het 
eng. to thrust, bij Halliwell to threste, stooten, 
kan hiertoe mede behooren; vooral ook to durse, 

bij Halliwell uitspreiden, strooijen, en to durze 

4* 



408 



DURZELEN. 



104 



out^ gezegd van graankorrelft, die door groote njp- 

heid geniiikkeiijk uitvallen. 
Ik merk hier nog op, dat bij UailiweU to dunu! 

ook kleeden beduidt, en dat alzoo dil ww. tot op- 

heldering kan strekken van bet oude subst. doer- 

Jtel^fi, Maeii. Sinte Franc. Levea. vs. 514: 
Sine cledren ffaf lei he$n dan 
Ende nam zine doerselen an. 

in bet Glossar. verklaard door ivodden, fliechte 

kleedereii/' 

Dutaelen— Dutaen. 

Beide wwn. beef! De Bo voor sukkelen. Vol- 
gen« Hoeufll, Bred. Taaleig. is duUelen te Breda 
bekend voor suffen, door hem afgeleid van dutlen^ 
doten^ thans slaperig zijn ; doch blijkens Kil. voor- 
been delirare, waarvan ook het eng. to dote en 
*t fr. nadoter, suffen, raaskallen. IJtd^ zooals 
HoeuiTt te recht opmerkt, gold en geldt nog voor 
delirium; zie het Wdb. des Inst, op Hooft IhtUt 
is in *t vlaamscb de naam van een' armen bloed, 
sukkelaar; ook als adj. Verwant zijn het neders. 
dtutken., sluimeren, verdutzi^ verbaasdenz., welk laat- 
Kte ook gelezen wordt in den Nederd. Helicon, 197 : 
Hwaerrnoedighe hekommemisse^ daerse alreede byna 
in verdutst mten. — In Zeeuwsch Vlaanderen it« 
verduiHen »op den hoi helpen, slecht behandelen." 
Zie De Navorscher XI. 211 ; zoo ook ons duizelen^ 
zie dit woord. — Dat dutselen insgelijks buiten 
Breda gangbaaris, bewijzen de volgende voorbeel- 
den. De Nederlander van 20 Januarij 1852: Va- 
der SmitH^ wider iymit»^ (jlj dutselt weer: Schet- 
sen iiit de Pastorij te Mastland, 297: Seef zit 
daar zoo te dutselen en te mu/fen onder die b'oe- 
ren, hij heeft wat opbeuring noodig, Busei-, Kla- 
roengalmen, 121: 

h het wonder, dat de krijqsman,.,. 

Eindlijk door den slaap verxvonnen^ 
Dutselend daurhenen gnat! 
Zie wijders Dodderen. 

Dwarelen— Dwareu 

fJwareff is het gewone waren (als in rondwa- 
reti) met d versterkt. Het freq. gebruikt Bilder- 
dijk, Rotsgalm. I. 196: 

Een dchherende ho(tl^ die dv^irs door klippen 

dwarelt. 
Affod. n. 106: 

— hoe U zichthaar At in zijnen maaltttroom dwarelt. 
Sprokkel. 99: 

De eeuwge Bonwheer sle4'htjf dier wareld 
hie voftr ons geziehf ztm dwarelt, enz. 
En elders, zie mijne Proeve over Bild. 40. — Oiize 



dicbter verkoos bet om op zijn »waf eld'* te rq- 
meo, gelijk men om dergelijk njm leest in de 
Herst. Uitgel. Ged. 79: 

Op dat de tmnen lawjn d" l^itheeuuie UYingen 

dwaarlen, 
Dit past uw ZantjgodiiL, doorlagtige ran BaarCtti. 
En bij Jan Vos, Ged. I. 47: 

Wegh met $teenen^ v:egh uiet paareietu, 
Hier eiaciit steen noch fxtarelsnoer; 
Want de traanen^ die hier dwaarelcMi, 
Strernnien nu tot ^terleifnoer. 
Dwarelende^ d. i. rmidwaretide, tranen is niet fraai 
gezegd. Van der Hoop heeft nmdwarelen ; Henegaat, 
OpdracbU 7 : 

De Dichter^ die voor eedler roeping btiuikty 
D<ui die^ waarvoor de winzucht onimedwarelt. 
Hier heeft bet voorzetsel den klemtoon, docb niet 
in doordivareletu, bij denz. De Kon. v. Home, 31 : 
— Sneller dan de zon hear baan doordwarelt. 
Men heeft ook dwerelen (zie dit woord), en latere 
dicbters, zicb naar WiUen Geysbeeks puntdicht 
onzijdig willende houden, verkiezeu dwaerelen; 
Scbinmiel., Verspr. Ged. 102, als rijni woord op 
waereld en bepaereld: 

't Voetjen u^nkt,, het fukj/dtjen dwaerelt. 
Beter echter, het rijm nu daai'gelaten, ware hier 
om den zin dxvarrett gezegd. Ten Kate, De Pla- 
neten, 30: 

Wai wolk omdwaerelt 
Mijn zinneti dun? 

Dwarrelen— Dwarren. 

Dwarreletu, ook dwerrelen^ zijn voor %var}*elen^ 
tverrcletu, met de d voorop, van warren, wert*efi. 
Zij worden vooral gezegd van damp, rook of der- 
gelijke voorwerpen. Tollens, N. Ged. II. 29: 

Een zwarte rookuyolk dampt en dwarrelt naar 

den hoogetu 
De Gids, 1870, D. III. 4(52 . Donkere rookxoolken dwar- 
relen over het ptein. Lulofs, Louise, 26: een wolk 
i^n rook dwarrelde ter zijde nit naar den hemel. 
Buser, Klaroengalmen, 140: />andwarrelt dekruid" 
damp..,, om den doode, Lulofs, a. w. 117: waar 
de nvondwind bontkleurig loof van de boonien deed 
dwarrelen. Schimmel, Verspr. Ged. 145: 

Den kreet nan Cratiges bootyi..., 

(Die) d4}or den kokos klept en in de zandzee 

dwarrelt. 
Huisinga Bakker. Poezy, III. 66: 

Doer de Maegd nog dnht en dwerrelt, 
Al9 verlaeti met heel de werreld, 
Hier korat de bet. nabij aan die van ronddwalen, 
zooals ook in ^Starters Jan Soetekau, 6: 



405 



DWARRELEN. 



106 



Veel houweu wal van 7 vryen, tnaer my duncki dnt 

het niet veel on} 7 lijf keU 
bus tv, loofjen dwarlen langfis de stntet! en dim 

noch ien spijtigh angttcoord. 
Mel een omschr'rjvend voorvoegsel verbondeii, is 
de bel. nog eigenl. in opdxoarrelen; H. H. Klijn, 
De Driften, '29: *t opgedwarreld stof. Dez. (red. 
(tweede druk) I. 15: het opgedwarreld zmid. Bl. 
151: 't opgedwarreld kaf, — Daartegenover staat 
nederdwa}*relen; Siffld, N. Ged. U. 208- 

Vdok dwarlde diifte jat/tsneeuw ne6r, 
Als xvolken z liver stof. 
Ill rondduxn^'elen; Van den Broek, Nag. en Verspr. 
(led. 114: 

— die wolkkoloni^ 
/>i<i*runddwarll in de tempelboyen. 
Doeh overdrachtig bij Vondel, Dav. Harpz. 70: 

— terwijl de tven'elt 
Wist woelt en orumedwerrelt. 

Bilderdijk, Ibn Dor. (2e dr.) Voorb. 2: mijnecutn- 
doenlijke zieL... die.... in fiaar eigen Athmos- 
feer \xin ve/'beelding omdwerrelde. Dez. Spiegh. 
Hartsp. 96 : 

Wie slant den fteilweg in en dwarrelt niet ter ztj? 
Dez. Verspr. Ged. II. 36: 

— niets bleef ooit de }xilen in 
Van c/' eensgezetten tocht^ 
Maar dwarrelde af naar eigetizin. 
(Deze volzin is foutief ; het onderwerp ontbreekt). 
Tollens, LaaUte Ged. I. 188: 

Mijn uitzigt dwarrelt weg in rook. 
Onpersoonlijk komt het ww. voor bij S. J. van 
den Bergh, De Geuzen, 37: 

'( Is wintertijd. Al dichter 

volt sneeuw en hay el ne&r; 
Het klettert tegen 7 venstet*, 

en 'I dwarrelt heinde en veer. 
De Marquis De Thouars heeft gezorgd, dat het 
onzer tale niet aan een primitief ontbreekt; Let- 
terkundig Mag. 1835, D. II. 44: 

— myriaden starren^ 
Die doot* de onmeethre sferen dwari*en. 

De GiUdel van Antw. II. 125: 

Dat stuifzandy dat door 7 luchtruim dwart. 

Dwemelen- -Dwemen s 

Het freq. dwemelen kwani mij voor bij Pers, 
Bacchus Wondei*werkken (aang. in het Tijdschr. 
Nederland, 1853, n^ 4, bl. 278) : 

Geen wynen ftebben kracht^ noch yeene soete 

drancken^ 
V En zy die zijn gestooft met dese lieve rancken^ 
(ieselen in de smis, bedwemelt van den ^^oock^ 
Bekrosen i^an de lucht, bestoven van de smoock. 



Dit WW. is van dwemen., zonder de versterking 
wemen, middelhd. ivemman^ bij Graff wemmian, 
bevlekken, bezoedelen; bi-wemmian, bederven, 
schenden. — Het Brem. Nieders. Wtb. kent dwei- 
men en dweimelen, doch voor wankelend of tui- 
melon d gaan. De begrippen van bevlekketu, .beuKil- 
men., echter (Hi we^nelend bewegen zijn niet zoo 
uiteenloopend, of er kan aan een' gemeenschappe- 
lijken oorsprong der woorden dwemelen en dwei- 
melen gedacht worden; gelijk ook Schmeller, IV. 
75, verband stelt tusschen wmnnian en immtne/i, 
waarvan wimmem, ons wemet^en. 

Dwereleu— D weren. 

fhverelen komt in beteekenis overeen meidwa- 
relen^ dwarrelen; Maori. Rijmbijbel, vs. 2618: 
[He 9nviere daU die werelt, 
Da^r die stroorn in keert ende dwerelt. 
Poot, Ged. Hi. 108: 

— o tyt^ die eeuwigh zwiert en dweralt. 
d. i. ronddwalende of warende beweegt. Pers, 
Bellerophon, 153 : 

Offer een tnet steentjens lonckt^ 
Die voor d' oogen dweerlen. 
Thirsis Minnewit, I. 20: 

7 Gezigt my dwereld duar voorby^ 
Zo loopt de Stroom genaamd het Y. 
Brandt, De veinz. Tprquatus, 37: ach^ wat dwee- 
relt In myn heerschzugtend brein f — Zoo is het voor 
dwalen, verdwaald raken, bij De Brune, Jok en 
Ernst, 311: 

Wat's 7 weegjen dat fiaar scheit f een graf van 

mer*ge kvsjes, 
IJaar <f eere dweerelt in, 
Voor ronddwalen (naar het schijnt) in Severijns 
Mengel. I. 26: 
{Een ster) Wa^H)p het oog der kleenste wet*elt 
Als op een wonder-fakkel dwei'elt. 
Verdwei^elen komt i*eeds in het middelned. voor; 
Blommaerts Oudvl. Ged. Ill 8: 

Tot dat hi vaert van deser wet*elt^ 
Die valsch is endc verdwerelt. 
Aid. 73: 

Du prijs die giften van der wereltj 
Die valsch sijn ende verdwerelt,- 
Jegen die scoenheit van den trofie^ 
Die de zalige hd>ben te lone. 
De zin is bier niet duidelijk; ik denk het liefst 
aan spoedig voorbijgaand, vergankelijk, wat schie- 
lijk daarheen dwarrelt of dwerelt. Dit is dus in- 
transitief ; doch transitief komt hetz. ww. voor bij 
G. Japiks, Hulde, U. 154: 

— air wat we'erzijdsche Indien schenkt, 
En Moore en Noor^ ten ptxiel verdwerelt. 



107 



DWERELEN. 



i08 



Er schijnt bedoeld te zijn: verdoel, verkwist, ver- 
spilt. 

Dwerrelen, zie Dwarrelen. 
Dwingelen— Dwiagen. 

Het freq. duxingelen is gebezigd door den dich- 
ter Simon \'an der Waal, in een zijner prijsverzen, 
Poet. Mengelstoffen van het haagsche Genoot- 
scLap, II. 282: 

— »choon ^t U vaardig mogt gelukketi, 
hi OMijm Unaarwensch7iatuurlijkuittedi^tkken, 
Het dwingelend gehruik hragt U in slavemij, 
7 Wil, dat het laatste woord van H vaersy een 

rijmklank zij. 
Bilderdijk had dit vers van zijn* kunstvriend kun- 
nen inroepen tot bevestigfng zijner stelling, dat 
and in dwingeland een participiale uitgang is; zie 
zijne Verh. o. d. Gesl. bl. 55. Ook Kil. en Ten 
Kate, II. 175, zagen in het genoemde subst. zulk 
een' uitgang, de laatste zelfs met aanvoering van 
een i)oud frequentativum dwingelenJ* Zoolang 
echter het bestaan van het »oude freqnentativum'* 
niet is bewezen, mag men het beschouwen als aan- 
genomen ter gunste \an de vermelde afleiding 
van het subst. dwingeland, Indien Ten Kate daarbij 
opmerkt : »Die meenen mogt als of dit een Gompo- 
situm van dwinge en land ware, om dat een Tijran 
zijn volk met dwang bestiert, zal niet overwogen 
hebben, dat dit tegen onze samenzetting strijd, 
dewij] het dan zou moeten geweest zijn landdwin- 
ger*^ — kan men daarop antwoorden, dat samen- 
stellingen als die van dwingeland in onze taal 
gansch niet ongewoon zijn, ja zelfb meer gewoon 
dan substantieven met den participialen uitgang and. 
Men denke aan stokebrandy hangedief^ toterkwaad, 
vraagal, weetniet^ doeniety aWedrijf^ albedil^ kwist- 
goedj kwistpenning^ spUpenning^ splijtmijt bemoeial, 
roerdepot enz. Het eigen ww. dwingen levert meer 
voorbeelden van die soort, b. v. dwingemerkt^ bij 
Iluyg. I. 45(5, voor merktdwinger^ en twinghert, voor 
hartdwinger^ door Gvjsbert Japiks meermalen op 
Amor toegepast, zie Epkema, 505. Er is derhalve 
niets onwaarschijnlijks in, dat men iemand van 
tirannischen aard een' dwingeland genoemd hebbe, 
en zulks te minder als men overweegt, dat in de 
vijftiende eeuw en later in Duitschland de bena- 
ming van landzwinger in zwang was voor land- 
loopers, inzonderheid afgedankte soldaten, die op 
hunne vuist leefden en den goeden burgeren veler- 
lei overlast aandeden; zie Schmeller, IV. 306. Dit 
landzwinger, tot het voor ons vloeijender dwinge- 
land omgezet, is genoegzaam om ons niet alleen 
het woord, maar ook zijne toepassing te verkiaren. 



Dat Feitama in dwingeland eene afleiding en 
geen samenstelling zag, blijkt uit zijn vervrou- 
welijkt dwingelandes, Tooneelp. II. 4. 



Eekelen— Eeken. 

In Six van Chandeliers PoSsy, 109, leest men : 
Geronster niet zoo oud, vliet verdertjes van 't 

suideft^ 
Omeekelt met een plein voof* wandelefide luiden. 
De Geronster is eene fontein te Spa, en omeekelen 
van otn-eeken, d. i. met eeketi of eiken beplanten. 
Die beteekenis is ook aangewezen door Hinlopen 
in de Verhandd. der L. Maatsch. II. i. 248. De 
eik heette vroeger eek, waarvan eekelboojn voor 
eikenboom; Lev. v. Plut. fol. 129 verso: hy hadde 
lateti afhouwefi een hoogen ende rechten eeckelboom. 

Emelen— Emen. 

Volgens De Navorscher, 1856, n". 6, bl. 181, is 
efneleti groningsch voor talmen; wat ^^n zal zijn 
met eamelen^ neulen, malen, vervelen, bij Wassen- 
bergh, Taalk. Bijdr. I. 27; teemen, door onaange- 
name redenen vervelen, lastig zijn, in de Vrije 
Fries, I. 172; bij Epkema aemeljen^ tellen, met de 
grondbeteekenis van drentelen, malen. Het prim. 
enxen schijnt mij toe overeen te komen met het eng. 
to aim, mikken, gissen; oudfr. esmer, aesmer, 
aemer, wanen, meenen, gissen; middelhd. dmen^ 
meten; faoogd. a/ime^i, peilen; zie Schmeller, I. 54. 
Het ongewisse, onbestendige, wankelende, bchijnt 
het hoofdbegrip te zijn, dat door al de opgenoemde 
beteekenissen heenloopt. 

Entelen— Euden. 

Volgens de plaatsen waar entelen voorkomt, 
schijnt de beteekenis te zijn twisten ofdoorgesta- 
dig berispen iemand kwellen ; Paflenrode, Ged. 175: 

Want anders en hoar ik van onsen ouden yiiet 

anders dan kyuen en entelen. 
Kl. van de Uyterse Juffers, II. 8: 

Maer mynen Droogkloot sie *k liever gaen als 

kommen. 

Dat en tele ben ick so moe als gespoge speck. 
Hiermede komt vrijwel overeen entet^en, dat 
Schuermans bee ft voor » malen, zagen, met woorden 
lastig vallen," dat echter een' anderen oorsprong 
kan hebben; zie Enteren*. 

Het primitief enten kan zijn enden, anden, bij 
onze Ouden ond. and. verstoord of boos maken, 
hinderen, kwellen, beteekenende, middelhd. and^ 
hoogd. ahnden; zie Huyd. op Stoke, II. 451, Clignetts 
Bijdr. 367, Halbertsma op Maerl. 50, en Benecke 
en Adelung. Schmeller heeft antelen in den zin 



109 



ENTELEN. 



HO 



van pori'eu, verontiiisten, dat hij vaii hotz. anden 
afleidt, bij hem inede berispen beteekenende (I. 
74 en 85). 

Etelen— Eten. 

De Teuthonista heeft elelen voor kn«^eii, gra- 
ven. Ik versta dan etea in den llg. zin van inbij- 
»en, zooals wij spreken van woi'telende hanker^ 
Uetetide of invretend^'. i*oest en derg. Zie ook 
Fretelen. 



Faggeleu— Fakken. 

Volgens het getiiigenis van Siegeubeek, in de N. 
Bijdi. ter bev. van het. Ond. en de Opv. 1833, bl. 
565, is fa(j(jelen nog in gebruik voor los daarhe- 
nen gaan, zonder zich te verraoeijen. Waar het 
WW. raij voorkwam, heeft het den zin van wagge- 
lend gaan, los daarheen gaan, heenwaggelen; 
Oudaan, Poezy, II. 203: 

Wat toe ft (jy lieve JA'pelaers, 
Al is V een weinu/ binneits jaavs^ 
Wilt dan niaar haastiij hene fagg'len. 
Rabus, Rijmoeffeningen, 72: 

7 Vuile zwijn^ yemeitt, en yrof, 
Faggelt mee allenjr na hoven. 
Paffenrode, Ged. 158: 
Ik liet iuuir praaten^ en ik faggelde alweerann 

iHHfrt. 
Van Elfen, Holl. Spect. V. 461: Hy faggelt zonder 
uitstei mee^ want hy nioyt wel een dropje. — 
Wolsschaten, De Doodt vermaskert, 5, wordt van 
een klein kind gezegd : Onsen kleynen Fagghelaer 
die hebdy hooren roepen om hidpe, Doch, van 
.suffende en diibbende grijzaards; Van lloogsti'aten, 
Haegaenveld, 63: de braefste Jomjelingen.,.. enzel/ 
Suffers, en verwaende Faghelaers. — Op de faggel 
is op den loop of drentel; Kolm, Malle Jan Tots 
Boert. Vryerij, 2: mieu jy.... sturen my slechts 
ooort op de faggel ? — Zulk gaan als hier bedoeld 
wordt beet ook wel imiggelen^ en zoo van faggelen 
geen primitief aan te wijzen ware, zou men het 
laatste voor hetzelfde als het eerste kunnen hou- 
den, met verwisseling der w in /*. Doch wij heb- 
ben het ww. fakken in dezelfde beteekenis ; Vincent, 
Loon naar Werk, 8: 

Als ik dan met ttve drie bakken 
Engelsche Oesters aan kwam fakken. 
Vuor dit laatste heeft het Brem. Nieders. Wtb. 
fakkeicH, omloopen, zwieren; in verschillende 
dialecten fnckeln^ bij Keinwald voor omloopen, 
l>euzelen; Von Schmid voor heen en we^r gaan; 
^clunidt (Westerw. Idiot.) zich heen en wedr be* 
wegen, rondloopen; Schambach talmen, veel om- 



slag maken, langzaam te werk gaan; Scbmeller 
langzaam te werk gaan, dralen. Deze beteekenis- 
sen zijn alien zoo nauw verwant, dat men faggelen^ 
fakhelen^ fakkeien en fakken voor dezelfde wwn. 
meet houden. 

Voor fakken hoort men thans wel fokken. Men 
leest dit bij Langendijk, Ged. I. 494: 

— straks wierd het lichaam stijf; 
Hoar gecst ging aanstonds henen fokken. 
Van fokken voor gaan in het bourgoenscb dialect 
zie men voorbb. in het Belg. Mus. I. 450. 

0ns freq. faggelen komt mede bij Strodtmann voor, 
doch in den zin van uitvluchten zoeken, en flik* 
flooijen, welk laatste bij Reinwald en in het Bi-em. 
Nieders. Wtb. ook aan fakkehi, en bij Scbmeller 
aan facken wordt toegekend; een nieuw bewijs 
voor de identiteit der drie werkwoorden, ja ook 
fokken kan men daarbij opnemen, dat Scbmeller 
met facken gelijkstelt, zoowel als met foppen, dat 
onze volkstaal mede kent, en dat eigenlqk zegt 
door pluimstrijkei-ij of schoonschijnende redenen 
iemand misleiden. Zoo gebi*uikt Bredero focken^ 
Angeniet, 58: 

Maer waer toe streckten dan haer Crocodille 

tranen? — 
Om a te focken, svo dat ghy geen arg soud 

tvanen, 
Hiervoor zouden wij thans zeggen : om u te foppen, 
een woord dat aan Uoffmann v. Fallersleben niet 
bekend was, toen hij foberdie en fobitasie trachtte 
te verklaren, Hor. Belg. VI. 248; anders zou hij 
ons fopperij en foppasie daarin herkend hebben. — 
Men verwisselde fokken en fakketi ook in een* an- 
deren zin en 't laatste thans met pakken, (zie 
Fakkeien), 

Door dezelfde letterwisseliug van de /' met //, 
namelijk, heeft Van de Venne voor faggelen, het 
frequent, paggelen, in denzelfden zin van daarheen 
waggelen; Belacch. Werelt, 42: 

Sleeptj en maeckt een kieremier. 
Scharle-beefit^ eti streeft, en waggelt, 
Schongel-narremt,' puft en paggelt. 
Bl. 260 aldaar is het ww. bedrij vend, naar Hschijnt 
voor schudden: 

Hodd* ick jou thans in een Mangde (d. i. mande), 
'k Souje pagg*len op men Lijf, 
En omwinden ixist en stijf. 
Bij DeBois faggelen moeijelijk gaan, zooals kin- 
deren, oude of kreupele lieden; doch bij Schuer- 
mans vwroeten," misschien niet al te juist 

Faggen is de naam van lets, dat tot de vrou- 
wel»jke kleeding of opschik behoort, doch waarvan 
de oorsprong mij onbekend is ; De Bi une, Bancket* 



Hi 



FAGGELEN. 



112 



werck, II. 179: De pronckerije is noch eenighMns 
te lijden^ in (fie teethe kwide {kunne)^ die op haer 
kaeckel'bonte fagghen verzot zijn^ ghelijck een be- 
delaar op zijn go-korf. 

Fakkelen— Eakken. 

In het vlaamsch, althans ie Gent, is fakkelen 
een kinderspel, bestaande in twee, vier of meer 
stukken van grifTels, pennen of knikkers op den 
rug der hand te leggen, ze omhoog werpen en ver- 
volgens met dezelfde hand gi-ijpen; zie De Toe- 
komst, XII. 460. In het Alg. VI. Idiot, is fakke- 
len kaatsen, en wordt dit afgeleid van fakkeh^ 
grijpen. Die afleiding wordt door het genoemde 
kinderspel bevestigd, Hwelk toch alleen bestaat 
in een grijpen met de hand. Kil. noemt fakken 
vlaan\8ch voor )»grijpen, apprehendere" Men leest 
het w. bij De Hardnyn, Goddel. Wenschen, 969? 

— His onder uwe tctcken 

Bat ick vermoeyt ben vindende mijn rust^ 

Niet om den slaep ghemackelijck te facken, enz. 
Wij zeggeii gemeenlijk:den.slaapvatteM. Diezeifde 
Bchrijver heeft herfakken in gelijken zin, aid. 925: 
— soudt wederom my lusten 

Op 'tselve, 800 ick pUicht, f herfacken mijne 

rustenf 

Neen, Liefste^ sonder u en hehb* ick gheenen vaeck. 
In den meer letterlijken zin van grijpen is ontfakr 
ken (lees misschien omfakken), aid. 342: 
Als de Wijngaert die hem vlecht 

Slim en recht^ 
Rondt omm* die otlem^Uicken,,.. 
Soud^ ick u heel ontfacken. 

Wij zeggen voor fakken in denzelfden zin pak^ 
kenj dat blijkbaar met eene gewone letterwisseling 
hetzelfde woord is en waarvan aanpakkerL, d. i. 
aaiigrijpen. Ook zal met fakken wel ^n zijn het 
vroegere fakken^ pakken, aangrijpen; Valckoogh, 
Kegel der D. Schoolm. 9: 

D'eersle maent moet men hun alaen noch focken. 
Houwaert, Lusth. der Maechden, II. 148: 

— zoo ick mijn dicht begost by een te focken, 

Zoo waren mijn versen al amoureuse dinghen. 
Voor minnehandel drijven vindt men dit ww. in 
Garons klucht van Houtebeen met Els, 2: 

Hy hout meet' van Uoer Mary^ of goelijcke Griet, 

Die hy doer fltis met sulcken furye in huys 

locktCj 

En Htrackx achta-in de loots eensln^tich fockie. 
Verg. het eng, to fuck^ eene vrouw oneerbaar betasten. 
Voorts in de spreekwijs bij de ooren fokken, R. 
Visscher, Brabbeling, 49: Elck een wilt ghy be- 
lacchen, en hy d' ooi-en fokken. Hoofts Brieven, 



n. 6: (my) die niet genoegende cum UE. by de 
ooren gefokt te hebben met dit Gedicht, eenen 
tweeden torn met het zelve koom doen op UE. oogen. 
— Zie wijders Oudemans' Taalk. Wdb. op Hooft 
en verg. ook Faggelen. 

Fartelen— Farden. 

Farielen leest men bij Jan Zoet, Zabynaja, 42: 

{Zy) zey : wat meent den baasy wel hey! is 

kan niet vliegen. 

Mil leegze op U fartelen. 
D. i. gaan, loopen ; waarvan ook op de fartel vcor 
op den loop; zie N. Ned. Taalmag. IV. 85 en 86. 

Voortfakkelen meen ik te moeten lezen iA de 
Boertige klucht Vande Saus (Amst. 1679) b\. 4: 

Eeti Diender doer niet veer van daen quam 

voortgetartelt. 

En riep Burgers hout vast, dat hyje niet ont" 

spartelt. 
Een WW. sarteleti heb ik niet kunnen opsporen, en 
in den druk verschilde de lange s van de /'weinig. 
Volgens Martinet, Het Vaderland, is fartelen in 
Westfriesland "bheen en weer loopen, zonder iets 
uit te voeren"; zie aid. bl. 372. Gelijk wij ge- 
woon zijn de ww. oppakken, wcgpakken, le bezi- 
gen voor heengaan, wegloopen, acht ik fartelen 
in den gemelden zin genomen van het eng. to 
farthell of to fat^d, bij llalliwell oppakken, in 
'tfransch fardeler, 

De oorsprong des woords ligt in het fransche 
farde, spaansch en portug. fardo, fr. fardeau^ oudfr. 
fardage, pak, baal of bundel, eig. een last dien 
men voert of draagt ; waarvan het fr. ww. farder, 
dat bij ons farden zou luiden, voor zwaar druk- 
ken, door den zwaren last inzakken; in het bre- 
tonsch farda^ laden; voorts het eng. fardel^ een 
last, ook farthel (zie Nares), hoogd. fardel, ne- 
derl. bij Kil. fardeel; zie Diez, Etymol. Wtb. I. 
173 en Scheler, Diet. d'Etymol. 131. 

Eig. zou men als prim, van fartelen voor loo- 
pen, wegloopen, mogen stellen varen; want dat 
met dit w. de bovengemelde verwant zijn, blijkt 
uit ons vracht voor last, dat door verplaatsing der 
r hetzelfde is als fahrt, in H hoogd. »zooveel men 
(op het hoofd) voeren kan," gelijk wij ook spreken 
van »een voer hooi." Zie inzonderheid Von Schmid, 
die de verwantschap van fahrt met fardel aan- 
wijst. 

Fazelen', zie Bazelen. 
Fazeleu'— Fazen 

In HoeufTts Bredaasch Taaleigen is fazelen uit- 
rafelen, bij Ten Kate vazelen, anders gewoonlijk 



113 



FAZELEN. 



114 



vezelen genoemd ; zie dit woord. Zoo heeft Bil- 
derdijk, Rotsg. I. 74: 
De lang verkt*tmipen mitar lot fuazlens a/V/e- 

speeld. 
Bij Kil. is fazelen^ ook faceleri gespeld, lets doen, 
verrichten, zich bezighouden ; spelling en om- 
schrijving toonen, dunkl mij, dal aan het )at. facere 
gedacht is. Het prim, fazen^ e6n met vezen, fa^en^ 
in het Brem. Nieders. Wtb. en fasen bvj Strodt- 
mann, kwam mij voor, in den overdrachtigen zin 
van zich met beuzelingen ophouden, talmen, waar- 
voor men biJ Schutze het frequent, faseln aan- 
treft, in Rosseaus Zingende Kraaraer, 20: 

Jflf. antwoarden t'A hoar, en wn/ stonden niet lang 

te faaze, 
Maar gingen na de kei^mis. — 
Dez. Aran en Titus. 20: 

Ik ifweer 6 aaVge schim^ dat sonder lanq te 

faasen, 
Van avond Titus huys sal raake tumder glaasen. 
Aid. 30 : men faast niet langer hier. Dez. Verjaarf. 
van Venus, 67 : 

Dcuir werd beget niet lang gefaast. 
Doch voor drentelen^ bij denz. Zingende Kraamer, 22: 
WiJ hetcuUden ook ons gelag en gingen na huys 

toe faazen. 
De Helsche Kermis, 95: zoo faasden Bagchvui hee- 
nen. Verjaarf. v. Venus, 12: 

Elk die faasde van beneden 
Na de eetzaal — 
Fazel is bij Kil. ook voor embryon; dus De 
Brune, Bancketwerck, II. 99 : Eeti fazel of onge- 
boren kind. — Hoogd. der Fasel, zie Adelung. In 
dezen zin vindt men: d'eerste fasel-clomp voor 
chaos, Zeeusche Nachteg. II. 59. 

Vandaar 't hoogd. yrvr, faseln^ voorttelen, zich 
vermenigvuldi({^n, bij Kil. fnselen, liberis operam . 
dare ; voorts uitdijen, gedijen ; bij Vop Schmid 
fasen^ faseln, gedijen, nuttig zijn ; bij Reinwald : 
es faset nicht^ het gedijt niet. Vandaar dat in 
het Belg. Mus. II. ill, de i>man" tot het owijf 
zegt : goey foes ! d. i. \ gedije, lukke wel ! Eenige 
regels hooger luidt dergelijke greet : schooti spel ! 
V^^illems legde goey foes uit door vgoed gerafel"(0 
en verstond het woord dus even weinig als 't "ww. 
fasen^ eenige bladzz. verder, 133 : 

Duufkens met eye>*s ghefaest 
En zijn ooc niet qtuiet, — 
»met dooreengeslagen eieren" zegt hij. 't Is )»duif- 
kens met eijeren gemild" Waarvan ook opfazen; 
Woordenstrijdt tusschen de Passion en de Reden, 16 : 
Gemesl nu als een vette sun/n^ 
En opgefaest als een Cappoen, 



Zie Kil. op fasen. 

Femelen— Femen. 

Femelen is 6^n met fimelen^ fijmelen. Kiliaaii 
onderscheidt tweederlei fimele7i ; het eene voor wol 
kaarden, de noppen afpluizen, van het subst. fimel^ 
femel, en hetwelk bij uitbreiding de beteekenis 
erlangt van talmen, en voorts muggeziften; het 
andere voor de vingers bewegen en wellustig dar- 
telen. Het eerste beschouw ik niet als frequen- 
tatief ; zie daarover mijn opstel in De Taal- en 
Letterbode, O. 302—6. Wat het laatste betreft, 
Schambach heeft daarvoor vammelen^ vimmelen^ 
vummelen^ grabbelen, tasten (in onkuischen zin); 
van welk laatste w. men den klank terugvindt 
in foemelen, in het dialect van Maastricht gang- 
baar voor dartele beweging met de vingers ; zie 
mijn Archief, III. 355 ; Strodtmann : femelen^ fi- 
melen^ met de vingers zacht strooken of daartus- 
schen rollen ; en het Idiot, van Reinwald eene uit- 
drukking, die zoowel het primitive als 't frequen- 
tative WW. bevat, namelijk fimelen und fdmen 
voor in hert donker om zich heenvoelen. Rein- 
wald, het is zoo, brengt dit fdmen tot abfdmen^ 
d. i. afschuimen, doch ik zie daarvoor geen' grond. 
De bijeenstelling der wwn. fdtnen en fimeln pleit 
zeker voor eene gelijksoortige beteekenis, en bij 
zooveel overeenkomst in vorm, ook voor gemeen- 
schappelijken oorsprong. Daarbij zegt het deensch, 
volgens Fulda's Idiotikensamml. fameln voor win 
het donker met de hand voelen." Outzen heeft 
daarvoor famlen en famble en doet opmerken dat 
het ijslandsch falma zegt, 't welk aan het angels. 
folm^ handpalm, doet denken. Het nederlandsch 
kent femeleti en fijmelen, voor zacht aanraken ; 
Orizandts Heraclitus, 253: dat hy dan aen dat 
schaAelijcke aes des bedrogs niet en spele, twch en 
fimele. — En voorts voor folen of betasten (op wel- 
lustige wijze), alsmede minnehandel drijven.. het- 
zelfde wat ook de eigenlijke beteekenis van fom- 
melen is (zie dit woord). Dus Jonctijs, Rosal. 
Oochjes, 137: 

0, geneuchelijke iuwht ! 

Woeld en wemelt heele nachjes^ 

Foold en femeld }ieele dagjes^ 

Kusl en blust uw lieve lust. 
En zoo ook Jan Vos' Gene (kl. 8o. druk van 1658), 24: 

De Dochter tegen de Moeder sprak : 
Zijn hert is as ien Turf; 
Want hy en kannw niet Fymelen, 
Fymele, Fymele, Fymelen, 
At was 't0ok dat ik sturf. 

Bakt hem dan een struyf van Ayeren^ 



415 



FEMELEN. 



116 



En schenkt hem dan de Wijn, 
En kan hyje dan niet Fymelen, 
Fymele, Fymele, Fymelen, 
Zoo moet hy ten hoeteUuir zijn. 
Ook voor fommelen, in de minder dartele betee- 
Jcenis van met de hand vouweii, heeft men fijnie- 
len, by Gats, II. fol. 595: 

En fymelt m4it met u servet. 
Want dat is tegen d'ondi' wet. 
Volgens Weil, is ontfijmelen een geldersch woord 
voor Etil ontnemen, wat men anders heet : afhan- 
dig maken. 

Hoewel min of meer gewijzigd, komt de zin van 
de wwn. fommelen, fimmelm, fijmclen, funelen, 
feinelen, altijd neder op betasten, en het moet, 
dunkt mij, a priori waarschijnlijk zijn, dat zij af- 
komen van een naamwoord, dat ^land beleekent, 
en zulk een naamwoord kent de nederl. volkstaal 
inderdaad, zoowel als het gemeene hoogduitsch; ik 
bedoel het woord feern, in Grolmans Wtb. der 
Spitzbuben-Sprachen ^Fehme en Vehm, Hand; die 
Fehme sleeken, die Hand geben." Op gelijke wijze 
komt fecm bij een paar nederl. platte dichters 
van de vorige eeuw voor; Van Hovens Leedige 
Uuren, 28, aan een Bi-uid en Bruidegom : 
Opdat dit blykcti mag voor alien 
Die ik hier tot getuigen neem, 
Zo zult gy op uw gat neer vallen^ 
En geeve elkadr de linkerfeem. 
Hosseau, Aran en Titus, 52. 

— 6 Ouwe gryse teem^ 
Ik breng gelyk gy siet u afgekapte feera. 
En De Regts Mengeld. 72, in een Ossenkoopers- 
zang: 

d'Eene sprak defi ander an : 
Hei ! dat is schrick van hoorenman ; 
Slaa je feem etnis in de van gen, 
Zesmaal honderd pond weegt elk, ik wil me 

laaten hangen. 
En het w. bestaat nog in het dialect van Zele; 
Belg. Mus. I. 450 : dokt hem ne ronderik aen zynen 
feem, d. i. doet een* ring aan zijne hand. Het eng. 
bij Halliwell heeft het subsl. famhles voor handen, 
en in Grose's Class. Diet, of the Vulgar Tongue 
fams in dez. bet. Mij dunkt de afleiding der wwn. 
femen en femelen van dit feem ligt zeor voor de 
hand. Femelen verschilt alleen in klank met de 
andere vormen, onder welke dit freq. bij ons en 
in de verwante dialecten voorkomt. 

Gelijk fommelen dooi- invoeging der r tot from- 
melen is geworden, hoort men in de volkstaal 
voor fimelen ook wel friemelen, b. v. hrj frietncU 
met de handen in den zak, waarbij zich eene 



nuance in de beteokenis opdoet, als tusschen /mm- 
melen en fommelen is op te merken. Zie dit 
laatste. 

Ferpelea— Ferben 

Fcrben is het hoogd. fdrbeti, nederl. oenven. 
Vandaar 't hoogd. ww. fdrben, in het zwabisch 
door leugen opsieren, wit maken; bij Adelung ge- 
fdrbte Freundschaft. Wij zeggen in dien zin 
kleuretk en veniissen. Vandaar het subst. ferpel, 
en verpel, raisleiding, bedrog, bij Nijhoff, Gedenkw. 
uit de Gesch. v. Geld II. 76, 96, 107 en 135; fer- 
pely, argelist, in den Teuthonista; forpel, in de 
Ged. van Van Hildegaersb. 149: 

— wye sijn sellout verghelden wil 
Sonder forpel of geschil, 
Die hmute zijn rekeninghe recht. 
En het freq. fetpelen, waarvan beferpelt, vooi* be- 
drogen, misleid, bij Van de Wall, Handv. van 
Dordr. 531. — Volgens Nijhoff, h. a. w. bl. 76, 
leest men in Kremers Acad. Beitrage, I. 68, 79: 
Argelist, hrpel und behendigkeit, — 't Freq. far- 
beln kent ook Schmeller, voor wat wij in het kaart- 
spel klcuren noemen. 

Feuzelen, zie Beuzelen. 
Fezelen, zie Vezelea'. 
Fufelen— Fijfen. 

Fijfelen is bij De Bo ))op eenen fijfel spelen, 
pijpen, doch ook fluiten met den mond." In den 
laatsten zin kan het als freq. beschouwd worden 
van fijfe^i, hetz. als pijpen, hoogd. pfeifen, bij 
Benecke phifen, waarvan ook het fr. fifrc, oul. 
piffre, nederl. bij Kil. fijffel, Vandaar fifelaar bij 
Poirters, Den Alderh. Naem, 59: rfaii loopensenoch 
Ifcrijckel om van eenen schalcken Fifelaer vcrleydt 
te worden. — Ook het eng. bij Halliwell heeft het 
freq. to piple, voor fluiten. Zie mede Pijperen. 

Fijmelen, zie Femelen. 
Fjjtelen— Fltten. 

Bij De Bo is fijtelen Mgrillig, lastig en ongedul- 
dig zijn," en de Schr. wijst op het eng. fit, dat 
vlaag, stuip, plotselinge gewaarwording als van 
een steek, enz. beteekent, en waartoe ik bi^eng het 
adj. vits bij Kil., fijts bij De Bo, fits bij Cats en 
andd. voor haastig, hevig, fr. vite, oudfr. viste, als 
bij Baardt, Deugdenspoor, 377 : 

Al zijnse noch so Erent-rijck^ 
Hy valtse fits e»? lasterlijck. 
waarover men voorts zie mijne Aant. op Gats' 
octavo-uitg. VII. 187. Van het door mij aangeno- 
meu primit. fitten komt ook het eng. to fitter, bij 
Halliwell »in drift zijn,'* misschien ook vitter, een 
gril. 



117 



FIKKELEN. 



118 



Fikkelen— Fikken. 

Beiden bij Kil. en Ten Kate, 11.635, voorroeren, 
met een stokje aanraken. Ficken^ figketi, is bij 
Schmeller, fieggen^ figgefi^ bij Stalder, korte en 
snelle bewegingen maken, dikwerf been en wefir 
wrijven, en bij Lexer met roeden slaan ; mit dm 
Augen ficken^ de oogleden schielijk bewegen ; ein 
Thier mit der Ruthe figken^ hem met een slok 
drijven ; ab-figken, ab-figkeln, in dezelfde beteeke- 
nis, enz. Het primit. luidt fijken^ voor coire naar 
ik meen, in Van Bruyningens Vlaemsche KJucht, 9 : 
{'k go) zeggen dat Sinjoar hem vaet^digh maeckt 

tot fijken. 
In de taal van Kortrijk verstaat men door fikke- 
len, elders figgeleti^ viggelen, met een stomp mes 
ergens aan tarnen, Belg. Mus. VIII. 175 ; en in die 
van Yperen, kwalijk snijden en alzoo bederven. 
Zie ook de Idiot, van Schuermans en De Bo. — 
Ficketi geldt in het zwabisch en zv^itsersch voor 
raken, in den zin van aangaan : was fikkets mich^ 
wat gaat het mij aan. Fikkeling is geeseling bij 
Ogier, De Seven Hooflsonden, 164: 
Soo mocht ik.,„ 
Een fickelingh met u verwachten op de Me^% 
•Indien d'er anders de galgh niet g'ordonneert 

en wm*t. 

FinkelefL— Vinken. 

Het vfvr. wegfinhelen is, volgens De Taal- en Let- 
terbode, IV. 233, in het zuidbevelandsch dialect 
in zwang voor schuilen. De oorsprong daarvan is 
niet moeijelijk aan te wijzen. Wij kennen het wv^. 
vinken voor vinken vangen, zie Weil. Als eene 
ook bij de jeugd geliefkoosde uitspanning heeft 
dat vinken aanleiding gegeven tot verscheidene 
uitdrukkingen, om het heimelijk school verzuim aan 
te duiden. Men zegt daarvoor vinkemannetje spe- 
len, vinkertjes leggen, en in het dialect van Lijf- 
en Ehstland schulfinken ; zie mijn Archief, I. 195. 
Op gelijksoortige wljze vind ik van bedevaartgan- 
gers, die, in stede van hunnen weg te vervorde- 
ren, zich op eene min of meer verborgene plaats 
ophouden, de uitdrukking vinketi vangen ; Boet. a 
Bolswert, Duyfkens ende Willem. Pelgrimagie, 35 : 
Sy spelen al ende ligghen altetnets wat achter den 
dijck vincken vanghen, komense fieden niet soo 
komense morghen, 

Behalve voor vinken vangen ontmoet men het 
WW. vinkefi nog in een' anderen zin, t. w. voor 
het zingen of slaan als een vink ; Den Nederd. 
Helicon, 234 : 

— H vrolijc vederschoon^ veelvettingh vlucht-gediert, 
Dat int gehoomt springt, singt, vinct, (piinct, en 

tiereliert. 



zie VezelenV 
Fitselen', zie Futselen. 
Fitselen*, zie Vesselen*. 
Fizelen, zie Vezelen*. 
Fluimelea— Fluimen. 

Weil, heeft het ww. fluimeny fluimen opbren- 
gen. Daarvan leid ik af het freq. ftuinielen, bij 
De Bo vslechte klap spreken, onzedige woorden 
uitbraken." De overdracht toch van het speek- 
sel op de »uitgebrachte" woorden schijnt niet te 
gewaagd. — Het adj. fluimig kwam mij voor bij 
Maria Heyns, Bloemh. der Doorl. Voorb. 279 : de 
geetif die gy na middemacht heel fluimig, leepoo- 
gig en hesmeurt van zijn boekocffcning lietkomen. 

Fluizelen— Fluisen 

Bij De Bo hetzelfde als pluizeti, pluizelen, d. i. 
pluizig, vlokkig worden. Het neders. heeft ftiisen 
voor wol plukken of afnemen, van /2iw, wolvlok, 
bij Fulda, Idiotikensamml. fiusch, hoogd. flatisch. 
Zie Pluizelen, 

Fnezelen— Fnezen. 

Het subst. vaze, veze — waarvan fazelen en ve- 
zeleti, zie deze wn. — luicjde oulings ook tr/uwc, 
fnaze; zie Steenwinkel op Maerl. III. 41, en Ypeij, 
Geschied. d. Ned. Taal, II. 3Q1. Fnazel ontmoet 
men bij Bilderdijk, N. Dichtsch. I. 204 : 
Roof' eti dwangzucht brak mijn banden 
Tot defi laatsten fnazel af. 
Van Beverwijck, Schat der Gesonth. 132 : de fna- 
selen van ha^r vleesch. Dez. Schat der Onges. I. 
40 : indien men maet^ een fnasel (van nieswor- 
tel) itf de neus steeckt. Berkhey, Nat. Hist, van 
Holland, I. 434: wolkfnazels. Aid. 439: waterfna- 
sels, — Van dien vorm zijn de wwn. fnezen en 
fnezeleti, welker deelwoorden op de volg. pll. voor- 
komen; Paffenrode, Ged. 17: 

Dies, o Hemel, staakt %iw woeden. 
En verwerpt de strenge roeden. 
Op ons huid nu afgefneest. 
Bekker en Deken, Willem Leevend, III. 283 : witte 
zydcn koussen ; gefnezelde gouden kniebanden aan 
een vry kaal gesleteti rooijen broek, 

Fobbelen, zie Fommelen. 
Fochtelen, zie Vochtelen. 
Foefelen— Foefea. 

Volgens het Belg. Mus. I. 400, beteekent in de 
straattaal van Yperen foefelen iets verkeerdelijk of 
slecht doen, en is foefje in hetzelfde dialect een 
meisje van een slecht gedrag. Volgens De Bo*s 
Idiot, is de bet. veel uitgebreider ; t. \i. Joe- 
fekn is haastig en ruw behandelen^ wegstoppen, 



119 



FOEFELEN. 



120 



voortdrijveii, broddelen en kiioeijen. Het primit. 
foefeti wordt aid. verklaard door foppen, en 
hel nw. foef door versleten lap, streak, list, en 
vadzige of zedelooze vroiiw. In het overijselsch 
en groningsch dialect is foef gangbaar voor grap, 
of voor iets buitengewoons, een gelukje. Zie Hal- 
bertsma, Overyss. Aim. 1836, i. v. en het Taalk. 
Mag. II. 336 In het akensch dialect fuff, uitvlugt, 
ijdele verontschuldiging. De onderlinge vei want- 
schap der opgegeven beteekenissen is niot te mis- 
kennen. De eerste er van zal liggen in het znw. 
/be/", lap of vod; want ook het v^aalsch heeft in 
dien zin /bw/V, en daarvan de wwn. foufi^ (als 
primitief) zich met beuzelingen ophouden, en fou- 
feter (als frequent.) slecht naaldewerk verrichten; 
zie de Diet. 6tymol. par Grandgagnage. — Bij 
Schueimans zijn de vormen ook fof, folfeti en 
foffelen. 

Foemelen, zie Femelen. \ 
Foetelen— Foeten . 

Het WW. foetclen bezigt Rusting, Werken, 1. 441 : 
Waar hen je nou? je legt en muyzebruyty en 

foetelt 
Ala of je incd waart 1 scheer je her nit, en kom 

ten stryt : 
Of gy t*aakt Helena zo wet ah Trojen quyl. 
De Kat in 't Vagevuur, 155 : 

Daar w<is hy drok mee doende in 7 foetlen. 
En wreef ze, met zyn scharpe smoel, 
Geen heetje, en zei : ben ik in U troetlen 
i^ichier zo })lysierig ah n boelf 
Gehoomde Duvel, enz. 165 : 

Al gaande en staande, wout gy nooyt 
Dal foetlen en dat troetlen staketi 
Op deze plaatsen is de beteekenis van dit ww., 
H welk mij alleen bij den minst kieschen onzer 
schrijvers is voorgekomen, blijkbaar minnehandel 
drijven, en het prim, foeten zal afkomen van /"u/, 
futte., folte^ bij Kil. te vinden, anders ook vol lui- 
dende, als in hondsvot ; zie mijne Latei-e Verschei- 
denb. bl. 130 en de daar aangeh. schriivers, bij 
welke nog vooral Von Schmid, Schwab. WOrterb. 
S. 207, kan gevoegd worden. — Rusting neemt 
foetelen in min eigenlijken zin voor betasten, in 
Lokmans Fabulen, achter den Ovidius. :^05 (drie 
lionden vinden een leeuwenhuid) : 

Die wiert al strak van haar beknaagt, 
Herom geslingert^ en gefoelelt. 
Gefottel is bij hem langzame handeling, getalm ; 
Geh. Duvel, 111 : 

f)e Ihivel zal je een rokje najen 
Indien ik geen Jenever krijy^ 



Ik heb den btniy van jou gefottel. 

fk sal 't hetalen. — 
Volgens De Navorscber, X. 14fi en het Alg. VI. 
Idiot, is foetelen in het Land van Kuik en in 
Vlaanderen valsch spelen ; waanne6 overeenkomt 
futteln^ in sommige hoogd. dialecten beteekenende 
in 't gebeim bedriegen, valsch spelen of handelen. 
Zie Schmidts WesterwSid. Idiot, en Die Aachener 
Mundart von Muller u. Weitz. De overgang van 
geheime tot bedriegelijke handeling is niet onge- 
woon; verg. futselen en ieUt wegfutselen, Hiertoe 
behoort wellicht het geldersche hefoetelen^ bij zeker 
jongensspel in gebruik, wanneer een gegraven kuil 
door een* stok wordt bezet; zie Geld. Volksalm. 
1862, bl. 108 en 109. 

Foetzelen, zie Foezdlea. 
Foezelea— Foezen. 

Beide wwn. ontmoet men in de composita kon- 
kelfoezen en konkelfoezelen, zie HoeufTls Bred. 
Taaleig. i. v., het Taalk. Mag. 11. 490 en het Alg. 
VI. Idiot. Ik ontmoette het eerste bij Van Hal- 
mael, Overdaad en Gierigheid, 18: 

— tuat spreekt gy met de lux f 

Wat konkelfoes je daar^ jou onbeschofte Truif 
Met verwisseling van oe in ui; De Vryer in de 
Kist (door Nil volent. ard.) 9 : 

Ik weet al jouw konkelfuizen niel^ 6 neen, het 

' is heel verborgen! 
/ij beteekenen ^bedriegelijk, arglistig. bedektelijk 
handelen, met draaijerijen omgaan"; van konkelen 
en foezen, foezeleti, vermoedelijk 6^n met fuseln, 
bij Schroeller beuzelen, overijld en slecht of ook 
doelloos arbeiden. Het subst. kunckelfuse komt bij 
Richey, Schutze en eldei*s voor in den zin van 
verwarring. Richey leidde het af van 't fr. con- 
fuMon^ doch Schutze vond dit bedenkelijk. — De 
toestand van iemand, die bedriegelijk of arglistig 
is behandeld, beet in Groningen befoezeld, d. i. 
beteuterd, verlegen ; zie Taalk. Mag. II. 332. 

Halma heeft het freq. ww. foetzelen voor het 
kinderspel, dat anders slariem beet, en bestaat in 
het voortslaan van een duit of cent met een' lede- 
ren riem. Berkhey in zijne Nat- Hist, van Hol- 
land, III. 1442, gewaagt van dit spel, en noemt 
den riem vlederen foeseV\ H Werkw. zal van dit 
foeael gemaakt zijn ; doch waarvan dit zij af te 
leiden, ejn of het verwant zij aan foezel, hoogd. 
fusel, slechte brandewijn of ook slechte tabak, is 
mij onbekend. 

Fokkelen— Fokken . 

In het Alg. VI. Idiot, is fokkelen »zuigen aan de 
fok.'' en dit znw. fok, zoo aldaar als in het Westvl. 



'^atf* 



191 



FOKKELEN. 



122 



Idiot, wat elders dot, luigdoU heel. Men mag dus 
een van fok afkomenH werkw. fokkeit aannemen, 
>vaaruit het frequent, is ontstaan. 

Fommelen— Fommen. 

Fommelpn beteekent betasten, op welhistige wij- 

ze; RiiMing, De Kat in HVagevuur, 155: 

De Nmi die zulk eet^ keel opspalkte, 

WierU van een sehnrpe duvels sttmil^ 

Gelyk een egels-rug met pennen, 

Gefommelt, en ges^noddet^muilt. 

Dez. Ovidius, 102: 

fndieti ik nimmerme^r weer by mijn wijf sal 

komcfiy 

Noah in hoar ammeltje^^ op rptabheljejfy te Romen 

Gefommelt worden ; — 

Aid. 140: 

— Dog ik woud ondertussen, 

Dat ik te Rometiy u gerimpelt vet mogt knssen! 

Hoe woud ik foralen ! ackrement hoe sou dat gaan ! 

En 262: 

Nf/ find noch spija, tjoch drank, noch kleet, noch 

man gehrek. 

.„en wiert immers wel gefommelt, so men giste. 

Hiertoe behooren de volgende samenstellingen ; Va- 

lentijn, Werken van Ovidius, I. 132: dan wefts 

ik..,. dat ik, u omkelsende, duizent fommelkusjens 

knippen mag D. III. 108: omdat mise dartelheid 

't vrij nagtgefommel past. 

Doch ook betasten, aantasten in H gemeen ; De 

Bnme, Bancketwerck, I. 238: De menseh en wil 

niet gefoftimeh en geMeuyrt, meer ghestreelt en 

geleyt werden. Hooft. Ned. Hist ?ol. 265: Men 

»penrt '<?r alles op gewoonlyken stel ; hoar bed on- 

gefommelt, d. i. on^ekreukt, onaangeroerd. — 

Voorts met de hand iets wegstoppen ; Rusting, 

Lucifer in zyn Regterstoel, 14 : 

Al wat gy in u zak kont fomlen, 

Of wat gy hynUyk weg kont stotnleti, 

Vet^nits gy daartoe schelmen hadt. 

Was weg, en eewig op een fmdt. 

Van Beaumont, Ged. (door Tideman) 98: 

Halve taerten, lege korsten t»an pasteyen, kanteti 

bt^oot, 

iirabbelt sy van alle zijden en vergaert het in 

de7t school. 

En sy schorl liel in de slippen, en sy fommelt 

in defi sack. 
Huyg. II. 417 : 

Wte droegh het pack in 't hoofd, wie sou sich 

derven wagen 

Aen df*y in eene bael gefommelt en geUistf 
Wijders met de hand plooijen, vouwen, ineenrol- 
len; Huyg. I. 142: 



Hoe hanght him 1 lubbbe-tuygh efommelt over ien ! 
Waarschijnlijk wordt eene handeling van dezen 
aard bedoeld bij Orou.«j, Josephs Droev- en Bly- 
eiucle Spel, II. 246 : 

Duukt Gy Aardsche Waan Geleerden! 

Steekt uiv Hoof den. in de kapp' ! 
Stank t uw fomm'len en gebeerden ; 
Die zijn smider wietenschap. 
Halbertsma. Aim. 1836, art. Preuze van het Woor- 
denboekje : bijeengevommeld hoopje van lapijeti, 
garen, enz. — Eindelijk met iets omvouwen, om- 
rollen, oniwinden; en dan met het voorzetsel fee, 
om of in; Oudaan, Agrippa, 239: als (de Kerk) 
niet met zoo veel webbens van byplechtigheden be- 
fommelt (was). Werken van Rabelais, II. 531 : 
hoar schortekleed over V hooft.... voorts *t zelve met 
een.... band onder haar keel.... Ihis befommeld 
dt^onkse eenen harfelijken toog. Huyg. I. 90 : 
Beid' befuingen als de Leeuwen 
Die men voor de schoonste kiest, 
Beid' bedot, bedoeckt., befommelt, 
Beid* de mutsen over H oogh. 
Van de Venne, Sinnemal, 109: 

Geertjen is deurgaens befommelt 
Off heur altijt ivat ghebrack. 
Dex. Wijsmal, 3 : 

Van hoofde tot de voet met lap pen omgefominelt. 
Bilderdijk, Bydr. tot de Tooneelp. 56: fiet nieuw- 
geborett kindjen, ter dege omwikkeld en ingefom- 
meld. — Met weg bekomt het ww. de bet. van 
verstoppen, verbergen; Bekker, Betov. Weereld, 
IV. 270: 'tvrowvolk heeft nocfi betere gelegenheid 
om iets tusschen hare kleederen wech te fomme- 
len. — Met ver, te veel vouwen en dus kreuken ; 
E. Bekker, Adele en Theodoor, II. 127: londer 
colliet*, zmider poeljer, en met verfommelden cUx^i 
teffens gezochten opschik. 

Deze beteekenissen, welker onderlinge samenhang 
in het oog valt, worden bevestigd door de verwante 
dialecten, die het ww. mede kennen. Bij Muller 
und WeitE is fmnele betasten, bevoelen ; in H Brem. 
Nied. Wtb. fummeln t\)ndtasten, in den zak tas- 
ten, to Hope fummeln onordelijk te zamen grij- 
pen; bij Strodtmann fomtneln onordelijk bijeenra- 
pen, Volgens Richey heeft fummeln in Hamburg 
den zin van ledig ronddrantelen, doch hij geefl er 
de opheldering bij, dat dit eigenlijk gezegd wordt 
van vrouwen, met opzicht tot hare lange rokken; 
fummelke is de naam dien men aan eene vrouw 
geeft, die achteloos op hare kleeding is. De be- 
teekenis dezer woorden is dus ontleend van de 
niet nette en behoorlijk aangetrokken, maar Ion 
otngefammelde kleeding. Wij seggen van die klee- 



123 



FOMMELEN. 



124 



deren, dat zij flodderen, en de vroiiw, die ze draagt, 
wordt gezegd daarheen te floddereru, en is een 
lloddermadam^ een floddervoa^ flodderkcms, enz. 

Hel eng. heeft fmnmelen, fummelen, overgeno- 
men in den vorm to fumble^ voor eene zaak wal 
onhandig of riiw aanvatten of ondememen. De 
beteekeni.s van i>zich kinderachtig aanstellen," die 
de woordenboeken er bijvoegen, houd ik voor 
ongegrond, en ontslaan door eene onjuiste verkla- 
ring van Johnson. Deze vermeldt, onder de betee- 
nissen van to fumble, to play childishly, ten voor- 
beelde eene plaats aanvoei*ende van Shakspeare, 
uit diens Henri V, en dus luidende: I saw him 
fumble with the sheets, and play with flowers, and 
smile upon his finger's end. Dan, die verklaring 
is gansch verkeerd. In de aangehaalde plaats, Act 
II, Scene III, van genoerad tooneelstuk te vinden, 
geeft de Hostess bericht van de wijze van FalsstafTs 
sterven ; onder anderen zag zij hem ude beddelakens 
vouwen of fommelen'\ een bekend teeken van 
veegheid. Al kon men nu die handeling »een kin- 
derachtig of kindsch aanstellen" heeten — ik meen 
dat »zich veeg aanstellen" beter zou zijn — dan 
mag die beteekenis daarom nog niet aan bet ww. 
to fumble worden toegekend; dat beduidt, ook te 
dier plaatse, niet anders dan het nederl. fomme- 
leti, waar Johnson te recht het engelsche ww. van 
afleidt. 

Zoowel overeenkomst in vorm als in beteekenis 
noopt, met fommelen verwant te achten ons fom- 
faaijen of fomfeijen, bij Halma en Weiland minder 
goed fomfooijen gespeld. Volgen Hoeufft is fom- 
faaijen en verfomfaaijen te Breda — doch ook 
elders in de Nederlanden — gangbaar voor Ddoor 
kreuken, als anderzins, verhavenen." Liever zou 
ik het omschrijven »door eene onachtzame behan- 
deling iets bederven," en voorts bederven in het 
algemeen. Dus Fokke, Boertige Reis doorEuropa, 
II. 238: ziet me dat lieve leven reis aan, mijn 
kiepje is evenwel heel en al verfonfaaid en bedor- 
ven. Bekker en Deken, Willem Leevend, 11. 128: 
datje mooije kleertjes,,,, niet na jen dood by Uit- 
draagers in kelders gestopt,.,. en van onreinehan- 
deft, ja van Smauwzen betast en verfonkfooid tvor- 
den. Hofifham, Nagel. Geschr. 107: 

Foei! foei! je fiait, dat zweer ik, mit jou alien 

'Et hiele spvi verfomfayd -^ 
Pafifenrode, Ged. 85: 

Myn wyf en Godefroy waren in onse kamer met 

hoar bloote beyen; 

Nu is H tyd mn op te passen, d4)gt iti; want se 

zouwen 't me daar verfonfeyen. 

Intusschen, als men eenige hoogduitsche dialec- 



ten raadpleegt, rijst er ten aanzien van de verwant- 
schap dezes werkwoords met fommelen bedenking. 
In de Aachener Mundart is verfomfeie, in den 
Elzas verpfumpfeien, in het Henneberg. Idiot, ver- 
pfumfeyen, ja tot in het Idiot, van Lief- und 
Ehstland toe vei'fumfeistem, eene zaak bederven, 
en dus *t ww. gelijkbeteekenend met het onze. 
Doch elders, met name in Hamburg, Bremen, Os- 
nabr-uck en Holstein, heeft het ww, behalve de 
genoemde, ook de beteekenis van lustig spelen 
en dansen, en voorts in spel en dans doorbrengen 
en verkwisten; en deze schijnt wel de eigenlijke 
zin des woords te zijn. Fumfumfeyen — dusluidt 
bij hem het ww. — zegt Richey, is een woord, })dat 
het geluid van den strijkstok op de viool uitdruk- 
ken moot." Volgens Strodtmann beet swas daher 
schrapen auf der Violine funfeln, fumfeln,'' en 
daarvan is naar hem verfumfeyen afkomstig; en 
in het Brem. Nieders. Wtb. beet een viool funfel, 
en een violine fidel-fumfei. Zulke stellige verkla- 
ringen moeten tot het besluit leiden, dat fumfeijen 
van den vioolnaam of het vioolgeluid afkomstig is, en 
dat de eerste beteekenis van het ww. is op eeit viool 
spelen, voorts vroolijk dansen, vroolijk zijn, zijn 
geld in vroolijkbeid doorbrengen, en daarvan we- 
derom verspillen in het algemeen, en eindelijk iets 
bederven of verloren laten gaan. In deze laatste 
beteekenis is verfomfeijen of verfomfaaijen door 
ons overgenomen, en de overeenkomst in klank 
met het nederl. fommelen schijnt alleen toevallig. 
Wat de aileiding van fommelen betreft, ik houd 
het voor hetzelfde met femelen en fiemelen; zieop 
Femeleti. — Door verwisseling van de lipletters m 
en b heeft men fobbelen, dat ik aantrof bij Wols- 
schaten, De Doodt vermaskert, 73: 

'Tlywaet..., is soo wit niet als den sneew, 
Wat ghefobbelt, wat gheplackt. 
Aid. 36: 

U doosen men ghebrooken vint, 
Fcrcroc/tA, , verfobbelt al u lint. 
En door invoeging der r, frommelen, dat dikwerf 
in het gebruik met fommelen verwisseld wordt. 
De Regt heelt het voor fommelen in de eigenlijke 
beteekenis des woords, Mengeld. 97: 

li Weet myn geld wel anders uit te zoetelen, 
'k Heb den bras van 7 frommelen en troetelen. 
Meer onschuldig is het tasten in De Gids, 1859, 
D. II. 383: een rooker.... die in zijn vestzak from- 
melend bemerkt dat fiij zijne lucifers vergat — Een 
kreukend vouwen geeft het w. te kennen bij Bekker 
en Deken, Sara Burgerhart, I. '122: Juffrouw Lotje 
snuift en frommelt hoar zakdoek. Dez. Com. 
Wildschut, III. 138: gaazen zo geel en gefrommeld 



125 



FOMMELEN. 



126 



fiat zij geheel onbruikbaar zijrt. Verliefde Brechje, 
18: je mot ^et doen (t. w. een zoen gcvcti) zonder 
my te frommelen. — /oo ook vei'froynmelen; Tol- 
lens, Dichbl. 10: 

De brtiigom verfrommell zijn linten enstrikken. 
Voorts wegstoppen; Berkhey, Eerb. Proefkusjes, 
101: (zij) wilde hanre hand schielijk onder het 
zijden evaatje frommelen. De Gids, 1882, D. II. 
340 : verr/ee/Vfrommelde Lidner het handschrift weg. 
Lozemans Garther of het Verwarde Huishouden, 
27 : die zit er tegenswoordig zoo warm en zoo digt 
ingefrorameld, da( men geen slip van hoar zi^i 
kan. — Voor verfrmnmelen heeft men verfrompe- 
ten gezegd; Jonctijs, Roz. Oochjes, 121 : 

Een verrtfmpeld^ 

Een verfrompeld, 

Een iyerschrotnpeld 

Monster-dicr 

Zaagt gy blinken. 
Door verwisseling der aanvangletter /* met jj heeft 
men pt*ommelen^ dat Tuinman zegt hetzelfde te 
zijn als ftH>m}neleti; zie hetVervoIg zijner Fakkel. 
Men vindt dezen vorm bij Gabeljau, Treurbr. van 
Ovid. 2'>4: 
'A* Vet*laat tmjn ivoorden tuilf volmaakt^ zoo als 

ik si)oede^ 
En promrael Hachrifl in mijn betiaatnode borst 

met vlijt. 
Ook Schuermans heeft prammelen voor induffelen 
verklaard, en Schambach prummeln^ bij hem voor 
het j>holl. /rommdeti'' gehouden, alsmedeprumme- 
lig en prttmmelie voor slordig en slordigheid van 
kleeding. In het Brem. Nieders. Wtb. is prumnwl 
een brok en prummeln verbrokkelen. Van de 
Venne heeft prommeling, Sinnemal 103: 
Kleyne Lijaje prijst heur leure^i^ 
Prommeling win poppe-goed. 
Ik meen dat de Dichter bier profiseling of pron- 
deling bedoeld. heeft; zie Pronselen, 

Bilderdijk meende in zijne Aantt. op Huyg. VI. 
319, dat frommelen van frommel, voor vrongel of 
wrongel^ afkwam; doch fommelen daarentegen van 
het lat. fovere en fomentum, in den zin van sto- 
ven, koesteren. De door mij aangewezen gang der 
heteekenisgen van het ww. fmnmelen pleit voor 
zulk eene afleiding niet, al kon zij zich overigens 
ook aanbevelen. 

Fonkelen, zie Vonkelen. 
Frazelen— FrasBon. 

Frazen beantwoordt aan het fransche phraser, 
alB muziekterm volgens de Diet, de TAcademie 
»faire des phrases, des suites r^guli^res et completes I 



de chant et d'harmonie." Vanhier het frequent. 

dat J. Chr. Gewin bezigt in De Recensent, 1851, 

n^ 10, bl. 612: 

Die 't onder geen beding gehengt, 

Dat mee7*dren ooit de mindren dwing&i 

Te frazelen zoo als zij zingen. 

Pretelen— Vreten. 

In het vlaamsch korat dit frequent, voor in de 
bet. van »door den sleet losgaan; uw kleed begint 
te fretelen," zie Schuermans' Idiot. Het primit. 
vindt men lerug in het^middelhd. vreteti, vrateti, 
bij Benecke wrijven, schuren; bij Schmeller in ge- 
lijken zin, b. v. van het stukwrijven van een' zhk, 
door den sleutel dien men er in draagt; in het 
eng. to fret, afschaven, inbijten, kerven, als van 
zijden stolTen, bij Halliwell losscheuren. Het nederl. 
vreten, invretcn, wegvreten, in dergelijken zin is 
bekend. Hofer is van meening, dat fretten, H welk 
ook hij in verschillende beteekenissen heeft, ety- 
mologisch 6en is met fresaen, goth. fretan, daar 
ook dit eig. een vermalenof kleinwrijven aanduidt. 
Zie vooiis Eteleti, 

Freuzelen, zie Beuzelea. 
Frevelen, zie Wrevelen. 
Fribbelen, zie Wribbelen. 
Friemplen, zie Femelen. 
Frikkelen— Vrikken. 

In de volkstaal van Yperen is frikkeleti gangbaar 
voor het lijf om en weder draaijen; zie Belg. Mus. 
I. 400. Volgens het Alg. VI. Idiot, is hetzelfde w. 
te Antwerpen en eldei^ seene boot door een enke- 
len Hem voortdrijven": terwijl het Westvl. Idiot, 
het kenl voor »het boogsgewijze uithollen, bij ko- 
pergieters." Het ww. is blijkbaar van vrikken, 
wrikken, waggeien, draaijend bewegen, en b. v. 
toegepast op het staande voortix)eijen eener boot, 
waarbij de ligchaamshouding volmaakt overeenkomt 
met de beteekenis, aan frikkelen toegeschreven. 
Het zwabisch dialect heeft ftHcken voor wrijven, 
bij Fulda, Idiotikensamml. fnken, 

Frinkelen, zie Wrinkelen. 
Fritselen— Frisen. 

Fritselen is voor wat in den frieschen tongval 
anders frisselen luidt, d. i. vlechten, zie Wiarda, 
Epkema, Wassenbergh en Von Richthofen, i. v. 
Een ftnssel is een haarvlecht, over welken zie De 
Dietsche War. I. 395. Het freq. ww. waarvoor 
het eng. to frizzle heeft, gebruikt Halbertsma, Na- 
oogst, 81: het hoofdsiersel.... hetwelk bestond in 
lange haren, die gefritseld bij den rug nederhin- 
gen. En in don Overijss Aim. 1840, bl. 154: 
eenen reusachtigen h*akeling met drie openingrn, 



K1 



FRITSELEN. 



428 



wier trek uit drie repen deeg gefritseld of zamen- 
gevlochien was. — In Garons klucht van Houtebeen 
met EJs, is fnsselen fig. aan eene geldbeurs trek- 
ken of tasten: 

Nu Griet^ wat schorl u, d€ter aen mijn beurs te 

frisselen ? 

Het priinitieve ww. vindt men in het fr. friser^ 
nederl. fri^ten of frijzen^ waarvan het deelw. voor- 
komt bij Jan Zoet, Digtk. Werken, 145: Met krul- 
gefrijsde Pruik. — Ook het zn. frize, krul, komt 
bij ons voor; V. d. Wielen, Vrouw. Gieraet, 99: 

— tgeeluw fuver yeringt ynet duizend frizen. 
Men zie w^dei-s HoeufTls Fr. Woorden, i. v. Friser, 

FrittitteleD— Frittitten 

Dit frequent, is gevonnd ter nabootsing van een 
vogelgeluid, door Berkhey, Eerb. Proefkusjes, 256: 

I)e tortel kirt^ tcrwijl het koninkje frittittelt. 
Het rijmwoord is: kittelt. Ik ben niet in staat te 
beoordeeien of de uitdrukking juist is, en onder- 
stel alleen, dat het geluid bestaan zal in eon her- 
haald frittitten, — Het gehiid, intusschen, van het 
bedoelde vogeltje schijnt nog al verschillend te 
zijn, want dez. dichter zingt Wintersche Tegen- 
zang, 7: 

— 't winterkoninkje hoort men nog tierelieren. 

Froezelen, zie Wrastelen. 
Frommelen, zie Fommelen. 
Frompelen, zie Fommelen. 
Fronkelen, zie Fronselen 
Fronselen— Fronsen. 

Deze wwn. beteekenende kreukeien, rimpeien, 
worden door Ten Kate, II. 327, gebracht tot het wor- 
teldeel ron, waarvan ook kronkelen en fronkelen, 
welk laatste door Kit. als leuvensch dialect voor 
fronselen staat opgeteekend. Het fransch heeft 
froncer^ dat door Borel en Roquefort van het lat. 
frons afgeleid wordt »parce qu'on le ride volontiers." 
Wei zoo natuurlijk schijnt het, het ww. froncerie 
houden voor ons fronsen^ gelijk het oudfransch 
voor ons subst. frons ook fronse, fronce, fron- 
che, had. 

Fronsen wordt vooral van het gelaat gezegd; 
b- v. Westerman, Ged. III. 48: 
Hetpijnigend verdriet fronst zijn verhleekte wangen. 
doch ook van andere voorwerpen; Van Swaanen- 
burg, Arleq. Distel. Hi: de beffen in zoveel plooi- 
jen te fronsen. 

Het frequent, is zoowel bedrijvend; a. w. 390: 
Zyn bakkes te fronzelen cUs een Aap, Poot, Ged. 
III. 190: Wat fronsselt g'uw gelaat? — als onzij- 
dig; Bilderdijk, Najaarsbl. II. 186: 

Mijn* blik als ik fronsel, uw' tnand als gy laclit / 






Eene afleiding is befronsen; Baardt, Deugden- 
spoor, 321 : 

.Sy comen 'smorgens uyt den Slaep^ 
En sien befronst gelijck een Aep, 
d. i. met fronsen ofrimpels voorzien. Daarentegen 
ont fronsen^ van rim pels ontdoen; Verv. op Wag. 
XLII. 95 : Deeze kundschap.... ontfrontzde het hoofd 
det^ Volksvertegenwoordigeren. — Infronsen is met 
rimpels omgeven; Van Wah'6, Heksluiting, 45: 
Van onder d'ingefronsten boog 
Dreigt, roll en dwaalt het glinstrend oog. 
Het WW. wordt, met een voorze^sel verbonden, ook 
wel genomen voor kreuken of verkreuken, en al- 
zoo met frommelen verwisseld; Houwaert, Lusthof 
der Maechden, 1. 47 : Polyphemi baert urns verfronst, 
verwildert. — Insgelijks voor vouwen; Van Heems- 
kerk, Batav. Arcad. 71 : de witte hembsmouw,... 
die op den arm dichjes toegefronst was. — Zoo ook 
met den frequent, vorm; Van Duyse, De Spel- 
lingsoorlog, 82: 

— Wie zou H verdragen 
Dat men aldus de Tael verfronselt als een Kaertf 
Trip, Tydwinst, 58 : Een dor en toegefronseld blad. 
— Ont fronselen is wegpakken; Rosseau, Verjaarf. 
van Venus, 65: 

Gy hebt myn beste krultabak^ 
Die 'k negen dagen in me zak 
Bewaard heb^ mooitjes my ontfronsseld. 
Berkhey neemt opfronseleti voor rimpeien van 
kleedingsstof; Nat. Hist, van Holi. III. 503: De 
Mouiveti waren {cum het Wambais) vast: en op 
de schouders^ aan den amu, 'was een hoog opge- 
fronselde pof, of eene troes {dat de Franschen 
Hoemden un habit trouss^) met dwarsse insny- 
dingetx. 

Opmerking verdienen de samenstellingen kreuke- 
fronzen, waarschijnlijk voor doen inkrimpen; Bloero- 
krans, 95: 

Om arrigwaan te kreuke-fronzen, 

Krook^ met een trotip^ stoot flux voor heen; 

Om aardig om den tuin te leen 
Den Don^ die *t al meent neer te donzen. 
Fronselfrons, d. i. iemand die het hoofd fronst ; 
Rusting, Ovidius, 31 : 

Was dat een digtwerk voor een man van staat 

te lezenf,.., 
H Is voor geen fronsselfrons, tioch voor geen vrouwy 

noch maagt^ 
Gemaakt. — 
Vanwaar fronsel frotutig voor gefronsd (van tooni), 
aid. 165 : 

— Als hy fronsselfronssig siet^ 
Soo mag de nicker by Iwm zijn en schrotnen niet. 



199 



FRONSELEN. 



130 



Het WW. fronadplooiien ; Vr. Bilderdijk, Nag. 
Ged. 182: 

— Grijsheids fronselplooien, 
Als het schoan geen spoor meer kuit. 
Waarvau het znw. te lezen is in de N. Honig- 
bije, II. 9 : fronselplooije en tvapperenden zwier. 

Het adj. fronselig heeft Krul, Pamp. Wereid, 1. 34 : 
Het voorhoofd fronsaeiig. 

De subst. frons en fronsel worden vooral van 
het gelaat gezegd; Poot, Ged. II. 43: 
KaUiope^ nu ly geen frons 
In 'taengezigt; — 
Berkhey, Eerb. Proefk. 85 : dot zijn gelaat de hleeke 
fronssels voor genoeglijke bUujes verruilt had. 
Bogaert, Hoomsche Mog. 41: de fronssels in uw 
voorhoofden^ 

Fuikelen— Fuiken. 

Het frequent, fuikelen heeft Holtrops Eng. en 
Ned. Woordenb. ter vertaling van to cheat, bedrie- 
gen, valsch doen. Dit, zoowel als het primit. fui- 
ken, hebben onze schrijvers met het voorzetsel ant, 
dat er dezelfde kracht heeft als in onfrooven, 
ontstelen; Godewijck, Wittebroodskinderen (uitg. 
van Dr. Schotel) 55: 

Een fijn geweven wehb'f soo xoaer als yemant 

leeft, 

Hy ^epty hy ronckt, hy droomt: ik moet hem 

die ontfuycken. 
Aid. 62: 

^ die 7 hedecktelyk syn naeMen kan ontfuycken. 
Elpenor, 9: 

'k Heh ondet* d* Hooft-beulingh de Broeck met 

gelt geleyt^ 

Opdat mijn die niet wort ontfuyckelt van de 

Meyi. 
Aid. 38: 

J)tU ick Mopsame socht haer Voder te ontfuyckle. 
Schimp- en Hekeldichten (Hoorn, 1718), 121: 

Gelyk als bleek^ toen H SchoutS" en Secretarisschap 

Van Nieuwerkerk my wierd ontfuikelt, en zoo 

knap 

Als Umy ontdrayt uxts, aan uw darlel Wigt 

gegeven. 

De wwn. fuiken ew fuikelen komen ovei'eenraet 
fucken en fuckeln; het eerete bij Wachter handel 
drijven; vanwaar ^tlaatste, tot ongunstige beteeke- 
nis overgaande, ook onder de vormen fukeln, fug- 
getm en fukem voorkomt als oneerlijk handelen, 
bedriegen; en voorts heimelijk afzetten, ontstelen; 
zie het Brem. Nieders. Wtb., Von Schinid, en vooral 
Reinwalds Idiot. — De laatstgemelde beteekenis, 
van heimelijk afzetten of ontnemen, komt met die 
van ons.ontfuikelepi volkomen overeen; hetneders. 



heeft er voor wegfukein, heimlich wegpraktkiren. 
Het WW. fuikeny vuiken, in het Gloss, op .Van Vrou- 
wen ende van Minne (door Dr. Verwijs), schqnt 
een ander woord te zijn. 

Futselen— Futsen. 

Fut^ waarschtjnlijk hetzelfde met vod, geeft 
futse, (*) futsen, futselen; zie Bild. Verkl. Ge- 
slachtl. op Vod, Kil. heeft futsel, onde lap; voet- 
futsel is voetlap, voetveeg, bij De Hardnyn, Godd. 
Lofsanghen, 18: 

— ondersaetf en knecht, yoMaisei ende slave. 
Houwaert, Lusthof der Maechden, 11. 94: 

— hy heeft my als een voetvutsel veracht, 
Vandaar is futselen eigenlijk zich met beuzelingen 
bezig houden^ beuzelen, talmen. Hooft, Tac. fol. 
463: d'eerste jaghtende van hoop en jeughdt;d! an- 
der zoekende H futselen, om den blaakenden te 
weederhouden, Gemeng. Pamasloof, 25: Met dit 
verbruide bier wierd gefutseld tot twacdf uuren 
toe, eer wy het scheep kreegen, Duyfk. ende Wii* 
lem Pelgrimagie, 164: smetten, die sy selver op 
haren luyen sack halen, met futselen, met lanter- 
fanten, Werken van Rabelais, I. 65: Hy weeten 
van hutzelen noch futzelen; wy diehten en doen 
onse dingen. Aid. 488: valfer niets meer te vra- 
gen en te futzelen. Ifoons, Sedel. Vermaeek Ton- 
neel, 54: met haer futselen en haperen htkhen sy 
de deur voor haeren neus ghesloten ghevonden, 
Pefroen (1702), bl. 25: Wat staet dien w^fnbalgh 
daar te futselen? Alewijn. De Bedrooge Woeke- 
raar, 2 : (ze) leggen niet te futzelen, hier met lonh- 
jes uit een venster, en daar met Minn^>rieven. 
Asselijn, De Schoorsteenveger, 25 : Hoe, legje noch 
al en futzeld, en arbeid met die touwen, Dez. De 
Stiefmoer, 24: Geduurig leitz'er in te futselen 
(d. i. in de kisf), en kom ik op H mat, straks smyt 
ze ze toe, Anna Rodenburghs Trouwen Batavier, 43: 
Hoe futsel t ghy Margriet,'t schijnt dat uw han- 

den beven, 
Wat vreest ghy my € ondoenf nu nu ondoet de 

knoop, 
Versch. Ged. (door Groebe), II. 90: 

Wat wachtens sal u Lief te meer verlang?ihi 

doen.,.* 
Dodi futselt niet so seer dat het hem moe kan maken. 
Nocfi laet hem voor u deur geen drie vier uren 

staen. 



K*i Beiioon tot dlt woord het kleedlofstok, veniiOld by 
Pttffeorode, God- ttl: 

Men sag daar Schottmans blaauwe mutt, 

Der ZwUsers flodderbroek en futs. 
Of bedoelt bQ daarmei de pulse. be^chreTen by Berkbey, Nat. 
Hi8t. Tan Hollaad. III. SM? 



131 



FUTSELEM. 



132 



Huygens, Kprenbl. IL 163: 

Klaes light en fuUelt met 9^^ slagh-werck. 

Aid. 445: 

Ala 't langh gefutselt is^ soo schijnen ay geneaen, 
DuHaerts Ged. 55: 

Wat futzelt gy om (V nat'de en my van my C 

ontlaaten ? 
Coster, Isabella, 2: 

Ick aat een ommezien te futslen, 
Doer quam een buytje, 'k zet/d loop hutsHen^ 
Of wilt ghy malen^ maalt toat aara. 
Schimp- en Hekeldicbten, 49: 

— zijn Barhiertfe^ waard gemi*aakly 
Diey wen hy iemand zal een weinig hloeda aflaten^ 
(ielyk een keffertje^ met futselen en praten 
Zijn lijder pynigt eti verveelt — 
H4er denkt men aan prevelen, en zoo meer: Bek- 
ker, Betov. Weereld, III. Ill : daardeae tvicchelaara 
aich afgealoten hielden^ dat niemant met^ken konde, 
%i)at ay by henaelven futselden. Huygens, I. 348: 
My docht ay fuUelden, en hat*e luaten aptrtken 
Van Tabernakelen om hoogh te mogen ^naken. 
leta futaelen of aan ieta futaelen is iets verrich- 
ten, waar eene kleine beweging of handgreep bij 
te pas komt, of iets kleins of gerings uitvoeren 
of voorden dag brengen. Dus Paffenrode, Ged. 95 : 

— cfndertuaachen aoo begon ae aoo een lutje te fut- 

selen aan hoar linkct'beefi. 
Bodecheer Benningh, Leydscbe Oorlofd. 129: 

f utselt knoopen diHe^maal di*y. 
Oudaan, PoSzy, I. 68: 

— dat meny zander grotid van zaken^ 
Zich uilalooft, eer men dit verklaart^ 
Met flits* len, om hem (den knoop) loa te malien, 
Rerkhey, Zeetr. I. 254: {bos: 

Al futzeld dan de uitheemache aan dezen btindel- 
Snoerd hem uwe Eendracht vasty yeen keizer 

fnaakt dien las, 
Dez. Akad. Vertell. I. 31 : 

— allea wiei^ bezcryty zoo siUletjeH geknutaefd^ 
Bediaaelt in Hgeheitny en met beleid get'iitzeld. 

Bilderdijk, Nalez. II. 102: 

Ik futsel en lijwy 
En alaag ik in"t rijm^ 
Zoo warden H gedachlen, 
Uiertoe behoort bijeenfuUtelen ; Valeniijn, Wer- 
ken van Ovid, II. 183 : hoar lafelbanky van williffe 
stijlen en pUtnken bij een gefutselt. 

De Hoogl. Bonnans meldde mij (en Scbneminns' 
Idiot, bevestigt dit), dnt bet trnijersch dialect in 
dien zin zegt fitaeleHy b. v. »gij znit uw borlogie 
bederven met er altijd aan te fitaelen; erwten pu- 
len (nederl. doppen) is eeu fitaelwerk'' 



Minder gewoon, en ook minder gepast, komt bet 
WW. voor in den zin van fommelen; Hoofl, Ged. 
fol. 281 : 

— wat futzelje mit de mantel? 

Niet mit alleny ik hth zukkefi jeukt in me zy. 
De uitlegging »verfrommelen" in Oudem. Wdb. is 
niet volkomen juist; frommelen ware gepaster; 
bet w. ziet toch op bet bandgebaar. Van EfTen, 
Holl. SpecL I. 30: dezen goeden Ueer^ die onop- 
houdelyk in zyn zak futselde. -^ Verfuiaeien is 
verbeuzelen; Weaterbaen, Ockenb. 119: 

Daer futlfde tijdt veraien en fuUf verfutselt wonlt. 
Bij Huygens verdoen, onniit besteden; Korenbl. I. 
270 (van des Kraraei*s piiiUen, die ze): 
Voor de volmaecktheit der volmaecktheden aenaagh^ 
Eer 't Kermis-capital daer voor verfutselt lagh. 

Ont futaelen is al fntselende afhandig maken, stil- 
lekens ontnemen; b. v. Poirters, Duyfken, 172: hy 
wiat aoo den beleefden te maedieny dat hyac by 
naer ontfntselde alien den tyty eti gelegenJiet/t om 
te aondigetu Huygens, Korenbl. II. 90: 

(Sy) meenden hem een* atock t'ontfutslen in '/ 

gekijf. 
Krnl, Pamp. Wereld, 1. 214: 

Ala uwe valache tnin ontfusseld d^ eerbarv maegd^ 

Wat zal ik zeggen ? 7 eelst en UKtetyligat dat zy 

drnegd. 
Valentijn, a. w. III. 56: Hij liet meer dietyelijke 
schildetjena makeUy op dat de luipersy die V mogten 
aoeken te ontfutselen, in de keur verhijateren aouden. 
E. Bekker, Adeie en Tbeodoor, III. 146: bekente- 
niaaen^ die de zwartgallige Miaantropen een haat- 
lyken lach ontfutzelen! — Vooral futselendc lo.s- 
maken, bij Huygens, a. w. II. 85: 

Ondoet mijn futaelinghy ontfutselt miju gedoe, 

Ook befutaelei} konit voor; Werken van Rabe- 
lais, I. 655: de twiatzaake te deegen gefmtaelty be- 
futselt en bekaakelt zijnde, D. II. 76: de Geloofa- 
leedtjea iwrf te befutzelen en vefHappoft, 

Fulseling i.s getalm; Rodenb. Wraeckgierigbers 
Treurspel, 6: 

— atelt het flucka in 7 werck^ de tijdt gheen 

futslingb Itjdt. 
Tengnagel, Verwoestingh d. St. Naerden, 76: 

Soo futslingb gafverlet,ftooatonden wy verlegen. 
HSubst. komt reeds in bet middelned. voor; Snel- 
laert, Nederl. Ged. 510: 

Hen ea niet ilan futselingbe; 
Men Hondl verire^ken in gheen gedinghe. 
Aid. 521: 

Nu en willie mi houden nemmere, 

Seit hiy ane deae futselingbe, 

Wi moeten apreken van zwaren dinghen. 



433 



FOTSELEN. 



i34 



D. i. foeuzelingen. Zoo ook bij Van Velthem, in 
den zin van geringe voorwerpen ; hij noemt althans 
fol. 288 »nienige scerpe ende roenich staf \ die aan 
een* boom waren opgehangen: gene futselinge. — 
Inggelijks bij lateren; Huygens, a. w. I. 198: Fnt- 
selingh van lint en knoopen. D. II. 375: 

— wat hoeft hy futseiingen 

Tot Hchei^m van heet en koud, wat al ontleende 

waerf 
Dez. heeft nog andere afleidingen; D. II. 121: 
De kostelicke tijd kan geen gefutsel velen. 
Aid. 7: Tck beti geen futselaer. Berkhey bezigl 
ontfutselinq voor ontsteling; Nat. Hist. v. Holl. II. 
1239: Kah'er.... zoo de liUster en waardy derzadke 
al eefis iemand in eene onredelyke bekoring ht^t, 
niet ligtlyk eenige ontfutseling geschiedcn. 

Gelijk wij figuurlijk spreken yan een gedenkhoeky 
f)et*geetboeky kladboek enz., kende men voorheen 
een futselhoek. Dat te zoeken was eene gewone 
spreekwijs voor uitvhichten zoeken, op uitstel be- 
dacht zijn ; Westerbaen, Ged. III. 701 : 

Wat zoekt ghy . 't fiitselboek ? spreeckt, Joffer, 

uyt de mofui. 
Van Hasselt, Amb. Oudh. I. 132: een briev, die 
genoeg bewyst dat by de stad het futsel-boek ge- 
zogt wierdt. Poirters, Duyfken, 174: Wei is waer 
dcU hy aerdige grepen wist te vinden am het fut- 
selboecxken al te soecken, om $oo noch al tijt^ en 
plaets te bereyden voor de gmtie Chdts. Valentijn. 
a. w. I. 3 : Mijn vader.... knort sonder eind om dat 
ik 't futselboek soeke. — Zie ook het Wbk. des Inst, 
op Hooft. Dan, ook in andere spreekwtjzen korat 
dat boek voor; Bijns, Refereynen, I. 31: 

Die H futsel-boeck studeert, die weet nu watte: 

Om loose vottden te vinden elck praktizeert 
Aid. m. 224: 

Bedrog en tfutsel-boeck is alomme bereet. 
Bruno, Mengelmoes, 249: 

Wie weet^ hoe langh het dan met H futsel-boeck 

mocht duuren? 
Poirters, Hof van Theodosius, 282.* maer Pitlche- 
ria.... soeckt het futselboek x ken al meer en meer 
nyt te trecken, om de verwonderinge en het ver- 
langen van den Keyser fwe lafiger hoe meer te 
Hcherpen, — Deze laatste uitdrukking is niet eigen- 
aardig te noemen; een boek frekt of rekt men 
niet uit. 



Oabbelen'— Gabbea. 

Volgens den beer Bikser is gabbelen in de pro- 
vincien Groningen en Overijsel gangbaar voor her- 
haald of spottend lagchen; zie Dr. Te Winkels N. 



Ned. Taalmag. III. 130, en de Ned. Taal, I. 193. 
Ook in het oostfriesc^ bij Sturenburg komt dit 
frequent, voor, waar het wordt omschreven door 
bonder elkander en in de vuist lagchen." Het eng. 
heeft mede to gabble voor babbelen, snappen, en 
het oudfransch gabeler, voor schertsen, spotten. 
De beteekenis van het ww. korat dus overeen met 
die van *t meer gewone gabberen ; zie dit woord. 

Oabbelen*, zie Eabbelen. 
Oadelea— <}adeii. 

Gadelen is door Kil. opgeteekend voor een ge- 
luid als het kwinkeleeren der vogels. Hoewel hij 
het in afleiding onderscheidt van het ww. gaden, 
gaaijen, scbijnt het daartoe te behooren ; dit laatste 
dan gen omen in den zin van vroolijk zijn, waar- 
van gadingy bij denz. voor lubentia, voluptas, voor- 
komt. 

Oagohelen, zie Gkiigelen. 
Gtagelen—Oagdn. 

Beiden bij Kil. en Ten Rate, H. 217 voor het 
snateren der ganzen. Het primit. ^a^en heeft Von 
Schmid, Schwfib. Idiot, in denzelfden zin. Gagelen 
luidt bij onze schrljvers yaygelen^ eng. to gaggle, 
Dus Bilderdijk, Elius, 22: 

De vogel atijgt ten hemel^ 
^^ gr^fiTg^l^ ^V^ genoegeti uit^ 
Met klepperend gewemeL 
Avondschemering, 84: 

Maar zoo we uw groolhidd wel besc/iouwen, 
Wanr heel het wareldrond voor zwicht^ 
(ry lijt ze aan 'tkrijten van de vrouwen 
En H ganzengaggelen verplicht. 
Zie ook mijne Proeve over dozen dichter, bl. 176. 
Van Walr^, Heksluiting, ISO (de vogel van het 
Kapitool) : 

— borst zelfs uit in gaggelend gelnc/u 
Tollons, Laatste Ged. II. 14 (van de vogelen): 
Hte ze schaatreyf, hoe ze fluiten^ 
Gagglen hier en kaaklen dnart 
Brj Croon, Moy-al 244, beteekent het ww. liefelijk 
gnlmen: soeten Sanger ^ soo menighmael als ghy 
uwe keel soo konstighlijck laet gaggelen. Dautzon- 
berg bezigt nagaggelen voor nagalroen^ napraten; 
Vlaemsche Taelstryd, 43: lieden^ die wonder fyn 
eti heschaefd dachten te zyn, wanneer zy wel of 
slecht hunne vreemde taelmcesters en geluksriddersj 
welke ovetnl krielden^ konden nagaggelen. — Kil. 
heeft almede gagchelen voor schateron, dat voor- 
komt bij Hooft, Ned. Hist fol. 1170: gewoonlijke 
wulpsheyt van woiteren^ gachelen, gthhcren. En 

Van der Schueren in denzelfden zin gahelett. Zo:)«- 

5^9 



135 



6A6ELEN. 



136 



wel van hoendere als van ganzen zegt hei hoogd. 
gackemy foy Schmeller gagkenu 

Oaggelen, zie Gki^rolen 
Oakelen, zie Oagelen. 
Oarrelen'— Oarrea. 

Het freq. bezigt Maerlant in de volgende plAsts 
uit zijn Naturen Bloeme, aangeh. in Jonckbloets 
Gesch. d. Middenned. Dichtkunst, III. St i. bl. 135: 

GamUus e8 eens vogheU namCy 

die in hosschen ende in bramen 

var alle voghele die leoen 

meest crijschen^ meeat luuts uut can gheveft, 

dies es hi Garv^ulus genant; 

een gay hetet int walsche lataU. 

Van home te home vlieghet ende springhet, 

ende crijscht ende garlet meer dan singhet^ 

noch gheduurt in ghene stede, 
\ Kon gevoimd schijnen naar H lat. garrulus; doch 
het is regelmatig af te leiden van garren^ gerren, 
d. i. schreeuwen; Heinaert, vs. 6060: 

Wi hodden gevaen te samen een swijn^ 
Dat heten wi dooty voor ilude garren. 
in den Teuthonista verraeld voor »cryten, crischen, 
garrire" enz. zooals ook *t middelhoogd. garren 
kent in gelijken zin; zie Benecke. HWw. garre- 
len is derhalve eene zeer gepaste uitdrukking voor 
't snappen van den ekster of papegaai, door Maer- 
lant bedoeld. In de uitgave der Naturen Bloeme 
zelve vindt men ata variant garren opgegeven. 
Indien de opvatting juist is, dan behoort hiertoe 
gerrelen^ bij Ruusbroek, aangeh. door Oudemans, 
Bijdr. II. 549: Si gherrelden underlinge ende spra- 
ken, — 'tWoord wordt aldaar verklaard voor »fezi- 
ken"; misschien beter door ssnappen." 

Garrelen*— Oaren. 

Begarrelen vermeldt Dr. Te Winkels N. Ned 
Taalmag. II. 218^ ais een zuidbevelandach woord 
voor schikken. Indien de opgave dier beteekenis 
juist is, kan de oorsprong liggen in garen^ berei- 
den, gereed maken, waarvan ook ons garwen^ be- 
i*eiden, hoogd. guvhen^ enz. Zie mijn Taalk. Mag. 
I. &5, Benecke op Gar^ en vooral Adelung op 
Crdvhen. 

OeeseXen— <}ee86ii. 

Den vonn geesen weet ik niet anders te staven 
dan door de bij Schmeller aangevoerde wwn. pdao, 
in een Dialect-Lexicon van Ihre »herum rasen, 
hernm sturmen," en geisa^ ijslandsch voor »cum 
vebementia ferri." Wij kennen Hww. alieen ver- 
scherpt tot gespen^ ginpen, dat denzelfden zin heeft 
als geeseleny zie Gupelen, Vandaar ook gesp^ d. i. 
wat steekt, en loeap^ fr. ga/teape^ gi^pe. 



Een geetel is dus naar de eerste beteekenis dea 
woords een voorwerp waarmed men slaatf en wel 
met eeoige beweging of drift, 't Frequent gai$seln 
heeft dan ook bij Schmeller de onzijdige beteeke* 
nia van rondbewegen, rondloopen; en His opmer- 
kelijk, dat mede ons zxveep zijne beteekenis ont- 
leent van de zwiepende of draaijende beweging 
van den stok of het touw waarme^ men slaat 

In den Bijbel van 1477 komt geeselen voor in 
den zin vankastijden ; Tobias 13, vs. 2: Here..,, ghi 
gheeselt ende du verloaaes, Judith 7, vs. 17 : wreke 
onae quaetheden in dijnre geeselingben. — Ongewoon 
zegt David, Vad. Hist III. 250: moealen de hoorige 
lieden in de vyvers en de hofgracfUen hei uxUer 
komen geesselen om de Kikvorschen te doen zvoygen, 

Af geeselen is bij Bilderd. door geeseling afmatten ; 
N. Uitsptniitsels, 37 : *t afgegeesseld lijf, Doch bij 
Poirters is het afslaan; Den Alderh. Naem, 32: 
veel (vruchten) uxnrien afghegheesseldt van de 
winden. 

Gengelen— Gengen. 

Gepigelen is groningsch voor drentelen, langzaara 
gaan; zie mijn Taalk. Mag. I. 314^ en De Ned. 
Taal, I. 193. Ook overijselsch voor darteiend 
daarheen trippelen; zie Overijss. Aim. 1836, bl. 
XIV. Volgens Te Winkels N. Ned. Taalmag. lU. 
131, zou het w. in Overijsel ook gangelen luiden. 
Het WW. komt voor in bet spreekw. fiet paa%'d 
gengelt aan een losse lijn^ gelijk de man aan het 
draadje van de vrouw, vermeld bij Harrebom^e, 
I. 150. Voorts Geld. Volksalm. 1862, hi. 96 : Ze 
word wot lamp dikke^ zoo dat ze gengelt cu 'n 
pielende. — Het piira. gengen, zoowel als gangen^ 
ontmoet men bij Schmeller; het laatste ook bij de 
onzen; Maerl. Sp. Hist I. 60: 

Sidert meer vort, soudi ghanghen, 

Spreken die liede^ hi nweste luinghen 

Een cleet tH>r sine ogen na dien, 
Bl. 414: 

Want hi weet di saken al, 

Etc welcsins het gangen sal. 
En bl. 455: 

So dat mer dinke uut siet gangen 

Ende dauwen^ eist lief of leet, 

Een dinne geiempert sweet. 
Dez. Rijmbijb. vs. 32528: 

— aUtie min scuwede thanglien 
Dan van hongher te ghanghen. 
d. i. te vei*gaan. Het deelw. is gegangen; dez. 
Sp. Hist. I. 93 : 

Een quam doer gegangen fux. 
Biid. Versch. IV. 130: 

Doe. or. quam geganghen in. 



187 



GENOi2J9(. 



198 



en begangen^onlgangen; Biiaidt, Deugdenspoor, 186: 
Ueefl yemandt van »ijn Cameraels, 
Hegangen 'talderminnte quaeU. 
£ii aid. 109: 

Hoe dat ecfi Juffrotiy cien haer ktiedU, 
Bei^ngen heeft een schandich EchL 
Bild. Verach- IV. 431: 

Dies tie mocfUi niet ontgnngen. 

Wij zeggen nog: de venjangen week, enz. Het 
Jioogd. zegl gdngeln bedrijvend voor doen gaan, 
leeren gaan; het middelhoogd. gangeln onzijdig, 
en gengel, benevens gengelan*e^ voor het nederl. 
ganger J dat alleen in samenstellingen gebruiki 
wordt, ais voelganger, iHxn^bijganger enz. Zie 
Benecke. 

Dat de wortel gang in het middeln. steeds in 
gebruik was als enkelvoudige imperatief, blijkt in 
mijne Yerscheid. 197 en 198. En hetzelfde gebruik 
in de oude en verwante talen werd gestaafd door 
Stalder, Die Landessprachen der Scb weiz, S. 161, 162. 

Het w. gefig^ als bijv. nw. beteekende gang- 
baar; Geld. Volksalm. 1873, bl. So: dat ellickBor- 
get*if soon,. . jaerlix voor syn schoolgelt gefen sal 
ses brab, sluoer^ bynnen unser Siadl Nymegen 
gengh en geve synde, — Dit w. bij Schmeller gang^ 
en bij Stalder gdng^ g^^t luidde in het oudhd. 
gengi; tie Graff, Sprachsch. IV. 104 en Benecke. 
Ook de vermelde geldersche spreekwijs gengh en 
geve is middelhd., zie Lexers Handwdrterb. op het 
w. Ga4^c^ dat goed, aannemelijk, beteekent In het 
zwitsersch luidt zij gang und gebe^ d. i. in alge- 
meen gebruik, zie Stalder, I. 422, die opmerkt, dat 
Luther in zijne Bijbelvert. de uitdr. bezigt Genes. 
23, vs. 16. 'k Voeg daarblj d|it de Geref. Overz. 
van Piscator ze inagelijks bezigt, en dat zij in onie 
Statenvert. luidt sonder den Koopman gangbaer,'* 

Gorrelen, zie GarrelenV 
Genelen— Geraen 

Gerzeleny volgens De Bo in het westvlaansch 
kerzelen, is bij Kil. horrere. horrorem habere ;sF0r^ 
zeling horror. Ook Ten Kate, II. 636, vermeldt 
het frequent, doch brengt het verkeerd thuis. 
HWoord geeft te kennen de gewaarwording, het 
gevoel dat men heeft, bij het hooren van iets op- 
aangenaams, en komt in beteekenis, wellicht ook 
in vorm door verplaatsing der r, overeen met^r^'- 
zen, grizeny waarvan ook griizelen^ griezelen enz.; 
zie op deze wn. Het prim, gerieti komt overeen 
met het hoogd. garren^ een knerpend geluid ma- 
ken, bij Schmeller garzen^ r/arrezeii, knarren, knir- 
schen. Bij ooze schrijvers uit de 17e eeuw luidt 
het gii^zen^girsen; Zweerts, Dichtkund. Zinneb.^: 



wanneer de zeissen door *t gras girst. Vondel, 
Poozy, II. 569: De zeissen girst door *tgras. Six 
van Chandelier, Poesy, 64: 

Wyl voet voor voei fel zydlinks roeil^ 
En girst in ys — 
Oudaan^ Po6zy, II. 5: 

Oin den slaap voorts voeg te bannen^ 
Girst de garde door het vleesch. 
Vondel, Hierus. Verwoest, 12: 

De sabel girst van le'er^ als kolen d^oogen branden. 
Jan Vos, Ged. L 110: 

Het lemmer girst vcui leer, — 
Aid. 552: 
Hy spant zijn boog en schist, de pifly die deur 

de lucht 
Komt snorr^nj knarst door 't been en gii*st deur 

dHngeuxmden* 
En 713: 

My dunkt ik hoor dedop noch girsen deur zijn 

hart! 
Hollantsche Pamas, 567: 

Soo girst door H hert des vyands '/ Vorstgeweer. 
Dit T^girzen door 'tharl" komt geheel ovei^een met 
i^griz^en door H hart" van Vondel *t Friesch heeft 
in dozen zin girzjen^ zie Epkema op Japix. Thans 
zeggen wij : door *t hart sn^jden, 

Geubelen, zie Oobbelen. 
Oibbelen, zie Oobbelen. 
Gi6belen--Oieb6n. 

Giebelen, bij Weiland gijbelen^ is in Groningen, 
Overijsel en Crelderland in gebruik voor lagchen, 
spottend of boertend lagchen; zie De Ned. Taal, L 
193 en II. 209. ' Halbertsma zegt, Overijss. Aim. 
1836, i. V. ^Gijbeleny Grron. spotlagchen, boerten; 
freq. van giben. A. S. gabbaHy Isl. at gabba, be- 
spotten, bedotten.** De verwantschap met ons ^fo^- 
betiy gctbbeleti, valt in het oog. Giebelen leesl 
men in den Geld. Volksalm. 1855, bl. 238: iVou, 
die kunnen dan ok wa giebelen en gekscharen, 
Gremer, Anna Hooze, I. 106: Moedet* Haverkist 
giebelde terwijl ze de beide handeti in de linketvsij 
drukte,... omdat daar de milt zaU 

Oigohelen— Gigoheii. 

Beide wwn. heeft Kil. voor lagchen, spotlagchen. 
Men zeide ook yigeheren^ zie dit woord. Dus Van 
Iperen, Obadja digtkundig opgeh. 17: 

Waarom zoo uit de borst geschaterdy 

Gemeesmuild en gegichcheld, om 
Vorst Juda's valf — 
Valentijn, Werken van Ovid. 1. 214 : Sefiater niet la»m 
agier een^ maar gigghel iets soetSy en wysteragtig* 



199 



GIGCHELEN. 



140 



De Veer, Trou-ringh, 181: drie boerenmeideti.... 
gichelden bij de jwmp, Tuintnan, Rijnilust, 207: 

Ik acht geen lachm^ noch gegichel. 
Oudaan, Toneelp. 263: 

{dai) Kalvgn de manteUtlip om 7 aanzicht had ge- 
stagen, 
Op dat geefi oogefi op zijn lach en kicliling (sic) 

zagen^ 
Dcuar hy zijn greeniketi, dat hy niet hreeken 

kost, 
Uyl schaamt\ am eers wil met de mantel 

dekken moat, 
Vandaar hegigchelen, belagchen, bespotten ; Van 
der Veens Zinneb. 14: 
De schamp^re is wel eer met ongeluck gestagen, 
Begichelt en bejout in plaeise van beklagen. 
Aid. 52 : 

En wie nu op *« werrelts mael eti feest bestraffet 

dese dingen, 
Wert van ieder een begichelt eti bespot. 
En 153: 

Of die als sy, geen staet en voeren. 
Die weH begichelt en beschimpt, 
Voor gigcheleti heeft Max Havelaar giechelen,D. 
I. 172: te luisieren naar* het snappen en giechelen 
oan de viooUjes. — En van dit, met voorvoeging der 
s, is bet vlaamsche schiechelen; zie de Idiot, van 
Schuermans en De Bo. 

Hetzelfde woord is giggelen, dat mede voorkomt; 
Kl. van den Pasquilmaker, I. 7: 

— ey ick moet 
Eens gaen hooren, wat die twee doer aoo gigge- 

len doet. 
Coornheiis Odyssea, II 115: 

Als eenige der maechden ten huys uyt zijn gegaen 
Om op haer te gaen nemen den ghewoonelijcken 

last, 
Ulysses hoord'se giglen — 
Men leest het nog bij Busken Huet, Schetsen 
en Verhalen, I. 62: los, flapuitig, giggelend. 
Van Lennep heeft daarvoor giegelen, Klaasje Ze- 
venster, 11. 1: heel aardig! zei Snel, ^iegelende om 
de vooordspeling van Drenkelaer. 

In het eng. is to giggle op ceue dartele of gekke- 
lijke wijze lagchen; bij Grose, Classic. Diction, of 
the Vulgar Tongue, eenen lach onderdrukken. 
Schmidts Westerwaid. Idiot, heeft gickeln voor 
lagchen; en Benecke 6^n voorbeeld.van dat ww. 
in denzelfden zin als H vermelde begigchelen, d. i. 
bespotten : ein lamer gickelt uf den krummen. — 
Anders beteekent dit ww. in 't middelhoogd. wat 
wij jeuken noemen, d. i. een' sterken trek tot iets 
gevoelen;. zie ook Schmeller. Doch in Massroanns 



Denkm. I. Ill, tref ik een ww. {figelen aan, door 
Benecke over *t hoofd gezien, en dat, als tiisscheu 
deww. blerren, schrien, snarren, in geplaatst, een 
geluid zal te kennen geven als gaggelen. — Verg. 
gagcfielen enz. op Gagelen, Deze beteekenis van 
ons WW. treft men aan bij Mevr. Bosboom Touf- 
saint, De Delftscho Wonderdokter, HI. 235: Juli- 
aan..,, kreeg nog een mip met groan in de hand^ 
en trok doarmee af naar H happig volkjc (1. w. de 
kippen) dat joclend en gigchelend om he%n rvnd" 
stormde en pikte. Aid. 236: het gekir, het gegig- 
che], het wiekgeklep, de wildzang, at te zamefi 
stelden een concert daar. 

Qiggelen, zie Oigohelen. 
OJijb6len» zie Qiebelen. 
O^zelen—Gjjzea 

De verschillende gevoelens nopens de afleiding 
dezer woorden zie men bij Adelung — uit wien 
Weiland een uittreksel leveii — en Kaltschmidt. 
De laatste zegt : die Entscheidung is^t hier schwer. 
Ik zal ze dus niet beproeven, doch liever voor- 
I beelden bijbrengen van het bij Weiland niet ver- 
melde naamwoord gijzel^ 1*. voor gijzeling ; Hooti, 
Tac. Jaarb. fol. 38 : Vonones^ dewelke vati Phrahates 
aan Augustus te gyzel gegeven was, Ned. Hist, 
fol. 19: Philips,.,, stelle midderwyl te gyzel, de 
perzoonen, die de Fransche Koning zal kiezen. 
Bredero, Bron der Minnen, 63: 

Ick hoope door mijn dienst, u hartgje noch te 

vangen. 
In gijssel voor het mijn, dat ghy gfiecluystert hout. 
2". voor gijzelaar ; Maerl. Sp. Hist. I. 81: 
Ende met ghiselen daer mi 
Keerdi in Samaria, . 

Aid. 213: 

Dese was stout ende sere quaet 
Ende hadde te Rotne gysel gewesen. 
Dez. Rijmbijbel, vs. 18719: 

Van Ronicn heeft hi hem verheven^ 
Daer hi was ghizel, ende ofitstal. 
Van Bleyswfjck, Beschr. v. Delft, I. 115: de gevon- 
genhuysf n waren juyst dier tydt met geuangetis en 
gysels wel voorsien. — De hoogl. David spelt, op 
zijn hoogd. geizelaers, in zijne Vad. Hist. II. 456 
en 468; doch gyzelaers, D. III. 46. Het vrouw. 
van dit subst. bezigt Nomsz, Mohammed, II. 81: 
Ik ga„., als gyzelaresse naar Medina, 

Het frequent, komt reeds voor in het raiddein 
Meded. achter de Handel, der leidsche Maatsch. 
van 1872, bl. 23: 



mk 



141 



GIJZELEN. 



142 



(/r) weriU v '^t<*^i eygenlike^ 
lunie iviile u emmev yctnnvelikc 
l>U*nen in ParlhonopetM stat^ 
Efule itekeveti ende giuelen dat^ 
AUo yelijc alst daerloe staet. 
Weiiand zegt dat in de uitdrukking: het xwaard 
in de schede yijzclen^ '1 werkwoord fig^uurlijk in 
den 8iijl derdichter8 genomen wordt voor verber- 
gcu, insteken, en Van Moock vert aa It het dan ook 
under anderen door cachet^ itif^rer. Dit is watal 
te flgunrlijk, dunkt mij. Veeleer is hier te den- 
ken aan verzekeren, verblnden, verpanden; dus 
Uotgans, Poezy, 76: 
Mcutr vrou PeniUtpe vermeestef^t zync zintiefi^ 
En gyzelt hart en zyJbaaiHil aan d' ItluUuucfie kiuit. 
Aid. 347: 

Maar zoo 7 bewitU vati lwo€jer zfutken.,., 
Zijn anaaren gyzelt aan de inuuren^ enz. 

Oispelen — Oispen. 

Deze wwn. beteekenen gecselen; Roeiner Visschers 
Sinnepoppen, 1(J6: een Drtjftol, die niet meerghe- 
nUujhefi of ghegispt eti worl, die valt ha est in on- 
macht ende hlijft lujqhen. Bellamy, Proeven (3e 
dr.) 36: Toen ik ro, 9iafist het beest stappende, b{j 
miJ zelven redeneerde^ ontzette mij het gispefi van 
de zweep des slepers. Westerbaen, Ged. I. 519 : 
Ken fgnen burger wienl met roeden wat gestreken 
Om dat hy^ seymen^ twee getrouwde vroutoeti liad : 
Een ander txin den hoop, die nae dit gispen kee^ 

ken^ enz. 
Van Rijnsdorp, De Geschaakte Brnid, 6: 

VVanneer men my zo wat kwam gispen : flutt en 

fleat. 
Me dunkt dat ik dctar reeds de Beul at heb 

vernometi f 
Vondel. Hertschepp. 70: 

De boom boogh win 'tgewighi des boschd}*((e,r^ 

die den stnm 
Met tijnen tangenstaert vast gispte dat het klapte. 
Poot, Ged. I. 101 : 
— fT omgti^oerde zee^ die gntwzaem schuimt en 

barnty 
En met fiaer gotven jcispt '/ nu dnbbel btint 

gestarnt, 
Oudaan, Poezy, II. 116: 

Schoon u*itiden gtspelen, ett regenbnljen slaeft. 
De Hai*duyn, Goddel. Wenschen, 219 : 

Want gheen soo kleyneti imchty oft 't wordt de 

letters wijs^ 

Soo dttttet maer en siet leat ghispelingh van rijs. 
Plaatsen uit Bredero gaf de heer Oudemans, in 
zijn Wbk. Ondaan voegt geeselen en gispen in 
overdrachiigen zin bijeen; Uytbr. over Job, 32: 



Laal booze nijd der lasterlyke tongen, 

Ats uyt den band geaprongen. 
Met schelden^ met braverefi^ met berispen^ 
Elk geesselen, en gispen. 
In de Gollectan Etymol. van Leibnitz, I. 126, komt 
liet subst. gysp voor in de beteekenis van pfare- 
nesis, en wordt aldaar gebracht tot vespa^ Gispefi 
is in zijne eerete beteekenis een slaande, draaijende 
beweging maken; \erjg. geeselen en denk aau wis-' 
pelen, kwispeUn^ ronddraaijen. Var.daar dus ook 
gisp voor ijlhoofdig; gelijk gispel in Hzwabisch 
dialect iemand beteekent, wien H hoofd draait, en 
bij uitbreiding een onbezonnene, onbesnisde ; zie Von 
Schmid. Bij Schroeller een onbedachtzaam, ge- 
dachteloos nriensch. Crisp is bij Weiiand eene dunne 
ix>ede; 'twoord kwaiu mij voor in (Iguurlijken zin, 
bij Huisinga Bakker, II. 96: 
Het bytend hekddichl^ der leemten gisp, verwayt 
Een Juvenael vol vuurs — 

GnifEbl6ii--Oniffen. 

In de volkstaal van Groningen is gni/felen^ ook 
kni/feten^ in de vuist lagchen; zie Weil, en De 
Ned. Taal, I. 199. Men leest het bij Hallieilsma. 
Lappekorf, door Goevemeur, II. 59 : Maar toe/n *k 
wat nader bijkwam, begon ik in mijfi vuistje te 
lagchen. Een kerel^ die naast mij stond^ vroeg 
)»(/, waM}*om ik zoo gniffelde. Koopmans van Boe- 
keren in Westermans Bato, 1865, n°. 5, bl. 321 : 
Natuurlijk^ natuuHijk^ sprak Eduard en gniffelde 
zoo wat voor zich heen^ daar hij 7 zoo loos had 
aangelegd eti den stuunnan zoo goed Ivad inge* 
palmd. — In Van der Veens Zinneb. 246 leest men : 
o Moetje, hoe praetje beter als stomf 
Siet^ Gy^jen en Lysjen die laccfiender om. 
Jou kallen en mallen dat fworen sy juyst, 
Nou griflelt dat volkjen in heur vuyst, 
Dit griffelt zal wel eene misstelling zijn voor gniffelt, 
Het woord bestaat mede in verwante dialecten; 
Richey, Idiot. Hamb. »gnyfeln, WcAc^ii, subridere ;" 
Brem. Nieders. W6rterb. »gnifeln" in gelijken zin; 
en het Holstein. Idiot, van SchQtze heeft zoowel 
het freq. gniefeln als het prim, gniefen^ »lAcheln, 
in sich hinein, in den Bart lachen.'' Die Aachener 
Mundart von Muller und Weitz stelt gniffeleti ge- 
lijk met giffelen^ in dat dialect gebruikeliik, en 
vooiis met gicfielen, 

Onofll9l6n--OQQfibn. 

Het freq. bezigt Oudaan, Po^zy, I. 348: 
Een vuilj onntU^ en gruwzaam Verken^ 
.... 'tgnofrien tangs de straat gewoon 
Door drek en vuilnis — 
H Is blijkbaar ^^n met knuffeln^ in 't Brem. Nie- 



143 



GN0FFHJ2f. 



144 



ders. Wtb. opgeteekend voor in de aarde woelen ; 
knu/fel is daar zwijnsnoet; voorts verwaut aan 
gnubbelen, mede aldaar te vinden voor stooten, 
ook tasten ; bij SchOtze knuffeti^ gnuffen^ welk laat- 
ste als primitief i& aan te merken. Dat gnoffelen 
aan ons knoffelen verwant is, zooals Siegenbeek 
vermoedde in de N. Bijdr. ter bev. van bet Ond. 
en de Op v. 1833, bl. 565, is door bet aanpevoerde 
meer dan waarscbijnlijk. Ji)r is ook te wijzen op 
het angels, gnafan, snuffelen, vanwaar kan zijn 
bet oud-eng. gnoffe^ een gierige snuifelaar, docb 
ook voorts een onhebbeUjk mensch. Zie Nares' 
Glossary. 

Gobbelen— Gobben 

In bet groninger dialect is gohhe weeke modder, 
gobben lillen, schudden (van vet), gobbelen stor- 
ten, gobbe regen stortregen, uitgobbelen uitstorten; 
zie Taalk. Mag. U. 336 en IV. 677, en De Ned. 
Taal, I. 194. — Vandaar bij Kii. gobelen, geubelen^ 
gubbden^ vomere, eructare; en bij Muiler und Weitz 
gdbbele^ speien. Zoo leest men gubbcleti onzijdig 
voor storten, vioeijen; Herstelde Uitgelez. Ged. 15 
verso: 

Wat al uytgesogte taal 
Wat aX wonderlyk gemaal,.., 
Dat hoar uyt de keele gubbelt. 
En uitgobbelen bedrijv. voor uitstorten, uitbraken 
in figuurlijken zin bij Maiiiix Biencorf, 57 : de fijne 
brieven,,,. die een droncken Monick ende ongelecri 
buffet ergena op een S, Mertens avondt wtgbegub- 
belt heeft — Geubelen leest men in De Oeestvan 
Tengnagel, aangeb. door Oudemans in De Taal- 
gids, 11. 52: 

'/t Sou by-kans aen 'tgeublen tyen. 
En Van de Venne beeft er t'wee samenstellingen 
van, Belaccb. Werelt, 65: 

^ Wy en gaan niet wiggel-wanck, 
OvergiUlept txin den dranck, 
Niese, rispen, walgen^ wroegeHj 
Geubel-scbocke, brocke-spoegen. 
Aid. 123: 

Wegh! de Kijckers souwe segge 
Dat wy gingen Eyers legge, 
Of tuat geubel-galpe stijff 
Wt jen puf verbraste lijff. 
Door eene meennalen voorkomende verwisseling 
van u met t, leest men voor gobbelen, uitstorten, 
gibbeletiy in het Kinderwerck, ofte Sinneb. van de 
Speien der Kind. 37: 

Gael het soo niet in ons leven^ 
lat niet vechten^ loopen^ streven^ 
Kibblen, gibblen, spot en gal^ 
Dat men meest siet overaL 



Gk)echelen— Ooeohao . 

Goechclen in in 't geldersch en overijselsch dialect 
gedurig lagcben, spotlagchen; Taalk. Mag. III. 50. 
Dus Cremers Bet. Nov. I. 19: De jonge heeren 
bleven goechelen, maar eensklaps sloven ze uiteen. 

Men spelt bet w. ook goegelen, Geld. Volksalra. 
1862, bl. 102 : As er manges twie jonges zntten te 
proaten^ te goegelen. 

Halbertsma, Ov. Aim. 1836, i. v. leidt bet ww. 
af van guicK, spottemij. Liever boud ik het met 
verandering van den klank voor ^^n met gagckeletiy 
dat hetzelfde beteekent; zie dit woord. Goechen 
en goechelen komen vrij wel overeen met jtio/ien en 
ju^helen, een vroolijk gescbreeu w aanbeflen, juicben, 
in 'tBrem. Nied. Wtb. en 't Idiot, van Muiler 
und Weitz. De beide klanken oe en korte a zijn 
vereenigd m joechjagchen ;Beeis, Cam. Obsc. (5e dr.) 
334: Het is een gejoechjach, een geschater, een in- 
stellen van toasteti zonder end, 

Gokelen— Goken. 

Beiden zijn verouderd. Het primitief loest men 
voor bedriegen, Van Vrouwen ende van Minne, 
(door Dr. Verwijs), 80: 

Die doer den penninc heeren goken, 
Ende seggheti datmen mitten token 
Wel den duvel eteti mach. 
Het frequent, heeft KiU dat bij saxisch sicambr. 
noerat, voor (/«ic7ie/cn, van betwelk bet tegenwoor- 
dige goochelen niet dan een wisselvorm is. Men 
leest het w. in den Fer-guut, vs. 2772, in den zin 
van ons goochelen: 

ic tvaenre speelt die duvel mede^ 
dattie minne es van so grote crachte, 
dot si eens mans gedachte 
in so corter stont onder doet^ 
wel gokelt si onder den hoet, 
bedi e^ cans nieman gehoeden. 
Met be voorop, Vanden Lev. ons Heren, door Dr. 
Vermeulen, vs. 4121: 

Selen wi gheloeven deseti man^ 
Die al tfolc begoclen can^ 
An sine tale, an sijn ghebotf 
Newy ! maer anden hoghen God, 
Aid. vs. 2450 : 

Wi weten wel dat hi heeft u 
Begokelt in corten liden nu; 
Judas, gi sijt ries ende sot enz. 
Passionael, Somerst. fol. 143: doer so vant hi twee 
gokelaers — ende dese begokelden die ludeti met 
ha.er consten. 

De ail. begokeling beeft men in de Levens van 
Plut. fol. 412 : c{6 begokelingben ende betovermgken 



145 



GOKELEN. 



146 



van haer schoonheydt, — Diiwerf ontrooet men go- 
kelie voor goochelary, toovery; Vanden Lev. ons 
Heren, vs. i069; Bilderdijis Verscheid. III. 144; 
Partbonopeus (door Bormans) vs. 2i90; Van VeU- 
hem, fol. 37; Lev. v. Sinle Franciscus, vs. 3640; 
Der Ystor. Bloeme, door Oudemans, vs. 170; Hor. 
Belg. m.vs. 2357, 2490 en 3129 ;.Pas8ionael, Win- 
terst fol. 46 verso; Somerst. fol. 79 verso, 102 
verso en 143, en elders. — Gokdaer is misleider, 
bedheger; Vanden Lev. ons Heren, vs. 2624: 
Als dit xoasy groet ende dene 
Riepen si lude ctUe gemene: 
HerCy Bamabasse Utet quite gaen, 
Dien gokelere laet ona venlaen! 
Doch wederora toovenaar, en wel Simon »de too- 
venaar*' uii Handel, der Ap. 7, in Der Yst. Bl. vs. 
109, 114 en elders. DeBijbel van 1477 spelt koke- 
laerSy Levit. 20, vs. 6, waar de Statenoverz. duivels- 
konatenciera heeft. Op andere pll. waar de laatste 
guychelaer heeft, zooals Exod. 7, vs. 11, Dan. % 
vs. 2, leest men in den eei*sten iaveraers. Elders 
vindt men nog andera vormen; dns coechlen bij 
Van der Scbueren; bekokelen^ Scheltema, Oud en 
Nieuw, L 231: dat Uluyder ooyen bij den Spaen- 
gaerden — verblinthoct ende^ zoe men zegty bekoo- 
cielt loaren geweest, -^ Bekoeckelen^ in de Gem. 
Duytsche Spreciw. van 1550, bl. 82: /ft/ bekoeckelt 
fiem die ogen* — In hot veluwsche dialect is, naar 
mij door een' desiundige bericht is, bekoekelen nog 
voor betooveren in zwang. — Bekogelen, Gonstth. 
Juw. 524: (ghetoghen 

Met H MamnHm diep uyt thert der harden op- 
U werelt bekogelt ons oogen enz. 
Kiliaan heeft kokelen nevens gokelen en gochelen, 
hoewel guychelepi bij hem de meest gewone vorm 
is, dien wij dan ook bij de boveu aangeh. schrij- 
vers uit het op hem volgend tijdvak aantroffen. 
E^nmaal spelt hij gotichelaer, p. 917, waar hij on- 
der de benamingen van honden ook telt »gouche- 
laers hondt,'' waaruit wij moeten opmaken, dat 
zulk slag van kunstenaare er een bijzondere soort 
van dat dier op nahield. 

De vraag is nu, welke is van het werkwoord, dat 
zichin onze taal in zulke verscheidene vormen, en 
in de verwante talen nog in andere voordoet, de 
eersteen eigenlijke beteekenis? De voortrefiTelijke 
Ten Kate heeft juist geoordeeld, toen hij haar vond 
in het oude goch^ celer (Aenl. I. 280). Adelung 
leidde gaukeln evenzoo van gati^ gach^ snel, af; 
iimmel als later Kaindl, Die Teutsche Spr. aus ihr. 
Wurzen, III. 323. Eene tot hierloe bij ons gebeel 
voorbijgeziene beteekenis van het ww. is daar, om 
die afleiding te bevestigen. 



De oorspronkelijke beteekenis van het hoogd. 
gaukeln, nederl. goochelen^ is snel bewegen. Ade- 
lung bewijst dit voldoende. \ Wordt nog nader 
gestaafd door Schmeller, bij wien gdugken en gdug^ 
klen als neutrum beteekenen snelle, waggelende 
beweging maken, rondweiitelen (als op handen en 
voeten); en als activum doen omvallen, omstorten, 
neSrwerpen. Nog in het dialect van Aken is ko- 
kele omstorten, kop over bol vallen: zie Miiller 
und Weitz* Id. — Doch ons eigen nederlandsch 
komt hier te stade, om de aloude beteekenis in 
het licht te stellen. Keukelcn, dat (blijkens d6n 
Dr. Volksalm. 1839, bl. 193) in Drenthe voor goo-' 
chelen geldt, beteekent in Overijsel buitelen, volg. 
Halbertsma's Wdb. Dus leest men in Gremers 
Betuwsche Novellen, II. 47 : als Paul sams op den 
deel aan Unneke wees, hoe ze k6pke %no8t keuke- 
len; d. i. over het hoofd buitelen. Zoo ook be- 
teekent koggeien wentelen, taimelen ; bij Oudaan, 
Voorschad. 228: 

— daar^ ah d* oudennoordenaren, 

Profeet, en lieestj en Slangy als in een zak vcr- 

garcny 

En kog'len in die Zee^ uit tmur en rook hereid. 
En bij denz. Po^zy, III. 424: 

— de kbggelende kielen^ 
Tot zinkens toe verla'en met ballast van beleU 
Hetzelfde vindt men — doch bedrijvend — in koo- 
kelen; in Meermans Gom. Vot. leest men bl. 26: 
De Keyser moest oock at zwijghen en nocfi Amen 
toe segghen^ wilde hy anders niet wachten dat 
hem Heeroom,.,. van de plecht koockelde, en dan 
met kakhielen achter land deed loopen, — De uit- 
drukking van de plecht koockelde wordt aan den 
voet der bladz. uitgelegd door »uit zyn Ryk jaegde.*' 
Kookelen is derhalve aldaar doen tuimelen, ne^r- 
storten. Op eene andere pi. (bl. 19) leest men: 
Heeroom met zijn witte hembden koocheldese alte- 
mael als domme snippen. *T kleyn gebeent at hy 
selver op. * T groote dat hy niet aUeen vermannen 
kondty bande hy onder een kevy,.., *r scheen To- 
very te wesen. — De zin is hier, blijkens het ver- 
band, door behendige grepen overmeesteren of van- 
gen; en deze uitdrukking: cUs domme snippen 
koochelen heldert den jachtterm keukeHen op, dien 
Westerbaan bezigt, Ockenburgh, 162: 

/fy, die sich op dit goed te keuckelen verstaety 

Die doet debeste vangst die *t al te boven gaet. 
Dit goed is hier ^snippen"; en die te keukelen 
]»op zekere behendige manier vangen." Dus ook 
in den Navorscher, 1857, bl. 136, uit een oud Hout- 
vesters-dagboek: Opten XlXden Octobris rydende 
tusschen Lis en Sas aidaer gevonden een keucke- 



447 



GOKELEN. 



148 



laer die een snip gheceuckeld hadde. En raede 
aldnar uit eene aanteekening van de 16e eeuw: 
Eyndelyck sou ick ooek noodifjh achtmi dnt meii 
de keukelaafs oock verbood, twinl de fiaesen in dai 
saysocn meeM aen stniycken en hegyen liygetiy 
alwaer de keukelaers ordinarut de snippen soeckeni^ 
en (lis sy dan een haes siefi leggen^ gee ft ge^i 
Ujfparentie^ dewijl het die luyden dock alleeti om 
winal le doen ia, dat sy hem souden Uieten leggen^ 
sonda* hem met een hout in sytt lenden te slaen, — 
Dat overigens in het geldersch dialect hekeukelen 
nog bekend is, in den zin van begoochelen of be- 
tooveren, blijkt uit den Geld. Volksalm. 4872. bl. 
182, waar men leest : ja we spraUen van 't bekeu- 
kelen, en van H heheksen dettr d' oogen. Bij G. 
van Spaan, Gelukzoeker over Zee, 01, zijn het geen 
snippen, niaar vijanden, die worden aangev^llen 
en overnieesterd of te onder gebracht: Maardeze^ 
ook niet slinks lijnde^ kocchelden de vianden zoo 
lustig^ enz. Van den Berg, Gestoff. Winkel en 
Luyfenbanquet, 18: 

Tromp naar Zee toe^ de sLof/ is ons; 

Louis gekoggelt met een gons. 
Voor aanvallen leest men het bij denz. schrijver, 
Opk. d. Oostind. Comp. 47: 
7 Kasteel Zeelandia wierd van luuir ook hesloteti, 
Met groot en klein geschut gekogcheld, en he- 

schoten. 
Aid. 41, onzijdig: 

— Frans Karon met een draai 
Die rukt'er weder voor^ en kogchelden, en knotten^ 
En pompfer weer op in met kogels en stinkpotten. 
En mij dunkt, wanneer onze volkstaal nog tegen- 
woordig het wei*pen met sneeuwballen kogcfielen 
heet, bezigt zij dezelfde iiitdrukking. En voeg ik 
bier nu nog een voorb. vrfn kogchelen bij, dat mij 
voorkwam bij V. d. Venne, Beiacch. Wer. C8, 
waar hij van den over den kop buitelenden aap 
zingt : 

Stmalt je oogeti op den Aap, 

Die soo tuymelt springt en kogchelt, 

Die sijn kaale-gatje hogchelt^ 
Mit een averechtse draay, 
dan zijn we weder tot de beteekenis teruggekeerd, 
waarvan we uitgingen en vinden letterlijk den 
jongen bij Schmeller vfeder^ die gduggelt swanneer 
hij zich op handen en voeten, als een wiel om 
zijn spil, in een' kring voortbeweegt." 

De eigenlijke beteekenis van goochelen is alzoo 
behendige of snelle bewegingen maken, en de daar- 
uit afgeleide: misleiden, bediiegen, spotten, schert- 
sen. Het gewone zeggen: goochelen is bloot een 
gauwigheid^ behelst niet alleen eene physieke, 



maar ook eene etymologische waarheid. De gooche- 
laar was van oiids potsemaker, ieniand die door 
behendigheid aiideren vermaakte en misleidde te- 
vens. Het beweren van Tuinman, Van Wijns 
Avondst. I. 234, en Bilderdijks Versch. H. 446, dat 
ons goociielaar^ met het fr. jongleur^ van het lat. 
joctUator komt, en goocheleti van joculari^ behelst 
in zooverre waarheid, dat, dieper onderzocht, de 
betrekking tusschen die woorden niet ontbi'eekt; 
doch de naaste graad der verwantschap wordt bij 
die afleiding evenzeer voorbijgezien, als zij de wij- 
zigingen der beteekenis van ons ww. in zijne ver- 
schiliende vormen onopgehelderd laat. Van andere 
etymologien, zooals die van Bilderdijk (Geslachtl. 
op Gek en Guich)^ zwijg ik. Terwen beeft er in 
zijn Etyniol. Handwbk. vei^cheidene vermeld: al- 
leen Ten Kate noemde hij daar niet. 

Gk>oo1ieleii, zie Gk)keiezi. 
Gk)rdelen— Oorden. 

Garden heeft den zin van omgorden, omringen; 
Passionael, Winterst. fol. 115: hi heeft mijn rech- 
terhant ende mijn hals ghegoii mit p}*eciosen steenen. 
BegoMen is omringen, omkleeden, bedekken; 
zie mijne Lat. Verscheid. 175 vigg. Van de 
daar aangewezen en verklaarde bet. van bezwan- 
geren geef ik bier nog een paar voorbb. Passionael, 
Somerat. fol. 115: doe si haren derden sone.... be- 
gort hadde in den licha^me. Leven van Marcus 
Aurel. 47 : dese Wet^ datmen geeti begorde juf- 
frouwen yet weygheren en. sonde, Maria Heyns, 
Bloemhof, 214: word zy begord, en draegt h€ier 
vrucht ter bestemde tijt. Houwaert, Lusthof der 
Maechden, I. 624: 

Oft <f overspeelder die my doet treuren en zuctiten^ 
My rampzalighe niet en zou hebben begort. 
Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofdaghen, 88: 
Decs maeghd zal moeder zijn; dees sondm* dat 

begorden 
Haer yemand zal, zal van haer Vadef* teelster 
"' worden. 

Vondel, Leeuwend. 39: 
Dat ( Pan) om d' oude maen by avont te begorden, 
Ging mommen^ als een bock^ ja zelf eeti bock 

most worden, 
Dez. Poezy, I. 338 (aan den Rijn): 

— toen een zelve moeder, 
Begort van regen, ys en s^ieeuw, 
U baerde voor zoo menige eeuw. 
Hier wordt de bet. figuurlijk ; dus ook Oudaan, 
Po€zy, 509: 

Dat kmi zyn manb're geesl met zulk een krojcht 

begorden. 



140 



GORDELEN 



150 



V«ndaar de afl. Ijeveti van Man-. Aural. 41 verso: 
siel, ie beii hevt-ucht.... ick mocht tterven viiit dcsu 
begoi'dingn. En wellicht ook bij Bara, Galteno, 21 : 
't Loopt zo ah 't leapt, ik zie dat vry efi bruyety ur, 
Eh liikkig hy die van de viiylnisbennen vnj is, 
[He bcUien vol dveks, ik meeu begorteling. 
/oo ja, dan zou men aan een fi-eq. begortclen, be- 
zwangeren, kunnen denken. 

Weil, merkt te recbt op, dat onUjorden bet tegen- 
deel is van begorden, en dus verlossen; alzoo 
Heyns, Bartas* Wercken, II. i. ill: 

Hy met den heyliyhen Gheest vet^clt vefi>ult sal 

wesen, 
Eer hy ontgoii sal lipi oft syne moet* otUreseti, 
In den gewonen zin is ontgorden ontbinden, los- 
maken ; Hou waert, a. w. 1. 663 : 

Heb ick u mynepi gordel niet late>t ontgorden? 
Duim, Mengelz. 221: 

(Hy) greep de mail, en fluks hy 7 kleed ontgorden. 
De bekende afleidingen omgorden en omgorden zie 
men in bet Wdb. d. Ned. Taal voldoende toege- 
licht. Bij de opnierktng dat »hedendaBgRcbe schrij- 
vers m/i<^re(eM'^bezigen in pi. van 6mgorden'\ kan 
gevoegd woi*den, dat bij hen ook bet omgekeerde 
geschiedt. Vr. Bilderdijk bezigt bet laat^te, waar 
volgens de Redactie bet eerste te pas komt; Ho- 
drigo, I. 42: 

Nu gordt hy ifoor den tocht zijn zwakke lendnen ora. 
Aid. 26: 

Hy gordt zijn lenden om — 

Opgorden is opbiuden ; Valentijn, Werken van 

Ovid. II. 193: de jagtgodin, met opgegort geivaat. 

Het frequent, gordelen. dat onze woordenboeken 

niet bebben, leest men bij Oudaan, Uytbr. over 

de Ps. I. 140: 

Dat hy den Lijfrok dragen mag, 
En Hlinwaad gordelt om de lenden. 
ToUens, Romancen, 45: 

(Uij) gordelt stool en staatsiekleeden 
Den priestei' om de eerwaardc leden, 
Vandaar begorddeti, bekleeden, bedekken: Meule- 
wels Misanthropos, 29: 

Wat isser op der aerdt soo heytich nu gescfiapen ? 
Oft soo begordelt vroom in sijnsche^ttvrije waepen, 
Dat tieur dett rijckdom niet in cT asscfien ifferdt 

gestormtf 
Hetzelfde zegt omgordeleti; Oudaan, Roomscbe 
Mog. 339: eefi vrouwenbeeid, dat,... benedenwaarts 
met een slang omgordelt is. Dez. Uytbr. over de 
Ps. II. laH: 

Daar Uschoon en heerlijk uytgemst 
Zi^i met een hcylig lijfgetvaad 
Omgordelt — 



Dez. Uytbr. ovei* Job, 196: 

Dal ittve macht cti kraeht u als een riem oiii- 

gordeP. 
Jan Vos, Ged. II. 161 : 

(een stadt) f omgordelen met hemelhooye muurcn. 
De Hfles, Nag. Ged. 208: 

{Het zy ze) met een snoer van tneer dan veerlig 

sehakelen 
(rods leih*geliefde Bruit omgordelt en twr«>r<. 
Wosterman, Ged. I. 1: 

Voorl, voort, met vlugge vaart, rte kelen, 
Die u omgordelt, losget'ctepi. 
Van der Hoop, Feestzang (Gouda, 1840) bl. 8: 
6 Grijze Gouwe stad, wees prat oj) 't ftisch 

gebloetnty 

Waurop de groene tuiti, die u omgordelt, roemt. 

Zulk eene overdracht is stoutdichterlijk genoeg! 

Het WW. komt ook wederkeerig voor en zonder 

overdracbt; Van 's Graven weert, Odyssea, III. 38: 

— Omgordel u terstond, 
()})dat geheel de schaar u dat gevecht zie wagen, 
(hitgordelen, het tegendeel daarvan, losmaken; 
Oudaan, Uytbr. over Job, 67: 

Den riem van luiar geweldigheyd 
Ontgordelt hy, enz. 

Gtorgelen— Gorgen. 

Het primitief dezer geluidnabootsende wn. is 
gorren, gurrefi,hii Frisch zeker keelgehiid maken; 
door Maerlant van een varken gebezigd. Alex. 
Geesten, II. 213: 

Drivet vor sw^n ende sogen, 
Doetsi gorren, ghi soelt mogen 
Die olifante soe vervaereti. 
Lager aldaar: 

Men soude die soge soe doen gorren. 
Sine souden heti niet weren dorren. 
Ook met andere toepassing ; Bodeche6r Benningh, 
Leydsche Ooriofdaghen, 7: 

By dit beeckjen doer de baeren 

Vloeyen met een soet gesnor: 

Hoort men noyt de geesten baeren, 

Hoort men nimmermeer gegor. 

Vandaar (fo%^gen, yorregefi, contr. gorgen, zoowel 

als H fr. gorge, middelbd. gorg, gorge, keel, strot, 

nederl. gorget, oudt. gurgel, b. v. in de Randteek. 

op den Statenb. Pred. 12, vs. 4. Van hetzelfde gor^ 

ren heefl bet Brem. Nied. Wtb. *t freq. gorrelett, 

hoogd. gurgeln; in andere dialecten gorzen, gork- 

sen, (forzgen; tie Von Scbmid, Schwftb. Id. — In 

Massmanns Denkm. I. 110 lees ik »tc/i ergurgrla: 

schenk, mein Son, schenk, doss wtird mir die Leber 

erfrischen. Gib her, doss ick mich ergurgele. 

D. i. mij de keel doorspoele; zeer onderscheiden 



451 



GORGELEN. 



152 



derhalve van evgoryebu dat Reinwald voor wur- 
gen heeft. Een J)edrijvend gorgelen hebben ook 
de onzen; Coornherl, I. Od. 84: 
de son rees, ic qiuim by de dootlicke Chaiylxiifn 

weder. 
Die goi'gelde de vloedeti in haer grondeloose 

wanghen. 
Baardt, Deugdenspoor., 236: 

Die slickt so <fii*aeg een vette Pan, 
En gorgelt joueke-Bier en Wijn, 
Vondel, Helden Grodes. 25: 

{eei\ walvisch) die zander' zich Ic helgen^ 
Myn levend* gorg'Ien kan^ verdouwen^ en ver- 

zwelgen. 
D. i. in de keel sliiken, inslikken. Zoo ook ingor* 
gelen; Pers. Bellerophon, 51 : een van tsijne Oversle, 
dewelke hem venstikte door H ingorgelen van 7 toa- 
ier, — Alsroede uUgorgelen^ d. i. lets al gorgelende 
uiten; Ock^rse, Nagel. Rede v. 24: Het {widUje) 
gorgelt zijne vergenoegdheid uit, schaterlacht enz. 
Tollens, N. Ged. II. 19: 
(i//;) goiigelt met een vloek zijn afscheid uit aan 

H leven. 
In dezen laatsten zin vind ik de afl. gorgeling^ bij 
Ockerse, Napol. Rede v. I. 123: zieltogende Fran- 
schen.... wier laaUte stuipacktige gorgelingen ver- 
vloekingefi van Napoleon waren. ' 

Meest bekend is echter bij onze dichters gorge- 
len als onzijdig ww. ter aanduiding van het ge<* 
luid, allereerst der vogelen; N. Honigbtje, II. 72: 
*tgorglend pUiimgediert, Huyg. Korenbl. I. 342: 
Hier sitt de Nachtegael en gorgelt met »(/«' vrijster. 
Bilderdijk, De Mensch, 55: (gorgelt. 

Voof^ u is 'I fluitjen niet^ waardoor de rietvink 
Tollens, Romancen, 13: 

Reeds gorgelt de leeuwrik zoo luid en zooscheL 
Kltjn, De Driflen, 115: 

Het veld^ het woxtd weirgalmt van 7 treffendsi 

maatgeluid... 
Wat inengling van gevoel! — loat schatren, fhti- 

ten^ goi-glen. 
Bilderdijk, van een heilig bosch sprekende, met 
omzettingin den onpers. vorm, Dood vanEdipus, 2: 
Van binnen gorgelt het van dichte fiachtegalen. 
Van de vogels wordt het geluid overgebracht op 
gepersonifiSerde wezens; Tollens. van zijne Zang- 
ster, Laatste Ged. I. 3: 

'k Liei hoar gorglen Umgs de velden. 
Ook op het watergemormel ; Sprankhuisen, Yande 

■ 

y hopping, Gi: heighesangh van deVogelkens^ het 
i'uysschen van de Boomen^ het gorghelen van de 
jfoeivheijende Watet*kens. — En op het oi^l, Siffl^, 
GmL 197: 



Tenvijf het stalig spelend orgel^ 
Met trager tioteti^ heerlijk dreune en gorgelM 
Mullei* en Weitz hebben een ww. vergorge, ver- 
hongeren, van gorrig, hongerig, ledig van maag, 
dat zij tot het nederl. gtyiag brengen. Die aflei- 
ding zal wel nietopgaan; doch de vraag is of^or- 
rig in gemelden zin aan te inerken zij als verwant 
aan gorgelen^ en dus als klanknabootsend van 't 
geluid dat de ledige maag maakt, zooals zij bij 
ons wel gezegd wordt »van den honger te ramme- 
len''; dan of er te denken zij aan gorre, gierig, 
vrekkig (bij Kil.), friesch ^oarre, gierigaard, ^oan- 
rt</, karig; welk a4j. bij ons gorrig^ fforg, luidt in 
Van Ny veldts Souterliedekens, Ps. 9, waar 'twoord 
genomen blijkt voor ellendigcj tiooddruftige: 
Ghelyck een Leeu can wot*ghen 
Den artnen en den gorghen, 
CUin hy vercleynen en nederslaen, 
'twelk men wedervindt in Hmiddelhd. vers: owe 
ir armen gorgen, dat derhalve zonder de hijvoe- 
ging Bvielleichf' bij Benecke tot »gorec, miser'' 
had mogen gebracht worden. Dat intusschen de 
oorsprong dier woorden, gelijk daar geschiedt, in 
goor^ mest, slijk, zou te zoeken zijn, schijnt minder 
aannemelijk. 

Goraelen, zie Gtorstelen. 
Gk)ntel6ii— Ooratea. 

't Ww. gorstelen wordt aangetrolfen bij Oudaan, 
Toneelp. 270: 

— de borat verhrand in assehe; 
't Hooft gorstelt zwart als pik — 
En Pofizy, II. 292: 

Na dat een langsaam vuur 't Geduld geblaakt^ 

gegorstelt, 

En overs treden had — 
De zin des woords is blijkbaar zengen, blaken, 
schroeijen, en dus hetzelfde wat bij K\\. gortselen^ 
bij Plantijn got*selen heet. Weiland heeft als noord- 
hollandsch bakkerswoord daarvoor garstelen, en 
verklaart dit door »het schroeijen van de boven- 
korst der bix)oden." Wellicht is 't woord niet an- 
ders dan korstelen^ van korsten; zie dit w. 

Gortselen, zie Gtoratelea. 
Gosselen, zie Ousselen. 
Grabbelen— Grabben. 

Grabbelen heeft zijne eig. bet. Sprankhuisen, 
Geestel. Bataille, 16 : Met de Doodt soo ga^n open 
de handen van de gierige vrecke Menschen, en ty 
laeten alles vallen wat sy ghegrabbelt Ae66en. 
Yondel, Poezy, I. 15 (van eeii* klepper) : 



153 



GRABBELEN. 



i54 



— afgerecht^ om %nei 't hoefyzer fel te grabbelen 
[n Spaensche troepen : doer hy schrick en t*uimte 

maeckt^ enz. 
Figunrlijk wordt het w. ioegepast bij denz. Maegh- 
den, 60: men grabbelt om dees bloemen^ d. i. men 
beijvert zich om ze ie bekomen. 

Met voorzetsels heeft men, Westorbaen, Ocken- 
burgh, 24: 

— reject de boerin te meri^ 
Daar *t suyvel hier van daen haeat opgegrabbelt 

wert. 
Du8 de 4to druk van 1654; de 8vo van 1672 beeft 
bl. 62: opgdnnbbelL Huygens, Korenbl. I. 454: 
(wolven) IHe uw' Lammeren hehuyldeuy 

En ontgrabbelden uw Wee. 
Voor te grabhel (als wij zeggen) vindt men in de 
grahbding, Gonstthoonend Juwee], 372: 
Want Godt aal om uwe sondighe luslen, 
Utoe schaiten groot in de grabbelinghe gef>eiu 
Het freq. luidt in het land van Kuik groebelen^ 
volg. De Nav. IX. 293; doch ook voorkomende in 
de Vaderl. LetteroefT. 1872, n^. 11, bl. 520 : Groebe- 
lende in die fiotulen^ enz. Yoorts in de volkstaal 
ook grobbelen, Te recht word! nopens dezenvorm 
in De Ned. Taal, 1. 194, opgemerkt, dat het ww. 
beteekeni »binnen eene beslotene ruimte gi*abbelen 
of rondtasten in 't donker*' ; zoo omschrijfl ook het 
Brem. Niedera. Wib. grubbeleti door »met de hand 
rondtasten"; wat in Von Scbmids Schwftb. Id. be- 
groppen en in *t engelsch to grobble en to grubble 
heet — Ik zoo daar de opmerking bijvoegen, dat 
het WW. met den korten o-klank vooral wordt toe- 
gefMst op »grijpen op eene ruwe, ongeschikte, on- 
betameli|ke wijze." Dus leest men grobbelen bij 
Langendtjk, Ged. IV. 43: 

Mefi grobbelt in geen bovervat: 
Maar wcucht de handen rein en glad. 
Op- en Ondergang van Flora, 155: 
Maer^ Fopje^ al te rijck! dat sou je niet wel 

achickeny 
Je grobbelt al te graeg, — 
Bartelink, De Beemater Keimis, 15: 
Jansz Tkeynis not b^j Triifif en grobbelde in 

heur zak, 
Apollo's Marsdrager, II. 129: 

Wat legt gy cU engtypt en i^rohheli met je^tand. 
Dub Fokke, Boertige Reis, II. 211 : maar met zag 
hy juiat eene hand onder de echaal grobl>eIen. D. 
IV. 99: men kan toch zoo niet^ met schik^ in het 
hoofd wxn de menechen liggen te grobbelen, zoo 
long als ze leven. Vermaakl. Lojttooneel v. Hol- 
land, L 152: {raasen. 
Met zoete meisjes is 't goed grobbelen en zoet 



Kl. van Jaep Rootvoet, 18: ' 

Och ! datse doodt waSj ick huylde nujn oogen an 

sticken, 
Wie souw me dan soo begrobbele? wie soume 

900 soenen en iickenf 
Grabben is thans verouderd, doch vroeger niet 
zeldzaam, b. v. Hor. Belg. IX. 32^ Meest grabt, 
meeat lieeft, Bijns, Refer. 11. 14: 

Hoe sy daerom bedrieghen^ grabben en ghieren. 

Ck>nstth. Juw. 330: 

Ja^y dat heb ick al door (Hericheyt vercreghen^ 

Met loopen, grabben, aoo heb ick ^t doen verveelen. 

(Verwe£?/en:i=vermeerderen). Ontgird>ben bij V.Man- 

der schijnt weggrljpen te beteekenen, Bucolica, 121: 

— hun (den stervelingen) comen sieckten 

sc/iendichy 
Droef outheyty moeyt\ en H onmeedooga gherptel 
Des harden doodta van hier ontgrabtse snel. 
Zie voorts Grappelen* 

Orappelen— Qrappen. 

Grappelen heeft Hooft, Ged. (door Leendertsz) 
I. 191: 

Oft weir groete de aoete moorbeesenf 
Oft weir grappelen dappeten wrong f 
Hoewel dit w. hier voor het gewone grabb^en om 
het rijm is gebezigd, kan de vorm toch gewet- 
tigd worden. Want het primtt. grappen is vol- 
gens Vilmar niet alleen in Opper- en Nederhessen 
algemeen bekend, maar hot vertoont zich ook in 
ons grapen; Vondel, Toonn. des Menach. Le- 
vens, 103: 

Wie door begeerlikheid pleegt onrechtvaardig 

grapen, 
la eenen Wolfy die zich geneeret op de Schapen. 
Cats, n. fol. 397 : 

Wat heeft de vogel al van doen? 
Hy raapt en graapt ftet dorr' en groen. 
Pers, Bellerophon, 139: 

(Die) Gryptj en graept en wroet^ 

Om het anoode goet te winnen. 
En 184: 

Al watae maer achrapen, ja grijpen en grapen. 
Van grabben dat iin is met grapeny grappen^ \eidi 
Ten Kate, II. 200, te recht af ons grappe^ drui- 
ventros, fr. grappe^eng, grape; bij Kil. ook krappe, 
Dus Hondius* Moufeschans, 62: 

Of ick plucke een dichte crap 
Druyven^ enz. 
En lager: 

Een goe crappe aat my geven 
Witte druyven^ enz. 
Vooi*ts gt*apy aardigheid, zooals men zegt een 



155 



GRAPPELEN. 



156 



greep^ een zet^ een trek, Burman zocht dit woord 
in 'tfr. caprice; zie de Taal- en Dtcbtk. Bijdr. IL 
228, en vei"g. Bild. Versch. IL 111. — Verwanten 
zijn nog het eng. grapple, een sterke haak om 
schepen aan elkander te haken, grapnel^ fr. grap- 
pht, een dregge, enz. Van *t hoogd. grapsen heeft 
Schutze in de Oraspel smieten voor in de Crrabbel, 
iiederl. te grahbel gooijen ; met eene letterverplaat- 
sing die ook in \ eng. to groftp valt op te merken. 
Er is ook een frequent, opgrabbelen; Erasmus, 
De On vers. Krijghsman, 24 : hoo wort het (ghewin) 
van een deel qyade boeven..,. te gresp opgegrabbelt. 

Graaelen -^Gtrazen . 

Chnzen is weiden, (Iguurlijk zich vermeiden, 
zich verlustigen, zich te goed doen in of met iets, 
zijn hart aan iets ophalen. Dus Oudaan, Poezy, I. i53: 

Hier valt hy in^ en graest eti ttchmcvelt. 
Verm!. Lottoon. v. Holt. IL i32: 
Dies graast hy diibheL 7 zy hy H goed of 7 wyl 

toil valten. 
Van der Veens Raetselen, 134: 

So meugt ghy sender moeyt gaeti grasen ende 

grahb*leti. 
Zoo ook fig. van levenlooze voorwerpen; Jan Zoet, 
Digtk. Werken, 166: 

Hoe heeft de Moot^ gegraast, wnnneer men, in 

de vlooten, 
Nog zieHj nog hooren kon^ door V donderend 

metnal. 
Hoofts Brieven, LV. 411: 

Wanneer het gift des sloops mijn leden door gaet 

grasen. 
d. i. rondweiden. — Mij kwam voor dootyfrazeiiy dat 
onze woordenboeken missen; Van der Woordt, 
Ged. (1843) 50: 

— 7 Glanzend vee 
doorgraasde stil de vette weide — 
BomhofTs N. Gr. Wdb. kent alleen dddrgrazen^ d. i. 
<ianhoudend grazen. -^ Voorts ovet^f/razen ; Valentijn, 
Werken van Ovid. I. 2 : de stads ruineti sijn over- 
graast. — Voor dit laatste is anders hegrazen het 
gewone woord. 
Het freq. heeft denzelfden zin; Vondeis Hekeld. 14: 
Schout Bont die grazelt vast, en hlinkt in U gou' 

den leder, 
W. D. Hoofts Kl. van Stijve Piet, 21- 

Hoe wil hy met liner graeselen, hoe wit hy met 

haer eten. 
beide wwn. komen ook bed rij vend voor, en betee- 
kenen dan ietff genieten, of op eene overvlocdige 
wijze gebruiken of tot zich nemen; b. v. Bradero. 
Boert. Liedtb. 61 : 



Als die vermo^de straai 
Wat ruste waant te grazen, 
MenicJi kroes onverlaat 
Ontweckt haer door het tvisen. 
Coster, Tysken v. d. Schilden, 1: 

7 En was gheett noot, deden 7 sommighe, die 7 

liaer staet is, 
En die wat ghegraselt hebben, doeder wat te gi*a- 

selen was: 
Meier neen, H gaet al even dom aen, al was er 

niet in de tas. 
Bredero, Moortje, 27 : 

Hoe plecht ick onse Trijn in V langegras te graeslen. 
Te dezer laatste pL is 't ww. voor dartel stoeijen 
of betasten/ Volgens Siegenbeek. in de N. Bijdr. 
ter bev. van Ond. enOpv. 183^, bl. 567, is graze- 
len op het land gebruikehjk voor met gras over* 
dekken, eene bekende plagerij. Bij onze schrijvers 
vindt men in dien zin iemand grazen ; Krul, Pamp. 
Wereld, HI. 224: 

Om pltikken Bloem en Kruyd, daer ^k Amaril 

meP graze. 
Bogaert, Ged. 35: 

Wanne.er zy derwaart heen somtydts te speele varen^ 
Om eens mnlkanderen te graazen in het velt. 

Tot graz^en breng ik groezelen, op het platte 
land van Noordholland in zwang voor met de hand 
in H duister omtasten, en dns ook grabbelen ; zie 
De Navorscher, VIII. 89. Het akensch zegt grusele 
voor grijpen, of eig. grabbelen. 

Voor hegraasd, met gras bedekt, als in begraasde 
weiden, of zooals Schermer heeft, Poezy, 202: vers- 
begraasde dalen — heeft Bredero begrazeld^ Boert 
Liedtb. 39: 

De dorre drooghe dijek 
Die was besaeyt met Menschen; 
Tck sach liet al na ^venschen 
In mijn begraselt rijck. 
Mijn begraselt rijck is hier, wat in 't zelfde Lie- 
deken koii te voren genoemd wei*d »Hgroen ge- 
schilderd veld." — Doch Westerbaen, Ged. II. 435 
bezigt het par tic. begraasd in een* zin, die mij niet 
duidelijk is; ter vertaling, nameltjk, van de uit> 
drukking bij Terentius (Adelphi, Act. V. Sc. 8) : 
Ineptis, heeft hij : Sijt ghy begmestf 

In de boven vermelde beteekenis van zich te 
goed doen treft men bij Schroeller aan sich begra- 
sen en ergrasen^ waartoe ook zai behooren onze 
uitdr. t>manrf doept begrazen, voor »vet doen wor- 
den," die ik aantref bij Van Beverwijck, Schat der 
Ges. 135: In magere lichnmen, mds die^ gelijck 
men scydt, van de graet vaiien, en isser geen be- 
qxiainer voedtsel, om fteselve tnetten eerstefi te dtyen 



457 



6RAZELEN 



158 



begnisen, dan de Melck, — En zij moet ook worden 
toegekend aan onze nog niet geheel verouderdc 
spreekwijs in ynuduinen ffoan, die ik hier ver- 
meld om te doen opmerken, dat Bilderdijk haar 
kwalijk vorstond. Hij xegt (Greslachtl. op Duin) 
•in ffrasduinepi gaan is in 'fgras deinen gaan^ 
gelqk de beesten in Hgraswenlelen. In Hvlaanisch 
heeft men hier *t verbum txinduinen voor." Lhiineii 
is hier verkeerdeltjk aangezien voor een workwoord; 
\ is het meerv. subst. duineny voor heuvels geno- 
men. Kil. -^graa-^uyneny colles sive aggeres gra- 
minosi." — »Daer van (legt Ten Kate, 11. 641) de 
spreekwtjze van in grrtu-duinen ^a«ti, exhilari ; onU 
leent van 't vee dat in versche grashoopen zig ver- 
maekt, of van de kinderen die spelende zig daer 
in omwentelen ;" met weike verklaring die van 
Tuinman, Spreekw. I. iOO, overeenstenit.. Rn in- 
diervoege is de oitdrukking ook steeds begrepen 
en gebezigd geworden. Sartorius Adag. 399: Hier 
is hy in gras-duynen. Hier is hy in sijn Schick, 
in sijn koewey. Ibid. 545: \u yaet hy in gras- 
duynen. Mamix Bienkorf, 48 verso: dat sy haer 
oock menichmael gcuft verlusten in de beemden 
p^icf^grasduynen der oude Kettcrs, De Decker, I. liO: 
Dan zyt gy in uw* schicky dan gaet gy in gnfi- 

duynen. 
Rosseau, De Zingende Kraamer, A: (ken^ 

En magge zy zamtyds op de Straet eens tahbekak- 
Dan gcuinse in griisduyne. — 
Werken van Rabelaie, I. i05: zoo gt^f in gras- 
duinen gaande met ftoutoen en hakken in Wijn- 
stokken. Van Effen, HoH. Spect. III. 493: His niet 
uit te driikken^ hoe Jacob in grasduinen ging. Aid. 
i\S9: De Advocaten gaan van beide kanten schoon 
in grasduinen. Fokke, Yerzam. der Werken, VII. 
25: Kijky daarin zullen we, 6(; leveti en gezond- 
heidy reis regt in grasduinen gaan. 

Geen van deze plaatsen laat de opvntting van 
een werkwoord grasduinen toe; waar men dil 
werkelijk aantreft, zooalsik het deed in Vincents 
KIncbt Loon naar Werk, 32: 

Als ik denk hoe 'k met tnyti kluiven 

Jn een schooteC jonge duitfen 

Ging graasduinen, 'Se/dremas^ 

BrocTy hoe t/ing ik dan te gasl! 
en in Kneppelhouts Stljl Kunst, 35: Iftj ziet^ hoe 
om zicii heen spit- en h^zucht grasduinen — 
daar mag men aan een misverstand denken, dat 
het aloud en volstandig gebruik niet omstoot. 

Qremelen' —Oremea. 

Gremeln^ is hij Kil. bevlekken. Zoo lieeft Von- 
del, in zijn* Virgilius, bl. 88, van eene koe : 



Een die gegremelt w zal mijne keur niet staoren, 
Berkhey, Nat. Hist van Holl. IV. ir. 204, las hier 
min juist »gegremnielt.'' Kil. heeft insgelijks be- 
gremelen^ en voegt daar be-gremen^ be-griemenyh\\y 
welke hij vlaamsch noemt. Met gremen konit 
overeen griemen, in H Idiot, van Wassenbei^h het 
friesche griemjen, vuil maken, morsen, ook be- 
grijmen; Jan Praet, Speghel der Wijsheit, 35: 
broosch ende wane na den lechame^ 
die lichte ontfaet smette ende blame, 
daar hi de ziele mede begrijmt. 
het eng. to grime^ bevlekken, dat Bailey van ons 
begrieinen afleidt. Voor begremelen vind ik be- 
grimmelen; De Brune, Bancketw. I. 70: Ghee}i 
zoo stercke ziele^ die niet eenigsitut door quacd 
ghezelschap besme\trt en begrimmelt wetH. Croon, 
Moy-al, 293: 

Oft er geene strepen sijn. 
Die U (aangezicht) begrimmelt maecken, 
Dij Richey en anderen is grimmeln schmutzig 
werden; en de uitdrukking, die het Brem. Nie- 
ders. Wtb. ten voorbeelde bijbrengt: ingrimmelige 
Hwidy is ook bij ons gangbaar : een grimmelig vel. 
Zie ook Grijmelen. 

Qremelen*— Qremen. 

Gremelen bezigt Van Beers, Jongelingsdr. (2e dr.) 
bl. 10, waar van de maan gezegd wordt, dat zij : 

— aefi het eind van elkc laen 
Stilgreemlende u schijnt ga te slaen. 
d. i. lagchende, grimlagchende : bij Gt*oon gremme- 
len, Moy-al, i88: 

Neen^ ghy gremmelt omdat ghy 

Peyst dat iek uyt geckemy 

V dit vroegh; en. 'tis ook uxier. 
Bij Plantijn en Kil. is gremen treurig zijn, wat 
zeker ver van lagchen is. Doch grimlagchen is 
eigenlijk »met een vertrokken gezicht lagchen,'' 
en grimmen^ waarmed het saamgesteld is, »woe- 
nen of schreijen.'' Hier geldt dus de opmerking, 
die het Brem. Nieders. Wtb. maakt ter gelegen- 
heid van het hoogd. grinen^ hetwelk zoowel lag- 
chen als weenen beduidt, dat namelijk het verti*ek- 
ken der gelaatatrekken de eigenlijke beteekenis 
des woords uit maakt, en dat dit in beide toestan- 
den plaats heeft Ook in Schuermans* Idiot, is 
ffrerneleti het freq. van .^rtmm^n genoemd en j^em- 
metiy gremen^ opgenomen voor »ontevreden zijn en 
dit door eene klagende stem te kennen geven." 

Qremmelen, zie Qremelen*. 
Qr^pelen— Qreppen. 

Greppeti, gn^iben^ is graven, Ten Kate, II. 197. 



159 



GREPPELEN. 



iOO 



Vandaar bij Kil. grehba, greppa, grippej fo-vea ; bij 
Weil, greby zooals ook Staring heeft, Gled. II. 5 : 

— wat nog van snood gespuis 
Zich achterhield^ en hukte in grebbe »i liatig. 
En Tollens, Laatste Ged. 1.50: 

De wouden in, de grebben door, 
Het verouderde grippe vindt raen in Janssens'en 
Van Dale, Bijdr. VI. 334: 

Es beter^ bedwongfwn in penilencie 
Dan te legghene in der sonden grippen. 
Meer gewoon is anders greppel, waarvan dan *t 
frequent, greppelen, grippelen, d. i. met greppen 
of grippen voorzien (in H holsteinsch grippen^ g^fp- 
peln, gropeln) dat voorkomt bij Berkhey, Nat. Hist, 
van Holl. IX. 120: Na hef slooten behoort het 
greppelen insgelijks tot het welzijn der wei- en 
hooilanden. Oudaan, Toneelp. 428: 

Hy brak destraten opy die h' grepp'len Het en voren. 
E. Bekker, De Nat. is mijn Zangg. 74: 
H Bewerken van den Akket\ 
Het greppelen, het ploegen, 
Ualbertsma, Hulde aan G. Japiks, IL i38: 
{Sy) grippelde de tuyn^ oni H moes, tot mensche ba^et, 
Weil, heeft afgreppelen^ met greppels afscheiden. 

Greumelezi, zie Qrommelen. 
Grezelen— Orissen 

Grezelen^ greizelen, heeft Kil. voor bijeenschra- 
pen en grezeler voor een vrek. Dit laatste tref ik 
aan in De Brunes Bancketw, I. 67 (van een' gie- 
rigaard) : doer de grezelaer zipi zelven verkniest, 
en zijn beenen ontmarght heeft. 

Gvissen (wellicht voor gripsen gezegd, dat Von 
Klein heeft voor wegnemen, stelen, bij Tiling grap- 
sen, van grippen^ grijpen, voor welk grapsen men 
grassen leest voor het bijeenschrapen van spijs; 
Vaderboeck, fol. Ill verso: dat 8i van den potten 
scarede ende grassede.... dat was haer spise,) is 
bij BomhofT vsteelswijze bijeenrapen en wegnemen." 
Men leest dit bij Brester, Verspr. en Nag. Ged. 148: 
Wat grijpt en grist en vangt en vat 
Men H zoet gebak of V frissche nat. 
Westerman, Ged. I. 158: 

Zien wij ook ons spel bederven, 
Steekt ons *t grissen in den krop. 
Waarvan grisser voor kaper, roover, aid. 157: 
— de griasers die steeds loeren 
Om te voarren in uto snoeren 

En, door H kwisplen van den siaart, 
AUes met zich me6 te voeren, enz. 
Het Wdb. der Ned. Taal heeft af grissen voor »be- 
hendig ontstelen, afkapen" en geeft daarvan een 
voorb. uit Fokkes Boertige Reis. Bij De Genestet 
is dat weggrissen^ Eei*ste Ged. (2e dr.) 241 : 



Die gooit zijn broertjen met een half vertrap^ 

ten mop 
En grist wat bettrs voor zijn nens weg — 
Oudemans vergist zich met in deze plaats uit Hooft : 
'Kpasl' op kal noch kiekendief. 
Oft zy beeten^ greepen, grcezen enz. 
greez&i door grissen j wegrapen, te verklaren. *t Is 
het imperf. van grijzen, waarvan zie op Grijzelen, 
Leendertz verklaart in zijne uitgave der Ged. I. 
344, het w. juist door vgriramig zagen." 

Qribbelen— Oribben 

Deze wn. verschillen slechts in vokaal van grab- 
belen^ grabben^ en beteekenen hetzelfde. Gribhe^ 
len is groningsch, volgens De Ned. Taal, I. 1d4. 
In De Navorscher, VI. 332, leest men: Te midden 
van het gegribbel (ncuir centen) begroet men de 
gribbelaars met water. — De uitdrukking gribbel- 
grabbel korot bij ons voor; zie mtjne Verscheid. 142. 

Oridselen— Oridsen. 

Het primitief heeft Stalder: griizen, knersen, bij 
StQrenburg griedjen^ beven, rillen; en het frequent, 
onze schrijvers. Hooft, Ned. Hist. fol. 151 : Die 
van Ge}i€(*ve.... begosten te gridzelen van vreeze. 
Aid. fol. 1180: Z)e 6rroomn<7£?rs.. .. gridzelden, oover- 
denkende in wat gtvaar zy geslaapen fmddefi, De 
Brune, Bancketw. I. 389: hard-voctuige zielen, die 
van vreeze uiet en gridselen. De Brune (de Jonge), 
Jok en Ernst, 172: al d' omstanders van vreesgni- 
selden en beef den, Oudaan, Voorschad. 177: 

Zij kauwen hare tong, en gridzelen van pijnen. 

Zij knarzelenvan smart, ensmelteti, en verdwijnen. 
Aid. 206: 

Hlj siddert, klemt van angst de tanden op elkaar. 

En gridzelt voor dien nood, en uiterste gevaar. 
Dez. Pofizy, HI. 496 : 

Gods Oftsagb're Majesteit 
Doet hoar siddereji en vreezen; 
En ze gridzelt t^oor dat Wezen. 
Dezelfde beteekenis van sterk beven, rillen, kner- 
sen, heerscht dus mede in gridselen. Dit woord 
kan een versterkte vorm zijn van griezeleti, grij- 
zelen, zoowel als gi^idsen van grizen, grijzen; zie 
op Grijzelen. Het oostfr. zegt griddeln. 

Griemelen, zie Grimmelen*. 
Griezelen', zie Grijzelen. 
Griezelen*, zie Gritselen 
Griffelen'— Griffen. 

Thans beiden in gebruik voor ingraven (met een 
stifl), oulings griffien, zie Ten Kate, II. 639. Van 
den laatsten vorm vindt men een voorb. bij Vale- 
rius, Gedenckkl. 2: dalinen in de Nederlandsclu* 
scholeti de Jonckheyt inscherpte ende in Hherte 



iM 



GRIFFELBN. 



4Q3 



griffide, ttxit haren ouderen overgekomen is. De 
Groot, Van de Waarh. d. Ghr. Grodsd. il : hier kan,.„ 

geen vermogen de dingen in-gegriffijt werden. — 

Onze latere schrijvers hebben griff en; Geel, Ond. 
en Phani. 207: Wanneer -iiij spoedig iets hoeken 

ivilde dan grifte hij het met de seherpe punt van 

zijn stilas op het vxu van zijn tafdtje, E. Bekker, 
De Twee Moeders, III. 273: den naarn,.,. voluit op 
eene pUmtana te griifen. Loosjes, Leven van Gonst. 
Huyg. 453: 

— Lang hesft de atift verwijldf 

Vaak om en om gekeerd, eer dot men wel hei*aden 

Die woorden grifde (sic) op schorSy op parke- 

ment of bladen, 
Beeloo, Ged. 144: 

De nepen wm onduldbre smarts 
fn wang- of voorhtiofdgroef zich griflen. 
Nolet de Brauwere, Ged. III. 75 : 

Nijdige afgunst, hoot en toiv/;.... 
Griffen rimpels in het voorhoofd — 
Dautzenberg, Verspr. en Nag. Ged. 40: 

/a, wij griflen ons wel dien dag in het diepste 

geheugen. 
Den wortel grif leest men bij Bilderdijk, Men- 
gelp. I. 3: 

Die nameti^ daden^ kunst,,,, 

Als met een' {jzreti grif in U we^ke hrein graveert, 
Dez. Spieghels Hartsp. 71 : 

— die mat aarde en zee tnet grif en parser uit, 

Onze spreekiaal noerot deleistift griffie en grift; 
het eerste zie men voor scbrijfstift in den Staten- 
bij be], Jes. 8, vs. 1 en Jerem. 17, vs. i ; het tweede 
voor leistift in het eng. bij Halliwell. Eenschrijver 
is een griffer^ nu griffier; Lievens van Plut fol. 
109 verso : de Romeynsche spraeck ende geleertheyt^ 
diehy so wel wist te schryven dot hyder Overicheyt... 
voor een schryvier enlie griffer diende, — He( fransch 
zegt greffe voor schrijfkaroer, bij ons griffie^ en 
greffier voor gerechtsschrijver. 

Het frequent, vindt men Levens van Plut. fol. 
467 : altvaer hy zeer socht hem wel diep te griffe- 
len in de goede gunst van Junius, Kneppelbout, 
8tijl Kunst, 63: de zerk,.., waarop hunne hand het 
onfeHhaar lofschrift griffelde. Jorissen, Const. Huyg. 
I. 273: waar de dood..,, zijn Memento mori op 
den vxmd griffelde Bilderdijk, AfTod. II. 25: 

Achf schatbaar^ wat ze tn 7 hart door God ge- 

grifTeld vonden! 
Dez. N. Uitspr. 108: 

— het geen ons^ stervelingefi^ 
De Almnchl ingegriffeld heeft, 

GMffelen*— Qriifen. 

Deze wn. beteekenen ook (boomen) enten. Oudaan, 



Agrippa, 315: zaad te havenen^ boomen te griflbn. 
Berkhey, Nat. Hist, van Holl. IX. 58: <2e plantaoenen 
stellen om te griifen. — Ook griffiin; M.: de'vol- 
wassene en gegriffqde boomen, — En ingriffen ; Mar- 
nix, Godsd. en Kerkel. Geschr. I. 409: de onmi- 
tuerlicke ende van buyten ingegreifede tacken. 
Krul, Helena, 20: 

Dai men de Boompjes snoeyt, oft elders .loot jes 

enteHy .. . 

Ingriffen op de stam, oft pianien nieu gewas, 
Voor dit bij Kil. onbekende w. vindt men hetfreq. 
griff elen of greffelen; Sprankhniaen, Vande SclMp- 
ping, 121 : 7 Is goedt griffelen op een goede siam. 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 232: Pas in d: 
lente u tijt waar te nemen^ om te griffelen en la 
oculeeren, (Riemenijder) Proeven van Dichtl. Klet*. 
nigh. 31: 

Hy griffelt; ent; snoeit vlytig wilde looten, 
Nolet de Bra u were, Ged. I. 211 : 

Gii zijt en blijft toch broederloten, 
Gegriffeld op denzelfden stam, 
Handel, van het Kongrea te Brugge, 318 : dan is er. 
eene andere ent op den stam gegriffeld. — - Ook met 
in; Houwaert, Lusth. der Maechden, II. 205: 

Met (welcke wetten) hyveel boosheyt uytroeyde^ 

En ingreffelde de deucht dat sy groeyde. 

Op Griffie maakt Weil, geen gewag van de betee- 
kenis van entrijs; men vindt -die bijv. Antw. Sp. 
van Sinne, 643: 

Aenmerckt oock tplantsoenen^ welcken grooten 

st(r)vycken 

Van kemkens «ti griffikens worden ^heplant. 
Rodenburgh heeft daarvoor grif^ Gaaandra, 31 : 

Want wat ^ heb of ben 7 is uwe hoogheids plant 

't Is uwe grif, m^jn prins — 
Dit wortelwoord is mede in het fransch g^e/f€, eng! 
graf en graft; en het ww. fv, greffer^ eng, to graff, 

Dat het ww griffen voor eh ten ^n is met dat 
voor ingraven of schrijven, toont Scbeler aan in 
zijn Diet. d*£tymoI. Fran^. 

QrUbelen— Grtjpen. 

In het vlaamsch dialect bij De Bo zegt men voor 
grijpen : gt^ijbelefiy en niet daarin alleen; ook in de 
engelsche volkstaal, bij Halliwell, is to gHple met 
de hand grijpen. 

Oiij mMen— Gri j men. 

In het vlaamsch is grijmen^begr^men en hegrif* 
melen »met rookzwartael bevlekken*' van grijm, 
dat zoodanig zwartsel aanduidt; zie de Idiot, van 
De Bo en Schuermans. De wn. zijn ^rt met gre-' 
melen^ gremen, (zie dit art.) en worden alleen in 
een* meer bepaalden zin genomen dan dozen. ' 



>-:■ 



Itt 



GRIJNKELEN. 



164 



ChriQnkrten, rie Orinkelen. 
Grijnfldlen— Orunaen 

Grijnzeleii w door Bilderdijk gevormd, Oiid. der 
Eerste War. 131: 
Zy zljgen nparUend ne^t% en grijnz'len eti ver* 

blseken. 
Voor hot prim, grijnzen heeft dez. dichter (aati)- 
tfreinzenj Mengel. IV. 55: 

Waar men met een' stap kan deinzen^ 
Schoon de dood u aan moog gretnzen. 
w«t niet bloot om hot njm is, want Kil. vermeldt 
dien vorm als vUamach en volgens Ten Kate, 11. 
199, luidde het praeteritum van het wortelwoord 
grijneti oudtijds ook green^ grein. Dus ook bij 
Maerlant, Spiegel Hist. III. 135, van een' wondheeler : 
Die van wonden sere es vt*oei^ 
Ende nu wonde diept eride nn wijty 
Ende nu hernet ende nu «nijt^ 
Ende niet mnen zieken &i spaeri^ 
Hoe hi greinst ende meabaert. 
En de afl. bij Yalenti]n, Werken van Ovid. II. 9: 
Van deaen (hoef) heeft de wolf dat greinamuilen. 
Het WW. grijnzen is thans gelijkvloetiend : ik 
grijnade^ hdf gegrtjnsd; voorheen echter ongelijkvl. 
ik greenSjheb gegreenzen. VondeJ, Hierus, Verw. 6 : 
— als ick d* een met smeken tuich ophiel^ 
En ff afuier aengreens dat hern ^t hert en stool 

ontviel. 
HoofL, Ned. Hist fol. 238: De vemtikte nienschen 
{een ydyk toonneel) hingen en green zen in de 
hoomgaat'den ondet* de stadt. Aid. fol. 45: dal zy 
(t. w. de Hemelsche lichten) in latig den Seder^ 
landed niet naarer liadden toegegreenzen. -^ Hier- 
uit volgt dat Siegenbeek (Bijdr. ter bev. v. h. Ond. 
1833, bl. 567) te onrecht meende dat grijnzen niet 
afkomt van grijnen^ maar van het subst. grijfis^ 
momaanzicht; in H laatste geval zou het afgeleide 
WW. niet oi^elijkvl. hebben kunnen zijn. H Ww. 
grijnen zelf was ou lings mede ongelijkvl. b. v. 
Maerl. Sp. Hist. H. 264: 

Dat hi bi naer naect sceen 
Ende van coudcn bevcde ende green. 
Aid. lit. 137: 

Die dorper spotle ende green. 
Dez. Wap. Mai-tijn (door Dr. Verwijs), 5: 
(Dat) edelfteit doer mnme green* 
VondeK Peter en Pauw. 35: 
Al HHif my voorquani green afgrijsUjck^ wreer 

dan wreet. 
Dez. Palamedes, 72: 

— van 'tleelijck ongediert 
Begreenen en begt*imt — 



De infinit greenen ofgrenen komt bij onze schrij- 
vers voor; zie Grettigen, Als groningseh staat (jmV- 
fien verraeld voor »pniilen van kinderen", in De 
Ned. Taal, I. 195. Men leest dat bij Rosseau. 
Medea, 30: ^ 

— griend en bruld gdyek een Tyger, 

Voor grijns leest men grins bij Van 's Graven- 
weert, Odyssea, III. 107: 

Tenoijl de grins der spijt zirh Mithtvidt op zijti 

kaken. 
Bild. Spreuken, 37: 

— bang te wezen voor zijn (d. i. des doods) grins 

Is dwaa4t en erger nog dcai kindsch, 
't Werkw. grijtizen vindt men ook voor srhreijen; 
Van Rijndorp, TerlnlTe, 32: 

(ioet, Hou aan U grijnssen — 
Eene afl. is grijnig voor grimmig; Don Quichot, I. 
104 : De Waert wiert op het laetste heel grynig en 
dreigde enz. Zincgreven, Duytsche Apophthegm. 
61 : ee9i uytermaten giMJnigh niensck, die nlles met 
kijven en slaen uytreghten wilae. 

Oruselen— OriiaEen. 

irrijzeny oul. gruten, in den Teuthon. graysen^ 
in Hhoogd. gnesen en graiuten^ leeft nog m ons 
afgrijzen en afgrijslijk, en beteekent huiveren, 
een' inwendigen afkeer van iets gevoelen ; H w. is 
verwant aan grijnen en grijnzen, De vervoeging 
was ongeltjkvloetjend ; Taalk. Mag. IV. 27 : 
Josephat vet doe in spraken^ 
Onwerde>i alder wei^t saken^ 
Ende leden tleven dattu wilt prisen^ 
Daiten tneneghen soude doen grisen. 
Van Hildegaersb. Ged. 101: 

Den bosen macliet^ u>el off grisen. 
[>even van S. Amand, I. 5: 

-^ hi wtrt also lioude 
Ghefenijnt van eenen diet^e qaaet^ 
So dat die knecl^t^ dat verstaet^ 
Steal so gt*oot dat elken man 
Of grees, dienc doer Bach an. 
Gats, 1. fol. 44: 

Ghy suit daerom den inadi van desen hooren 

prijsen^ 
Ghy suit om desenvisch eenander hoorengr%iwn. 
Ogier, De Seven Hoofts. 112: 

iMchte daer tnef en ick soud^ er wel me grysen. 
Aid. 195: 

Ick grees tranen gelijck haet* eygen JjAle^potten, 
GooiTihert, Odyss. II. 146: 
Dus lietense hem hanghen^ daer huyleti ende 

grijsen, 
Uuyg. Korenbl I. 29: 



165 



GRIJZELEN. 



166 



Hoe de Son hem dwncki te grijsen 
Die f>an over 'i Schelde komU 
Met gevaren en afgrijsett 
Droeffelicken overmotnt. 
Dr. Van Vlolen. in de Pantheons-uitgaaf, III. 3, 
verklaart U w. hier onjuist door ))\'erdinsleren." 
Heyns, Bartas, I. ii. 569: 

Ha«' huyt doorhouwen was^ van spijt liaer tan- 
den gresen. 
Brab. Voyage, 56: grees hy leiijk en knerste op 
sijn tanden. — In de tweelaatste pi I. naderl de be- 
teekenis die van qrijnzetUf welke door meer voorb. 
gestaafd is in miin aangeh. Mag. bl. 65. Du8 ook 
nog bij Van Beers, Gevod en Leven, \\ : 

— hoe greeB ztj 
Dan hare peuluw nat van tranen. 
De all. gegrijs heeft Heyn^, Bartas* Wercken, II ii. 
452: gegrij? der tanden. — Vandaarook bij K\\, 
vbegrijsen iemanden, frendere in aliquem^ fremet*e 
ore in aliquem siibsannare,'' Vlaerd. Reden- 
^ " rijckb. 450: 

— laet wxf niet zfjn begrescn, 
Denckt dat wy doen ons best — 
Van der Veens Zinneb. 384 : 

Dat weerdigh is bespot^ bespout^ begrimt^ begresen. 
Heyns, Batia^, I. ii. 570: 

De wreede Vadei* doet zijn sone d^ aerdhe^rysen. 
D. i. verachten, of wellicht beti^uren. 

Van grijzen is het freq. grijzelen in dezelfdebe- 
teekenis; Van der Veens Baets. 445: 

Sy griiseU en verschHckt van 'tleelljcke gelaet 
Bij Vondel grizelen, Vii^gil. 298: de spijt grizelt 
hem,.., door het lijf. Dez. Peter en Pauw. 44: 
Och at f onmefischlijck slaen^ dat grizelt door 

mijn hart. 
Van Lennep schrijft griezelen^ Ged. zoo 0. als N. 240: 

Wijl 7 denkbeeld ieder griezlen ded. 
Dus ook Van Beers, Jongelingsdr. 2e dr. 428: 
DocH^ of haer dit aefischouwen zeer deed^VDrljft 
Zcy plotslings griezlend, zich voor H hoofd — 
Aid. 438: 
Niets^ dan bij poozef\ in H geboomte een snok 
bes winds^ p.en griezlen der verdorde bladereti^ 
Der stuip gelijk^ Hie ritt door 's veegen aderen. 
Voor dit laatste zeggen wij gewoonlijk ridselefi^ d. 
i. rillend of trillend be^wegen. In dergelijken zin 
schijnt Tengnagel bet w. te bezigen, Verwoest. d. 
St. Naerden, 70: 7 veselige stof^ dat grieselt in de 
Son. D. i. opstoift. In 'tgeldei-sch it; griesselen 
nog hniveren; dus Geld. Volksalni. 1836, bl. 95: 
de haoren staon min nog te barge^ en H griesseJt 
min nog deur alle leejen hen, D. i. onpei*8oonlijk; 
lOo ook a. w. 1872, bl. 182: ona grieselde er van. 



Dus mede'in 't drentsch, zie den Dr. Volksalna. 1^9, 
bl. 490. In De Navorscber, VII. 208, komen in 
denzelfden zin voor de uitdrukkingen zich vergrie- 
zelen en ergens van griezelen, Het hoogd. zegt 
grieseln^ bij Scbraeller gruselny beide onpersoon- 
Hjk; bij Von Schmid, Schwab. Wtb. greueeln en 
grussePn. 

Begriezelen is door huivering bevangen ; Thirsis 
Minnewit, II. 6: 

Mijn kaken zijn blouWj 
Begriezeld van de kouw. 

Voor griezelen leest men met verscherpten klaiik 
grissele7i, en dan voor grimlagchen, eene beteeke- 
nis, aan meer dan Mn' vorm van dit woord eigen, 
zie Gremelen^; Hooms Liedb. 251: 

Ziet Gijsjey En Lijsje, die lacchen er om; 

Jou kallen En maUen^ dat hooren sy juyst^ 

Nou grisselt dat volkjen in hoar vuysL 
Het Alg. VI. Idiot, heeft grezzelen^ dat aid. te recht 
vergeleken wordt met gerzelen. 

Grimmolen'. zie Oremelen*. 
Grimmelen*— Orimmen. 

Dit gHmmelen luidt ook krimmelen^ griemelen 
en kriemelen^ en beteekent wat anders kriewelen 
en krioeleii heel, d. i. het door of bij elkander be- 
wegen, vooi-eerst van dieren; Vondel^ Virgil. 87: 
daar schy^it vtm wonderlijck gedierte te grimme- 
len. Aid. 60 : Om de wouden van Silanus vlieght 
eyi grimmelt de horsel. — Hier dient het w. ter ver- 
taling van volitans^ en zou, van ^n dier gezegd, 
weinig gepast zijn; men denke dus aan de dier- 
soort. Dez. Po§zy, I. 40 (van »zwarte slangen"): 

Men hoortze biezen^ en men zietze afgrijslijck 

grimmelen. 
Voorts van menschen; Oudaan, Roomscke Mog. 
476: de menschen als mieren te doen grimmelen. 
Vondel, Leeuwendalers, 24: 

Wat grimmelt 'er een dra^ig van mefisdien on- 

der een. 
Dez. Maeghden. 42: het grimmelt er van lien, 
Deze onpersoonlijke vorm des werkwoords is zeer 
gewoon ; Hooft, Ged. fol. 224 : 

T en grimmelt hier van geen geicfiilderd' oor- 

loghslieden. 
Rusting, Gehoornde Duivel, 139: 

Het had wel eertijts daar gegrimmelt 
Van spoken, 
Bij overbrenging gaat het w. van de zich bewe- 
gende dieren of menschen over op de plaatsen, 
waar de beweging geschiedt; dus Gamphuysen, 
Ps. 78, vs. 27 : 

Haar huysen dicM van qiid-gewonnt liet (hy) 

grim*len. 
6« 



167 



6RIMMELEN 



168 



Vondel, Vir^L 195: hai BirBUi van menscheft fg^m- 
melde. Bl. 271 : al het velt grimmelt vaii schilt- 
voei*enjde troepen, Dez. Poezy, I. 342: 

— Spier, dat zwarl va%\ pleiters ^rimraelt. 
SchermerR Poezy, 87: 

De wegen grimmelen a/om van U gt'oot f/etai, 

Dat d^ {innen openslant — 
Hboft, Ged. fol. 225: (de gassen? 

Wat vloeid" er vclks dat pas? wat grimmelden 
Vervolg op Wag. XII. 407 : de Straaten grimmelden 
van Menschen. 

Eindelijk met toepassing op levenlooze voorwer- 
pen; Hooft, Ged. fol. 69: 

Van schuiten zondet" tal giMmmelt het op het Y, 
Ook op abstracte; Vondel, Poezy, I. 267: Hier 
grimmelt het van plagen. Bl. 352 : Daer H grim* 
melt van onzekcrhei^n. Puot, Ged. II. 46: Terwyl 
Hw kap van zorgen grimmelt. Bekker en Deken, 
Brieven, II 168: De Zang..., grimmelt van de ver- 
hevendste schoonheden. Vervolg op Wag. XXXIV. 
196: de contradiction en inconsecfuentien, tooar 
van dezelve Missive grimmelt — De afl. gegrimmel 
leest men btj Valentijn, Werken van Ovid. II. 142: 
verffoatflefi 7 oolk op H lieihff veld fxtn Maivt.... In 
't midden van H gegrimmel stoni de Koning, 

De vorm krimmelen kwam mij slechts ^^nmani 
voor; De Brune, Wetsteen (1658) II. 204: Het 
crimmelt van uitleggevs^ en van Schrtjvers, — Even- 
zoo die van kriemeieti; Snieders, Anna Julia, 146: 
zUveren knoopen^ waerop slangen en gedrochten 
kriemelden. — waartoe ook de samenFt. zal behooran 
in Van Dans Thyrsis Minnewit, I. 125: 

— doe ghy Thyrsis lisschen 
Met u kriemelhandt gingt wisscheti. 

Meermalen die van griemelen; Sprankhuisen, 
Vande Schepping. 11: De Zee en griemelde noch 
niet van Visschen. Tengnagel, Spaensche Heidin, 99 : 

Het tallelooze stof, dat griemelt in de zon. 
Scriverius, Ged. 68: 

Als water iKtti den Byn^ de Cabalynsche vloedl 

Hier griemelt, waar meed' elk zyn dorst vet*- 

maaklyk hitet. 
Westerbaen, Ged. III. 155: 

— het griemelt op de sttnnden 
Van menschen, enz. 
A. Simons, Verhandel. 115: daar grimelt het van 
slamjen, 

Het WW. uifgrinimelcn komt bedrijvend voor; 
Marius, Amst. Eer ende Opcomen, 29: De rivier 
sal de kickvorschen uyt^rimmelen. D. i. weme- 
lende opgeven. De Bijbel bij Vorsterman van 1528 
heefl Kxod. 8, vs. 3,- daarvoor: die rivier sal van 
vorssen wt crielen. 



Aangaande de afleiding van dit bij Kil. noch 
Weil, voorkomende w. heeft men slechts gissingen 
geopperd. Ten Kate, 11. 251, bracht het tot krui- 
meleti, en Epkema, op Jap. 185, tot grimmig, als 
ziende op het zwarte of donkere van den grirame- 
lenden hoop. Ik meen dat het elders raoet ge- 
zocht worden, en acht het met wriemelen en wrinn" 
melen (zie dit) af te komen van het oudd. krimman, 
middelhd. kritnmen^ grimmen^ d. i. krabben; zie 
Graff, IV. 607, en Benekes Wtb. Zoo leest men in 
Otfrieds Evang. Gap. 25, vs. 56 (van de duif): 

Mit snabulu ni uuitinitj ouh fuazin 7ii krimmit. 
D. i. zij strijdt niet met den snavel, of krabt niet 
met de voeten. Die beteekenis, genomen als krie^ 
helende of kriewelende beweging, gaf aanleiding 
tot twee andere; vooreerst tot de aandoening, die 
zoodanige beweging bij ons verwekt, en die men 
jeuken noemt; zoo is grimmen bij Anton (VIII) in 
dien zin bekend ; es giimmt mich zegt bij hem : het 
jeukt mij. Evenzoo.is /;ri»»}en</jeukend bij Schupf. 
Vandaar bij Fulda, Wurzeiw. 136, het frequent. 
krimmetm, jeuken, en het nederl. grimmelen in 
denz. zin bij Berkhey, Zeetriumph, II. 299: 

De helden grimmelden van ijver op de vloot. 
Zoo ook, naar Hraij vooikomt, doch alsdan niet 
bij uitstek gepast, bij denz. Eerb. Proefkusjes, 304 : 
wanneer ik.... met de jongstgeborenen op den schoot, 
van hanger grimmelde. 

De andere is die van het kriebelend, kriewelend 
of krioelend bewegen zelf, die men, behalve in ons 
bovengem. gri'inmelen^ krimmele^iy griemelen en 
krienielen, ook aantreft in krirmneln bij Dahnert 
en Schmeller, krummeJn bij Frisch en Schiitze, 
en kremeln in het Brero. Nied. Wtb. 

Verg. Krevelen. dat insgelijks de bcide hier aan- 
gewezen beteekenissen in zich vereenigt. 

Grimpolen— Qiimpen. 

Grimpelen^ grempelen^ is bij Kil. handel drijveii; 
gripnpel, grempel, oude voddfen; gnmpeler^ grem- 
peler^ iemand die daarin handel drijft, en grimpel- 
rnerckt voddemarkt. Do woorden, door hem als 
saksisch vermeld, zullen geen nederduitsch zijn. 
Ten Kate, II. 251, neenit grimpelen onder onze 
wwn. op, en brengt het tot rimpen^ schrimpen^ 
»als zijnde het verkoopen van allerhande oude en 
verschrimpelde vodcfen." Bij Adelung is grempe 
een kramer, en hij brangt het etymologisch tot dit 
woofd. Ook Schmeller stelt vei*wantschap tusschen 
grempeln^ handel drijven, en kraam; hij heeft in- 
tusschen ook een ww. gremsen^ voor streven, be- 
geerig zijn, dat als prim, van grempelen kan wor- 
den aangemerkt. Von Schm id, Schwab. Wtb., heeft 



169 



GRIMPELEN. 



170 



griimpivH, dat htj verwant acht aan het eiig. to 
tnmbley iieen eii we^r trekken. Blijkens Toblers 
Appenx. Spi-achschatx is gt^empla in *t zwitHersch 
handel drijven in kaas, boter, boat eiiz. Uit een 
latijnsch Wdb. van 1539 word! aldaar aangevoerd: 
i^Cauponot\ icli verkaufT Wein, ich gewinn, ich 
grempU'' De etymologie van dit woord geeft 
Tobler niet; doch het is vreeind dat hij het niet 
breiigt tot het bij hem mede voorkoniende gtihn- 
ftel^ grnm])el^ oude waar, plunje ; dat hij opheldei't 
door (jrdmjjeL, scruta, yerimpel^ oude i*omroel, hoogd 
fjerutnpelj dat Adeiung afleidt van het rofntnelcn 
van oude waren of huisraad. 

Gringelen— Oringen 

Deze wwn. heefl De Bo vuor yrifiketi en ytnu- 
kelen^ waarvan zij vensachte vormen zijn. Zie dus 
dat art. 

Orinkalen — Qrinken . 

Kil. heeft beiden voor grijnzend lagchen, andeit> 
(ffnnneken geheeten, welk woord hetzellde is als 
grinken, nog anders gveniken^ tbans verouderd; 
Vondel, Ovid. Herachepp. 419: 

Hy grenikte eens^ ett sprak, enz. 
Antonides, Ged. 27: 

IJy grenikt op dat woord ^ 
H Wortelwoord is grijnen^ eng. to gfin, waarover 
zie op Grijnzelefi; zie Ten Kate, II. 199. Bilder- 
dijk gebruikt dit yrijneti nog, Krekelz. III. 150: 
De tijgers grijnen thansdie eerst afgrijdijk brulden, 
Ook grinnen komt voor btj Moerroan, De Gleyn 
Werelt, 29: 
Ick en weet niet u>at Momtis aileen daer op wou 

grinnen. 
D. i. spottend aanmerken. Van een paard gezegd, 
en dus eigenlijk voor grinneketi^ leest men dit w. 
in den Op- en Ondergang van Flora, bl. 25: dit^ 
Vrouwtjeti dacht in haren sittj dat sy dit Veulen-- 
tjen al sagh springhen ende grinnen. 

Het frequent, is te vinden bij Tuinman, Rijm- 
hist, 342: 

Ei let cens hoe die jongc*i grinkelt. 
Het w om dat zyn hoep zo rinkelt, 
Sluyter, Buylenl. 16: 

Daer met hetooverend gegrinkel, 
De Wereld opeti doet haer usinket 
Van wellust^ kostlijkheid en ccr. 

OrippeleaS zie Oreppelen. 
Qrippelen*--OrU pen. 

Een frequent, grippelen komt bij ons voor in de 
samenst. gripiKlhand^ bij Jan Praet, Speghel der 
Wijsbeit, 61. waar van de Discordia getuigd wordt : 



Bloedighe tanden ende grippelhande 
dat dinct haer eercy al as het scande, 
want i^ipetiy proven ende tasseeretK 
da^r mede can soe ha^r ghefteerefi. 
Blijkbaar worden bedoeld handen die rapen en 
rooven, en dus grijpen. De vorm is niet ver te 
zoeken. Voor grijpen hebben verscheidene hoogd. 
verwante dialect en gHppen^ fransch gripper^ gri- 
per^ eng. bij Halliwell to grip, De laatste heeft 
ni€de het fi-equent. to griple^ met de hand grijpen. 
Vandaar het eng. gripple^ een gierigaai*d, en dat- 
zelfde w. als adj. bij Halliwell voor gulzig, roof- 
zuchttg, wat bij Brockett grippy beet. 

Grisaelen^ zie Grijaelen. 
Gritselen— Kritsen. 

Gritsel is bij Kil. een hark, en grit»eicn harken. 
Ten Kate, II. 334, leidt deze wn. af van kixUscn, 
kretseHy kritsen, welk laatste voor wolkaarden ge- 
bezigd wordt, van kretae^ krithe^ kaarde, een werk- 
tuig, dat, evenals de hark, den naam heefl van 
het inrijten der tanden of punten. Het wortel- 
woord is rijten. Zoo zijn ook in HBrem. Nieders. 
Wtb. kritzen en kritzeln beiden opgeteekend voor 
met een puntig voorwerp over iets heentrekken. 

Volgens De Navoracher, 1859, bl. 61, heeft het 
dialect in het Land van Kuik, voor griUel en grit- 
selepiy in de vermelde beteekenis, griezel en grieze- 
lenj welke laatste vorruen bloot verzachtingen zijn 
van de eerste. Ten Kate vorroeldde reeds het 
subst. grietsely en stelde ook kriezeltje naast krit- 
zeltje, 

Orobbelen*, zie Grabbelen. 
Grobbelen*, zie Grommelen*. 
Groebelen, zie Grabbelen. 
Groentelen— Gronden. 

Dit frequent, komt voor in Detpars Otonijcke 
van Vlaend. I. 331: {abten ende prelaten) laghen 
al ghelijcke droncke meschverkens,,,, achter tcloos- 
tere en groentelde in haerlieden* vuUieheit. — De 
aant. hierop zegt »wentelden"; doch het Glossar. 
D. IV. 534: *GroewtcWe,voor^ronteWe, verdiepte". 
— Wentden en verdiepen is zeker niet betzelfde. 
Ook zou men kunnen denken aan gruntelotu, het 
knoiren van varkens; zie Gronaelen. Deze bet. voegt 
intusschen hier minder dan die, waarbij men mel 
het Glossar. aan hel znw. grand denkt, en dan 
komt als primit. in aanmerking het ww. gronden^ 
bij Kil. door eene ondiepte waden, als vlaamsch 
opgeteekend. Gelijk men zegt : in slijk of modder 
wxden^ is de zin dan t. a. p. door onreinheid 
loaden. 



171 



GROEZELEN. 



172 



Oroeeelen', zie Oraaelen 
Groezeleu*. zie Gruizelen. 
Qrommeleu'— Orommen. 

. Van het geluidnabootsende ww. ^vmnmen heeft 
men grommelen met verschillende toepassing. Voor- 
eerst van den donder, in welken zin H w. nog 
gangbaar is in Groningen en Drenthe; zie De Ned. 
Taal, I. 195, en den Dr. Volksalm. 1839, bl. 191. 
Bus Schaghen, aangeh. bi] Huyd. Proeve, 111. 143, 
van een* donderslag: 

Uy rommeld keen efi weer^ al greumeiende 

grommeJd. 
Scharp, Nov. 1813, bl. 27 : 

Reeds kraakt het, en grommelt/ en kleftet^t van 

verve. 
Voorts van grove speeltuigen ; Rabelais' Werken, 
I. 101: deed hy Trdmmelen eti Trompeiten de 
gansche Stad door.... grommelen. — Van de zee, 
De Harduyn, Goddel. Wenschen, H6: 

Ghy bcist, ghy grommelt, en ghy schuymt. 
Zoo mede van menschen gezegd, Huyg. I. 656: 
Een knecht die grommelt eti suer siet. 
En is de beste Dienaer niet. 
Aid. II. 361 : 

— wat Ugh ick hier en ween., 
En grommel enrf' en steen f 
Bij denz. I 553, 6e^romme/en, beknorren, bekijven: 
Sulcks ondet* ons wel wierd begrommelt en bestraft. 
Ook lateren bezigen het wmt. nog; Bekker en Deken, 
Com. Wildschut, II. 273: mijne oiiders, die door- 
gaands wat grommelden over mijn uitvliegen. D. 
VI. 119: hij.... keerde zich orn en grommelde in 
zich zeiven. Geel, Onderz. en Phant. 78: hij be- 
gon, eenigzins grommelend. Bogaers, Gez. Dichtw. 
I. 257: 

Best schipper! (zoo gromi en ze) vrij wc^ofdood! 
Conscience, De Boerenkrijg, I. 50* Beetje mocite! 
grommelde de knecht., als deanderein de hei*berg 
zitten, sta ik den ganscfien zondag boven op den 
molen te verdroogen. Aid. 100: Onderwege deed 
hy niets dan grommelen, klagen en verwenschen. 

Met grommelen koml overeen het fr. grotnmeltr, 
eng, to grumble, hoogd. grummetn; en met grom- 
men het hoogd. grumen en 't eng. groum, volgens 
Bailey b'j Ciiaucer voor grumbling voorkomende, 
doch bij Nares zoomin als bij Johnson te vinden. 
Den nederl. vorm greumelen ontmoetten wij in de 
boven aangeh. pi. uit Schaghen. 

In het nederl. heeft men den wortel yrom^ bij 
Fokke, Verz. der Werken, II. 126: Het antwoord 
hlijft tvat aditer; eenige hoesten en kugchen^ en 
een grom of twee komen vooruit. 



Orommelen*— Grommeii. 

T>Beg)^ommelen (zegt Bild. Aanl. op Huyg. VI. 27) 
is bemorsen. . Van grmn, ingewand van visch, en 
voorts alle vuil dat aanhangt.'' Dit </rom leestmen, 
ook met den vorm groom\ Valentijn, Werken van 
Ovid. 1. 210: Laat andere op Houde grom verlek^ 
keren:ikbedatik het mij, dat ik in dese ceugekipt 
beti. Vondel, Poezy, I. 74: 

De walvisch slickt het-bloedig groom. 
Holl. Paraas, 278: 

De Opperbouwheer vcui het Y, en d' Amstelstroom, 

Bleef onder 't gloeyendt puin, en smoorde in zijn 

groom. 
De samenst. kikkrengrom heeft Bilderdijk, Dichtw. 
(door Da Costa) XIV. 64. 

Dus het WW. bij Cats, van eene onhebbeltjke, 
morsige vrouw, I. fol. 358: 

Begi'ommelt, ongesien, met ongewasse kaken. 
Elders van eene jongemaagd, die zich de wangen 
door het eten van moerbezien heeft besmet, II. 
fol. 336: 

De jongman, die omtrent fuiar stont. 
En hoar aldus begrommelt vont, 
(ring henen, enz. 
Huyg. Korenbl. I. 122 : 

— dan siveert hy by de korven 

Die 't Spuy begrommelen met kruymel-mul mn 

torven. 
H Verm. Lottooneel, I. 50: (hy) sloeg zyn wyf.... 
voor hoar begrommelde kruimelkist, Gudaan, 
Agrippa, 415: midden in de Iwlen van zwart kool- 
ziftsel begrommelt, Werken van Rabelais, I. 36 : 
Hy wentelde gedurig door 'tslijk.... begrommelde 
stjn aangesicht. D. II. 261 : zyn board was Veene- 
maal begrommelt met brood-kruymelen. — Dit fre- 
quent, zal wel hetzelfde zijp als grommelen bij 
Weil., 't welk hij verklaart door zich wentelen. 
Deze beteekenis, raij overigens onbekend en naar 
'tschijnt van Halma overgenomen, houd ik niet 
voor de ware, althans niet de eigenlijke. Bij onze 
schrijvers is mij *t ww. alleen in den zin der aan- 
geh. plaatsen vooi'gekomen ; ook de Woordenlijst 
der L. Maalsch. heeft begrommeld voor Dbemoi-scht"; 
en in dezen zin zegt onze volkstaal hij ziet er be- 
gt*ommeld nil. Zoo kan dan ook grommelen, eigen- 
lijk morsen, gezej^'d zijn, voor zich (in slijk of 
bloed) wentelen, bij Halma se vautver. 

Grommelig is vuil, en grommeling vuilnis, afval ; 
b. V. Asselijn, Kraambed enz. 8: daar sou ik ze 
toe (t. w. do eijeren tot h^ kandeet) gebrniken, en 
sict, dan sien ik niet garen daVerdie grommeling 

in sit. 
Ab? men nu in aanmerking neemt, dat gi^m 



178 



GROMMELEN. 



474 



mede voor vuilen afval van visch gezej^d wordt, 
dan schijnt Bilderdrjis afleiding niet onaaDnemelijk. 
Een ^w. grommefiy 'twelk gewoonlijk beteekent 
onigrommen^ d. i. van bet gi'oin ontdoen, kan 
ook g^vormd worden vooi* hegrotnnieny d. i. met 
groni of viiil bezoedelen, en werkelijk loest men 
dit in Van Swaanenburg, Arleq. DisteL 394: atn 
UcUte.... in hun iyd eepiiy papier bebben begromt 
met rym, — En vandaar dan regelmatig begrom- 
me^i, bemorsen, bevuilen. Tuinman gist, in zijne 
Fakkel, dat begrommelt sbekruimelt" is, en ook 
Ten Kale, IL 65i, leidt grommeling van krumme* 
/eii, kruimelen^ af. 

Grommelen is in beteekenis zoo ovei'eenkoniend 
met grimmelen (waa raver zie op Gremelen^)^ dat 
eeiie nauwe verwantscba|i in de afleiding dezer 
wn. raoet aangenonyen worden. Bij Ricbey is grim- 
mein niet alleen )»$cbmutzig werden'\ maar ook 
»schimroeln, die Fai-be verliei'en''; en onder de be- 
teekenissen van gfvmmeling is bij KiJ. ook die van 
scbimmeh Grimmelig^ vaal, of ook met vuil of 
stof bedekt, komt met ons grommelig^ grnmmeliy, 
overeen. Hiertoe zal aimede te brengen zijn ^Wm- 
»iWn, voor verrotten bij Fulda, IdiotikensammK en 
ytHmmelen^ grijmeleti, voor bet stremmen of kap- 
pelen van melk, in bet vlaamscb bij De Bo. Al 
deza woorden derbalve wijzen op een' gemeen- 
scbappelijken ooi'sprong. 

Voor beyrommeld beeft Bredero tweemaal be- 
grobbett^ waarbij men aan eene niet ongewone ver- 
wieseling der lipconsonanten te denken beeft; 
Moortje, 74: 

Seker liei kindt mcMer uyt^ hoo begiobbelt, datiet 

mier as wander iww. 
Kiucbten, 22 : 

Hoe siet yyer di<u uytf dun begrobbelt, en be^ 

kreten? 
Zoo mede girobbeliy voor ^ivmmeitV/; Koddiick, 32: 

— grob'licb bequijlt met sctiuymbevhen en severen, 
Dan, grobbelen is ook wasschen, en wel de handen 
en bet aangezicht wasschen, in bet noordhollandscb 
of friesch dialect, zie Scbeltema's Mengelw. V. St. 
Ui. 13, en De Navorscher 1857, bi. 106. Ik kan 
niet besliasen of bet w. in dozen zin ^^n is met 
grobbelen, morsen, of verwant aan Hcht^bben^ boenen. 

Oronselen— Qixmsen. 

Gronselen is bij 'Tuiman, Fakkel, U. 1{\ ook 
grunselen gespeld, en komt met den laatsten vorm 
voor in den zin \an knorren, uit ontevredenbeid 
mori'en; Van Dans, Thyi-sis Minnewit, I. 154: 
Gmiw wat, wilf n simien breken, 
iSeyd den grunselenden Weert. 



Oiidaan, Uytbr. der Ps. II. 188, van een gespeend 
wordend kind: 

Met grunsselt, en het honkeri^ 
Na 't vochje dat het quijt u, 
De Geweande Weuwenaar, III. 27: 
— zoo haaM den Deurwaarder Het blyken^ 
Dat ze 't Interdict aan 'er steel hodden.... 
Grunzelde(n) zy^ als een Bok die Kool knoude, 

* 

ieder om *t zeersU 
Zoo toch, meeii ik, dat bier gelezen beboort te 
worden voor Dgruuzelde." 

Het fi-equent. luidt ook gruntelen, eng. bij Halli- 
well to gruntle; Van Hoogstraten, Haegaenveld, 59: 
U vooreerst een vt*yer, zey Matelievey al grunteleiide. 

Die beteekenis van beiden wordt gestaafd door het 
primit. grofisen, da I in bet vlaamscb bij Scbuer- 
mans en De Bo knorren beteekent, als van var- 
kens, en voorts gi'ommen, pruttelen. Het w. is 
van grunnen, dat Van Teylinghen bezigt, Paradijs 
der Wellust. 270: te grunnen als vercke/is. Bij 
Kil. grunnive, fr. grognef\ gt^onder, oudfr. g}*oncer, 
grondir etc., eng. to grutity hoogd. gruntzen, bij 
Ueberfelder grunzn, bij Schmeller graunzen; met 
welken laatsten vorm ovei'eenkomt granzen^ dat 
ik aantref in Rabelais' Werken, I. 365: alle de 
honden om hoar hetiyelden en gransden. gelijk se 
doen om een jagtige teeve. — Allen duiden aan knor- 
ren, . inzonderheid van varkens, docb voorts ook 
voor het morren of pruttelen van menschen gezegd. 
In 't bolRteinscb 'isyrrmsen steiinen, kreunen, waar- 
voor Kil. beeft groonen^ gronen^ eng. to groan,, 
dns De Brunes Zinnewerck, 290: 

Zoo yemand^ ah U geheurt^ van spijt beyon te 

groonen. 
Dit groonen komt in beteekenis met ytnitiselen 
overeen. Doch bet frequent, kwam mij ook voor 
in een* tegenovergestelden zin, namelijk in dien 
van een aangenaam geluid maken, en zoo levert 
het hetzelfde verscbijnsel, dat zich opdoet bij de 
verwante wwn. yrijnen^ gtnmmen enz. Zie op 
Gremelen*. Zoo leest men in Oudaans Podzy, 1. 248: 

— Vooglen^ van alom, die vrol^jk^ in H ontmoeten 

Met gruns'len, en gezang^ dien Zonneioon be- 

groeten. 
Kl. van den Pasquilmaker, II. Voorzang, te midden 
eener reeks van tegenstellingen : 

Tussen groen en tnsseti dor^ 
Tussen 'tgruns'len en Hgeknor. 
Grunselen alzoo rechtstreeks overgesteld tegen 
knoi*ren. DaarmeS komt overeen Van EfTens Spec- 
tator, III. 485: Moeder ktvam hiet'Op my )iaar 
mofid aenbieden,, en ik kuste hoar dat het kiapte,, 
zo wel cUs 'tgoed Motje^ die my^ cU grunselende 



17S 



GRONSEILEN. 



176 



meer dan tienmaal' vei'zeekerde, dat ik van harten 
welkotn was, — Alsinede grunieleti en grimdelen^ 
zooals die voorkomen bij Valentijn, Werken van 
Ovidius, I. 223: aelfs eeti sol gruntelt als hij wat 
krijgi. Bl. 200: Als sij hefliy sal gebuldert heb- 
ben^ en u wisse vijandin sal schijnen; versoekt 
d<m een nagje: ik wet, sij sal grundelen. En 11. 
331: Doen sprak voder Jupiter: gij siji waar- 
dig J o dogtery dat u soon nevetis u vergodet met 
onsterfiijkheid gekroont wert: hou daar^ ontfang 
dan uwen eis. Op dat wooM grundelt Vcnus^ be- 
dankt hoar voder enz. 

Orouwelen> zie Oruwelen. 
Gruizelen— Oruizen. 

Gruizen heeft Weil, als bedrijvend ww. ; onzijdig 
is bet bij Bogaers, Gez. Dichtw. II. 88: waar flus 
hoar boeijen gruisden. 

Het ffequent. is onzijdig; De Thouars, De Git. 
van Antw. I. 220 : AUes davert, schokt, en gruizelt 
— En bedrijvend; Tollens, N. Ged. II. 118: 
Daar loeit een rukvlaag aan, den polder inge- 

broken^ 
En stoot de hutten los en gruizelt leem eti steen. 
Van der Hoop, Warschau, 107: 

Ziet gij dat bolwerk, dat het starend oog doet 

duizeHen^ 
En schijnbaar door Hgeschut te ontmantlen noch 

te gruizelen? 
Vergniizen, d. i. tot gruis maken, is in dien zin, 
(zooals Weil, bet dan ook heeft) bedrijvend; en 
overdr. gebezigd door Van Alpben, Dichtw. III. 175: 
Den dood!,... Wie kan het denkbedd drageny 
Dat hij dit ligchaam heeft vergruisd? 
Nog overdi*achtiger bl. 176 : 
Maar achf 'tvergruist otis in onze oogen, 
Dat U de mensch aan 7 Kruis kon slaan. 
Het komt intusschen almede onzijdig voor; Berk- 
bey, Nat. Hist, van Holl. H. 1122: Men vind (deeze 
Schelpen) gemeenlyk vergruisd; gantsch vast en 
hard; byna geheel versteend. — Vandaar het fre- 
quent, vergruizelen ; Bilderdij^, Navonk. I. 132: 
De duizenden, door knots en vliegend schroot 

vergruizeld. 
Dez. Schemerschijn, 34: 

Laat me Uw kastijding niet vergruizlen door heur 

slagen. 
Vrouwe Bild. N. Dicbtschak. I. 141: 

6 Wee mt/y dat de slotnn my niet olleen vergruizelt ! 
En onzijdig; Tollens, Ged. III. 178: 

De slagboom viel vergruizeld neer. 
De wwn. afgruizen en afgruizelen worden bij 
Weil.,ja het eer»le ook in het Wdb. der Ned.Taal, 



geniist. Berkbey, a. w. II. 226: dat dezelve (Zand- 
steen)y met de vitigeren gewreeven tyndsy Ugllyk 
afgruist. Bl. }04: Worteltjesy €Mn wdker doorge- 
brooken toppen dit blaauw afgniisde.* Kuyper, 
Technol. II. 736: het afgruizelen.... dot is het af- 
knappen van kleine stukjes van de kanten der 
glasachijven, 

Niet fraai is de samenst nedergruizelen; Tollens, 
Ged. in. 164: 

— 7 reuzenbeeld..,, 

Schokty loaggelty start en gruizelt ne<^r. 
Nagevolgd door Van der Hoop, De Henegaat, 55: 
Gel^k de ontboeide sneeuwlawine,.,, 
Langs de Alpen dondrend schuift en kraakty 
En dorpen slecht of nedergniizelt. 
Begruizen is (net gruis of stof bedekken, en van- 
daar bezoedeleii) bemorsen ; Vondel, ios. in *t Uof, 15: 
Het grijs Godvruchtig hair begniisde hy met 

assehen. 
Anton ides, Ged. 155: 
Den sabely scherp vau jw^ met burgerbloet be- 

gruist. 
Oudaan, Haagsche Broederm. 5: 

— 7 vuily waar met hy wierd begruist. 
Dez. PoSzy, II. 34: 

Onbillik datiy dat valsch vemis begruiz' 
Dat heerlyk werk en praalstuk van vermogen, 
Valentijn, Werken van Ovid. II. 9^: d€Uir hij maar 
den rug met holle schelpen begruist.... sa^, — Zie 
wijders het Wbk. des Inst, op Hooft. — Dezelfde 
beteekenis heeft het freq. begruizelen; Paffenrode, 
Ged. 23: 

Van aangebakke bleed begruizelt en bemorst, 
J. V. Dans, Thyrsis Minnewit, II. 79: 

— flucx hongen al haer kleeren 
Begruyselt van de Stofy bestoven von de Veeren., 
Hetwelk ook begroezelen luidt, Orangien Lelyhof, 85: 
De letters waren diepy begroeselt, sdioers te 

gronden; 
Met vocht en mesgeschrap, H uytwisschen sy be- 

gonden. 
En btj De Bo vindt men in denz. zin gruizelen, 
evenzoo kroezelen, Dezelfde klankwisseling merkt 
men op in groezigy zie Wassenberghs Bijdr. I. 38, 
en gruizigy vuil, bemorst; welk laatste voorkomt 
bij Bara, Galteno, 56: 

MegeeTy die gruizig ziet en bleek. 
Brandt, Veinzende Torquatus, 58: 't gruizig mid- 
delrif. En nog bij Bilderdijk, Kallimachus, 5: 
Men gingy al had ztjn 6)y»i van ondren vollen loop. 
Met drooge voetzooly zelfs door gruizigen Metoop, 
Luiken laat den uitgang van dit adject ief weg, 
Leerz. Huisraad, 85: 



177 



GRUIZELEN. 



178 



Veel vuile Zielen in 't gemien^ 
Die deze zuivering ontzien^ 
Vertrooaten hoar met deze droomen, 
Dat zy zo morsig en zo gruis, 
In ^taUerzinMykste huiit 
Dock zuUe^i worden opgenoomen. 
Hor. Belg. XI. 3^ leest men : 

ick wasscke^ ick backe^ ick vage den vloer, 
Jck doe dat were cd vanden huyae^ 
Ic MUe dat hint op m^jnen schoot^ 
Dan tfraghe ick vanden gruse. 
Voor gruee sal te lecen zijn gruyse^ en 't woord 
beteekenen ongezift of zeiaelbrood) bij Kil. broodt 
met den gruyee, — In Moons' Sedel. Vermaeck- 
Spiegel, 208, is gruya een scheldnaam, voor hals 
of domoor: 

Den meester ie den botsten grays; 
Want hy en houdt in huya gheen kat, ' 
Ogier, De Seven Hooftsonden, 174: 

— dcLer is eenen gruys.... 
Die fnaeckt one aenaUxcfi stecht^ en ganach een 

onvry haen, 
Ik houd dit voor *t fransche grue^ lat. grusy grttia^ 
ki-aanvogel, in den gemelden figuurlijken zin ge- 
braikelijk; zie Diet, de TAcad. i. v. 

Oruntelen^ zie Oronaelen. 
Graweltti— Oruwen. 

Ook grouwelen^ grouwen, en beiden van otids on- 
persoonlijk. Der Minnen Loep, II. 10: 
Alsmen van aulker leliker aert 
Spreectj wort elck man vervaert 
Ende hem gruwet altoea doer voren. 
Vondel, Pet. en Pauw. 22: 

— ons gruwt van dit veratagh, 
Dez. Eurip. Fenic. 16: 

My gruwt, & Argoa^ voor dit woeden. 
Zoo nog bij ToUens, Ged. II. 87: 

Van hier: haar grawt een lofy met siddring op- 

gewrongen. 
Lancelot. B. III. vs. 11461 : 

Here, ic aal u den wech wel nomen^ 
Ende den caateel u wiaen van verren; 
Maer dan ipillic vlien aonder merren^ 
Want mi grawelt daer of wel acre. 
Maori. Sp. Hist. II. 231 : 

Dat ae niemen en aach levende, 
Hem en gruwelde daer hiae aach. 
Der Minnen Loep, I. 87: 

Him graelde dat hiae aneaach, 
Antw. Sp. V. Sinne, 390: 

Maer my groawelt voor het eynde aeer atranck, 
Hor. Belg. IL 44: 



Hoe luttet dat hem daer over gruwelde. 
Passionael, Somerst. fol. 153: mi grawelde van 
minen leden^ gedeet met enen aae, Fol. 155 verso : 
alle menschen grawelt natuerlick van duadanighe 
menachen. Gassianns, Der Oud. Vader Gollacie, fol. 
48: hem gruwelt voet* die celle ende voer tgeMh 
ende voer die pacUmen. Erasmus, Lingua, 79: 
Ons groawelt ende wy vreeaen ona van een Scor- 
pioen. Den Nederd. Helicon, 45 : Ons gruwelt uwa 
gheaichia. Goornhet*ts Wercken, I. fol. 590: Daarom 
en gt*ouwelt my nu niet aUeeti niet van degeneeit' 
draneken die ghy onlanckx aeyde aeherp te weaen, 
Vondel, Jos. in Dothan, 15: 

My grawelt dat ik Hhoor: om Godta wil^ zwijgh 

toch atil, 
'loo zeide reeds het middelhoogd. mir gruwet en 
mir gruwelt^ zie Benecke ; later het hoogd. mir 
grauet en mir grauelt^ bij Schmeller mirgrduwelt, 

Als persoonlijk ww. ontraoot men gruw^en in den 
Statenbtjbel, rnndteek. op Joel 2, vs. 3: Woeatijne^ 
daermem van grouwelt, et^de achrickt. Alsmede 
meer dan eens in den tekst zelf, zie mijne HandL 
0. d. w. Erasmus, Lingua, 19 verso: een groot 
ende merckelick gebreck.,., daer U veratant aeer af 
grouwelt. Sprankhuisen, Van Blijschap, 24: Wat 
aal ona dan doen giniwelen ? Bekker. Betov. Wee- 
relt, III 181: ao hy self al grawelde aulxs uit te 
aeggen. Huyg. KorenbK II. 4: 

Ick grouwel voor krackeeleti 
Ala voor ontatdde Veeleiu 
Westerbaen, Ged. III. 680: 

So dat veel vroome daervan grouwelen eti yzen 
En meynen^ ala men *t zegt dat het gelaatert is. 
Oudaan, Toneelp. 165: 

— die onvergeetbre daadJl 
(die) H Gealacht doct grawelen, en tixtppelen en 

krimpen 
Van achrik, — 
filoemkr. v. Versch. Ged. 205: 

Ik grouwel 't aehelmatuk op te halen. 
Jonctijs, Toon. d. Jal. II. 340: ik laat ataan dat 
zy van hare blaam niet zoudie grouwelen. — Camp- 
huysen heeft grouwen en vergrtmwen wederkeerig, 
Psalm 14, vs. 10: 

{Haer) eeltich hert^ dat sich geena qaaet kan 



grouwen. 



Sticht. Rijmen, 374: 

— *k Heb een haet in H hert gevat 
Tegen alle leugenmonden, daer ^tgemoedt zich 

voor vergrouwt. 
Dus ook Lev. van Marc. Aurel. 171: maer ick yer- 
gruwe my om datter in u ende in uwe ghebuet*en 
900 veel booaheden z^n. Aid. 186 : dat niemant hem 



479 



ORUWELEN 



i80 



ijoei en gunne^ etuie alle tiian hem zijnn vei^grouwe. 

Elders is vergruwen-hedriiyend., h. a. w. bl.64: 
so beginnen wy ierstant noch %oeder wat anders te 
beloopen, dat (Ian verwm^ven kebbende^ beginnen 
wijt van niewt cteu weder te vergrouwen. — Doch 
ook onzijdig; Ouiiaan, Agrippa, 366: van leugenen 
zult gij veixruuwen. . 

Vergruwelen is bedrijveiid, h a. w. 130: roo ver- 
gruwelea Maizes, Ezaia*.... dezelve. Aid. 213: uxuU 
de Joden hebben niets zoo zeer vergruu'weli da^i 
de beelden. Lev. v. Marc. Aurel. 180: vervloect 
moet hy zijn vaiiden Goden ende xergrouwelt van- 
den menschen, — Doch onzijdig bq Oudaan, Room- 
ftche Mog. 104: indien zy geloofden ikWer de Jo- 
den voor vergniwelden. 

Wat betrefl de beteekeni« dexer wo.: zij is die 
van een' afkeer van ieU hebben, ijzen, en voorUt, 
als een gevolg daarvan, vreezen, schrikken, ontzet- 
ten. Die beteekenLs blijA, mijns inziens, bewaard 
bq Bredero, Griane, 72: 

Men Wijf hei sucke vervaerlijcke liempjes^ jy 
soHije deur ten ruigetje trecken^ 

Mit ten fUeurde paeme Sptnet^ die wy ajit Pose- 

pt'OtirJi is, decken. 

J a wy hdihen hoo t'eynen Huytiraetje, trots y met 

in de buurt. 

In as me wijf heur vaten, en hetir Tinne^werck 

schuurt, 

Je ^iiiivt dat ghy *t siet, suo besuckt tetitigh en 

Idaer isse. 
waar mijn vriend Oudemans nieent, dat eene andere 
opvatting van Hw. moet plaata hebben^ en met 
verwijzing op den Teuthonista het uitlegt doorver- 
suft, verbaasd zijn. Zie het Woordenb. op Bred. 
137. Ook hier, intusschen, heeft men ijzen of 
schrikken te verstaan, volgen.s eene in de volkslaal 
zeer gewone wijze van spreken. Wat sterken in- 
druk maakt, zoowel ten goede als ten kwade, wordt 
ijselijk genoemd; vandaar zelfs ijselijk niooif zoo- 
wel als ijselijk leelijL Het wijf schuurde het 
tinnegoed z66 net en helder, dat men er van schrikte 
of ijsde^ als men 'tzag. De eigen plaats van Bre- 
dero bevestigt dat spraakgebruik. De )»Hempjes'' 
die het wijQe zoo net staan, dat men haar door 
een ringetje zou halen, noenit hij vei'wuirlijk. Ook 
de Teuthonista pleit daar niet tegen. Gruweleti 
stelt deze gelijk met eysen; en als hij op Anxten dit 
WW. zoowel door versa ff en als door gruweleti om- 
schriifU bewijst dit alleen dat versuffen ook voor 
schrikken genomen werd, gelijk ook de overige 
omschrijvende wwn. te dier plaatse dit bevestigen. 
Versuffen ^zelf, i. v., verklaart hij dan ook alleen 
door verveereUf d. h vervaren. 



' Nog eene andere beteekeiiis wordt aaa yrouwe- 
len toegekend, ter plaatse van G. Japicx Kijm- 
lerye, 19: 

Mars, yerds'/ijnne fen mijn minu\ 
Grouw'let nu oon oare weagen. 
Epkema houdt dit ww. voor 't gewone gruwelen. 
en verklaart het niet alleen door donderen, maai' 
beweert zelfs<. dat deze of eig. een grof gedruisch 
maken de eerste en hoofdbeteekenis des woords is, 
en dat » vandaar de beteekenis van vreezen, en 
verder die van afschrik hebben, zeer geniakkelijk 
en natuurhjk is/' Gansch verkeerde voorstelling 
der zaak, in tegenspraak met de geschiedeiiis des 
woords ! Indien kon bewezen worden, dat Japicx met 
het WW. grouu^je gruwelen bad bedoeld, dan zou 
de eerste beteekenis des woords, die van »af8chrik 
hebben," daai'door niet kunnen verandereo, maar 
daarvan wellicht die van »schrik verwekken, zich 
schrikbarend aanstellen,'* kunaen afgeieid worden; 
doch ik ontken, dat grouweljen bij den Dichter 
voor gruweljen te houden is. Waar fa^ het laatste 
WW. of derivaten daarvan bedoelt — en dit is blij- 
kens Epkema's Wdb. op talrijke plaatsen bet geval 
— daar spelt hij altijd gruw en nimmer grouw. Ik 
denk dus bij grouweljetf met Epkema aan een 
»klanknabootsend werkwoord," doch onderscheiden 
van ffruweljen^ en ^ii met het eng. to growl en to 
grouly en waarvoor wij, 'u\ de aangeh. regels bol- 
dertm of bulderen zouden zeggen. 

De vormen gruijen^ gruijelen, voor griHvcfi^ tyi'M- 
welen, volgens De Bo in het vlaamsch vooi'komende, 
zijn blijkhaar als navolging aan te m^rken van het 
hoogd. graueti en grdueln. 

Oubbelen, zie Gtobbelen 
Ooichelen— QuU^en. 

Guigen is bij Kii. Ugchen, schertsen, potsen ma- 
ken. Vandaar beguigeti en begtiichen, bespotten; 
Hoofl, Ned. Hist. fol. 578: in H Toorentjen, gingen 
vier lichte quanteti zitten, speelende, beguighender 
«n/re, de Burghermeesters naa, Werken van Ra- 
belais, II. 173: zedcrt dicn nur en tyd dat gylieden 
(len Pans beguygchtc, is dit geheele land ons toe- 
gewesen. Oudaan, Toneelp. 209: 

(Zoo) 'theyloos onbesnedendom 
Ckis aunschimp, eti beguych atom, 
Jonctijs, Venus, 96: 

Laet u de Wereld met een s^iotters lip beguychen. 
Ook verguigeti; Westerb. Ged. I. 548: 

Uw naam genieckt op strnet; doer sahnen n 

verguygen. 
En aunguichtn; Werken van Rabelais, II. 172: 
oin datse de afl^eelding des Paus de vyg getoont, 



181 



GUICHELEN. 



182 



of met lie uilyetfteeken tmiy aangeguigcht hcuideti. 
Men zei ook de guig tnaken^ sieken of tianteken^ fr. 
taire ia moue; Six van Ghand. Ps. 22, vs. 4: 
-4/ wieme siet bespotme bits^ eft lacht; 
Afen raaakt de guig, steekt oope lippeniUt 
Zeeu8, OvergeM. Ged. 174: 

— wie is te teugelefiy 
Die zeye ontfangt, en steekt de guich met al 

zyn' drttkf 
Schimp- en Hekeld. (Hooro, 1718), 120: 
Ziet gy niet^ hoe men v, uxxar gy voorby komt 

ryden^ 
De guich nasteekt, en u beschimpt aan alle zyden f 
Ueyns, Bartas, 1. 11.364: 

*- gelgck een snoode kindly 
Dai seer geveysd^Ujck sctdjnt tot syne les gesint, 
Soo langh de Meester hem geen roeden laet ont- 

breken^ 
Maer keerende den rxigh sal hem de guigh na 

steken. 
Valentijn, Werken van Ovid. 11. 117 : soo sij meen- 
de,.». met een groot geschal,... otis de guig na te 
sleeken, enz. — Hiervoor vind ik dc guich aanste- 
ken bij Baardt, Detigdenspoor, 194: datse^ u be- 
schimpende..,. met uytgereyckten Tonge den Guych, 
800 men seyt^ aensteecken. — Het naamwoord gold 
ook voor bespotting; De Brune, fiancketwerck, 11. 
424: Die zydfi of taf^ met een packnaelde aeneen 
wU rijghen. verliest zijn stoffe^ en wint de guych 
van mepischeti. — Een onscfauldiger, maar toch altijd 
een spoitend gebaar is guigje bij Gats, Werck. I. 
foL 250, van een' aap, ten aanzien van een* ezei : 
De derde siet 'k en weet niet hoe^ 
En schiel hem handert guygjens toe. 
£u U. fo). 179: 

Ale Oiloris dit vernam, eti voelt hoar Oansicht 

sweUefh, 
En dat deti bohtvoet Patx ook quam den potter 

stelleny 
En school iuxar guigjeus toe, doen wertse gansch 

ontstelt. 
Een bijv. naaniw. guigel is door Oudaan gesm^ed, 
Woestijnslr. 4: 

Daar lieb ik 't veld al heimelik^ 
Met guig*le godspraak^ vreesy en schrik^ 
En spooky «jt» siddring ingewonnen, 
Dat zal zijn: valsche, bedriegelijke godspraak; zoo 
noemt Ueyns, Bartas, I. ii. 225, den Spai\|aard gut- 
gel-aerdichy en bl. 361 de egyptische priesters 
Osiris guighelboden, — Guiciielspel behoort hierbij ; 
Bekker, Betov. Weerelt, III. 88 : sien voor ogen is 
geen guichelspel. 
Dencelfden zin als guigen heeft bet frequent. 



guicftelen; Maiiiix' Bienk. 176: liever dan dat ny 

also met Godt ende met Godes Woordt souden 

guichelen mide spotten. Van der Veens Zinneb. 409 : 

Verkeei% kaetst^ tuyst, en schreeuwty schrijfty guy- 

ghelt, sddmpt en knerst,,,, 
*t Is ons al-eveti-eenSy wy lalen u bedrijven 
Oudaan, Aand. Treurigh. 57: 

Zy guychelen al voort met scherssen en begekken, 
Dez. Toneelp. 162: 

Waar dot ik vraag of zoeky elk toont zich stom 

en vlugy 
Of guychelt tnet myn eyschy eti keert my nors 

de rug, 

Dez. Uytbr. der Ps. I. 262: 

Men schud den kopy men guyclielt met defi mund, 
Dez. Woestijnstr. 5, waar de Satan spreekt: 
Zoo guigelde ik met Soktntes; 
Zoo steef ik mijn geJieimste les. 
D. i. zich bedriegelijk voordoen, mommen, roislei- 
den. Zoo mede Bloemkrans, 572: 

Dat '« guichelen m huis en huicftelenop straat: 

NooU kuist blofiket'bedi^ 7 geen vuil is in der 

daad. 
Bij Luiken is het eene bedriegelijke vertooning of 
beweging maken; Vonken der Liefde Jez. 73: 

Zy blyven wel voor uw gezicht verfiooletiy 
Als dun gespensy en guichlen om u heen., 

Maar }\aar bedtxtg doet u eletidig doolen. 
Bij Vondel zeernabij aan tooveren, Vii-gil. 270: mi 
die met zangk m hantgebaer adders en Hydren.... 
plagh in slaep te guighelen. Coornhert, Werckeii, 
1. fol. 452 ve«o: die spottelijcke allegone by 
(Moses) gheguycheU in Heerste boeck. — Elders 
bloot spelen; Vondel, De Gebroeders, 23: 

( Wy) lacheny ah de wint noch giiichelt met zijn 
Antonides, Ged. 85: (^^o/*- 

Het zeeschuimy daar de wint mei guichelt naar 

zijn zin. 

Het bedrijvende beguicfwleti is insgeltjks zoowel 
bedriegen, niisleiden, als bespolten. De eei-stge- 
melde beteekenis treft men aan bij Goomhert, 
Wercken, I. fol, 62: Dus en bedrieght twch enbe- 
guychelt hy niemandt met aandiettinghe van ghe- 
schildert brooL Fol. 154 verso: Wilt ghy ons so 
doetule niet beguycheleu *? Hooft, Ned. Hist. fol. 
441: om zich van verre te laaten zieuy en de ooghen 
det* beleegherdetiy met den schyn van een' meuaan- 
koomende hulptroepy te beguighelen. Dez. Rampz. 
19: in wille te z^'n van omhals te brengen zeeke- 
t*en 's Hartogen dienaary die hem beguighelde, ende 
den Philosooph fwemde. Vondel, Noah, 28: 

Gy weet afsiclUigheit een' glimpy een verf te gevepiy 

Gebrek V ontvevnzeny en beguigchelt ons gezicht. 



183 



GUICHELEN. 



184 



Dez. Leeuwenda lei's, 50: 

Te loozer is de vont^ die hem beguighlen kan<, 
Die scherp en helder ziet uit (die hey zijn owjen. 
Dez. Heerl. der Kercke, 52: 
Zijn grijnis beguicliell eerat het eigeti vuderlant. 
Zoo schendigh^ datz' op hem^ ah op een godtheit 

hopen. 
Voor bespotten bij Bredero, Griane, 76: 

Koirtt yemani tot wat me,erder staal^ 
Hy werdt beguychelt en versmaet. 
Dez. Het daget eiiz. 54: 

Die gistren sicfi ncigh verschovcH, 
Beguychelt en dctet* toe belacht^ 
Die siet sich heden nu al baven. 
Doch het koint insgelijks voor in den zin van het 
tegenwoordige begoochelen of betooveren; Vondel, 
Virgil. 340: (dat) droomen slaperige zinnen begui- 
chelen. Bekker, Bet. Weerelt, III. 88: wie heeft 
dal {ver9tant)danhe%mcYke\iofhetovetHi? Nomsz, 
De Huigchelaar, 9: 

Tarluffe^ die kern kent, en die hem 't oog verblind, 
Beguichelt daaglijks hem, daar hy 'tvoordeeli^ 

vind. 
Tollens, N. Ged. 11. 110: 

Geeti wuftgewiektedrootn beguichelt mij met logen. 
Van 'sGi-avenweert, Verspr. Lettervr. 162: 
Hoe vaak een Opperheer door Raadslien wordt 

gedreven. 
Die, blind voor waarheid, hem beguich'len door 

hunn' ichijn, 
Dus heguichHing bij Fokke, Verz. der Werken, V. 
81 : Dezelfde xianschouwer is weder het voorwerp 
van hare (d. i. der wereld) beguicheling. Ockerse, 
Napol. Redev. I. 15: De beguicheling, de zoete 
droom, door Napolcofi verwekt, is voorbij. Van 
'sGravenw. De Ilias, 1. 39: 
Een schaadlijk droombeeld ter beguichling af te 

zenden. 
' Ontguichelen is door bedrog of behendigheid ont- 
futselen, bij Coornhert, Werck. I. fol. 52 verso : 
daar sulcke,,.. nieuwe Pharizeen d^onvet^siahtige 
Overheydt,.. H swaart ontguychelt, Fol. 359 verso : 
zijnen broeder het sijne te ontguychelen met lodi 
ende bedroch, Fol. 537 verso: Verblijdt yemandt 
als een heymelijck belagher om yemandeti Hsyne 
met bedrogh ontguychelt te hebbenf Vondel, Vir- 
gil. 256: dat slagh (van paerden) door de spits- 
vondige Circe deti voder Pikus ontguighelt. — Ook 
Weil, geefl een voorb. van dit ww. op OntgoocJielen, 
waarme^ het ^6n is, doch waarvan hij geen plaat- 
sen aanvoert. Men leest dit bij Snieders, DeVer- 
stooteling, 22 : kadt gy die ontgoochelende ivoardeti 
niet uitgesproken^ ik had nog geruimen tyd in den 



droom verkeeM enz. Bl. 148: CJirisiiaen verkeerde 
nu not J in dctt zoetsten droom ; doch wie weet hoe 
ras hy zul ontgoocheld worden! — Zie vooils 
liokelcH. 

G uifelen— Ouikeu. 

Volgens het Idiot, van De Bo konien deze ^wn. 
in het vlaamseh voor in gelijken zin, t. w. gooijen, 
s mij ten, onderste bovcn werpen. 

G-itifelen komt ovorecn met gaufeln, bi) Von 
Klein en Von Delling »in zijne handelingen zeer 
haastig zijn;" gauffern, bij Schmeller met haast 
over iets heenloopen, zich overijien; gaukeln^ bij 
Von Schmid her- en derwaarts bewegen; en gui- 
ken met gauken aid. gelijk met gaukein, gfiufen^ 
behendig iets wegnemen. De hoofdbet. ligt dus 
in de snelle beweging. 

Schmeller vraagt of het vermelde f/au//Vrn ook ver- 
v^'antisaan gduffeln, met beidc holle handen nenien 
of geven. Ik laat die vraag onbeantwoord, maar 
vermeld ze, omdat zij mij de gelegenheid geefteen 
ncderl. wooixl op te helderen, dat tot hiertoe onver- 
klaard bleef. Het beijersche gauffeln, waarvan bij 
Castelli anfgaufln, met handen vol op elkander 
werpen, komt van gduffel, bij Vilmar ifaufel, de 
holle hand, in het Gimbr. Wtb. en bij Von Zin- 
gerle goffcla, diminutief van gaufe, bij Schmeller, 
Fulda en Vilmar de holle hand. Dit gaf als bijv. 
nw. of bijwooixi bij Vilmar gdufetsch, bij Fulda 
gduffet, en bij Schmeller gauffet, met holle of voile 
hand. En vandaar zondor twijfel bij Kil. guf, 
mild, verkwistend, gufheid, guffelijk, woorden door 
hem als vlaamsch opgegeven, doch bij Schuermans 
noch De Bo vermeld. Men vindt ze bij onze schrij- 
vers der 16e en 17e eeuw. Everaert, Politica van 
Just. Lipsius, 142: hy sal verbieden de gufve t'ci*- 
doeninghen. De Decker, Rymoeff. I. 159: 

fck worde droef ja gratn, wanneer ick.,., 

Verneme, hoe ^uf en grof aldaer %co>*d aenyegtien. 
Oudaan, Po^zy, I. 86: 

— die hier guf en vol gezopeu, 
Met goud, gesteente, en ^marten, praalt. 
Aid. 92: 

Hun geest begeert al and^re spys, 
Tot voedsel van hun gufTe lusteti. . 
Aid. 96: 

Daar waan en wil H hcrt in zyn gufheid styven, 
D. II. 92: 

Nu dronken van zyn gufheid.... 

Tot berstens toe verladen van de brokken. 

En zoo zai ook wel gelezen moeten worden in 

het Esbatement van Everaert, door Dr. Van Vloten 

medegedeeld in Janssen en Van Dales Bijdr. VI. 334. 



185 



OUIFELEN. 



186 



Van g^hufheit moet ghy pijnen te vercoudene 
.... Ghy hebt te vele te onderhoudene. 
in plaats \an ghaflieit, te recbt onvei*8Uianbaarge- 
acht. Vercouden is verkoelen, verflauwen, vermin- 
tieren. — Een paar andere pll. zie men in Oudemans* 
Bijdnige. Ook het bijw. kwammijvoor; Gveraert, 
Polit. 141: dinghen, metdewelcke t' ghell {i;u(ve\\ck 
ommegehrocht wordt. Bl. 143: als de menschen 
henlieder goeden vertrreti met guflick te letye>i. 

GuBselen— QudsoQ. 

Gusselen^ ook gasselen^ is bij Kil. vlaamscb voor 
storten; De Swaen bezigt het w. mot den vorm 
gifiaseleti ; Leven en Doodt van J. C. 11. 164: 

— 8pyt de loop, die guysselt van syn wangeti. 
Schroeller heeft er gusseln voor. Wlj zeggen gud- 
sen, Kil. beefl daarvoor insgelijks guysen, en dat 
|pe.st men bij Van de Venne, Holl. Turf, 38: 
Dan tioch een, die tvou de Vloet 
Guy sen opwaert met sijn Hoedt, 
Dez. Sinnemal, 5: 

% ('^ Try tons) guisden met de vloet, en apeitten 

met een vlucht 
En'/tloeghen na my toe,metvreesstplickghentchl. 
Antonides, Ged. 409: 

— het bloet guiat van tijn le^i. 
Walewein spelt {foygen^ vs. 10611: 

Die staline hoetie, al waertfi goet^ 
Durslouchmen^ datter duere thloet 
Ute goysde al even dichte, 
Wat men ook te lezen zal hebben,'v8. 8237: 
Tbloet liep uten verscen wondeti 
Ende goyde recht al$ ene heke, 
Vei^. Halbertsma's Naoogst, bl. 174^ en Ten Kate, 
II.. 191. — Gudsen, gewoonlijk onzijdig, is bedrijvend 
bij Helmers, Nag. Ged 3e dr. 188: 

Dat hij verga^ wiens woest gemoed 
Voor Hamhroeka deugd geen' Iranenvloed 
Van eerbied gudst langs dankbre wangen! 
Begudse^i, in onze woordenboeken onbekend, lees 
ik bi} Valentijn, Werken van Ovid. II. 55: Midler- 
wijle scheppen Swaantje enz. water^ en begudsen 
Diana, 

Den wortel sruds, dien onze woordenboeken niet 
vermeiden, en die overeenkomt met het hoogd. 
gu»s^ bezigt Bilderdijk, Navonk, I. 123, in de sa- 
menst. regenguds, — Weiland leidt, zonderling ge- 
noeg. gudaefi af van guds^ bolle steekbeitel. Om- 
gekeerd zou de naam van Hwerktuig, dat men 
aantrefl bij R. Visscber, Lof der Mutae, 28: 

Uenicth soeckt een beytel ett vint een gutae. 
en Uuygens, Cluyswerck, 21 : 

Verroeide beiteleti en gudsen en formooren. 



als ji/oo/vormig ligchaam, kunnen afkomen van 
gudsen of gieten. Doch guts beteekent meermalen 
hoi, b. v. Vlaerd. Redenr. 459: 

— wat ick deter door win, 
Dat slockt de gudse maech allenelijcketi in. 
Zoo i.s bij Halliweli gutter zoov^-el een kleine wa- 
terstroom als de gootswijze hoUigheid in een* boog, 
waarin de pijl ligt, en guttertUes bolle tegels voor 
den waterloop. Wat hoi is kan veel verzwelgen, 
en zoo heeft bet' eng. de frequent to guttle en to 
guzzle voor zwelgen, brassen, waarmed het lat. 
gutter^ dat het fransche guttural geeft, wet zal 
verwant zijn. Doch guttlehead is bij Halliweli een 
vai^eetjichtig, zorgeloos, onnadenkend mensch. Is 
dat ieraaud door wiens hoofd de dingen beengaan, 
of heengeworpen worden als water door een goot ? 
Het schijnt wel zoo ; doch dan behoort er ook toe 
bet WW. verguttelen, dat in Zuidbeveland beteekent 
vniet goed oppassen," zie N. Ned. Taalmag. II. 236; 
en wellicbt mede vergudderen^ in het boerendialect 
van Axel »bederven", zie mijn Archief, II. 194; 
welke beide frequentatiefvormen zich vereenigen 
in vergutterlen, bij Von Schmid »door onbandig- 
heid bederven," en door dezen gebracht tot giUtern, 
Weqien, drijven, afgeleid (bij gebrek aan beter) 
van het fransche jeter, 

Outtelen, zie Qusselen. 



Habbelea— Habben.' 

Het frequent, wordt gezegd van zuigelingen, die, 
den tepel der moederborst niet goed kunnende of 
willende vatten, dien gedurig en met zekere drift 
uit den mond la ten schieten en weder opnemen. 
Het primitief, een verzwakte vorm van happen^ 
heeft Kil. in de spi^eekwijze habben en snappen^ 
die Ten Kate te recbt vergelifkt met hauwen en 
snauwen^ Aenl. II. 222. Wat de bet. aangaat, 
kan het prim, niet nauwkeunger worden aange- 
duid, dan door het eng. to hab^ bij Halliweli schie- 
lijk en onbesuisd iets aangrijpen. Habbelen is, door 
verwisseling der lipletters, d^n met haffelen^ bij 
Wasaenbergh, Bijdr. L 38, en in de Vrije Fries, I. 
172, vermeld voor het mommelende of wauwe- 
lende kaauwen van tandelooze lieden, die, als de 
zuigelingen, niet gemakkeltjk met de lippen iets 
kunnen opnemen. In Hgroningsch beteekent dit 
WW. waowelen of babbelen »op vischwijfs manier," 
zoodat men heesch van stew wordt; zie De Ned. 
Taal, I. 195. In de bieraan verwante bet. vanon- 
verstaanbaar spreken leest men habbelen bij Van 
Halmael, CHspyn, Boek- en Kashouwer, 11 : 
— ib kan jou babble niet vet*8taan. 



187 



HABBELEN. 



188 



In kleine zaken met woorden of daden talmen 
is bij Dahnert hnhcln^ Mv^ehi; voorts wordl on- 
besuisd en overijid handelen, zoodat men niet slaa^. 
bij Von Schmid en Vilmar uitgedrukt door/ta;);)e/w. 

In de spreektaal hoorde ik wel de iiitdr. er be- 
hahheld uitzien^ voor bemokkeld, M welk mij voor- 
komt le spniiten uit het beraokkelen, dat de zui- 
^eling door de boven omschrevene handeling zich 
zelven doet. Er kan toe behooren rfhnpplei^ dat 
Von Schmid van zijn happeln alleidt, en door on- 
besuisd, kinderachlig, verklaarl. Bij Kneppelhout, 
Geschriften. X. 140, lees ik een bijwoord mibehah- 
held : }we onbehabbeld diert zij van dim eenen kant 
van dc slraat nanrden mideren. — De bet. schijnt 
te zijn ongeschikt, ongemanierd. 'k Verklaar, dit 
mij nimmer vooi-gekomen woord niet met het vo- 
rige te knnnen rijmen, hoe wel de bet. overoenkomt 
Ik gis, dat ook in deze volksuitdrukking 6c/i/iA6Wrf 
bedoeld, doch dat zij door verwamng met on- 
hebbelijk ontstaan zal zijn. 

Het Woordenb. der Ned. Taal heefl Kneppel- 
houts uitdrukking onbehabbeld opgenoraen en acht 
haar een' frequent vorm van onbehouwen. Zonder 
nader bewijs is die afleiding niet zeer aannemelijk. 
Over dit onbchovwcn of onbehouden zie men be- 
neden op Havet»en^. 

Hier zij nog opgemerkt, dat Von Schmid tot 
happeln verkeerdelijk brengt het fr. hableur. Het 
WW. hablef% waarvan dit de afl. is, koml van het 
spaansche hablar^ ital favolaire^ faveUare, oudfr. 
fabler^ fabuler, faveler^ tat. fabulari, eig. fabelen 
vertellen, voorts pi-aten, snappen, enz. Zie Diez, 
Etym. Wtb. I. 175. 

Hadelen, zie Haderen. 
HaflEblan, zie Habbelen. 
Hagelen— Hagen. 

De «igenlijke beteekenis van het primit. hagen 
is onzeker. De gissing van Bilderdijk, Geslachtl. 
op Hagel^ dat hagen beteekent trefTen, verwant aan 
hakken^ is ook voofgestaan bij Kaindl, III. 446, en 
wordt er versterkt door de opmerking, dat in de 
taal des landmans de minder schadelijke hagel ge- 
zegd wordt te vh&ckeln.'' In Beijeren zegt men 
voor hagelen ook stcifieln. Maerlant spelt hagelen 
op eene wijze, die het woord niet voor ieder ter- 
stond kenbaar maakt; h^ verlengt den iiitgang, 
neemi de adspiratie weg en verscherpt den wor- 
teimedekhnker, dien tevens verdubbelende en wel 
— thans een gniwel in sommiger bogen! — met 
de if bij de ch; Sp. Hist. I. 399: 

Want hel achgelende so sere 
Ende reinde so utermaten^ enz. 



Hakelen^-Haken- 

Ilakelrn is I'edetwisten, kijven; Boel. a Bolswert. 
Duyfk. en Willeni. Pelgrim. 201: Dhs rerre^ he- 
mindc Suster, hoorde irk dii haeckelen ende kaecke- 
lentusHchen den soldaet ende den boer. — In gelij- 
ken zin komt hakrn voor bij Ogier, De Seven 
Hoofts. 173: 

— ffy *'y^ ^<?» T if ran. een omjenadigh Beul 
Van »wy, en van u selfs: u haeckeii ew m tmreji 
En dieni maet\ om den Segen uyt ons huys te 

keiren. 
Aan dit w. is soorlgelijke beteekenis in het dage- 
lijksch leven eigen. »Die dingen fmken nog'', is 
bij Weil, zij zijn in verwarring. Zie voorts Hakke- 
len^ met liaken en hakelen nauw verwant. Bij 
De Swaen, Leven en Dood van J. C. II. 142, leest 
men doorhakeleji voor met wonden bedekken, en dus 
in den eig. zin van doorhahen^ met hakcn door- 
boren: 
Wanneer ik u aensien. vol scheuren en vol wonden^ 
Van hoofde tot de voet doorhakelt en geschonden. 
Wellicht echter heeft men hier te lezen »doorhak- 
kelt"; zie op HakkelenK 

Hakkelen'— Hakken. 

Hakkelen is aan kleine stakjes hakken, of kleine 
hakken doen. Dus Westerbaen, Ged. II. 751 : 
Om 7 lichaem voor een tijd te vrljen voor het 

stert^en 
Suit ghy u in uw vlegs doen hncke\en en kenyen. 
Ingen, Ged. 32: 

Een Adder, vol fenijn^ die.... 
Al wat op 'f Raadhuys zit 
Raakt met zijn vuyle staart, of hakkelt met 

V gebit. 
Oudaan, Haagsche Broed. 50: 

— znlke (diikatons) toont hy ons^ 
En hakkeltse op dmt kant met krappen, tot een 

tekenj enz. 
Dez. Roomsche Mog. 478: 

Des oorlogs oversclwt^ een kolder of helmet, 
Gehakkelt en gebhitst. 
Den Nederd. Helicon. 184: 

— hy vont het wapetttuygh 
Metalighy ijs'tnch, seherp, ghehackelt — 
Bijns, Ref. U. 24: 

Met afghesneden hosen, ghehackelt op sijn sots. 
Huyg. II. 467 (een paar hosen) : 

Tot op en door de teste draeyefi 

Grehackelt en vergaen. 

Coomhert, Wercken, I. fol. 238 verso: ^oohackelt- 

men, snijdtmen (de half ghesleten kleederen). 

Werken van Rabelais, I. Id: /loare /loec^t gehak- 



180 



HAKKELEN. 



190 



kelt, hoar kleederen geseheurd. Aid. 449 : een mooy 
kleui lumen iiximbisje^ ffatisch ((ehakkelt. De Har- 
duyn, Godd. Wenscben, 258 : hoe ghescheurt^ hoe ghe- 
hackelt, hoe overvloedich van aUe verschrodmenistfe 
ghy te voren ghetoeest zijt! Gheestel. Nachl. II. 150: 

Mel ivat ghewelt^ die {lyxMi) wet*t ghequell, ghe- 

hackelt en gfiesteken., 

Haer lijdUaemhtyt^ is doon' qheen leyt^ oiuter 't 

gewicht l)esiccUen. 
Schtppers, d*Onvergel. Ariane, 29: 

On$ weeren, tot dat wy gejtlagen zijn ter acMen; 

Dan 'taen^icht hakkelen. — 
In de laatsta voorbeeldei) is, gelqk men bemerkt, 
de zin figuurlijk geworden. Nogandei-s toegepaftt, 
t. w. voor regelmatig uiihakken, bij Oudaan, Room- 
sche Mog. IB: Zaagpcnningeft^ welker rand met 
itindekens gehakkelt is. 

Men beeft ook doorfiakkelen en verhtikkelen ; 
I^evens van Pint, fol 446: toonende fioe die rock 
doorhackelt was, Bijns, t. a. p.: 

Sijde Uthen flueel en sotidc niet verdijten^ 

Waer 'I niet detirhouwen^ deurbackelt, </eMr- 

sneden, 
Ogier, De Seven Hoofts. 240: 

'k Ueb nu u Backhuys soo doorhackelt -^ 
Vondel, Po6zy, I. 25: 

— 'taetizicht van de f^ijty doorbackelt met quet" 

auuren. 
Moons, Sedel. Verm. 548; 

Hoewel geen kracht meer i«, noch 7 leven in u^jn 

led&i^ 
Omdat ay sijn door$cheurty doorhackelt en door- 

sneden. 
Poirters, Het Duyfken, 5i : 

Hanght gy hier^ m^jnen Godly doorhackelt en 

doorsnedrn ? 
Van der Veens Zinneb. 253: 

Sich dosaen mee^' als wel^ in 't wolj in 't bottdy 

in 'trouw\ 

Niet op de Fransche wHs met lange sne'en door- 

« 

hackelt. 
Aid. 407: 

ffe&6* ick hem als een fielt geschilderty en met 

hleeren^ 
Verhackelt en gescheurt: — 
Ogier, De Seven Hoofts. ISTh 

— ick gaen cUt^jdt arm, verhackelt en veracheurt. 
Van de Venne, Wijsmal, 22: 

Myti Voogty bekjckt u lUfagewaety 
Hoe dot het nu verhackelt ataet. 
Huygens, Korenbl. IL 4i : (houvoen^ 

Wat wert er Route en Steena verhackelt en vei^ 
Om eene Kerck te bouijoen! 



David, Vad. Hist. VIII. 187: (zy) wet*den eertang 
ingehaeld door de Burgmidiera die.... ze verhak- 
kelden als alagtvee. I). X. J108: de hibliotfteken 
(tvetrleti) vei'hakkeid. 

Gelijk hakken wordt ook hakkelen wel voor twis- 
ten gebrnikt, zie mijne Verscheid. 144. Kil. heeft 
in dien zin »backe1ingbe ende werringhe, difficult 
tateAiy res intricatae" en het ondfransch fioclerj 
hocqiicller voor ofaire des difficult^s, diever des 
disputes." Weiland zegt (Voorb. D. III. hi. XI) 
dat }iakkelen bij Oudaan voor kijven voorkomt; de 
pi. is niet aangehaald; misschien is bedoeld deze, 
die dopr twisten of kijven kan uitgelegd worden; 
Roonische Mog. 351 : deze twee dagetiy waar in 
mepi over de verandering, noopende den atandvati 
den Staaty hitd leggen hakkelen. 

In H groningsch dialect zegt men voor hakkelen: 
Itakaeletiy en bedoelt or nieA bij bet 'fechaatsennj- 
den korte, afgebroken sneden doen, in tegenover* 
stelling van wat anders »een lange sne^ maken" 
beet; zie De Ned. Taal, I. 195. 

Hakkelen*— Hakken. 

Hakkelen beeft ook den zin van stotteren of sta- 
melen, en alsdan houdt men hetw. voor hetzelfde 
met het vooiigaande; »wftnt een hakkelaar schijnt 
mode do woorden aan kleine stukjes te hakken" 
zegt Huydecoper, Proeve, II. 46^. 

Echter dunkt mij. dat bier nog eene andere op- 
vatting kan plaats hebben. De eerste indruk, dien 
een hakkelaar maakt, is niet dat hij de vtroorden 
afbreekt, maar dat hij telkens stoot of blijft steken. 
Dat steken blijven of stooten kan eigenaardig 7iaA- 
ken geheeten worden, en heet, volgens Serrure, in 
de Middelaor, II. 288, te Leuven werkelijk alzoo. 
Wij noemen het ook hikken en hokken^ waarvan 
de uitdrukking den hik liehheny -welk naamw. hik 
ook buiten dien zin voor ifMk gebruikt is; b. v. 
Oudaan, Aand. Treur. 47: 

En zouden onze hikken, 
Ona klageHy onze zee 
Van tranen atUle atctan! — 
Voor hik heeft het fransch hoquet, dat tevens stoot, 
schok, is. Hikken in den eigenlijken zin van fiak- 
ken ieest men btj Van Mander, De Gulden Uarpe, 45: 
Luyde ginghen ay roepen ende tiere*iy 
Mit meaaen ende priemefi haer Ujf 
Tot den hloede bicken end' piokiei^en^ 
Al nae der Heydenen bedrijf. 
Oudaan, Voorschad. 169: 

Dat {beeei) nu het giytf bekrmpL, met hikken en 

met tjonken 
En morgen drabt in bloed . en ktmraselt op de 

schonken. 



iM 



HAKKELEN. 



i02 



Doch voor stooten of snikken, en dos meer figiiur* 
Jijk; Voodel, Viiigilius, 308: dot hy kout wiert^een 
wartne heeek ter bomi uitbraecJUe^ en hickte eti 
anicktey dot de damien fichudden. Van Hoogstni- 
ten, Haegaenveld, 2i2: iiiet dan hikken eneenhe- 
noui gezuchtj niet dan trane^u niet dan jammer, 
Borger, Nag. Ged. (1^8) 83 : {keeL 

'k Heb echler krachU genoeg^ al hiki de heesehe 
Bilderdijk, Treursp. I. 35: 

{Zy) trapt hoar H hikkend ja hoars ondanks uU 

den goryel. 
Wat Cremer, in zi}n Reisgezelschap, L 206, oil- 
dnikt: het hikte hoar in de keelj noemt hij vroe- 
ger, bL 73: de woorden hokten haar in de keel. — 
Dit hakken hoort men in de volkstaal nog wel voor 
stuiten, een* binderpaal ontinoeten; dit of dnihoki^ 
zegt mea. d. i. het stuil, wil niet voort. 

Fraai slelt Dudaan de wwn. hikken en hakkelen 
bijeen^ VoonBchad. ii9: 

Maar God^ am in haar loop den hoogmoed f ach- 

terhalenj 

Stut^ door verwarringy en vertnengeling tun teUen^ 

Het aangevange werk^ daar deze dit^ die dat 

Hikt, hakkelt, talewaaltfUiet kan verstaanj niet vol. 
Het frequent, ontmoet men voort« nog bij Ude- 
mana, De Waekende Oog*, Yoorw. 40: 

In tgene dat ick schrijf van otiMes levena draet, 

lek weel dat ick hier in seer hackel ende stamer, 
De Keijer, De Gramachap, 59: 

Den auden man wordt gram : doch sal dit spd 

haest staken, 

Hy hakkelt en hy beeft^ het woord blyft in de 

kaken. 

J. de Haes, Ged. 396: 

Des schudde hy met een vergratnl geluit 
Al hakkelende zijnen krop dus tut. 
Oodaan, Po&ey, I. ii: 

Hier stamelt myn vemuft^ myn tUtspraak^ en 

myn pen, 
Hier isze stompy en schor en H hakkelt watze ken, 
H. van Halmael, De Panlikker, 13: 
Ik laal my branden^ kan jy sonder hackelen 

leesen! 
Immeneel, Voor Opgeruimden, 94: 

(Ztj) zingen^ kunnen zij niet pr^ken, 
En hakklen, kunnen zij niet spreken. 
Jonctijs, Toon, der Jal. 1. 644, i$chri)ft aan den 
ouderdom toe leen hakkelenden schapenhoest", 
waarmed hij een' boost of kuch zal bedoelen, die 
b«| bet spreken telkena de woorden doet baperen. 
In bedrijvenden zin ieest men bet ww. bij Ver- 
snaeyen, Lange Jan, 33: (Hij) kan dechis eenige 
onverstaanbare woorden bakkelen. 



Het is ook met voorzetsels samangesteki ; De 
Laet, Vlaamscbe Zaak, 45: Bij het regiment leert 
hij niets^ of doet hij er ook al hier of daar tixil 
nagebakkeld fransch op^ enz. Feitb, Poet. Men- 
geiwerk, i92 (van kinderen): 

Al speelend hakklen zij de woordeny Heilge Geestj 

Godj Zaligmaaker uit: — 

Hakaelen, xie Hakkelen. 
Hampelen— Bjunpen 

Bij Van der Schueren is hampelen kijven, kib- 
belen, twisten; hampeler kijver, twister; liampe- 
ling brabbeling, geschil, twist enz. In Von Schmids 
Schwab. Wtb. beet dit ww. hempdn^ himpeln^ 
saks. humpeln; 'tbeteekent daar echter ook: niet 
good gaan, b. v. met de gezondbeid of bet huis- 
bouden. Adelong heeft, in de eerste beteekenis, 
kampeln, waarmed Von Schmid hempeln gelijk stelt. 
Die gelijkheid nu daargelaten, komt het mij voor, 
dat bet primit. hampen^ hempen^ himpen^ humpen^ te 
bouden is voor hompeH^ d. i. stooten, waarvan ook 
hompelen voor gebrekiig gaan. De overgang van 
dexe beteekenis tot de figunrlijke van niet goedof 
niet viot gaan, en voorts tot die van de rust ver- 
storen door het opwerpen van allerlei kibbelarijen, 
is niet moetjelijk. Het subst himp-hamp behoort 
hiertoe, dat in den akenschen tongval geki}f of 
twist beteekent Zie mijne Versch. 145. 

Handelen— Handen. 

Een primitief ww. handen^ buiten samenstelling, 
is mi] in onze taal niet voorgekomen. De Hoogl. 
De Vries meende (Gloss, op Der I^k. Sp.) dat aan 
te treffen in den Walewein, vs. 8547, waar van 
den held, die eene beleediging heefl ondcrgaan, 

gezegd wordt: 

Walewein sweech ende reel vort. 
Hi was so hovesCy so goedertiere^ 
Dat hi ne wilde in ghere maniere 
Dat handen als menich soude doen. 
Ik versta bier echter het bekende ww. anden^ 
wreken, met de adspiratie voorop, zooals dit dik- 
werf plaats vindt; zie Glignett op Maerl. 1. 15 vlgg. 
In het oudfriesch is de bedoelde prim i tie ve vorm 
aangewezen bij Wiarda, 173, en ook bij Schilter; 
zie beneden op Handigen, Onze spreektaal kent 
nog wel een ww. lumdeti^ bij Kil. en roede vermeM 
bij Hoeufft, Bred. Wdb. voor gelegen komen, te pas 
komen ; doch in dien zin bestaat geen freqnentatief. 
W^l een tegenovergesteld mishatuleny bij Kil. male 
convenire, displicere, molestum esse. Men Ieest 
dit Antw. Sp. van Sinne, 674: 

Wy hehbetit (t. w. dat Handtwerck) tot niet brack t^ 

van detichdeti ghescroyt 
Ja otnmersseer deyn doen achten^wiedat misbant. 



im 



H/lNDEI.ENi 



{M 



In Zeeland is die aitdrukking nog gftngbaiir, niiaf 
ik meen; zij wordt daar verbasterd tol mesanje. 

In saamgestelden vorm komi het primitief van 
handelen bij ons voor. Dus muthandeny in den zin 
van mishandelen ; Vlaerd. Redenr. 906: 

Hoe zydy dus beUum..,. 

Wis heeft u dus gewondtf..,, 

Soud men u, ghy die aUeen verciert dees landen^ 

Aldus mishanden, elk mensche soul hetreuren 
Uio ook hehasndsn voor hehandigen ; zie Hatidigen. 
— Voorte omhatiden (met de hand omvatten), 
Hayg. Korenbl. I. 34: 

Laet Dijnen grooten arm hehmtden eti ombanden 

Die op den dorpel'tr^ nan doods^verhuysen staen. 
En aanhanden^ door Nierstrasz gebevigd voor 
(naar ik meen) met de hand aangeven; Franb 
Naerebout, 58: 

(Men) loot de lonten koud, die in de stokhen 

steken, 
. En handt yeen kogels aan voor d' aanval op den 

BHL 

Van het freq. handelen zijn de beteekenifiaen be- 
kend en btj Weil, opgeteekend De allet^eerste aal 
wel die zijn Tan met de handen aanraken, door 
de handen laten gaan, zooals b. v. Dietache Wa- 
i*ande, VL '^hO: De spijse eenen anderen w)or te 
leggen^ die ghy gehandelt heht. 

In de Epis. uit Blaerl. Hist, van Troyen (door 
Dr. Yerdaro) leest men V8. 4702 r 

Ifer Hector keerdeophem (d. i. Achilles) lehofU^ 

Ende heeften ghehandelt met twee sclagen. 
Is dat strafTen, als bij Schmeller; of houwen, anVj- 
den> als bij Stalder? Misschien eenvoiidig: onder 
handen nemen. 

Het ieelw. mishattdeldy voor misgehandeUU be- 
zigde Mamix<». Tgebet Danielis (achter de Psal- 
men) vs. 10: 

Grooielijcx hebben wy mishandelt. 
Want wy hebben noyi gewandelt^ enz. 
Opmerking verdient dit ww. bij Vondel voor ieis 
verkeerd behandeleD; Joannes de Boetg. 09: 

'k Heb als Helios^ voor Godts oogen streng ge^ 

UHmdeU^ 

De Moetschande en gewelt bestraft, en nietn m'M" 

handelt. 
De uitdrukking iets aan iemand afhandeUtn^ hoogd. 
a6/ia#Mi«/n, kwam mij voao* bij Brandt, Leev. v. De 
Ruyter, II. 255: quaamen veele Negers met hun 
katwos aan boord. die den matrooten hunne rok- 
Jens en andere dingen voor goudt afhandelden. . 
D. i. afti'oggelden, afhandig m.'iakten. Zoo heeft 
men i»ok aanhnndeleti^ vom* door haiideling mees- 
ter worden of varki-^gen, in het WoordtjuL. der 



Ned. Taal niet opgettomen; Trip, Tydwinat, Voorr. 
15: Onder aUes„.» heeft de Sdian.... hei gebnUkm.^ 
zich zoo aangehandeld, dai uyy^ voor hem^ en niet 
voor Godt^ leven. Bl. i6: Hy geeft ens de prys 
van waakieuxmheid en gebeden, am denzelven aan 
te handftlea, tof die oogmerken ens. De Vrije Fries, 
IX. 119: het nieuwe huis^ waaruit hij drie jaren 
vroeger de eeuwige rente van 7 geudgiUden bad 
aangehandeld. *— En inhcmdelen^ bij Weil, verklaard 
als 9door ruiling verkrijgen" en te vergeli)k«n met 
inniileB; Verv. op Wagenaar, XIV. 34: dat hy op 
de Goudkust zyne Slaaven aan de HoUandsche 
Kantooren hadi ingehandeld. — DeTeutfaooista htfeft 
verhendelen voor vennompelen, verbergaa. 

Van verhandelem heeft mm, met iagevoegde a, 
verhandselen^ gewooalijk vei^hanselen uitgeaproken 
•B geschreven. 'i fieteekent in de eerste plaata 
handel drijven^ doch in den mia goeden zin van 
veiTuilen of verkwanaelett, op emie alinksche of 
bedekte wijse afhandig maken; dus Quos Ego I 
Uekelrijmen, 45: 

-«- Amerikaanschen kest^ 
.... met sen mamklaarsbluf moor allerpuikst var* 

handsekL 
Bekker en Dekem Cora. Wildachut, I. d: terufUl 
gij de kaarten vervaisehty of de kunstige.,^ doMfel^ 
steenen itf den Aoorn vorhaaselU — En voorta ver- 
vormen veranderen, doch ook in minder edelen 
zin genomen. Zoo zegt Uooft, Ned. Hist, fol 1068: 
Tosfi wet^ het sehi^ft uiot verhanselt, en eemghe 
Rnadduiden m 'tbezonder aangeiocht^ zich dattr 
naar te voegen, D. i. verplooid^ verdraaid. Dez. 
Brieven, III. 25: het verhaassalen oft liever ver^ 
wisselen van 'terbatmelgck Itaiieumsch, H, van 
Halmael, De Panlikker, 13: 

En dan se^je twg uit andere Tcuden^ sindemk over^ 
Dat moet sehoon weesen als men aan *t verhan- 

selen gaat 
Van 'tgeen men selfs niet begrljpt^nog verstaat. 
En Oudaan, Agrippa, 262 : door eene verbantzelde 
jeugdel'jkheid de verloren maagdom te herstellen, 
D. i. hersteld, opgelapt. Zoo zegt Bilderdijk van 
verzen die gelapt worden, Krekeli. I. 178: 
Hier een woord^fen uUgasehroi^t^ 
Daar wot andere bygeflapty 
Hier verhanseld, da^^r verschikty 
En de geest er uitgelikt, 
Dez. Yerscheid. IV. 92: eenen epte$kdtjken ver- 
knoeier^ die 't uterk geiwel door 44n %oierp en ver- 
hanselde naar zijn wit en goeddunken, E. Bekker, 
Adele en Theodoor, lU. ISO: Moeglyk 9oude ik het 
in onze tfuU t^ebben kunnen verbaniialeiv Bekker, 
Belov. Weereld, II. 72; een seer werkelyk volk^ 



195 



HANDELEN. 



196 



door reel aan vaJU U verlianselflii. Bekker 
Defcefi* O/iiL WildschoU T. 8 : /m; zal^ door u icul 
verbaiMeUL — m nog al beat voegtfi. 

Van dit ww. b te ondersclieulefi cwr/i/iiutm, <L L 
in een bjfiMi, Terbond «f ganeeoschap worden op- 
geoomen : zie Kit, en Hjlma. 't Nedersaks. left 
luluoien. bel boogd.iDet fmfoentaUefTorm Mnteht^ 
frniMrb h^xttter, De Antw. Sp. v. Sinoe. 216. heb- 
beo «r vao hehanten^ d. L— goc ieeron ,<aU beiper) 
t4wiro«g«i: 

Soui ifhy my eenen hulyer behaiK^sen 1 
Dai Ofntnen in bet verbond of de gemeenschap 
ftng gepaard met bel ledigeo van een' beken hetu- 
heJuT geuoenid: zie Alkem. en V, d. Scbelling, Ned. 
Dt»pl. IL ^fi!7. Dw leeat men in Van Bleyswijck. 
he^hr, ^an Delft, IL 557: eoor voeUke gutufi ay 
ooek..,, tci ten onaUrffdijcki' erkenUniaae de f/^ 
wounie imderlumden^ van een ygeiijek d'eeratemael 
met ttaer Ur maeUijdi homende te doen verhen- 
%en,., uyt eeft groten gulden Kelck ofte Kop^daer 
toe apecinlijek gemaeekl, — in Van Hoogstratens 
Haegaeriveld. WL wordt aan iemand, die met wa- 
ter ia overstort, ironiKch gevraagd: wie hem had 
aangepart hier aidua ie verbenaen, d. i. zich te 
doen inwijden. H Werkw. achijnt verbonden zijn 
of woneri te beteekenen b'lj Van de^ Veen, Zin- 
neb. 388: 

Hoe na en heeft hy niet in uwe aladt verbenat? 
Docb verhanzen w ook van plaata of stand verwis- 
xelen. (Miftschien voor overhanzen, d. i. van de eene 
verbintenia tot de andere overgaan.) Oudaan, 
Agrippa, 183: (zij) doen de redelijke zielen, tot 
redederv4'nde lichamen^ ja tot de pUmtzoeneti toe, 
voor eenuje keerrn der tijden, of zoo ala U andem 
toekorrd^ verfoanzen: van deze overhuizingen rnfiken 
zij Pytfta/jorOM den ervinder. — Daarme^ komt over- 
eeri Ccmter, Niemant genoemt, niemant ghebla- 
meert, 1t&: 

— Van hier, van hier, ghy moet verhensen. 

Haugelen, zie Hengelen 
Haoielen, xie Handelen 
Haspelen— Haspen 

Beideii bij Kiliaan. Het veiouderde, Hocth nog 
vlaanuicbe /i//«/i^i komt voor bij Kaasler, Denkin. 
IIL 46: 

WitUdu baapen mijn giieapin, 

Het maeh di doen leven. 

En 8. 70: 

Naer daUu keba ter teere beghin 

Onder haapt wel miJn gheefnn^ ^ 

Du vinU andwoerde fiine* 



I 



1 



I 



I 



1 



Van Zevecole, in den eig. zin van *t woord. Gad. 47 : 
Gkg auit tichtetick geraeeketu 
By het ander tickt geayuya. 
Of in 7 tuehthuya oni te raspen^ 
Of in Uspinhuya om te haspeo, 
Of in 7 Bruyaeis dolien-huya, 
Het frequent, ia eigenlijk bij Bilderdtjk, Boitenl. Cm: 
( Het waterrad) haaple iceeke zij^ of klinke "t hard 

fnetaal, 
Figuurlijk genomen bij De Harduyn, Uitgel. 
Dichtat. 14: 
-^ onder */ groen bevangh der loorer-rtjcke linden^ 
Ala haspelt tusachen die de retiaetitufh der tcinden. 
De Hoogl. Schrant vat dit op ats verwarren; ik 
zou liever den ken aan fladderen, spelen, danaen. 
welke beteekenia aan het ww niet vreemd \»; zie 
SchmelJer. Niet minder fig. is het ww. bij Vondel, 
Virg. 163: By wijlen braeckt hy rotsen en inge- 
want van den bergh afg&tcheurt, uit zijne keel^ en 
haspelt krtwk op krack gesmolte aCeenen in de lueht. 

— H Is hier genomen voor H laL gfotneraiy en betee- 
kent derhalve windea, rollen, opeenhoopen. Bij 
denz. Elektra, 29: 

Zoo dot de wage»idrifi de gantsche renhnen mtlt^ 

Gehaspelt atof de luvhi. — 

De afl. afhaapelen is eig. bij Valentijn, Werken 
van Ovid. 1. 10: Laat Brisets u nedrigeslavin alegta 
hoar took afbaspelen. Van Swaanenbniy, AH. Diit- 
tel 388: ik tnoet, of Ui icil of nieU, die began- 
nen web afbaspelen. — Docb fig. aid. 271 : fk wil 
liever^ ala een Poeet.... myn laataie levenageesten 
afbaspelen aan het vertatUen van een Treurspel. 

— En in spreekwoordelijke zegswijs. Van Effen, Hoil. 
Spectator, III. 487, na het vermelden van eenige 
scbikkingen ter plaatsing aan een' disch: in eeti 
offenblik was dat garen, dikwiU zo verward in an- 
dere gevallen^ afgehaspeld. 

Met verdere uitbreiding der bet. gaat het begrip 
van haapelen geheel te loor en gaat de zin over 
tot allerlei verward, on hand ig of wedrstrevig be> 
drijf ; dus b. v. Fokke, Verzam. der Werken, VII. 
48: I kit geringe gedeelte dea volka,... woelde en 
haspelde gedurig tegen het heatuur der voomaam- 
at en. D. IX. 84: daar zij zeer stibtiel^ met alter- 
lei alangetjea^ tuaaciien de menaclien doorhaspelde. 

Het-aamengest. ww. haape-lheetien bezigt Uouwaert, 
Luatbof der Haechden, II. 585 : {attieny 

Ala ay door dronckenschap niet en konnen ghe- 

En ala ty al haspelbeenen achter alraten gaen, 

Heftelen, zie Hevelen. 
Haimelen— Heimen. 

Heimen^ heemen^ hemen^ is bedekken, insluiten^ 



4d7 



HEIMELEN. 



498 



omgeven. Yandaar ons /letm, fieem, woonplaaU, 
huis. HoofI, Tac. 496 : yder regeeri zyn heim, 
zyn huis, Hor. Belg. XI. 15: 

dye dobbelen vml die brenget gelt 
anders tvuich hi tao heyme wel blijven, 
Visscher, Brabb. -105: 

Hew het aoo, hy had wel heym ghMeven, 
Voorts hemetv, wonen; Van Mander, Olijfbergh, 124: 

Dan dat ghebercht had hy wel willen nemen 
■ Hem C een looonplaets, om daer altijU te heraen. 
En hiertoe behoort onthemen^ dat Nolet de Brauwere 
bezigt voor vervreemdeii, van afkomst berooven; 
Ged. III. 66: 

Schoon t broederlijk gastvrije onihaal 
Op Belgies bodm ans niet oniheerode. 
Heimen geeft heiming, omsliiiting, thans heining; 
Marnix, Ps. 80, vs. 13: 

Heer^ waerom hebtttu tiu ontloken 
Sijn heyming? — 
Pr. 89, vs. 41 : 

fhi hebst ... sijnen sclievm geweirt, sijn heyming 

heel ontloken. 
Aid Eerste Lofs Esaie, vs. 5: 

Sijnen tuyn sal ick uytrucken.... 
End^ sijn heyming sUien in stucken. 
Ook af helming; Mourentorf. Twee Boecken van 
Lips. 1Ji5: de tuynen ettde afheimitighen der hoven. — 
\ooris beheimtm^ bij KH. sepire, obvallare, en derh. 
hetz. als omheinen; De Bie, Faems Weergalm, 191: 
die syn vruchten den land Is wil bevn/den voor de 
beeslen^ sal in V begin de sehe vruchten doen behey- 
men, betuynen^ oft met draeyboomen afsluyten. — 
Bij Schmeller is einhaimen^ hnimsseny einhaimasefi 
(de veld vruchten of den oogst) thnis brengen. 
Vandaar ons inheemsch^ inlandsch, wat hier thnis 
hoort of woont. Gamphuysen heeft nangeheimd^ 
Ps. 94, vs. 3: 

Sy moorden (o onwaerdigh ding!) 
Den aen-geheymden vreemdeling. 

Figuurlijk is geheimen bedekken, verbergen, vei bor- 
gen houden; Van der Veens Zinneb. 264! 

Maer TriUni kloeck van Geesty geheymde sijn 

gedaclit^ 

En track bedccktlijck heen in 't midden van de 

tuicht, 
Ontheimen is daarentegen openbaren, ontdekken; 
Gamph. Ps. 145, vs. 2: 

Al wat van des den sinnen en gedachten 

Oyt wierd ont-heyrot, is maer een vonk te achten. 
De frequentt. heimelen en hemelen beteekenen bij 
Kil. insgelijks versteken, verbergen; dns Six van 
Chand. Poesy, 237: 



Daar goat hy nu in 't swart^ 
Meest in het heimlend hart^ 
Met traanen^ op de kcLoken^ enz. 
Met "zinspeiing op den titel van zijn ambt, zingt 
dez. in een vers aan den Secretaris van Amster- 
dani, bl. 462: 

— hun pandy 

Dat langtiy met rechtsgeleerd verstand..., 

De heimelbank, en 'tseegelkruis 

Geheimelt heeft, op hun steehuis, 
De heimelbank is hier de secretaris-bank ; en hei- 
melen als secretaiis of geheimscbrijver dienen, 
dunkt mij. — Gassianas, Der Ouder Vader Gollacie, 
fol. 123: dat in den inaderen ende in den merghe 
overmyts gulsic^ieyt te voren gehemelt was, dat 
moet van node.„» also wtgewrochi werden. Hooft, 
Ned. Hist. fol. 406: T zynent komende, gaf hy 
zyner echtgenoote de zwaarigheit te kennen^ en dat 
men hen uit ileti weeghe moest heemelen. D. i. af- 
handig maken, ruimen. Zie bij Van Hasseit otp 
Kil. de voorbb. van hemeleti voor wegstoppen, 
verbergen, in welken zin dit lexicon ook verheme- 
ten heeft. 

Zoo wel verhemelen als behemelen leest men 
in den gemelden zin in het Lev. van liarc 
Aurel. 159 v"*. : dat ghy doch der werelt niet ghe- 
looven noch betrouwe^i en wilt, die welcke ifoor 
sulcke condicie heeft, dat sy onder weynich gouts, 
yerhemelt veel roests. En bl. 122: dat ghy het 
eo/ferken van u henauthedeti int binnenste mijn- 
der herten do(ih behemelen wilt. 

Behemstig en behetnstelijk is bedekt, verborgen; 
Oudaan, Agrippa, 257: de manier van behemstig 
te schrijven. Bl. 379: het weinige datze weten^ 
houdenze behemstig. En bl. 248: binnen de ver- 
trekken behemstelijk te snoepen. — Heimelijk be- 
teekende oulings ook wat wij nu innig, inwendig 
verteederd, noemen; Vaderboeck, fol. 58: doe die 
heilighe vader apftolonius in sine vueHghe gebeden 
seer heimelicke gheweest luid. Eenige rogels ver- 
der leest men daarvoor: Doe bcult hi God seer 
innichlike. Zoo ook t. a. p. hooger: Want hi uxis 
gode also heimelick ende alsoe lyeftcU enz. 

Hemelen en verliemelen .hebben nog eenen ande- 
ren zin, die van de genoemde kan worden afgeleid. 
Hemd^n is bij Kil ordenen, schikken, opschikken ; 
in De Vrije Fries, 1. 174, opredden, verzorgen, zinde- 
lijk maken ; bij Wassenbergh, Bijdr. I. 41, schoon- 
maken; en hemel is daar een adj. voor schoon, 
friesch himmel, waarvan himmeljefijSchoonmBken. 
In D ran the en Groningen is henunelen in dens, 
zin bekend, zie den Dr. Volksalm. 1847, bl. 182. 

Deze beteekenis laat ztch uit die van verbergen^ 

7* 



100 



REtttELlSN 



200 



bergen, wegmimen, geroedelijk afleiden, zooals prof. 
De Vries uitvoerig aantooni, Warenar, bl. 124. 
Verhemdertj ofachoon bi] Kil. in dien zin niet be- 
kend, ia almede achoon maken, reinigen ; Levens 
Tau Plut fol. 150: op de tijt ola %ijn huytvrou het 
kmtwieach,ende verhemelde. — Zoo ook^alainYan 
Wqna Uukz. Leeven, I. 493, geapruken wurdt van 
jaarlijka nitgegeven gelden voor »'f verhemelen van 
allerhande boeken in 'tCoer, voor het betrekken 
derzelven met leder, en voor raexen. om die boe- 
ken mode te hangen", dan zal men door verheme- 
len scboonmaken te verstaan hebben. Bilderdijk 
zegt virel, dat eenhoek hemelen oodtijds beteekende 
inbinden, d. i. eigenlijk meteen band overdekken; 
Aant. op Anton, in 33; doch het bewiJH voor die 
nitspraak is niet bekend. Het binden der boeken 
wordt ook in de aangeh. pi. betrekken genoemd, 
en van het verhemelen onderscheiden. 

Ophemelen beteekent oproimen, d. i. indeeet^te 
pi. wegniiroen, op zij leggen, afhandig maken, zoo- 
als wij zeggen papieren opruimen ; doch ook voorts 
ordenen, schikken, zooals wij spreken van eene 
kamer op te ruimen; en die overgang staaft de 
gegeven verklaring. Van het eerste vinden we een 
voorb. bij Bredero, Chnane, 41: {weem^lenf 

Wat leoendigh gewoel komt my voor 'therte 

if Infieymsche vreughi moei ick wech ruymefi en 

opheem'len..^ 

Mijn overladen geest souw cUs aehijt-breukigh 

stranden. 
Van het tweede bij Hooft, Ged. fol. '2u3: 

Hemelt de kooken op, en stoft het voorhuUt uit. 
Langendijks Ged IV. 49: 

De kamer, die ik voor u schik, 
Zal ^tvolk in eenen ooqenbiik 

Opheemleti, ^tis er liehi; daar lalikbyu komen. 
Zie vooils De Vries t. a. p. — Eene zaak opheme- 
len kreeg later de beteekenis van opsieren, (ipMchik- 
ken, optooijen; b. v. Delia Gasa, Galateus, Uitl. van 
de Titeipr.: 

Den ftof te zuiveren, de paden te betdeehten^ 
En op te hemelen de bloemen en de hlnan 
Antonides, Ged. 57: 

Zy bren</t onu tappen aen, met gotnmen^ tjntol 

van kraclU,. . 

Gewoom het liehaem op te heemlen, quaet te 

iveeren. 
Du Moulin, De Licfatmis, 20: 

Kom, Bruigonif *k zel me ook voat ophemelen, en 
ik zal jou aehoone Inbben^ en mouwen geven. 
De Wanliebbelt)ke Liefde (van Nil volent. ard) IK): 

Ay/E, hoe ze *er o|fgeheiiield heefil dat's een 

ataaltjei dats een beeld! 



J. de Haes, Ged. 16: {zael,... 

Hier zat dC Aerispriettter in het midden van dr 

En opgehemelt met zijn pleqhtige Sieraden. 
Bilderdijk, Moris, 30: 

Aiom, Woerden^ ttckuif die wotk, die door uw 

oogen wernett^ 

Ter zijdef 7 hart verlieiU! het voorhoofd opge- 

hemeld ! 
bn door misverstand, alsof Hw. van 'tiiw. kernel 
ontleend was, ten hemel heffen. Zoo zong reeds 
Antonides, Ged. 306: 

Gy dichtkunat die van trap tat trap in Nederlanl 

Zijt opgehemelt tot zoo heerelijk een slant. 
En eindelijk geldt de uitdrakking voor verheiTen 
in fig. zin, b. v. Cassianus, a. w. fol. 92 .verso: dal 
wihe (t. w. de deugd der lijdzaitiiiheid) niet aUeen 
metten lippett en beliedetiy mer inder inrester in 
relicheyt onser tfielen ophemeldeii. — Voorts boven- 
mate prijzen, schooner voordoen dan met de wer- 
kelijkheid overeenkomt Zooals zich verhemelen 
reeds in het Lev. v. Marc. Aurel. lOi), gen omen 
werd voor wat op den rand heet »sich a I te ver> 
metel houden'': en wilt u selven oock nivt al seer 
verachten, noch al te veet verhemelen. Dus Verv. 
op Wag. XXXIX. 48: Frteslands ryklyke tryen de 
schaarsche Ofibrenyaten van andere Gewesten op te 
hemelen. Beets. Stichtel. Uren (^2e druk) IV. 1)6: 
een schriftyeleerde.. . die zijne deugden opgehe- 
meld had. 

Bij Coomhert kwam mij het ww. onthemelen 
voor; Wercken, I. fol. 131 verso: da^ (wodea Woordt.,» 
niet.... (41s onthemelt, ontvreemt^ ofte verborqhen 
ia, maar dat ttet nnhy ons ijt. — Dit kaii niet an- 
ders beteekenen dan, zooals het daaropvulgende w. 
het aanduidt, ontvreemden, en de frequent, vorm 
komt dan in bet overeen met het primit. onthemen., 
dat boven werd vermeld. 

Men ziet, de gang der beteekenissen van het woord 
is juist het omgekeerde van hetgeen daa rover ta- 
melijk verward bij Weil, voorkorot, en ook Ten 
Kate, II. 643, oordeelde dat »het schoone, retne 
en heldere vertoog van de Lucht en 'tgesternte*' 
ons WW. ophemelen verklaarde. 

Dat er, intusschen, etymologisch verband bestaat 
tusschen het ww. hemeti en het nw. hemel, is 
meer dan waai^chijnlijk. De fiemel is wat onze 
aarde overdekt, insluit, omspant, zie Gnmm, Gramm. 
II. 55 en D. Mythol. (1835) 398, en Maerlant rede- 
kavelde dus niet onjuist in zijn* Rijmbijbel, I. 10, 
dat het firmament hemel wordt genoemd: 
Omdat hi bedect al te aamen 
Ende verhenielt die warelt al. 
Water, vier, berdt ende dcd. 



201 



HEIMELEN. 



^3 



D. i. zooals Kil. vcrhettielen verklaart, overwelft. 
Van dit kernel is mede eeii ww. hemelen ontstaan, 
dat, a Is eig. geen frequents tief, hier niet ihuis be- 
hoort 

Met ,de uitdrukking: onder de aarde hemelen^ 
d. i. wegsteken of verbergen, bracht de Hoogl. De 
Vries in verba nd te kernel vareu of gevoerd wor- 
den, te lezen in Oudemans' uitg. van der Ystorien 
Bloeme, vs. 1151, en verklaart die door in de aarde 
verbei-gen, ter aarde bestellen, begraven : 

Doen ginghen van effeaien de heren, 

Ende daden slichten met groter eren 

Etie kerke in St. jans name^ 

Doer sint sijn lichanie 

Te hemele ghevoert was 

Als ict in die scrifture Ioh 
en de Uitgever neemt die verklaring over, doch 
merkt aan, dat twee andere pll. waar dezelfde uit- 
drukking voorkonit, t. w. vs. 1263 : 

Doen god onse here dit hadde geseit, 

Voer hi, sonder aerheit^ 

Te hemele, doer hi ute uxu comen. 
En vs. 1411: 

•^ daet* hi totem quam gegaen 
Eer hi te hemele varen soude. 
die opvatting niet toelaten, maar beteekenen moe- 
ten wat wij nog noemen »ten hemel vai*en". Te 
recht, voorzeker; doch ik ga verder en beweer, dat 
men geen vrijheid heeft, om het woord hemel in 
de eerstgemelde pi. anders op te vatten, dan in de 
beide andere. De uitdrukking »ten hemel gevoerd 
worden" aangaande het ligchaam van den heiligen 
bisschop die begraven werd, is het gevolg eener 
grof ziimelijke voorstelliiig, waarbij men meende 
dat het ligchaam met de ziel tevens ten hemel 
ging, zooals in hetz. werk bl. 41 werkelijk verhaald 
wordt, dat de Apostel Johannes, toen hij sterven 
zoude, nghinc ton grave waert, ende ghinker in al 
ghecleedf'; en dat een uur later het volk naar H 
graf ging: 

»Daer si andei's niet en vonden, 

Dan manna ter selver stonden. 

Manna, dats broet van hemeliike. 

Ende oec vonden si sekerlike 

Sine cleedre, dats waer; 

Maer sijn lichame en was niet daer.'' 
Of de uitdrukking is ironisch voor begraven wor- 
den in M algemeen op te vatten; op gelijke wijze 
b. V. als Luther in zijne bijbelvertaling 3 Maccab. 
5, vs. 4.') »ihre letzte Himmelfahrt'^ zegt, voor wat 
de onzen (vs. 32) bee ten »de laetste oogenblick 
hares levens"; of als de groote hoop heel Duitsch- 
land door het sterven himmeln (bij Schambach 



verhimmeln)j hemmelti, henhemmeln noemt, dat 
letterlijk beteekent — niet heengaan, vertrekken, 
maar — ten hemel varen. 

Heiselen— Hoooen. 

In het vlaamsch is heiselen^ ook met den vonn 
heistereriy storten van natte of droge dingen. Ik 
acht deze wn. af te komen van hoozen^ cozen {ik 
hiesy heb gehoozen)^ dat niet alleen scheppen, maar 
ook gieten ofstorten beteekent, sie Ten Kate, I. 298 
en 11. 644^ en Wassenb. Biidr. I. 71. Bij Epkema 
luidt hel WW. e«we, bij Tiling osen, bij Outxen um, 
ijsl. ausa (ok eys). 

Men leest het ww. bij De Groot, Bewijs, 40: 

— 7 Bahuusche water 

7 Welk veelestromenslurpt en nergene weder loMt^ 
Maer word of onder d^ aerd of van de Son g^owt 
Huygens. Korenbl. I. 44: 

Uaer' spieren uytgetangty haer* adren uytgeooet. 
D. i. ttitgeschept, uitgeput. Doch voor gieten, Gijsb. 
Japicx Rijml. I. 58: 

Oaije' in ewevely Unne hrdnj 
East me' ijn»C pleats fen wetter. 
D. i. olie en iwavel giet men in het murinplaats 
van water. 

Het subst. oose is h^ KiL een gieter; elders is 
het een schepper, anders hooewU; Six. van Ghand. 
Podsy, 306: 

Het 9cheen of^tdaagha de heete Son, 
Met oosen Hdiep had opgesoogen. 
Aid. 456: 

— reegenUmnen^ 
Geputj met oosen, uit de zee. 

Meer bekend is het w. in de samenst. ooedrup^ 
hoosdrup^ dakdrup, d. i rand aan een dak, tot af- 
druiping van het water, bij Tiling ose, Outxen oae, 
ooding^ usling; Pers, Bellerophon, 140: 

(Hy komt om goot of oosdrup u aen hoord. 
Bij Van Walr6, Gedachtn. aan Bingley, 92: 
Bedaarde Irouw school weg^ als tusschen oozing- 

droppen. 
Wagenaar, Amsterdam, III. fol. 38: een waterghng 
of oysendrop. Alkemade en V. d. Schelling, Beschr, 
van Brielle, I. fol. 265: tot sinen waterganc, ende 
eosendrop. — Wagenaar, t. a. p. zegt dat hij in de 
oudste Keurboeken ook ijssendrop heeft gevonden 
en dat men daarvan gemaakt heeA huizendropy zoo- 
als Kil. ook de verbastering huiedrup heeft, door 
Wassenbergh t a. p. afgekeurd. De ijslandsche 
vorm eys^ en dit ijssendrop geven eene verklaring 
van de vlaamsche frequentt. heiselenen heieteren. 

Hekelen— Heken. 

Heken is bet transitief van hakeny (Bild. G«^ 



203 



HEKELEN. 



204 



slachtl. op Hekel). Kiliaan zegt te recht, dat he- 
kelen eig. haeckelen is.' Zie ook Graff, IV. 763. 
In Orizandts Deraocritus, Voorr. 4, leest men : Ick 
hekele oock at aen de wereltsche schurftheijdi. 
Hier scbijnt het w. te beteekenen: vast zijn. Het 
middelhoogd. heeft de uitdrukking »einem den 
rucke hecheln."' Een ww. behekelett kwam mij 
voor bij Valentijn, Werken van Ovid. III. 297:rfai 
d* een of (V andet* loet' mijn digt behekelt. Nieuw- 
land, Lett, en Oudh. Verlust. I. 646: Wat 'er op 
deieti of dien te vitteny en dam' laffe praatziekte 
te behekelen valle? — En bij Nomsz de afl. heke- 
lartj^ De Huigchelaar, 5: 

— die daar H tiaar tiooit ontbreekt 
Aan stof tot heeklary, otis saam' ten nadeel spreekt. 
Zeer overdrachtig is hetznw. tiekel gebezigd door 
Kumpel, Vaderl. Gedenkst. 194: 

U wien geen dondertoon in rook en damp verzcuxgt, 
Nog dicfite hekel van gevelde Legerspeeren. 

Hekkelen— Hekken 

Hekkelen is bij Wassenb. I. 44 »alle vuiligheid 
met een werktuig, dat men hekkel noemt, nit grach- 
ten en slooten ophalen/' Hekken is de verscherpte 
uitspraak van hekeny op zijn hoogd., dat hechel, 
he^heln zegt; en hekkelen is eig. zooals Wassenb. 
zegt: met eenen haak uithalen, en etymologisch 
^^n met hekelen, 

Hemelen, zie Heimelen 
Hengelen— Hengen. 

Hengen^ eig. het transitief van fuingeyi^ doet zich 
voor in ons heng en hetigsel^ d. i. iets waarme^ een 
voorwerp hangt. De eerste der genoemde vormen 
is verouderd; dus bij Vondel, Poezy, I. 158: 
— 7 Kompas dat kanze brengen 

Door ongebaenden pUis, en toonen 's werelts 

hengen. 
De andere is thans algemeen bekend en gebrui- 
kelijk, b. v. Van 's Gravenweert, Verspr. Lettervr. 61 • 

De poort wordt^ knarsende in fiaar hengsels, op- 

gestooten, 
Bij Kil. hangsel, anders ook hangel^ a Is in den 
Bijbel, 1477, Amos 8, vs. 3 : die hanghelen (*) des 
iempels sullen kerren in dieti daghe. — Andere vor- 
men van dit woord zijn hangele^t of hengeleSy die 
men heden ten dage nog in de samenleving hoort; 
en gehingCy m de Randteekk des Statenbijbels ; 

(*) De Stateooverzettin;,' heeft: de gesangen des Iempels 
svlUn te dien dage huylen. Tempelgetanaen verschilleo veel 
van tempelhangelen Hoe dll te rUmen is, luoeten deskundi 
gen uitmakeii De eerste opvalting hebbco onzemeesle ver- 
tallDgen. alleen in die bU Vorslerroan van 1528. vind Ik: 
Die harren des tempels-, zoo ook in de Calbol. Uebersetzang 
ait de Biblia Pentapia : die ThUr-^ngel des Ttmpels 



ziemijne Lat. Verscheid. 241. — Wijdei-s in ons f/e- 
hengen en verhengen^ die Weil, onverklaard laat. 
en weike eigenlijk beteekenen laten hangen (den 
teiigel van een paard b. v.), zich vrij la<ten bewe> 
gen, en zoo toelaten, toestaan, gedoogen; oudtijds 
bloot hctigeti; Camphuysen, Stichtel. Rijm. 202: 

Of is 'er yet^ o Godt^ ii bet dan my bekefU, 

Waerom ghy hengen u♦l7^ dat ick in dees ellendt 

Tot aen mijn endt tal zijn : — 
Dez. Ps. 25, vs. 20: 

S7rt op^ mijn Godt, ach ! heng het niet^ enz. 
En Ps. 42, vs. 1: 

Stercke liefd' hengt geen vertoeven. 
Gevolgd door Feith, Verlust. enz. (uitg. 1826), 214: 

—*axin defi txorizont^ zoo ver het oogwil hengen. 

Eindelijk in ons henker^ d. i. iemand, die (mis- 
dadigers) hengt of iienkt. Reeds in Notkers schrif- 
ten, zegt Benecke, werd hencfien (suspendere) van 
hetigen (concedere) gewoonlijk onderscheiden, welke 
onderscheiding dan voorts de voorbb. uit het mid- 
delhd. staven. Mencken komt dan ook bij Kil. 
voor; dus mede Boert. Kl. van de Saus, 3: 

Se souwen op sen Engels speulen, Hachje die 

moet hencken, 

En ick hou doer niet of — 
Bredero, Lucelle, 14: 

Hy werdt schand'lijck ghehenckt tot schande van 

sijn Neven, 
Van Rusting, Ovid. Klaagd. 242: 

— aan u sal ik tot wi de hel^ 

Ja by de dtivels^ eti de spoken^ noch gedenken: 

So niety so moet my dan der geestetiheuker henken. 
Deze henker heet bij M. Stoke, B. VI. vs. 1049: 
hangheman; Gats, II. fol. 86: 

Onthotid te, wreede beul, hier dient geen han- 

geman. 
Anders hangedief. Vondel, Hierus. veiw. 56: 

— nanmels tot gerief 

Te dienen een schavuit een eerloos hangedief? 

Het WW. hengelen, ook we! hangelen^ heeft, be- 
halve de beteekenis van met een hengelroede vis- 
schen, die hier niet in aanmerking komt, als fre- 
quent, den zin van over en wedr hangen, been en 
wefir loopen of vliegen, of zich op andere wijze 
bewegen, met het doel om iets te verkrijgen, in 
de platte volkstaal »loopen draaijen'' geheeten, en 
voorts naar iets streven of trachten. Het mid- 
delhd. hengen is reeds bij Benecke najagen, ijverig 
naar iets trachten, achternaloopen. Wij zeggen 
met gelijke figuur overltangeti tot het eene of 
andere, voor trek of neiging hebben;en het hoogd. 
hang beteekent zelfs trek neiging, in welken zin 
Meerman het oveniam in den Messias, Z. 15, vs. 15: 



205 



HENGELEN. 



206 



* — Z</ waren gekochten 
Van de Aat^e^ bevlekl door geen' laayen hang 

tot het ijdle, 
Onlangs nog door Prof. Pierson gevolgd, De Gids 
van 1872, D. IV. bl. 14: den cUgemeenen hang in 
Nedertand tot het theologische. 

De volgende voorbeelden zullen de genoemde 
verklaring van het ww. achtereenvolgens bevesti- 
gen. Lofdicht v66r Rodenburghs Vr6u Jaboba : 
V hooft krijght kranssen van veel Englen; 
Ick ine die soete ^chelmpjes henglen. 
En blasejx op hoar Loftrompet. 
Ilier valt de bet. van hangen in het cog. Wage- 
naar, Vad. Hist. VI. 340: Willem van BloUf van 
Treslong. UtJit... hebbetide^ om twee schepen in zee 
te brengen, hengelde, met een derzelven.... omtrent 
de gaten der Zuiderzee. Levens van Plut. fol. 75 
verso: mjn vyants ruyterye^ die hy altijt omtrent 
henghelde, suIcjp dat als de vyant op een plaetse 
stil bleef leggen^ hy oock alsoo dede. Hooft, Ramp- 
zaal. fol. 20: de gemelde weduw^ die.... om dewoo- 
ning van haaren vryer Pieter quam hengelen. 
Valentijn, Werken van Ovid. 11. 45: gelljk den ge- 
swinde (fier.... hongerig om sijn prooi hengelt. D. 
III. 37: nu swerven de geesten der begrave ligha- 
men, hengelen om de graven Gonstth. Juw. 202: 

— 't hels verschrick'lijck vier. 
Doer onbarmherticheyt en nydicheyt steeds heng'- 
Starters Lusthof, 457 : (len. 

^y blyven altyd fhuys te heng'len by den haerd^ 
En toeten niet wat nut sich elders openbaerd. 
Bredero, Het daget enz. 28: 
Ick acht nu gheen ghesegh, laet VechtJiart vry 

wat henglen, 
Hy vindt niet wat hy soeckt — 
Vondel, Jos. in Eg. 25: {vast. 

Wie om het lokaes zwiert en hangelt 7*aeckt xvel 
Dez. Samson, 10: 
Be»i ick het waerdigh dat de keurighste om my 

hengel, 
Zoo hmvme in waerde. — 
Huygens, Korenbl. II. 549: 

— mijn Herty dat stadigh leght en sweety 
Om hier te nestelen^ en hengelt om een' beeL 
Westerbaen, Ged. II. 677: 

Gael somtijds haestigh^ gaet somwijlen weer 

wai zacht^ 
Blijft henglen om het huysy doer ghy ziet dat 

sy wacht 
Vondel, Herscheppinge, 194: 
Zy loaent een' (l^dty geen' mens^ f aenschouwen 

met haer oogen^ 
En hangelt om hem heen^ verstomt en opgetogen. 



A. Deken, v66r £. Bekkers Proeve o. d. Opv. 16: 

Yder kind wil by hoar wezen, oUszy't hare hand 

slegts hied. 

Yder hengelt om hoar henen ; yder dribbeld aan 

hoar zy. 

Huis. Bakker, PoSzy, III. 26: 

De moeder is H naer wie zy haken ; 

Zy henglen, juichend^ om haer he&n. 

Schutte, Stichtel. Gez. II. 178: 

Hoe kan ik ooit dat hartenleed verkroppen^ 

Die korts nog hengelde op Uw zij! 

Nieuwland, Lett, en Gudh. Verlust. IV. 630: Zy die 

belang stellen in een wys^ of aanzienlyk Man dik- 

werf te spreeken^ waaketi^ hengelen, en verkeeren 

bestendig rondom^ en aan zyn Huis. Rodenburgh, 

Jal. Stud. 12: 

(Ick) heb gehengelt al dees koude donkre nachte 

Nae u myn eygen hart. 

Aid. 35: (hengel. 

7" schijnt dat ick nu alreed' na u weeromcomst 

Dez. Hoecx en Gab. II. 28 : 

Ick henghel na mijn eynd^ en na mijn graff ick 

streeff. 

Dez. Keyser Otto, III. 29: 

Afoer door de schijn van liefd* zy hangelen en 

dregghen 
Na onze herts gheheym. — 

Dez. Podet. Borstw. 265: 

Ick weet de herten nu ghelijck na vreughde 

hengh'len. 

Dit hengelen naar iets^ d. i. verlangen, streven, 
vindt men ook bij Bilderdijk, Avondschem. 10: 

Wat hengelt men naar Deugd of Wijsheid by 

den last? 
Zoo ook met om; Wit en Rood, H. 206: 

— henglen om een ampt. een eerlijk man onwaard. 
Waarbij 'k nog voeg de samenstelling: tipjenshen" 
gelen^ uit den bekenden wellustigen Bruiloftszang 
(Avondsch. 44). 

Als samenstellingen met voorzetsels heefl men 
omhengelen en nahengelen; De Decker, Rijmoeff. 
II. 439: 

Daer duizend EngUen 
Myn Troon omheng'len. 
Hier valt de klemtoon op het werkw.; doch elders 
valt hij op het voorzetsel; Maria Heyns, Bloemhof, 
i^lB: Ik eisch zulke redenen^ die terstont de iwijffe^ 
ling.... aentasten; maer de zijnett hengelen slechts 
wat om. Bekker en Deken, Will. Leev. IV. 303: 
Jetje^ myn favoritje, hengelt my zo vriendlyk nsi' 
zy lit zo dikwyls op myne school. 

Herkelen— Herken. 

Herken^ thans harken, is met een hark of herk, 



207 



HERKELRN. 



208 



anders viif of klouw geno&md^ den grond oYerstrij- 
ken, en lichtel^ met aarde of zand overdekken. 
Vandaar bij Kil. het fi-equent. herkettn, in de eer- 
&te plaata voor het herken zelf; doch yooris ook 
bewerkeo, behandelen, zacht behandelen, streelen. 
De hark beet in M hoogd. rechen en in Heng. 
rake. Adelung acht deze wn. door lettei-verzetting 
uit elkander ontstaan te zijn. Kaindl, I 22.'), boudt 
ahr voor het wortelwoorfi, d. i. hoog, als zijn'le 
harken ophoopen. .Liefst zou ikBildei*dijk^volgen. 
die (Geslachtl. J. v.) hark uitlegt door harrig^ van 
harren, in d^ zin vao schrappen. 

Er is ngg een y/y/. herken^ en bij Uuyd. Pr. III. 
279 met een paar voorbb. opgehelderd, als betee- 
kenende begeerig, z^n, ns^gen. Ik moet echter 
opmerken, dat het meest voorkomt voor luisteren; 
b. V. Antw. 8p. v Sinne, 36; 

Ick mocht wel hercken, om tvonhis te hoot^en. 
Gonstth. Juw 303: 

Willen€le 'niet ophouderiy naer Godts \iefde te 

hercken. 
Van Ghistele, Heroid. Ep. 28 verso: 

Zal ic daerom na u liefde hercken ? 
Houwaert^De vier Wtersie, 130: 
Propheet Damd^ die naer u goetheyt pUich te 

hercken. 
Wtenhove, Hond. Ps. Dav 78 : 

Heer end God der heyrsct^aren verhoor 
Myn hidden, heixk (red Jacobs ongheatoort, 
A. Bijns, Refer^ III. 133 : 
Al hoor ic Godff woort^ ic en atalta niet te wercke^ 
Maer lacen ick hercke meer y\ae 9otte cluyten, 
Ick hoorde veel liever herpen en luyten^ enz. 
Anders hurken; Antw. Sp. van Sinne, 264: 
Mont toe^ laet ons hier ligghen op hoede 
Ende neeratich tiaer Jtijn relaes hurcken. 
Aid. 269: 
Wat Hoeter gheluyt clinct doer ontrent mijn ooren f 
Rasch^ mijn sinneken^ hurckt achter en vooren 
Of ook horken; Van Velthem, fol. 92: 

Scat en^ Pemninge die hem boet 
Al hemelike^ dit horken doet 
Menige die Honime niet dade. 
Steeds zal men dez§ werJ^wn. moet en of kunnen 
verklaren door luistereii, overeenl^omstig met het 
friesche harkjen^ bet eng. to hark en to hearken; 
en ook met het gebruik dat^ MaerL van 't w. maakt 
den enkelen keer dat hij Hgebruikt, VVap. Martijn 
(door Ik. Verwijs), 66: 

Noch es hi huten al, nu herkel 
Of naar een ander Hs.: 

Hi is htUen, wUt hier na hercken. 
7«e1f6 eene der drie door Huydec. aangevoerde pll. 






— vnaer wat nieus te hercken" — taat de opvatting 
van luisteren even goed toe als die van verlangen, 
najagen, van ivelke de gen. taalkenner zoowel als 
Plantijo uitsluitend gewaagt. De laaLste beteeke^- 
nis, intusschen, past het best in de uitdrukkhigen: 
»na vryheyt hercken"^ en ]^nae tydelijcke goederen 
het*ck&C\ door Huydec. aangehaald. Ook nog elders; 
Schadtkiste der Philos. fol. 228: 

Maer een die neemtioh u, die ml in deucht ver^ 

»tercken. 
Want ledicJieyt die i§ de wortei van alle quaet, 
Soo Seneca dit leert^ naer neersticheyt u*ilt her- 
cken, 
Want sy brenght nulheyt w, en brenght den 

mensch tot staet. 
Houwaert» Lusthof der Maechden, II. 110: 

My veruxmdert hoe u hert ncLcr my kan ghe- 

hercken, 
Daermen zoo vcle rijcke dochters vint. 
Het verband pleit hier voor haken, streven. Niet 
geheei duideliik is eene andera pi. Antv^. Sp. v. 
Sinne, 3^: 

VoorwaeVy hy is geheei van verstande bloot. 
Die alleenlijck wUt nemen sijnen raet 
\yt het ghene dat voor de handen sta^t, 
Efi het toecomencle niet en wilt bemercken; 
Het is wel watr^ dat dbeghinsel en deerste dnet 
By my seet^ herdt sipi^ maer int aenherkeii 
Ben ick ghewoone, en sal mijn volghers sterckcfi. 
Zoo spreekt een goede geest »dan Mensch"' toe, om 
hem van den kwaden weg af, en op den goeden 
te brengon. De zin is, naar 't mij voorkomt: Hbe^ 
gin, de eerste stap op den goeden weg, is zeer 
moeijelijk, maar het aanhooren van — luiateren naar 
— degenen die niij volgen wiUen, ben ik ge>%oon; 
ik zal bun kracht geven. Hoe dit zi^, doorga^ns 
vva& de beteekenis van lierken luisteran naar iets ; 
soms ook verlangen, haken, weike laatste uit de 
eepste voortvloeit: die nsjar iets luistert, toontwer- 
keliik eene begeerte, hi] verlangt, hij haakt. 

Is dit herketi nu hetzelfde woord raet herken, 
opklouiven ? Bij Epkema zie ik, dat men dit wer- 
kelijk beefl gemeend, en 'tw. vei'staan als eig. 
verzamelen, corradere^ bijeenzwejen. Die aflei- 
ding is gezocht eii oniioodig. Herken, Imrken 
horken, voor luisteren, is van het andere in oor- 
sprong onderscheiden ; het is ^^n met het hoogd. 
horchen, oudd. /wrechen^ een versterkte vormvan 
hooyen; zie Adelung i. v., Kaindl, IV. 2% en Graff, 
IV. 1008. 

Heukelen— Heuken 

Heukelen is hinken, gebrekkig gaan, in Drenthe; 



209 



HEUKEI.PN 



'2\0 



zie dan Dr. Volkulm. 1846, bl. 258; en Iwkkelig, 
gebi-ek^ig in 't gaan, loopen en^. Met het ffequent. 
komt ovei*een hickeln, in Schmidts Westei-wald. Id. 
op e^uen voet hinken. Het priinitief breng ik tot 
hikken^ hokken^ dat haperen, stooten, beteekent, 
waanran zie op Hakkeleti. 

Hieutepeutelen— Heutepeuten 

Beide wivn. heeft De Bo voor »zich met klei- 
nighedeti en benzelingen bezig houden." De Schr. 
denkt aan verwantschap van deze wn. met hoete- 
len en peuteren. Men zou in plaats van het laatste 
ook aan fxyetelen kunnen denken, waarvan zie op 
Pootelen. 

Heuvelen, zie Hovelen 
fievelen— He veo . 

Heven '\% he/ferf. gel^jk evett z=z e/feti^ ?teven« = 
nc/fenSy tevens -• leffen^ enz. Du.s Vlaerd. Re* 
denr. 480: 
Zgt nirnmet^ afgewent i)an waerheyt^ mat noch 

schuy 
IHe u in vryevreed' tot grootmaeck soecki te heven. 
Rodenbui'gh, Jac. 16: 

Om van de duyatre aerd^ mijn ziel hoogh op te 

heven. 
Dez. Geb. Christi, 20: 
.Si/ die haer zieletus oog aileen pleeg op te heven 
Om aen haer hoogen Godt herkentenis te gevett, 
Ook in proza en buiten het rijm; Goornhert, Wer- 
cken 1. fol. 20G vei'so: Die eerste wijue van hidden 
.... van roepen^ van handt op-he ven, knien buygfien, 
HooCts Ged. (uitg. van Bild.) II. 350: 
By (rodt i^st geen manier, 
Staach hooger te verheven, 
De ghene die alhier 
In fftaghen voorspoedt leven. 
Visscher, Brabb. 4i : 

Die Sander hop zijn bier ken b^rout^ 
Broot baekt tiander te heven of seuren, enz% 
Ter laatKte pK is 't ww. voor gisten of rijzen : het 
naamw.Aeve is gist,* Van Mandcr, Gulden Har|ie,479: 
Ken wcynigk beve swaer.,,. 
Versueri dat deegh aCyaer, 
De Groot, Bewijs, 49: 
— alu een weynigh heefb des werelts deegh doen 

auet^en. 
In lig. zin; Orizandt, Democi*. 10: Watt Jacob met 
in Labans huys als een heve die aijne middeleti 
dede rijsenf De Brune, Bancketiv. II. :i89: hel- 
8che warrekoppen.,., verzuyrendCy door de heve van 
hare twistzucfut^ de lielfelicke masaa van vrede. 

Anders hef^ fi^ff^ o^ droesem beteekenende, 
b. V. Bijb. 1477, £zech. 23, vs. 34: du Hidtnie di&% 



(mip) drincken ende supen totten heffen. Lev. van 
Marc. Anrel. 20 verso: gheUjck de heffe {aUt Itier 
ivt is) den dronckaerts wlen herbergiwn verdrijft. 
Statenb. Jerem. 48, vs. 11: Monb .... heeft op sijn 
heffe stille gelegen^ ende en is van vat in vat niei 
geledigi. Aid. Randteek. op Jep. 25. vs. 21 : ge^futf- 
verdefi wijn, daer geen heffe in en is: of^ die van 
de heffe gesuyvert in. J. de Haes, Ged. 43: 

Zoo zetC hy onbeschroomt dien beker aen den 

mofU^ 

En drink' hem nit met hel, met droessem tot 

^ den grotit. 

Du8 nog Vander#alm, Verhandd. III. 210: lletis 
een hef, die het edeUite vocht doet opbruisen en 
verzuren. — Fig. wederom bij Daniel Montail, Ma- 
riamne, 33: deze Hef van twist en muytet*y. — Van- 
daar ook sde heffe des volki;" voor het gepeupel, 
d. i. niet zooals Weil. zegU »geringheid, slecht- 
heid;" maar de droesem, het bezinksel des volks; 
la lie du peuplc, als 't fransch zegt. Het geslacht 
van ons naamw is van ouds vrou^elijk, zie Hoogsti ., 
en niet mannelijk, als Halma wil. Dat Vondol 
eenmaal op het hef schi-eef, en somraigen hem na- 
volgden, b. v. Feitama, Henrik, 78 : by 't hef des 
volks geboren. Berkhey, Zeetr. I. 9: het heff* des 
volks, is verkeerd. Bild. keurt dit goed. als zijnde 
H woord daar voor de stof gebruikt; doch /le/" voor 
droesem zal wel doorgaans de stof beteekeneii. 
en wordt toch andei's, ook door Vondel zelven, 
vrouwelijk gebruikt. terw'il de uangeb. twee on- 
zijdige voorheelden jui.^t niet <>)> de stof /ien. 

Een znw Ati/erkwam m'j voor bij Van Ouden- 
hoven, Oudt ende Nieuw Dordr. 391 : allefi Koiigen. 
Hevers, llulcketiy ende anders alle Schepen die met 
Koopmans qoederen geltuien zljn, — De hier be- 
doelde vaartuigen zullen zijn wat wij no lichlers 
noemen. als waardoor de goedei'en uit grootere 
schepeii gelicht worden. — Een ander bij Fokke. 
Vei'zam. der Werken, II. 121 : voorzigtige en :«*- 
nige turfdragers en turfhever^. Wat dit zijn. leert 
ons WHgeniiar, Amsterdam. II. fol. 4."»2; t. w. maii- 
nen, door wic de manden. door de Vulstei*s ge- 
schud en gevuld, i>(tetild worden o]) de schondei>> 
der Turfdraageren". 

Het subst. hevel is bekend voor werktiiig om 
iets op te trekken ofte heffen, zie Weil., en zoo, 
maar dan fig., neemt Van Loghem het w. N Ged. 26: 

Ztj treedt de werkplaats in : hangt daar nog dikke 

nevel, 

Zij roept de morgenzon^ zij wenkt,,.. en schept 

den hevel. 
Aid. 5^: (nevel: 

Hnwgt vo0r het w^ der ziel ook som» <^*» dikke 



211 



HEVELEN 



212 



De liefderijke zovq xoordt inwr dm rfeeat een hevel. 
Docb het heefl ook andere beteekeiiissen ; Ampzing, 
Tresoor. 30: 

Doch hevel ingemengd en honing wil hy met, 
D. i. edikdroesem; later voor mist en nevel; Vr. 
Van Ackere, geb. Doolaeghe^ Madel. 44: 

Licht ryst de dag niet meer die tVi den hevel zonk. 
Van heven^ gisten, rijzen, is bij Kil. in denzelfden 
zin hevelen^ waarvan bekend is de uitdrukking 
"^ongehevelde brooden", in de Statenvert. des Rijb. 
b. V. Matth. 26, vs. 17, en eldei-s in het N. Testa- 
ment; het 0. Test, heeft bestendig ^imgesuerde 
brooden'*, b. v. Exod. 29, vs. 2.^Thans is ditfreq. 
veirijzen (als uit mist of'nevelen); H. H. Klijn, 
Nag. Ged 76: 

('^ Zie) uit het golven van zijne ondoordnnghre 

nevleti 
Het eeuwig wlsslend beeld van 't vlugtig nanzljn 

hevlen. 
Bilderd'tjk, Mengelp. I. 125: 
— eeti znehte damp die, uit het meir geheveld, 
Uet zwijgend veld bedaauwt, het bloeiend dalbe- 

nevelt. 
Tollens, N. Ged. I. 129: 

iJaar hevelt Kafwijks duin, ginds glinstet't Sche- 

veningeti. 
Van den Bergh, Heden en Verleden, 16: 
(rij ziet.... uit saamgeschoolde neevlen^ 
Op eentt den schoonste' en rijksten morgen heevlen. 
Met overdracht, Klijn, Montigni, 40: 

Wat zorg^ xvat diepgaande angst, uit de enge 

borst geheveld. 
Met het voorz. op heefl men denz. zin; Tollens, 
Ged. III. 151 : 

Maar hoe! of is H een droom, o/* hevelt tangs de 

kimmen 
Eeti drom van spooksels op, die weemlenover 

*t meir? 
Pnidens van Duyse, Vad. Pofizy. II. 21 (van den 
tabaksrook) : 

Uit zijn geliefde pijp volgeurig opgeheveld. 
En dan ook bedrijvend ; Van Someren, De St. Eliz. 
Nacht, 6: 

Straks als de gloed der ztm de misten op goat 

heevlen. 
D. i. optrekt, waarvoor Hilderdijk verhevelefi bezigt, 
Buitenl. 67 : 
/a, Ceres-zelve kwijnt^ waar Hgloeiend Hemel- 

teeken 

Het luchtverkoelend nat verhevelt uit de beken. 

Van dit optrekken der dampen krijgt hetzelfde ww. 

dat ontstaan, verrijzen, beteekent, den zin van het 

tegengestelde opgeheven worden en dus verdwij- 



nen; zoo hevelen bij Van Someren, Ged. II. 50: 

Zij breekt gelijk een zon den diksteft mist te boven: 

Zij hevelt walm en wolk enz. 
En verhevelen bij Bilderdijk, De Voet in H Graf, 111: 
Waar Zijn Heilwoord daalt in 't hart, 

Dotar verhevelen Alle nevelen^ Hoe verward. 
Prof. David gebruikt uithevelen voor »van water 
berooven, droog maken"; Vad. Hist. V. 178: te 
midden eener langdurige droogte die al tie grach- 
ten had uitgeheveld. 

Voor zuurdeeg of gist zeide men oul. ook hef- 
set; Bijb. 1477, Deuteron. 16, vs. 3: Seven daghen 
sultstu eten broot van quellinghe sonder hefbel. 
— Hiervan bij Kil. hefselen, gen. Bijb. t. a. pi. : Du en 
stdtste daer in geen gehefselt broot etefi. — En 
hiervan wederom gehefsel, het gezuurde, mede 
aid. vs. 4 : Binnen seven daghen en aalmen niet ghe- 
hefsels vinden in dijnen terminen. 

Higchelen— Hikken. 

In het limburgsch dialect is, zooals Pi*of. Bor- 
mans mij mededeelde, higchelen gebruikelijk voor 
»lagchen met ingehouden, doch hoorbaar gescha- 
ter." Men kan dit w. voor ^^n houden met gig- 
chelen (zie dit); of 6b\ voor het westerwaldsche 
en nassausche hicheln, dat het hinneken der paar- 
den aanduidt, doch ook een daaraan geli^kend 
schel gelach, vooral van vrouwen, in Hneders. 
hucheln. Het prim, is dan, vanwege het inhou- 
den en daardoor stokken des adems, hikken, ver- 
want aan hijgen, bij Stalder higgen. hikken, snik- 
ken, bij Schambach hichen, hijgen, bij Fulda 226 
hichsen, singultire, bij Schmeller/)tc/i«zeM, kugchen, 
en ook hinneken (van paarden). Zie Schmidt, 
Anton en Schdpf. 

Hijoheleu— Hiigen. 

Het frequent, heeft De Bo voor vhoorbaar en las- 
tig ademhalen" en dus een sterk hijgen. Een 
ander frequent, is hichten; zie dit w. alsmede 
Heigeren. 

Hjjaelen, zie Uaelen. 
mkkelen-Hikkeii 

In sommige streken van ons vaderland, met name 
op het eiland Goedereede en Overflakkee, is hik- 
kelen in gebruik voor hinken; zie Boers* Beschr. 
van dat Eil. bl. 51. Ook in Noordholland schijnt 
het w. bekend, want Bekker en Dekker zingen in 
hare Econom. Liedjes, bl. G\ : 

(^oos kan aartig^ aartig zingen ; 

Jan houdt veel van hiklen, springen, 
Ja, ook buiten onze grenzen; Schmidts Wester- 
waldisches Idiotikon heeft ithickeln, auf einem 
Fusse herum hQpfen " Het primit. hikken is be» 



'243 



HIKKELEN. 



2U 



^ 

^ 



kend in den zin van schokken, stooten; zie op 
Hakkelen; hinketi is Mnderdaad een schokkend, 
stootend gaan. De opmerking dat hinken in een 
hoogd. dialect hichsen luidt (zie Kaindl, III. 439), 
zou aan eene nauwe vei*wanUchap van hinketi en 
hikken kunnen doen denken. 

Hiertoe zai ook behooren hikkelen^ in het Alg. 
VI. Idiot, verklaard door »de harde korst des 
gronds, met een kroni getand werktuig, breken," 
elders hakken geheeten. 

Hindaelen— Hindaen. 

De Bo heeft hindseUn voor saarzelen, achteruit- 
gaan, fr. reculer^" en leidt bet af van H oude bijw. 
hindy acbter, waarvan bet eng. behind enz. Re- 
gelmatiger nog kan bet w. afkomen van hetzwa- 
biscbe hinZy bij Von Scbmid hetzelfde als hintery 
achter. In oorsprong komt alzoo hindselen over- 
een met ons ww. hinderen; docb overigens ver- 
scbilt het hiervan in twee opzichten. Het laatste 
is bedrijvend, het eentte onzijdig. Het eerste komt 
van een bijw. hinds en heeft een' frequent, u it- 
gang aangenomen, terwijl bet laatste van een bijw. 
hinder afkomt, en dus niet als frequent, is aan te 
merken. 

Hinkelen— Hinken . 

Het frequent., thans eenigszins verouderd, zie 
men bij Kil. en Ten Rate, II. 644. Men leest het 
bij Oudaan, Agrippa, 36 : de rondvoeten die cU bin* 
kelende voortgaan. Dietsche Warande, VI. 359: 
met heyde de voeten tsamen, oft op eenen voet 
hinckelen. Noozemans Lichte Klaartje, 4: 
— doer tijdt de droea met belle weer aen 't 

hinckelen. 
E. Bekker, De Nat. is mijn Zanggodjn, 68: 
Dan springen ze in het touwlje. 
Of hinkelen, of schoppen^ 
Fokke, Verz. der Werken, IV. 234: niets ispijulij- 
ker dan,... met knellende schoenen te moeten voort- 
hinkelen. Rinker, Brieven van Sophie, 3: 

Kant wandelty Fichte vliegty en gijf — gij hin- 

kelt been. 
Bilderdijk, Perzius, 42: 

— Een plampe en scheeve kinkel 
Maakt nooit een goeden yas in 7 Aarleveensch 

gehinkel. 
Volgens Taal-en Letterbode, II. 23, is hinkelen in 
Zeeuwsch-Vlaanderen voor hinken nog bekend. 

Volgens Hoeufft is hinkelen in het bredaasch 
dialect mode nog in zwang, en wel bepaaldelijk voor 
»op ^^nen voet spnngen." Deze geleerde wil dit 
freq. dan ook in beteekenis onderscheiden heb- 
ben van hinken^ kreupel of gebrekkig loopen. Ki- 



liaans vertaling van het eerste door unico pcde sal- 
lave., en het andere door claudicare^ schijnt daar- 
voor wel te pleiten. Voldoende taalkundige grond 
is er anders niet voor. Het bekende spel moge 
hier of daar hinkelen bee ten. elders beet dat hin- 
ken, waarvan ook hinkperk; en hinkelen daaren- 
tegen wordt, blijkens de aangeh. plL, ook voor ge- 
brekkig loopen genomen. 

De hinkende bode of het hinkende paxird komt 
achteraan, zegt men; doch waarom? De ongelnks- 
bode komt altijd traag »omdat niemand gaamehet 
ongeluk aankondigt," zegt Bilderdijk op Huyg. VI. 
175. Zie ook Tidemans aant. op Van Beaumont, 155. 

Als hoogd. staat hinkeln bij Schottel, Ausf. Arb. 
V. d. Teuts. Haubtsprache, S. 1337, vermeld. De 
spreekw. aan beide zijden te hinketiy bij Weil, op- 
genomen en verklaard door Donzeker te zijn wat 
men kiezen zaF', komt voor in de Randteek. op 
den Statenbijbel, Gen. 31, vs. 82: Hy ve^^menyt 
den Godt Abrahams... met de Afgoden.... niet at- 
leen om hem wat nae J<xcob te voegen, maei* oock 
als een Afgodisch huychelaer aen beyde zijden te 
hincken. De zin echter is hier anders, en zal zijn : 
zich onzijdig houden, met beide partijen heulen 
of meddoen. Dat hinken over twee kanten heet in 
het Brem. Nieders. Wtb. hinkhanken ; wij noemen 
dat, doch in letterlijken zin opgevat, hinkepinken ; 
De Harduyn. Oodd. Wenschen, 207: 

Jck suckel hier., ick duysel doer 
Als off ick «o/ gedroncken waer. 
Ick hinrke-pinck, ick valV om ven*'. 
Van de Venne, Bel. Werelt, 175: 

Nochtans gaatje hincke-pincken, 
Lijck een die u>at letsel heydt. 
Valentijn, Werken van Ovid. III. 138: *t geselsc/utp..,. 
hinke-pinkte als klonterpootigc hanen. Bl. 178: 
Daf de versen hinke-pinken, komt^ of bij gebrek 
van een beeti toe^ of door 't lang reisen. — Van 
dit hinken der verzen leest men bl. 179: mijn 
papier besterft^ en hinkel- versen beef den. — Voorts 
heeft men nog als znw. De Brune, Bancketw. II. 
169 : een hinckepinck werden wiecken aen de hie- 
len gheschoeyt. Van der Veen. Zinneb. 112: 

Hoe gaet hy nti ten datis ghelijck een hincke-pinck. 

Hippelen- -Hippen. 

Bloot in klank verschillend van huppelen^ hufj^ 
pen., zie Kil. en Weil. Hippelen komt roeermalen 
bij Hoof! voor; Ged. fol 13: 

Dat vogeltjett — 

— hippelt queelende zoo l{cht.,zoowildt^zooumfU 

Waar van 7 natuur begaaft met menschelijk 

vernuft. 



215 



HIPPELEN. 



216 



FiHsmiis, CoIUm|. Famil. 'MO: Ivk void <^nt nuj H 
fieri itt V ijf hippeil. ^praiikliiiUeii. Vande 
S(!hep|>iri}(, 12: IV'i/ Men»chen den duvii vuelen- 
de hippelen txin ouze Bedden, Vondel, Adam in 
Ball. AO : 

Gunt nw gasten^ daize om sfrljl^ 
Gixle eti u ter cere^ trippeicHy 
Eh random u heene hippelen. 
Dez. Potizy, II. 4r>7: 

De bo.rvoet vohI hippell 
Langs d^oevers van V ivafrr. 
Dullaert, Ged. 172: 

Laat^ HeemleUy uwe rrien hovrcn ; 
Danttl^ Aardryk^ liippelt, inaaki geachiL 
Krul, Pamp. Wereld, III. 287- 

zoete Zuytr-zee! hoe hippeieij ?/K' hixren 
Van blijdschap enz. 
Nieiiwe Honigbije, IV. 88: 

Al ons hipplen, al otitt tripplen^ oriendlijke (htdent^ 

iit voor U. 
Feitania, Nagel. Dichtw. 357: 

Dt' eedle Vrindschap, die. hnnn liin 
Dus Hw Vlielhofs gloHfrappcn 
Hipplend, fripfdend^ op leer^ stappen. 
J. C. van de Kasteele, Nag. Ged. 257 : 
Ziet gt'i die torteldvtf.... 
{Zij) hippelt om haar tvrfel. 
En nog bij Bi'derdijk, Nnvonkel. II. \M\ vau hei 
slaan der pols: 

Gi'l'jk of Inpplend, glad of hortemi^ kwjnend. 
wal overeenkomst heett met hippen^ in 't Brem. 
Nieders. Wth. het Hteken eener zweer of wond, birj 
(»ns gewnoiilijk kloppcn genoenid. 

Den gewonen zin van huppelen heeft hi^ipen bij 
Molenhof, -langeh. door Ondenians in de Taalg II. .'>5- 

Jet meugl hippen 
En springen zoje wilt. 
Sckvtap, Bloetntuyntje, 73 (van spreeuwen): 

Dien hipten sg vast heen en weer. 
En lager: 

Doen hipl hy vnerdig nn hvt gat, 
en het eng. zegt to hip bij HaMiwell. Een licht 
of lichtzinnig meii^je heet hippel-klink of hippe- 
klink; Westerb Ged. II. T^r^i 

Segt in u hert: waerom heti ick met min ont- 

ftteeken.... 
Op zoo ecn hippel-klinck. al lovnt zy ah een pauw? 
Bruno's Mengelmoes, 12: 

Gy hippe-klinckje, die mfftsnapper-heckjeHtoot 
Soo veel onnutte praet — 
Van der Veen, Zinneb. 15*^: 

Ey licve siet dees' hippeklinken ... 
Al gaen zy ruygh^ 7 zijn kale vinken. 



Don Quichot, II. II: lA*tfp mt't joii eylanden.... 
itv«/ valt hier te eylnnden nu't dit hippeklinckje? 
— Ook nog met anderen vonu, Krul, Minnel. Sangh- 
rijnipjes, 43: 

Een huppel-klinck^ een lichte uinck^ 
Daar niet en is tvn ttesten. 
In Drenthe is hup}H.*iklinke de benaming v«n den 
sprinkhaan; zie den Dr. VoIk.«<alm. 183^), bi. 102; 
bij Kil. huppelkoren ; ook hippeikoren^ bij Maria 
lieynsii, Bloemhof, 80: hippelkorenH, die den dauw 
znygen, en met zingefi zidi verheugen. Fokke, 
Boert. Reis, I 84, met eenige verbastering: foen 
ze n» alle wel degelijk op diett mooijen t/Her^ die 
wel een douzein zulke hippeklikjes dragen kopi, 
gezeten waren^ enz. 

In eene niet gewone beteekenis vindt men t wmt. 
hippen-. Valentijn, Werken van Ovid. III. lOo : Ihrie 
icerf stand ik op 't hippen am haar 't baarmiddel 
te helooven^ drie werf had ik de klem inde mond. 
Paffenrode, Ged. 38: 

— schoon Heer Rednout haar vermaand tot te.'- 

genstand^ 

Zij deisen echtet^ staag, en wijken hand voor iiand: 

O ja de neerUmg scheen voor ons geheel op U 

hippen 

E!n 'svyands yver wies, — 
D. i. op het punt zijn van te veranderen, watmen 
aiiders heet oop den sprang zijn." Bij Epkema 
U> dat in 't friesch uitgedrukt : it is op 't hipke dal 
h'j komty d. i. bij staat op sprang, op het punt, 
van te komen. 

llet fi*equent. hippelen heeft Iluygens met voor- 
zetiNels; Korenbl. II. 167: 

— i:>oo langh sy H Hoamsche Kalf 

Behippelt of bestuypt^ en eert het heel of half. 
D. I. 4i9 (een stippel): 

Die niet te noemen is voor dat hy ons onXhipyieV . 

Onze vroegere taal kende de uitdrukking behipV 
zijn in of met iets. Bilderdijk legt die nit door 
besprongen z'rjn, en denkt dus aan M werkw. /u/>- 
pen., huppelen; Aanteek. op Anton. III. 46. Niet 
onaardig gevonden, maar bezijden de waarheid; 
beJtipt heeft met hipjnsn niets gemeen. Daar dit 
w. nergenb naar eisch is toegelicht, moet ik zijn 
geschiedenis wat dieper ophalen. 

Het oudduitsch had het ww. bifuifljan, d. i. be- 
hechten (pait. beheftet) voor binden, vangen, ver- 
strikken, inwikkelen, van hiftjajny tieftjan^ d. i. 
hechten of hcften; zie Schilters Thes. III. 415: 
Junius in Wilier. 115, en Graff, Sprachsch. IV. 749. 
Vandaar in het middeJhd. de uitdrukking be/ia/'^ of 
beheftet sin voor verbonden, gevangen, verstrikt, 
ingewikkeld zijn;' zie Zieiuann en Benecke. Uit 






M7 



HIPPfeLEN. 



218 



een paar schrijvers zijii enkele voorbeeldeii voor 
mtjn doel voldoende. Bai'la»ra und Josaphat (her- 
auFgeg. von Pfeiffer), VI: 

den uxxs dm as mil swcteher km ft 
An daz gebeine behaft 
D. i. dien was bet vieesch mut zwakke kracbtaan 
bet gebeente geheeiity verbonden. S. 22i): 
der stric^ der do von im geleit 
was und imn der heidetischaft^ 
da was er inne bebaft. 
D. i. daar (In dien strik) was bij gepancfrn. S. J)8: 
mit dem tiiwel sint bebaft 
diu selhen sinnelosen vaz. 
D. i. door den duivel zijn die zinnelooze vaten ge- 
vangen, verstrikt. Dus mede S iW: 
wirt mit dem Huvel behaft 
iemaiij tiie tuot er ei'lost, 
S. 31* », in bedrijvenden vorm: 

da mite hast du dieh bebaft 
in der lantliute vientschaft. 
D. i. bebt gij u verstrikt^ gewikkeid^ in der !and- 
lieden vijandschap. En S. ^S59: 
as die hate sich behaft 
ir mvot mit staeter trUtschaf't, 
D i. aan dezen heeft zicb hun gemoed met stand- 
vastige liefde geheeht^ verbanden. Du8 ook Der 
Nibe! Noth (auageg. durcb V. d. Hagen) vs. 752: 
des wart der chunech riche mit grozeti sorgen 

bebafl. 
D. i. in greote zorgen gewikkeUU In l^utbers fiij- 
belvert. vindt men de uitdrakkmgen mit Seiwhen 
und Qual behaft, met einen harten Fieber behaftet 
(Mattb 4, vs. 24; Lak. 4, vs. 38), waar de onzeii 
hebt)en bevangen. In het tegenwoordige boogd. 
18 dit verouderd ; hoewel bet beijei*8che dialect nog 
zegt umb Sehuldett bdtaft sein, d. i. gearfesteerd, 
zie Schmetler. (*) 

Ook bet nederlandsch nam niet alleen bet ww. 
heften^ haehten, hediten, (zie dit laatste) over, 
maar ook bepaaldelijk bet deetw. behaft, en wel 
in tweederlei vorm ; behitcht of behecM en beheft 
Behackt is in den Teuthonista ^behaMen, gevan- 
gen; captus. captivatus, detentus;" etc. Dus in 
eene kenr van 't jaar 1482, Belg. Mns. VL 21)7: 
Wie behaecht goet aenveerdt dot tnettsn rechte 
behaecbt is, ees om itj pont jegen den here^ ende 
hi moet tgoet wederbringhen ter atat daeri was^ 
ende ten reehte. D. i aangeslagen, geapprehendeerd. 
Bij Hoof) vinden we beheeht; Ned. Hist. fol. 1U54 : 



(* De HoogI- Brill niHenI la hefuicht^bekecht,b$h$ft, byvoe- 
Keiyke nuamwoorden le lien van bet inw. haft of hacht : 
tie De Taalgldg, VI. \n. Men vintU ecbter het werkW 
beheltem gettaafd bt) Benecke 



den Heer van Heemert, Hopluiden Koeboekum en 
Du Bftn, ats wel niet bebecbt in verradei^e, maar 
hebb'-nde^ ml ontydighe vetHzaaghtheid, hunneti eea 
en pficht te laffelijk bettyicht. D i. vei-strikt, ge- 
wikkeld. Aid. fol. 12t>4: niet le gehengen, dat de 
Staaten ter luste van een deel raazbolhfi, in quel- 
ling en moeite bebecbt tvarden. D. i. gewikkeld. — 
Een voorb'eeid van den vorm ^e/ie/ifle vert Jonctijs, 
Roselijiis Oogbjes, 0: misschien maar meteenoog, 
zander tanden, eti beheft met meer dan tunnliff 
qualen. — Men vindt hem ook in 't fnescb bij iapicx, 
II. 114: want dU lichem dear y meyh^hehbinve, 
iz allijck it boyemleare fet fenne Danaiden. 

De vormen behechi en beheft, blijkens de wei- 
nige vooi'beelden, die men er van aantreft, nooit 
sterk in zwang gewecKt, tnaakten weidra plaats 
voor twee andere, een' gewonen en een* minder 
gewonen. De eerste is behept of (waaiscbijnl'jk 
om bet rijm) beheept, Van Vrouwen ende Van 
Minne (door Dr. Vei-wijs), 70: 

— die met kaerlen is bebeept, 
Die heeft den duvel selver ghesceept, 
D. i. aangehaald, gekweld. Later scbi*eef men be- 
hebt, in de Woordenboeken van Plantijn, Kiliaan, 
Mellema en anderen onbekend, maar in het begin 
der achttiende eeuw in bet werk van Ten Kate 
opgenomen; hij vermuldt als nederlandsch de uit- 
dnikking nhehebt zijn met eenige quale,*' en maakt 
daarentegen van beheeht en beheft geen gewag. 
Een nader bewijs dat de eerste vorm toen I'eeds 
den laatsteri had verdrongen, leveii de omstandig- 
heid, dat ^^ehefV bovon uit den eetsten drnk van 
Jonctijs aangehaald, in den derden (bl. 2) veran- 
derd is in '»behebf\ Dit be/wbl is sedert en tot 
op den tegenwoordigen tijd in gebrnik gebleven 
B. V. Jonctijs, Verhand. der Toovei*sieckten, 78: 
ViHmwen en Manneu, in 7 minsten met de melan- 
cholije niet behebt zijnde. Bekker en Deken, Will. 
Leevend, I. 10: Ik ben wel niet behebt met ge^ 
brekefi. Nomsz, De Driftige, 60: menselien. .. Be- 
hebt met zwakheid. Fokke, Verzani. der Werken, 
VII. 8: lieden..., met deze of dergeltjke ziektenh^ 
bebt. Des Aniorie van der Hoeven, RedeT. 174: 
Menachen, met iin dier etivels behebt. Pierson, 
Intrmis (4e dr.) 48: Met gehreken vond ik hoar 
behebt. 

Ten Kate; en onze overige taal-kenners na hem, 
zeggon derhaive niet juist, dat behebt een vet^ 
ieden deelwoord is van behebben: het werkw. 
behebben heeft in bet nederlandsch nonit bestaan. 
Behebt is het deelwoord beheeht of beheft, met 
verwisseling der verwantscbapte me^ek linkers di 
of f en p. Ik ztig p; want men had eigenlijk 



SH9 



HIPPELEN. 



220 



moeten schnjven behept^ zooals ook heeft E. Bek- 
ker, Adele en Theodoor, II. 105: dat deeze veratari'- 
dige Liedeti met dezelfde kwacU behept waren. — De 
b in behebt is alleen te wijten aan de veronder- 
stelde rechtstreeksche afleiding van hebben. De 
uitspraak van het slot des woords is stellig hard; 
men zal b. v. altijd hooren »de met eenige kwaal 
hehebteh" en niet ^^behebden." En dit is zoo waar, 
dat bij de regeling onzer spelling in 't begin dezer 
eeuw behebt de t beeft behouden, in strtjd met 
de regelmaat, die achter de b de sluitletter t niet 
toeliet. Bij Bilderdijk vond ik eenmaal behebd; 
Krekelz. 1. 89: 

Wees met geen twijfelmoed behebd ! 
De andere vorm, die voor behecht en beheft in 
de plaats trad, is behipt. Ik noemde dien minder 
gewoon, omdat hij slechts korten tijd heeft besta an 
en niramer veel opgang schijnt gemaakt te hebben. 
Hq komt alleen voor bij Hooft en eene enkele 
maal bij een paar schrijvers na hem. Wie den 
toeleg van den genoemden dooHuchtigen letterheld 
kent. om zijnen taalvormen, hetzij dan uit keurig- 
heid of gezochtheid, dikwerf iets ongewoons bij 
te zetten, zal bet niet vreemd vinden, dat bij voor 
behept of behebt^ behipt schi'eef; ivellicht ook dat 
ztjne ons niet bekende denkwijs aangaande den 
oorsprong des woords, of de raanier waarop bij 
het hoorde uitbrengen, tot die spelling aanleiding 
gaf. Nog zijn er streken in ons vaderland, waar 
de korte e op de tong weinig van de korte i ver- 
schilt. Den Delvenaar b. v. die te Rotterdam be- 
hept hoort uitspreken, klinkt dit stellig als behipt 
in H oor. Hoe dit zijn moge, er blijft geen twijfel 
over aangaande de identiteit van behipt met behebt^ 
en van deze beidefi met beheft en behecht, als men 
de plaatsen overweegt, waar bet eerstgen. deelw. 
bij Hooft voorkomt en die ik hier laat volgen. 
Ned. Hist« fol. 179: deed (Alva) bannen op den 
hctU, met verbeurtmctaking van goederen^ den Prins 
van Oranjey als behipt in misdaadt van gequetste 
Maiesteit, D. i. gewikkeld, betrokken. Aid. fol. 
408: De bezonderste vraaghstukken waaren, naa 
^t versiandtj gehouden met Neyen en zyn metplech- 
tighen (d. i. let wel ! metplic/itigen); naa de Wet- 
houders in 't stuk behipt, enz. D. i. wederom be- 
trokken, gewikkeld, verstrikt. Zoo ook fol. 427: 
Hy .... voer daarop uit, min nocht meer, dan oft 
hy een deel hunner voor medbehipt in 7 verraadt 
gehouden hadde. Fol. 498: beschuldight hy de 
stenden des Heilighen Ryx, voor mutters en eer^ 
looze sctielmen, behipt ui gespan en vloekveruMmt- 
schappen, met de Spanjaardts gemaaJcl. Tac. Jaarb. 
fol. 76 : zoo hy zich van V versche zuiverde nocht 



verdaadight vryen moght, zoo hy in grooter gru- 
welen behipt was. En fol. 75: cUU in Tiberius 
daarteegens een groote dapperheid was om opspraak 
te versmaaden, en hij zelf behipt in de gewisse 
zyner tnoeder, Ter vertaling van het latijnsche et 
conscientuie matf*is innexum esse. — Degenen die 
behipt zijn. worden behipten genoemd, bij denz. 
Ned. Hist. fol. 410: * t achterhaalen der behipten. 
Dez. Brieven, I. Id8 : met extensie om eenigen der 
behipte persoonen impuniteit toe te moghen zeggen. 
— Buiten Hooft zijn mij niet veel plaatsen van 
beliipt bekend; 'k trof het aan hij Vondel, Heldin- 
nebr. 15(5: myn huis behipt met trwUoosheid. Bij 
Antonides, Ged. 94: 

Gelyk hy onlangs al dien aanhang van liet Y 

Heeft uitgekreten, voor behipt tnet muitery. 
Bij Halma in zijn Voorbericht voor Kotgans' Poezy, 
bl. 10: eenige hekeltrekken, tegens zommiger ver^ 
waantfieit, gierigheit, belachelyke grootsheit, en an- 
dere menschelyke gebreken, die de behipten hier 
mede..., mogelijk al zuUeti hebben yevoelt, Bij den 
Schrijver der Heusche Vermaoing van Gisbertus 
Hortensius aan den Lasteraar van den Heere Dr. 
David van Hoogstraten z. j. en pi. 8 : te gaan voor 
behipt met ongerymde en Godtslasterlyke gevoe- 
lens. En bij Bekker en Deken, Brieven, II. 158: 
maxir die Jonker is met een geheel ander gebrek 
behipt. 

Men ziet, het gebruik van behipt is hier, met 
betrekking tot zijn beheersching, reeds genaderd 
tot behebt; bet is niet meer het oude en echte6e'- 
hipt in maar behipt met, zooals wij ook altijd zeg- 
gen behebt met. 

De eerste verklaring, mij van behipt voorgeko- 
men, is die van Meijer, in zijn* Woordenschat, (5e 
di-uk van 1669, die voor 't eerst verouderde woor- 
den opnam). Hij vertolkt het woord door »schul- 
dig," dat is zoo wat ten naaste bij uit den zin 
opgemaakt. Van een ww. behippen maakt hij ech- 
ter nog geen gewag; dit geschiedde later in de 
Fragment-WoordenliJ9t der leidsche Maatschappij ; 
vervolgens in het Uitlegk. Woordenb. des Inst, op 
Hooft t. a. p. en eindelijk door Bilderdijk en Dr. W. 
Bisschop (zie mijn N. Archief, 93). De eenige on- 
zer taalkundigen, die een verstandig woord ovei 
den oorsprong van behipt heeft gezegd, is Carol us 
Tuinman, die voor meer dan anderhalve eeuw in 
zijnel<akkel schreef: 9 Behipt is verbastert van 6<;- 
h^t, bevangen." Daama was echter ook deze wedr 
van het spoor, toen hij in zijn Rijmlust (van 1729) 
een imperf. smeedde, dat hem voor het rijm te 
pas kwam, bl. 274: 

Schoon dwaazen wel een waan behipte 



221 



HIPPELEN. 



222 



Geen menschen zijn hier uitgehiptey 

't Zy hlanken of ook dikgelipte, 
Uit a] het aangevoetde is het, dunkt mij, duide- 
lijk geworden, dat het verouderde deelw. behipt 
niet is van hipperi, huppelen ; maar dat hei met 
geringe wijziging in den vorm hetzelfde is als het 
nog oudere behecht en beheft^ bn als het latere en 
tegenwoordige behebt; en eindelijk dat dit behebi 
dus onjuist verklaard en gespeld wordt als een 
deelw. van een* vermeenden infin. behebben. 

Hobbelen— Hobben. 

Uobberi, dat overeenkomt met het eng. io fiopy 

oudfr. hober^ is veroiiderd, doch beteekende nage 

noeg hetzelfde als hobbelen. Hooft, Ned. Hist. fol. 

734: hodden de Koninklyke Raadsluyden dat ver- 

zoek ten eerste ingewUlightf men hobde nu niet^ 

ooverstolpt van de zee der jammeren. Van der 

Veen, Zinneb. 232: 

De Vrouw* die overtreft de Man in veledeelen^ 

Sy lydet vaeck verdriet^ doer hy is sander amart^ 

Siet hoe sy hobt en tobt., haer hart is vol me^- 

Krul, Minnespiegel, I. 113 : {dogen, 

Troost u, bedroefde sUtef^ die.... 

Soo hobt, 900 tobt^ soo woelt enz. 

Het eigenaardigst wordt het frequent, gezegd van 

de beweging op de golven; Vondel, Virgil, in 

Dicht, 207 : 

— wy hobbelen door vlaeyen,... 

Op zee, en zien yeen licht van starren, ion 

noch maen. 
Voorts ook te land op oneffen wegen ; Rens, Ged. 7 : 
De heUlooze doolt op omekere pa&n^ 
En hobbelt Uing^ knmklende wegen 
Figuurlijk op de gemoedsbewegingen toegepast; 
Vondel, De Leeuwendalers, 53: 

Dan hobbelt het getnoed te langer heene en weder. 
Trip gebruikt het w. voor het afwisselend voorbij- 
gaan van den tijd; Tydw. Voorr. 2: Men porde 
my.,., ter uitgave. Dan, om hier in tot een besluit 
te komenj hobbelde jcuir en dach, — In 't hoogd. 
is hobeln schaven, van hobel een schaaf, en abho- 
beln afschaven, ook fig. voor polijsten. Vandaar 
heeft Gee] afhabbeUn, niet seer nederlandsch, ge- 
bezigd voor afschaven ; Ond. en Phant. 221 : Hin- 
der my nu niet meer met die aflgehobbelde woorden ! 

Volgens Wdil. is hobbelen ook stameren ; het w. is 
roij in dien zin nergens voorgekomen. Wei voor 
warren, twist maken; HofThamms Nagel. Geschr. 7: 

Jelui bint in de kunst cUV memen goeije bro^rs, 

*rw main sehtUd niet; Je mot nou op'et laeM 

niet hobblen; 

Wangt ummers gong jelui saem om de rollen 

dobbleti. 



In den Jwbbel is in de war; Dichtk. Praaltooneel 
van Neerl. Wonderen, I. 195: dien yekken ha^el 
is in staet^ om alles in den hobbel te maken » 
Bekker en Dekeii, Will. Leev. VI. 240: Indien zy 
door een onzer puik extra puik Poeeten moest be- 
schrepven wot*(ien^ dan zou hy al rasch alles in 
den^ hobbel yegooid hebben. Dez. Com. Wildschut, 
III. 169: uw hoofd is zoo in den hobbel dat gij 
misschien mij niet wel zoudet verstaan, — Mij 
staat voui', een laslig, wamg mensch, vooral eene 
vrouw, een hobbel te hebben hooren noemen: zij 
is een rechte hobbel. 

Bij Kil. is de saroenstelling fwbbel-tobbel een 
bijwoordelijke spreekw. voor verward, gemengd, 
hoopsgewijze; zoo leest men Lev. v. Plut. fol. 49G 
vei*8o: swnmige {waren) soo roeckeloos.,. datse 
sich hobbeUtobbel gaven onder de vluchtende, 
Jonctijs, Toon, der Jal. I. 472: Tot dezen dienst 
vloeiden toe zoo vrouwenals mannen; den welken 
van den Priesterbevolen werd, hoar met den an-- 
deren hobbel- tobbel te vereetiigen. Banket der 
Gboden, 15 : dat der beesten zielen, die hier enighen 
tijdt komen, om daar na eindelijk in andere licha^ 
men te gtman^ daar insghelijx hobbel-tobbel over^ 
ghaan, 

De naam van hobhekiar werd oulings gedragen 
door den klapknecht van een leproosgesticht te 
Rotterdam, on tleend wellicht aan de beweging, die 
hij v66r het gesticht met een' grooten klap moest 
maken; zie Van Reyns Beschr. dier Stad, II. 19. 

Hoddelen, zie Hoetelen. 
Hoed6leu> zie Hoetelen. 
Hoepelen— Hoepen. 

Het WW. hoepen^ door Weil, niet vermeld, is zoo- 
wel een' hoep om een vat slaan, als somwijlen ook 
met den hoep of hoepel spelen, wat meestal hoe^ 
pelen heet. Dus Ck)omhei-t, Wercken, I. fol. 141 
verso: metten kinderen te gaen kooten, hoepen. 
Gats, Wercken, I. 397 (van de jeugd): 

— alsse besig is met hoepen en met koten, 
Pefroen (door Nil volent. ard.) 13: 

Men speelt met knikkersy men gaat hoepen. 
Onthoepen, van de hoep ontdoen, bezigt Van der 
Veen, Zinneb. 227 : 

Heefter yemand quade vaten. 
Heel onthoebt, vol worrem-yaten, enz. 
Aaneenhoepelen is verbinden, bij Van Swaanenb. 
Vervrol. Momus, 284: zo hoepelen de ducaten, en de 
ducatomien.,.. de schrale duigen.... aan ^n. — En 
omhoepelen (aln met een* hoep) omkransen, omrin- 
gen; Six van Ghand. Poesy, 392: 



293 



HOEPELEN. 



%24 



Dcpf Heemel heeft u lief.,.. 
Wyl hy uw fuuiinmeeuw goedertier 
Omhoepelt wet sen lentekroone. 
Gaan hoepelen of ophoepelen is in de volkstaal fig. 
rondloopen wegloopen, weggaan, zich weg maken. 
Hoepel o/)! zegl men tegen iemand. wiens bqzijn 
ons onaangenaain of lastig is. Uoepen had dien 
zin reeds bij Roemei* Visscher, zooal8 de heer Oude- 
mans opmerkt in de TaMtgids, II. 55; ja, ook nog 
met andei'e toepasfiing bezigde men dit w. ; Noose- 
man, Beroyde Student, (1679) bl. 29: 

Loop hy jou hoere.... wilje hoepe. 

Andere gemeenzame spreekwijzen zijn, bij Har- 
rebomee, III. 32: Hy hoepelt hem u)at. D. i. hij 
speelt wat met hem, neemt een loopje met hem. — 
Bij Fokke, Boertige Reis, II. 82 : We hoepelen wat 
in Af arw, als Minerva mis maar niet laat zitten. 
D. i. bekommeren ons niet over, geven niet ora. 

Voor den houten ringband, die meestal hoepel 
heeU vindt men ook hoep; G. Brandt, Poezy, III. 365: 

Gy zijt gelyk de most die uit het vat wil springen., 

Daar ieder hoep door kraakt — 
L. van den Broek, Ernst en Luim, 93: 
O HetneU dacht ik hij de hoep. 
Die door m'jn stok werd voortgedreven. 
Dr. Schotel vergiste zich in zijne Tilb. A-vondst. 
in de meening, dat ditzeifde subst. bedoeld ivordt, 
aid. 85: doe hi misse dede^ soo (fuam een hoep 
vuers op zijn hoeft. Hier heeft men, naar eene 
o-verlenging die ook in 'tonmiddellijk volgende 
hoeft wordt aangetroffen, te verstaan hoop, 

Hoetelen— Hotten . 

Hotten is voortgaan, en wel inzonderheid «too- 
tend voortgaan. De wortel hot is in verschillende 
talen een bekend voermansv\roord, ter aandrijving 
van het Iastdier,en wel naar de rechterztjde, getijk 
her of fiaar naar de linkerzijde. Vandaar de fig. 
uitdrukking hot en her., hot en hnar^ rechts en 
links, in tegengestelde richting; b. v. Heyns, Bartas' 
Wercken, II. ii. 158: 

— menigh duysent steVy 

Die konstich sonder konst^ d'een hot en d^an- 

r/(?r her, 

Dees schoonte met haer licht verderen end' om- 

van gen. 
Verm. Lottoon. van Holland, I. 141: Den een wil 
hot en d'ander wil haar. Bekker en Deken, Will. 
Leev. II. 24: dat znl daar zyn, hot en haar. (*) 



't Ken mij onverstaanbaar hot lees Ik by Kausler, U.fWH: 
— huwen onwerdeghen putiere^ 
Die dat hebben van maniere 
Dal si dese ahehuwede vrauwm 
Leden met hem, t$ h§reh rattwen 



— Zie voorts mijn Mag. III. 55. Vondel beeidt met 
hot het voortgaan van den wagen af, Pascha, 22 : 
Hot, hot, at breydeloos den wagen henen glipten. 
Hiervan is ook de benaming hottekar^m sommige 
stroken van ons land bekend voor ^ene soort iran 
boerekar, die hotat of stoot, te 6t Truijen boddel- 
kar (zie op Doddelisn\ in Bexieren hodel* of hudel- 
wagen, van welken naam Schmeller den oorsprong 
niet vatte. Voorts ook hotweg^ ongelijke of strom- 
pelige weg. Spieghels Hertsp. B. IV. vs 178: 
Gi zijt ter slinker hand verdoolt: om die te 

schouwen 
Geen rechter hotwogh voeght, maar'tmiddelpat 

te howmen. 
Vlaraing dacht hier een oogenblik aan »de vreg 
ter rechterhandt", en Hoeufft verdedigt die opvat- 
ting in zijn Bred. Taaleig. op Hot; doch andere 
plaatsen van Spieghel pleiten stellig daartegen. 
Men ieest aid. B. VI. vs. 157: 

Dees eigen zinlikheid, dees faot-wegh ten verderve. 
Bracht Adam in den dood: doet noch zijn na- 

zaata sterven. 
en B. VII. vs. 127: {scfiennis^ 

Bezinningfi^ d' eerste trap die vrijt van zonde 
Verdruktet misverstandyengnmdvest Iteter kettnis: 
Zy rokt u van de hotwegh, wtjst een beter pat., 
Dat eerst zwaar ganghbaar scheen, dit toont zy 

ganghaar plat. 
De Dichter bedoelt hier blijkbaar geen rechterpad, 
maar een raw, ongebaand pad; zulk een dat on- 
bruikbaar is en niet tot het doe! ieidt. 

Het WW. hotten hebben onze Oaden, onder den 
vorm houten.^ voor hinkend voortgaan; Maerl. 
Rijmb^bel, I. vs. 24.58 (van Jacob) : 

— hi houtte doer an ene side. 
Dat dede hem des ingels slach, 
Lapcelot, B. II. vs. 27871 : 

— sijn pert hadde lien tUonden 
[n sijn hoeft wel. xx. wonden., 
Ende het was gewont int slvnke been 
Soe dat houte in een. 
Walewein, vs. 1370: 

Het was magher ende tnane^ 
Sijn haer lake ende lana, 
Neder hingfien ftem die oven., 
Het houtte bachten ends vere»i. 



Achter hosuc^e den dau of slaen 

Ends dan so ts^Qhsu H sas%: 

Ondanc hebs die vilein wl bot, 

the to iatowt et ende so tot. 
Is vour wi hot te li'zen: mxlot, by Roqueforl •mari donl la 
remme e<il Inflildte ' f De tmnflctit* Romart de la Ho;*'', ille mu 
Diel ter ban*! Id, xal wellicbt deze vrtati beantwoordeo 



tt5 



HOETELEN. 



2M 



Das ook in deze eeuw voor stooten, stremmen; 
Immeraeel, Ged. n. 112: 

En toat zij vroeg en wat hij bragi., 
Het groot ontwerp bleef hotten. 
Doch het w. beteekent ook voortgaan, zonder het 
hinken. Met Brem. Nieders. Wtb. heeft hotten^ als 
oudd. voor »fortgehen" en Schmidts Westerwald. 
Idiot, voor »vorw&rt8 gehen". Vandaar /loften, fig. 
bij Kil. voor goed gaan, gelukken, slagen. Men leest 
het WW. in dien zin bij Marnix, Bienkorf, 106 : als 
ivy onse wterste heste ghedaen hebberiy om selve te 
betalen, oft een ghenoechsame barge te vinden^ 
ende dat het dan niet hotten en ml, so seght 
onze Lieve Moeder de Heylighe Kercke^ dat Chris- 
tits voort comen moet .... am anse gd)reken te hel- 
pen. Aid. 174 verso: Ende datmen oock seggen 

wit, dat enz can oock niet wel hotten. H. van 

Halmael, De Gev. Kwaker, HI. 16: 

Met eentje. dunkt my, dat kan wel hotten. 
Dez. Waarheid en Loogen, 28 > 

HZal waarlyk met ons niet hotten van daag. 
Van Rusting, Ovid. Klaagd. 166: 

Dies dienV er niets, met kra^t, voor Naso an- 

demomen. 

Dat soud niet hotten: maar bedenk u slegts 

op list. 
Montanus. Oorlog der Phiios. 19: 

Dray om den bruy, het moet wel hotten. 
Van Swaanenb. De Vervrol. Mom us, 186 : nu kunnen 
vices en geest beter te zaamen hotten, cUs de Digt- 
kunde met een gauden buidel, — Dez. beteekenis 
wordt aan het ww. toegekend in het Brem. Nie- 
ders. Wtb., in Toblers Appenz. iSprachschatz en in 
Von Schmids Schw&b. Wtb. welk laatste bovendien 
nog vermeldt : met einem hotten, ^^nen weg gaan, 
van ^nen zin zijn. 

Het denkbeeld van stootend ofstuitend bewegen 
heeft aan hotten de andere bet. gegeven, die het 
bij Kil. en Weil, heeft, t. w. die van stremmen of 
runnen der melk. »Het hotten van de melk, zegt 
Bilderdijk, N. Versch. IV. 98, is niets anders dan 
stooten of stuiten, en dus uit zijn natuurlijk ver* 
band der bestanddeelen gebracht worden." Zoo 
leest men bij Van Swaanenburg, Arleq. Distel. 223: 
Wat is het lief voor ons, als zoete m^k te hotten ! 

Van hotten is het frequent, hottelen, in de ver- 
wante dialecten bekend. In den Elzas is hotteln 
rijden; in het oostenrijksch volgens Gas telli's Idiot. 
hottln, forthottln, voortstrompelen, moeijelijk voor- 
waarts gaan. En bij Schuermans is hotselen vniet 
vast staan, niet goed gaan.'* Tuinman merkte in 
'tVerv. op de Fakkel reeds op, dat hotten bij de 
Oostenrijkers »gaan'' beduidt. Meer gewoon is hi) 



onze naburen de vorm hutteln of hudeln, en wel 
in de beide beteekenissen, die hoetelen bij ons 
heeft, waaruit zich bij ons de oorsprong van den 
06-klank in dit woord laat verklaren. De eerste 
beteekenis van hudeln is bij Adelung »over eene 
zaak heenloopen, zonder den noodigen tijd en aan- 
dacht daaraan te wijden" ; en Kil. omschrijft hoe- 
telen door skunst- en geesteloos te work gaan, 
beuzelen, broddelen", wat derhalve op hetzelfde 
neSrkomt. De volgende plaatsen uit nederlandsche 
schrijvers zuUen de gegeven verklaiing bevestigen. 
Hooft, Ned. Hist. fol. 736: tenvyl Philips hier te 
hoetelen lagh, had hem de Turk het Koninkryk 
Tunis en de vesting La Goletta* antstreeken, Ro- 
denburgh. Otto, U. 44: 

WaVs ons bedrijff Ick bids, wy narren en wy 

hoet'len ; 
Wy zwieren zander spoor, wy hollen zonder loom, 
Ogier, De Seven Hooftsonden, 226: 

O Duynkercken! Duynkercken! waer ick op u 

zee, k'en had' geen quellingh ; 
Dafs H schult, ghy verbraste Hoer, dat ick hier 

op 't Schelt soo ligh en hoetel. 
Van de Venne, Belacch. Werelt, 144: 

Wangt ick siet, en segt byloo, 
Dat je hart, en hoetelt snoo. 
Aid. 272 : 

Deur het sien, en 't schier beflaauwen, 
Dat een van de Steedse Maauwen 
Komt en hoetelt, en belacht 
Al mijn leet, en spijt, en klacht. 
Verm. Lottoon. van Holl. I. 50: Uoor Man, jou 
hoetelen en inleggen in de Lotery, komt maar uit 
op Nieten en leuren, Zeeus, Overgebl. Ged. 16 : 
De grant is plat getrein, geen grasje^kan 'er 

groeien; 
En 't helder beekje wordt door 'i hoetelen en 

stoeien 
WeSrhouden in zyrC vaert ; — 
Bedrijvend gebezigd is hoetelen, zooals Adelung 
ook hudeln in de tweede plaats omschrijft )»iemand 
vergeefsche moeite of arbeid veroorzaken en daar- 
door afmatten," korter gezegd »kwellen, plagen." 
Dus Westerb. Ged. II. 530: 

Sijn va^ heeft hem so langh de rugge ra^u 

gereen. 
En staegh gequelt en hem te hoetelen genoomen. 
Tot dat hy eyntlijck tot zijn opset is gekoomen. 
Aid. 738: 

— haer pijnelijcke wcnden^ 
Als sy haer gehoetelt vonden 
Van een dertele haezin. 

Van Paffenrode, Ged. 136: 

8 



227 



HOETELEN. 



228 



— worden we nu zoo gehoeteld, hei is otise eyghen 

gierigheid schuld. 
Huygens, II. 272: 
Men hoetelde Reinier om pen goed Wijf te 

trouwen. 
D. i. duidelijk: viel lastig, plaagde. Gansch teon- 
recht teekende dus Bilderdijk in zijne uitgave van 
Huyg. VI. 265, op dit w. aan: ^Lees : tockelde. 
Hoetelen heeft hier .geenen zin." — Zoo ook al- 
daar 499: {den Wijn. 

Phlip hoetelt ons met veel lam Sneldicht by 
Ofschoon onzijdig is het ww. toch plagen. Dirhtk. 
Praaltooneel van Ne6rl. Wonderen, I. 140: 
— dcuir ze koest en hoetelt 
Om 66k een brok uit Grootvaars Boel^ 
Het zy voor kindreti of Bekende. 
Van een* persoon op een voorwerp overgebracht is 
het voor trekken, plukken ; V. Rusting, Ovid. Klaagd. 
enz. 305, van een leeuwenhuid, door honden ge- 
vonden : 

Die wiert al strak van hoAir beknaagt^ 
Herom geslingert^ en gefoetelt^ 
Getrockeny en al meer gehoetelt, 
Als UX18 hy door haar selfs gejaagt. 
Deze schrijver spelt in hetz. werk, b). 251, hoedelen: 
Op 7 lest seyd Jupiter: jou mallen dvyvel, 7 

schort 
Aan ons niet^ datje diis vei^bruyt gehoedelt wo)*t. 
Hoedelen of huedelen komt voor in den zin van 
hutselen, Belg. Mus. IV. 67, waarvoor men te St. 
Trutjen zegt hodderen^ terwijl hoddelen daar ge- 
braikt wordt voor stooten of stommelen ; zie den 
School- en Letterbode, I. 107. De daar vermelde 
bijeenvoeging van hoddelen en boddelen vindtmen 
terug bij Kaindl, III. 446: i^kudlen en b\idlen^zer- 
kruppeln, confricare, frangere." In het dialect van 
Maastricht is hoddele^i zich bewegen, wiggelen, 
niet vast ptaan; voorts hotsen, schokken, en ein- 
delijk verwarren, verkeerd doen ; zie mijn Archief, 
ni. 359. — Voor iemand die gaame verwarring. 
sticht of ruzie raaakt, vindt men hodeleer (hodd^- 
laar) in hfet middelned. bij Serrure, Vad. Mus. 1. 87: 
— hodeleers, vechte7*Sy die haar ghedochte 
setten op dobbelspel ende baten, 
ende niet en soeken dan gherochte^ 
desen sal men die tavetme laten. 
Het eng. to huddle^ dat zoowel dooreenhutselen als 
wegstoramelen beteekent, hoort hier mede toe, al 
schijnen de etymologisten dit niet in te zien. Bai- 
ley weet van het ww. geene afleiding te geven ; 
Johnson en anderen denken aan }u>od ; Booth ( Ana- 
lyt. Diet. I. 165) aan to hide; loto huddle^ zegt hi j, 
is to hide by heaping, or pressing, a number of 



things together so as they cannot be separately 
distinguished." Whiter daarentegen doet in zijn 
Etymol. Universale, II. 6li3, met veel juistheid op- 
merken, dat to huddle ^certainly belongs to the 
idea of agitation, and tumultuous-disorderly action", 
en wijst dan ook te recht met Skinner op het 
hoogd. hudeln. 

Hoetelen heeft bij Kil nog eene beteekenis, die 
ik tot hiertoe niet vermeldde, I. w. die van »winst 
bejagen door geringen handel." Voorbeelden van 
het w. in dezen zin zijn mij bij onze schrijvers 
niet voorgekomen, waaruit ik opmaak, dat het al- 
thans zeer schaars in gebruik geweest is. Het 
schijnt meer eigen te zijn aan somraige hoogd. 
dialecten. Bij Kaindl 1. c. is hudeln in het klein 
verkoopen; bij Schmeller hodeJn en hodeln. Bil- 
derdijk, Aanteekk. op Huyg. VI. 223, leidt dit /i(w>- 
leleri af van het hotten der melk. »Een hoetelaar 
of hottelaar is, volgens hem, die zure melk ver- 
koopt, en hoetelen voor geringen prijs, of ondeug- 
delijke waar verkoopen." Men zal eerder te den- 
ken hebben aan het hoogd hudcl, bij Schmeller 
hudely huder; bij Muller und Weiiz hodol, hoddel, 
bij Tobler hotta, nederl. huds, (zie Kil. en Weil.) 
d. i. lap, lomp, fr. haiflon. Het denkbeeld van been 
en we^r bewegen is te zeer aan dat van lap ver- 
bonden, dan dat het gen. subfet. niet tot het ww. 
hudeln^ hoddelen, hoetelen. holtau, zou behooren. 
Het akensch dialect kent nog het nw. hodefc, voor 
het flodderen der loshangende lappen. 

Verhudeln, zegt Adelung, is »door hoetelen be- 
derven ;" en zoo geldt ook verhoeteleti bij ons voor 
bederven in 't algemeen. Oudaan, Agrippa, 371 : 
de boeken van Hippokraat eti Gal een.,.. hebbet) 
zulk een geloof verkregen, dat zoo iemand zonder 
hare zetregels eenen voorncemt te genezen. hi j het 
klaarblijkelijk behoud opentlijk schijne te verhoe- 
telen. Rabus, Verraakel. der Taalkunde, 355: de 
gedrtikte (berijmingen) die de Fi%esche iolk iw- 
flansi en verhoetelt heeft. Don Qnichot, I 375: 

« 

vreesende dnt SoMcho met ter tyd het werk ver- 

hoetelen mogt. Van Overbeke, Rijmw. 44: 
Ma^* waer in heb ik V verhoeteld? 
De Malle Wedding, of Gierige Geeraard, 74: 
{Zy) zouden 't wel verhoetlen met dat blijven^ 
En daar te talmen. — 
Van Paffenrode, Gred. 161: 
— wil je niet swijgen, soo set fet heele spel ver- 

hoetelen met je malle kueren, 
Huyg. I. 358. 

— Ver^* is liet strack gemoed^ 
{Dat) liever Schip en goed verhoetelen {wil) dan 

strgcken. 



229 



HOETELEN 



230 



Oudaan, PoSzy, II. 33: 
— moet hy diis dien onwaardeerb^ren butt 
Vertrouwen wan otiweerb're kaag en Boeijer^ 
Of op een plat-geboomde ateigerschuit 

DamschoHg zien verhoet'len van een knoeijer? 
De Regts Mengeld. 98: 

Al hoar (d. i. der vrouwen) gestreel 
Zou by myn keel^ 
Een mensch verhoetelen. 
Schimp- en Hekeldichten, 187: 

{Gy die) H eelste van uw geest doldriftig dus 

verhoetell 
Door eygen liefde^ die gezuster van de %ixian, 
Scheltema, Mengelw. II. ii. 138, uit een Liede- 
boekje: 

Monsieur zag dat hei spel niet dochty 
Hij palmde, wat hij palmen rnogU 
Opdat al dit verhoeteld leuteren^ 
Het heele spel niet zou verpeutei^en. 
Hel passive deelw. is hier voor het active geno- 
men. — Bekker en Deken, Will. Leevend, Vlll. 114 : 
dit schelmpje, dat al vry wat hedorven^ en met 
een ziek^ zwaky verhoeteld lic/iaampje byfuuir kwam. 
Overal geldt hier de beteekenis van bederven. 
Als Huyg. n. 180, echter van den nieuw getrouw- 
den Jan zegt: 

Jan had sljn' vryheit korts \erhoBie\i lijf om h'jf. 
ZOU ik eerder aan verruilen, verkwanselen, en duR 
aan het atuiwnari van Kil. denken, zooals ik ook 
meen, dat Bilderdijk (VI. 223) het iv. opvat. Een 
nederl. werkw. zich verhoetelen^ beantwoordende 
aan het hoogd. sich verhudlen^ zich een lid ver- 
rekken, zich bezeeren, dat Reinwald vermeldt, is 
mij niet voorgekomen. 

Hokkelen'— Hokken. 

Hokkelen, en ook hokkereti, is, volgens De Nav. 
XV. 45, Dzich warm kleeden,'* in het dialect van 
Westfriesland- H Woord korat overeen met inhu- 
cheln, bij Danneil zich in kleederen hullen tegen 
de koude. Het primil. hokketi acht ik te zijn 
heuken of huiketi, van /lui/^, oostfriesch hokk^hokke^ 
neders. heuken^ hoiken^ falie, een bekend, vroeger 
zeer gewoon vrouwen kleed. Ook bij ons spelde 
men heuk; dus Hondius' Moufeschans, 527: 
Dat hy zyn mantel metier spoet 
En sy haer heuck aflegghen moet. 

Hokkelen*— Hokken. 

Hokken^ hukken, huiken^ is eig. een hoek ma- 
ken en vandaar baigen; dus Antw. Sp. van 
Sinne, 317: 

Godt is elchs toevlucht die in hem betrouvten 
Oft anders toy $ouwen hucken als een riet. 



Voorts zitten ; Reinwald : »zu Hause hocken, zum 
Hause auf einem Flecke sitzen." Tobler : »Hock, 
Mb. H5ck, d^r Sitz, des Pldtzchen zum Sitzen, 
Hocka, sitzen/" Dus huiken^ Alkem. en V, d. Schel- 
ling, Nederl. Displegtigh. I. 78: die met gebogen 
knien^ en kruiswyze geschikte beenen opdengrondy 
ofopde aarde neder huikten. — In dit Aut/cen her- 
kent men het hoekige. Onze platle spreekw. met 
iemand hokketi duidt aan samenzitten niet alleen. 
maar ook samenwonen, en dan meestal in oneer- 
lijken zin. Echte iieden uxmen, doch ongehuwde 
hokketi samen. Berkhey bezigt het ww. van de 
zeeroovei's, Zeetriumph, I. 183: 

Zij wijst hier Tetuan^ Algiers en 't stout Ma* 

rokken, 

Waar 7 gitzwart moorenheir, op roof^ te saam 

goat hokken. 
En dit kan gaan, doch als hij het toepast op de 
juflers, die zich opsieren ter eere van de over- 
winning bij Doggersbank, verliest hij om het rijm 
de beteekenis des woords geheel uit het oog; 
aid. II. 462: (hokken, 

De Meisjes^ kies van smaak^ ziet men te samen 

Om wat bedenklijk was van Jufferlijken tooi, 

En vxit bevcUlig UHis te voegen bij het mooi, 
Beter is het w. gebruikt, Verv. op Wagenaar, XVIII. 
198: d^ Veldtekens by welke al het schuim des 
Volks zamenhokte. 

Van hokken, in den zin van ontuchtig samen- 
zijn, zal het frequent, hokkelen afkomen in Vos* 
Kl. van Oene (druk van 1658; in dien van 1662 
en 1710 is de pi. uitgelaten) bl. 8: 

Onderdaegs docht ik, ik tnoet hem ietis zoetjes 

aan de veter tokkelen^ 

Dan zel hy^ het hy bloet in 'tlijf^ wet u)at te 

beter hokkelen, 

Mner toen ik quam, 'twas, van hier of ik zelje 

de bienen aan stikken slaen, 

Al zouje, jy ritze^meer, al jou leven op krih- 

ken gaefu 
Een* anderen zin heeft bet ww. in de klucht Mar- 
grietje (Amst. 1639), 39: 

— in ruyght, in bos, in dal 
Of wa-er d'onhebbelyckheit weghhockelt mijn 

Margrietje, 
Hier denkt men aan wegsteken in hokken of hoh' 
kels, want ook *t laatste naamw. word voorheen ge- 
bezigd; zie De Vries op Warenar, 194. Een hok" 
kelplaats is een bergplaats; Jan Soets Jochem 
Jool, Opdracht : mijn Pen (hebbende) dit ter Wie- 
reldt gebraght: heb ick gheen bequamer hockel- 
plaets kunnen vinden om dit sdve te berghen, dan 
de scfiaduw-r^cke Lommer enu 



231 



HOMMELEN. 



232 



Hommelen— Hommen. 

Hommen is bij Kil. hummen, mutire, hoogd. 
hummen^ eng. to hum, d. i. een dof, gonzend ge- 
luid of gedruisch maken; zie Dr. Halbertsma, in 
het Alg. Letterl. Maandschrift, voor 1848, n*. 8, bL 
570, en Van den Helm, Proeven van Woordgr. L 
90. Vandaar hommelen^ bij Weiland, evenals hum- 
men bij Kil. mompelen; waartoe behooren zai 
gehommel, in Jonctijs' Ros. Oogjes, 136: 
SieU WW lipjes aUebei 
Tot een wriehdeHjk gevlei. 
Tot een heuchelijk gehommel. 
doch anders meer bekend voor geraas of ge- 
ruisch maken, en dan op verschillende wijzen 
toegepast De Brune, Bancketwerck, II. 376: 
Hy heeft zijn hoofd altijd vol byen^ of muyze- 
neaten, die cUtijds hommelen, en ritzelen. Con- 
science, Batavia, III. 39: een verward geraes als 
het hommelen van eenen ontelbaren bienzwer^n. 
Dautzenberg, Verspr. en Nagel. Ged. 182 : H hom- 
lende hieken, Hoogvliet, Ovid. Feestd. 109: 
To&fk de oude honig vondt^ daar hy 't gehommel 

hoorde. 
Valentijn, Werken van Ovid. II. 267 : H gehommel, 
datge op 't lest hoorL, ah Jupiter de swarte wolken 
heeft doen kraken. D. III. 76 : De schouhurgen 
hommelen, en speltrompetters lokken 'tvolk, Bl. 
232: 'thommelt hier alien V halve van Hverwxar- 
lijk gebnU der Geten. Tael- en Dichtk. Bij dr. 
I. lib: 

vuurkuUy daar onfelbre zielen 
Steeds homm'len, dommHen^ grimmHen^ krielen, 
Camphuysen, Stichtel. Rijmen, III. 429: 
De Maechden dan, en haer gebom. 

Met zancks en klancka gerucht^ 
Doorbromt de her ten om end' om 

En hommelt door de lucht. 
sDoor de lucht hommelen^'* zal hier beteekenen 
zwermend door de lucht ijlen," en zoo yersta ik 
H y/Yf, ook bij Oudaan, Agrippa, 287 : andere {kin- 
deren) hommelen door de ongebondentieid oiler 
ondeuqden heen. D. i. zwermen of zweven als de 
bijen door de lucht. — ImmerzeeL, Ged. I. 169 : 

Tor en Vlindervlerkje..,. 

DommHend homm'lend onde7*een. 
In den Navorscher, IV. Bijblad, bl. 26, leest men: 
»Men zegt door geheel N. Braband, als de donder 
vernomen wordt: *thotnmelt, hoor 'teens homme- 
len^ enz. Insgelijks als er getwist, geraasd en ge- 
tierd wordt : *t hommelt daar, hoor H daar eens 
hommelen^ H is er hommelea." — Het ww. hommelen^ 
hier in de eerste plants genoemd, in den ziii van 
razen, tieren, v^aarpiede Halliwells to hum^ met 



geweld gooijen, overeenkomt, leest men bij Van 
Ryswyck, Poet. Luimen, 139: 

En zie^ doer daelt een wifid^ die door den schoor- 

steen hommelt. 
En bij Van Elvervelt, De bedrogen Oflicier (Amst. 
1761), 35: (homlen. 

Verdord, daar is de Jood! nu zal Her duivels 

Maar 'khou couragie! — 
En ivat de laatstvermelde spreekwijs bet reft, die 
is ook elders bekend, b. v. Lentfrinck* Hovaardye 
in Armoede (Amst. 1764), 9: 

— Daar komt de kamenier^ 
H Lykt homles ; '/c draui op zy, — 
Alewijn, De Puiterv. Helleveeg, 33: 7w daarwe^r 
hommelis met Swaan. Fokke, Boertige Reis, II. 46 : 
het is hommeles tusscfieti ons en dii volkje. Dez. 
Verzam. der Werken, IV. 182: maar oLs liet dan 
hommeles was, gitig hij maar weer op een' ander\ 
En zelfs bij onze hoofddichters te vinden, Huyg. 
I. 603: 

Hoe ister, hommeles? — In ' tedder mi^vste niet. 
Bilderdijk, Navonk. 1. 196: 

'k Denk alle harten by het miju^ 
En vrees, het mocht er hom'les zijn. 
Doch daarvan is eene andere verklaring gegeven. 
Bilderdijk, in zijne Verhand. over het Treurspel, 
bl. 174, acht de spreekwijs het is fwmmeles ont- 
leend aan den titel van eene oude komedie Ho- 
mtdus^ als waarin »He], Hemel en Aard, a lies met 
met ^n woord, in de grootste verwarring, opstand 
en strijd is." De Hoogl. Serrure handelde over 
de uitgave van dat tooneelwerk in zijn Vad. Mu- 
seum, I. 34 en volgg., en beloofde, later op den 
inhoud en den gang van het stuk te zuUen te- 
rugkomen ; dit is echter niet geschied, wellicht zou 
deze Geleerde anders tevens zijne gedachten bekend 
gemaakt hebben over den oorsprong der spreek- 
wijs en hare verwantschap met den Homulus. 
Hommeles van hommelen af te leiden, komt mij 
wegens den vorm des woords eenigszins beden- 
kelijk voor. 

Dat van dit frequent, de naam der hommelbij 
ontleend is, valt in het oog. Door letterverzetting 
van hommel naar H schijnt, heeft Kil. daarvoor ook 
holm^ dat men leest bij Marnix, Bienkorf, 260: 
int Ijitijn Fungi, dat is, op onsesprake bommelen 
of holmen te segghen. Werken van Rabelais, I. 
157: De bijen jagen al de ho\men van hoar korven. 
Hilarides, Phaedrus, 85: 

— de holm ontging H verdrach van dat geding, 
Brj Bredero, Jerolimo, 40, zijn vreemde homme- 
linghen bedeiaars, die als de bijen in zwermen 
binneu Amsterdam komen dringen. 



■ >« » »— -*- . ^■" 



23:3 



HOMPELEN, 



234 



Hompelen— Hompen 

Hompeti, volgens De Navorscher, 1859, bl. 6i, in 
het land van Kuik nog gebruikelijk, is hinken, bij 
Schmeller humpen. Dus Rosseau, Medea, 39: 
De nikkei* die mag liier ook zotider struykle 

hompen ; 
Gitui letjgen hekkeneela vertreeden in de aachy 
Daar een geraamte enz. 
Dez. De helsche Kermis, ^1: 

Want ik kan zo ver niet hompen, 
MiUf myn eene been gekrompen 
Is enz. 
Aid. 51 : 

Zie Vulkanus nu eens hompen, 
Als een Baviaan op klompen, 
Oudaan, Ged. 53: 

Dat innaak^ dat street de tong van die met schoen 

en koussen 
Aan hompen, op den geur van tang vermufte 

sousen. 
Vandaar hompelen^ in dezelfde beteekenis of 
juister in die van stootend gaan« waarvoor het 
WW. volgens Hoeufft nog gangbaar is; Oudaari, 
Po*zy, II. 195 : 

De wuften Alheschik^. die stand noch moat kan 

ratneHj 
Btiskon^ die hompelt keen; — 
W. D. Hoofts Kl. van Stijve Piel, 17: 
Hy hompelden, hy strompelden, al schuddende 

voort, 
Porjeere, Zangl. Uitsp. 243: 
Hier zakt het volk opeen en hompelt door 

malkander, 
Fokke, Boertige Reis, 11. 172: begonnen ze achter 
nuUkaar door de hut te hompelen. Bl. 257: de 
mensch is gevormd^ om..,. over str^iiken en steenen 
te hompelen. Bilderdijk, Najaarsbl. II. 133: 

— die daar gebonden leit. 
In kwalen zander tal tot over *t hoofd gedompeld; 
Geen voet verzetten kan, of op den hiel vtiat 

hompelt. 
Dez. N. Verscheidenh. III. 132: Dat is geen recht- 
schapen wandelen, maar H is hompelen op niet 
sluUende klompeti, — Ook voor gebrekkig dansen; 
E. Bekker, Adele en Theodoor, III. 221: zuiken, 
die, in spyt van (de Natuur), eene keurige Menuet 
vnllen hompelen. 

Fignurlijk is het w. gebeaigd voor haperen, stoo- 
ten ; H. van HalraHel, De Geveinsde Kwaaker, III. 52: 

Hier hompelt het zeker in dit of in dat 
Hiermed komt overeen het hoogd humpeln en 
hiimpeln. Er behooren toe de samenst. hompom- 
peHy hompcvnpeien enz. waarvan zie op PampelenK 



Schonck, De Strijd der Reuzen, 81 (van Vnleanus): 
Althans, indien het hompelvoeten, 
Deez^ fabeltaal zal stauven moeten^ 

Dan is dit buiten tegenspraak: 
Dour deze God gesmakt van bcven^ 
En fieSrgedaald bij Lemnos oven^ 
Nog hompMend arbeidt aan tijfC took. 
Van der Veen, Raets. bl. ill, drukt het binken 
uit door homp en tromp: 
(Zy) gingh soo homp en tromp aen beyde 8^- 

den manck. 
Het frequent, wordt met voorzetsels samenge- 
steld; Bekker. en Deken, Econom. Liecyes, 423: 
Toen kwam daar eene ouwe sloof 
Met een stok den trap af homplen. 
Hippokreen-Ontzwav. 29: 

— hunkert ^&n, zijn voetstap nagehompeld, 
Naar H lauwertakkebos^ enz. 
Fremery, Mijn Letterhof, 155 : een stokoude Frouto, 
die^ op krukken leunende,.,, steeds nahompelde. 
Berkhey, Nat. Hist, van Holland, VIII. 3i: Het 
best is, dezelve (gezwellen) dikwijls..., met o/um- 
water te wasschen, dan hompelt de Koe er nogal 
lang mede voort. Fokke, Verzam. der Werken, 
IX. 83: met die kruk kan ik nog ai wot Yoort- 
hompelen. 

De eigenlijke beteekenis van hompen en fwrnpS' 
ten is ongeschikt of plomp gaan; zoo vindt men 
hompelig voor oneffen^ ruw ; Porjeere, a. w. 242 : 
doodsch en homplig duin. — Ook heet een ruw 
afgesneden stuk brood of vleesch een homp^ waar^ 
van bij Kil. het ww. hompen, zulke stukken af- 
snijden ; zoo is ook de drinkhomp volgens Von 
Schmid, Schw&b. Idiot, een groot, wijd drinkvat, 
zonder voet, en dus afgestompt. Bilderdijk ver- 
klaarde te recht (Verkt. Gesl. op Hamp)y hompen 
door »op een plompe wrjze aangrijpen." Van Rus- 
ting bezigt dit ww. voor ruw wegstooten of 8tom- 
pen; Werken, I. 637: 

Van hier, te kamer mt, met u bekladde klompeny 
brootbeest, zo zal ik u van de tafel hompen. 
Dez. Ovid. Klaagd. 211 : 

Gy hast de v\jneaartSj en de nijdigen: die 

lompen 
Soud gy, tot uwent^ kant en knap de kit uyt 

hompen. 
Ook bij Gijsb. Japicx is hompjen stooten. — Van- 
daar het frequent, humpelen, bij Kiliaan opgetee- 
kend voor broddelen, ongeschikt handelen; hoogd. 
hiimpeln, verhumpeln^ verhiimpeln, eene zaak door 
verkeerde of ongeschikte behaudeling bederven. 
Bij onze schrijvers eyenwel is mij dit ww. nog 
niet voorgekomen. 



'235 



HONKELEN. 



236 



Honkelen, zie Hunkeren 
Hoppelen'— Hoppen. 

Bij Kil. hetz. als huppelen, huppen; zie datart. 

Hoppelen*— Hoppen 

Beiden in het vlaamsch gebruikelijk volgens het 
Idiot, van De Bo. Hoppen is het nedeii. hoopen^ 
op een hoop zetten, doch naar de uitspraak van 
soinmige hoogd dialecten ; zie b. v. Von Schinid. 
Vandaar hoppelen, ook hopperen, voor Din hoopjes 
samenkomen, fr. se grouper^ s'attrouper.'' Het 
beijersch bi} Schmeller kent het frequent, liaufnen^ 
in hoopen samenbrengen. 

Horrelen— Horren . 

Beide wwn. heeft Weil, voor stooten, anders 
harten^ , dat eene versterking van horren is. Bij 
Benecke is hurren^ horren^ snel bewegen, waar- 
van bij Schmeller AuWf^i, horlen^ rollen, wentelen, 
waarbij men het snorrend geluid, dat Bilderdijk 
(Geslachtl. I. 322) aan het ww. toeschrijft, niet 
behoeft uit te sluiten; want beide beteekenissen 
vloeijen vaak ineen. Men leest het prim, bij Van 
Bleyswrjck, Beschr. van Delft, 1. 13 (der Nareden) : 
de spinrockenSy die de cmde Wijveti al horrende 
en spinnende in voortijdeti plegen te practiseren. 
Vondel, Lierz. van Hor. 20: De horrende Fortuyu. 

Het frequent, voor stootend, strompelend gaan, 
heeft de pi. bij Oudemans, Bijdr. i. v. aangehaald : 
Zy horrelt noch goat mank. — Vandaar de bekende 
horrelvoet, verbasterd tot horlefoksy bij Rosseau, 
Verjaarfeest van Venus, 47: 

Jou kreup'le hisschop^ horlefox, 
Jou luijen rekel^ scheeve hox. 
En mede in* het Blijspel Schrokhart Slingerbeen, 33 : 
' I — zel ik je smoelwerk zo raaken^ 

Dat je bakhuis zoo schief als je horrelepoot zal 

staan, 
Bij Weil, is horrel een stoot; eig. is het een of 
ander voorwerp, waartegen men stoot, en alzoo 
belemmering of staking. Zoo leest men bij Asse- 
lijn, De Stiefvaer, 46 : ben ik weer in duizend 
vreezen^ Dat de minste horrel die' er we&r op komt^ 
de laatste dwaaling slimmer als de eerste zel wee- 
zen, Lottooneel van Holland, II. 200 : Zulke Gek- 
ken Die een horrel in de Koopmanschap maaktefi 
met'er opkoopery. — In het dagelijksch leven is het 
znw. ook toegepast op iemand, die lastig in het 
verkeer is, die licht aanstoot geefl of neemt; bij 
Tiling hurly iemand die in kwaden luim is, en het 
WW. hurlen voor plagen, verdrietig maken. Von 
Klein heeft hurrlebut*rle voor een warhoofd, onbe- 
zpnnen mensch, en Bemd hurlipurli voor eene 
rassche, onbezonnen beweging. Een dwarrelwind 



is bij Halliwell hurlewind, en bij ons zijn horrel 
en horlement bekend'voor dooreengewarde zaken. 
Met de afl. van het laatste tobt Bilderdijk t. a. p. 
rjselijk. Na eerst van het freq. horrelen gesproken 
te hebben, denkt bij aan eene verbastering van 
ortiament en aan het spaansche orlar^ omranden. 
Men \ees\ het w. bij Van Rusting, Ovid. Klaagd. 279: 

Ik was al overlang^ by die door lug te geesteti^ 

Roemrugtxgh; en ik was^ by al dien horlement, 

Voor eene^ die een kop vol harssens had, bekent. 
Bekker en Deken, Maria Wildsch. IV. 411: datgij 
al dit geschrijf hebt kunnen leezen zonder mij..., 
en al den horlement naar sint felten wenschen. 

Met invoeging der ; heeft men den wespennaam 
horzel, die dns evenzeer aan het geluid is ont- 
leend als die van hommel; doch horzel is ook 
toegepast op de draaijing of verwarring in 'thoofd; 
De Meijer, De Gramschap, 15: 

Het is ook qttaed^ den tyd met speleti te t>ei*- 

quisten^ 

Den horsel schiet in 't hoofd, eti H gelt schiet uyt 

de kisten, 

Het frequent, horzelen wordt eigenaardig gebe- 
zigd in de volg. pi. uit de Antw. Spelen van Sinne, 
655, waar *Heyn Corsel" spreekt: 

Griet Suermuyl mijn wijf heeft mij vleus corsel 

gfiemaeckty 

Daerom ben ick terstont op mijn peerdt ghe- 

raeckt, 

En fiebbe de wespe int hoot ghecreghen; 

Ick moet nu horien^ daer eti is gheen baet teghepi ; 

Heyn Llorsel en heeft nocfi niet wt ghecorselt^ 

Want de wespe leydt my int hoot en horselt, 

Soo dat ick nau en sie oft en hoore. 
In Fu Ida's Idiot ikens. is horseln brommen; elders 
razen en kijven, zie Kil. en Belg. Mus. V. 73. Dus 
Bekker en Deken, Brieven, II. 275: Laaten di 
Flaamers mer eensins horselen. — Niet duidelijk 
zingt de Zeeuwsche Nachtegaal, II. 55: 

De dese wert gheroetnt, dat hy in c/' Hemels 

strom^ien 
Van lien gevlerckten Hengst syn lippen heeft 

gheweyckt; 

De ghene, dat hy heeft^ gehorselt, ligghen droomen^ 
Op het twee-hoornigh spits, dat tot de Mane 

reyckt, 
oHet twee-hoprnigh spits'' is waarschijnlijk de 
Parnassus, dien de Dichter gezegd word te bestij- 
gen om daar (dus schijnt de zin) te verwijlen, en 
evenals de Pythia van Delphos, die aan de helling 
des bergs haar verblijf had, in den toestand eens 
razenden gebracht zijne orakels te spreken. 






237 



HORTELEN. 



238 



Hortelen— Horten . 

Het fi'eq[uent. ww. treft men aan bij Van Soiiie- 
ren, Ged. II. 43: 
't Is Weiliind^ die liei pleit heeft van fmar ac^ioon 

voldongen^ 
Hiuir niel doet hurtlen, maar doet rollen van de 

tongen, 
Dat de Dichter hier van de moedertaal spreekt, 
valt in het oog en hei w. is zeker niet onaardig 
(Cekozen. 

, Het prim, js bekend en komt overeen met het 
i'v. heurier, eng. to hurt^ IVequent. to hurtle, Dit 
fiorten of hurten was bij onze Ouden niet onge- 
woon; Maerl. Iijp. Hist. II. 1^24: 

— ghelijc cUst een ivint warc^ 
Wart die boetn gehuert van dare, 
D. i. ais met een hort bewogen, omgebogen. Dez. 
St. Franc. Leven, vs. 8861: 

Ee7i staerc wint begun doer horten. 
Aid. V8. 9071 : 

Maer de baren hurten ende staketi 
Alao dat de cabelen broken. 
Parthonopeus (door Bormans) 133 : 

— den scilt aen hals, spranc hi te fuxnt 
Wei lichtelijc op Maroene.... 

Hi hurte voort^ ende opent den toom, 
Bl. 188 : 

— Gfiudijn hurte uut wijchghere 
Met scilde ende met gherechten spere. 

MaerJ. Rijmb. vs. 28791: 

Doch dat si met ghenendechedeti 
An den muur hurten den ram, 
Der Minnen Loep, 11. 118: 

Want dat sij daer veel teghen hort 
tJnde mit tvreden amrden kijft, 
Vanden Lev. ons Heren, vs. 775 : 

.Sy'ft hoet hurti dicke an de wech. 
D. i. zijn hoofd stiet hij. Bijbel 1477, Exod. 21, 
vs. 14: Soe wie dat bij voorsienicheden sijn eveti- 
kermten doot, ende bi beapien, dien sulstu horten 
van minen outaer dat histerve. 2Kon. 11, vs. 16: 
si sloghen die hande an haer ende si hurtense wt 
doer den wech aldaer die paerden. in quamen, — 
In zedelijken zin is het ww. genomen, Leven van 
St. Amand, I. 93: 

'■Hi ea te Gketid binnen comen^ 
Daer heeft hi sine wandelinghe ghcnomen 
(hider '/ folc^ om dat hi maerken 
Wilde^ of (jiod yet sonde werken 
Mogheti^ ende grade stnrten^ 
Up dat hiere jeghen hurten 
Begofiste^ mf*t predicatien soete. 
D. i. zich verzetten, zich tegenkanten. Vandaar 



het adj. ftortig^ stootig, we^rbarstig; Gats, I. 
I'ol. 254: 

Kn stelt u siuer noch hortig aen. 
Krul, Parap. Wer. I. 224: 

Ik heb een hortig wijf^ dat niet wel leven kan, enz. 
Dez. Weghwijser ter Deughden, II. 31: 

Alwaer een hortigh wijf kant tegens haren Man. 
Het akensch dialect zegt daarvoor horrig, door 
Muller en Weitz verkeerdelijk tot hcuir gebracht. 
In beteekenis zijn derhalve dit ho7*rig en hortig on- 
derscheiden van fwrtig en hurtig bij Kil., in 't 
hoogd. hurtig. dat snel, vlug voortgaund, aanduidt. 

Horzelen, zie Horrelen. 
Hottelen, zie Hoetelen. 
Hubbelen, zie Huppelen. 
Huichelen'— Huiken. 

De oorsprong van het ww. huichelen^ hoogd. 
henc/ieln, fuiucheln^ is onzeker. Adelung deelt 
eene reeks van afleidingen mede, doch beslist 
niet. Bij de door hem genoemde kunnen nog 
gevoegd worden de meening van Tuinman en Bil- 
derdi'jk.(zie des eersten Fakkel, en des iaatsten 
Verscheid. II. 145 en 146, en Verkl. Gesl. op Huich), 
dat huichelen 6^n woord is met guichelen, en' af- 
komt van het lat joculari; wat ook Epkema in 
z^n Wbk. op Japicx schijnt voor te staan. De 
gissing van Bruining, Synon. II. 354, dat hui- 
chelen van dugeln zou zijn, is niet nieuw, als bij 
Adelung blijkt. Halbertsma wijst in zijn Overijss. 
Woordenb. op de verwantschap van huichelen met 
het overijselsche en groningsche hugen, vleijend 
smeeken als een kind om iets lekkers. Elders 
geeft deze Geleerde eene andere uitlegging, t w. 
in de Aanteekk. op Maerl. 505 en 506, volgens 
welke huicheletp gezegd wordt voor huifelen^ fre- 
quent, van huiven^ een huif of kap aandoen, zoo- 
als men zegt de huif tvaar den wind hangen. — 
Zoo men hier huiven met huiken verwisselt, komt 
men naderbij. Heyne toch (in Grimms Wtb.) 
brengt heucheln liefst tot hauchen^ nederl. huiken, 
d. -i. duiken, het hoofd voorover laten hangen. 
In het deemoedige dier houding ligt het eigenlijke 
des woords. De eerste beteekenis van huichelen, 
Heyne merkt het te recht op, is die van kruipen, 
vleijen, hoogd. schmeicheln, met welk laatste woord 
Adelung ook huicheln etymologisch verwant acht. 
Kil. vertolkt het ww. alleen door sblandiri, assen- 
tari." De beteekenis van (door vleijen) bedrie- 
gen, en voorts inzonderheid bedriegen door uiter- 
lijk vertoon van godsdienstigheid, in weiken zin 
wij het WW. thans bezigen, is van later dagtee- 



239 



HUICHELEN. 



240 



kening. AJs primitief is door den heer Oudemans 
uit Z. Heyns aangevoerd, in De Taalgids, II. 56, 
de \orm huigen: 

Also de Gleysenaers gaen Huygende ter Kercken^ 
Met eenen heyVgen schyn verthoonende haer wer- 

cken. 
Van de afieidingen, door Weil, opgenoemd, konoen 
de drie laatste niet dik^erf voor; er volgen daar- 
om hier enkele voorbeelden. Statenbijbel, Num. 
24 Inh.: Bileam sijn huychelye verlatende. Slui- 
ter, Gesangen, 133: uw vemwmde huychely. H. 
H. Klijn, De Driften, 145: snoode huichling. Sta- 
lenb. Randl. op Ezra 4, vs. 2 : dit huychelsch ver- 
soeck. — Hetz. werk heeft bet door Weil, nietver- 
melde, onnederlandsche /iutc/ie2t«c/i ; zie mijneLat. 
Versch. 265. — De samenst. htnchelmoord bezigt 
Zubli, Nag. Poezy, 56: 

JeruzcUem!.... uw oard^ 
• Zoo vaak besmet door huichelmoord. 
En huioheUdeed^ De Fi-emery, Mijn Letterhof, 12: 
Hij ketit den sleep der fijmtUaren 
(Die) onder H pikzvoart huigchelkleed, 
Ook niet dan zvuarte beelden schUdren, 

Huiohelen*— Huiohen. 

In bet Westvi. Idiot, is huichelen ook huikeleti^ 
scberpe en afgebrokene geluiden maken, zooals bij 
bet boesten of lagcben. De Schr. vergelijkt dit 
w. met bet middelned. huken^ scbraeuwen. Lie- 
ver denk ik aan huichen^ hoo^di, hauchen^ dat^om 
met Adelung te spreken, bet geluid nabootst, dat 
men bij zulk boe&ten vemeemt. Benecke beeA 
daarvoor huchen en Fulda hug voor hauch. Het 
frequent, zai ook wel overeenkomen met hucheln^ 
bij Richey luidkeels en onbeboorlijk lagcben. 

Huikelen« zie Huichelen*. 
Hukkelen — Hukken. 

Hukkelen (of ook wel huikelen) is bij Scbuer- 
mans »het booi op kleine boopen zetten.'' Het w. 
is aan de hoogduitscbe tongvallen ontleend. Bij 
Danneil is hock een boop gras of booi, die tegen 
den avond op de weide gemaakt wordt, en hocken 
bet maken van zulke boopen. Scbmeller heeft in 
dien zin umhocken^ benevens' de frequent, hockem 
en hocken en. Zie ook Sturenburg en Scb6pf. 

Humpelen^ zie Hompelen. 
Huakelen— Hungen. 

Dit frequent, heeft Valentijn, Werken van Ovid. 
III. 174: Hij wist wel wien de hond bebafte^ de- 
wijl hij alleen om hoar huis bunkelde. — Het w. 
beteekent hetzelfde als het gewone hunkeren; zie 
dus dit art. 



Huppelen— Huppen. 

Anders hippelen, hippen (zie dit); bij Kil. hop- 
pelen^ hoppen^ overeenkomende met het eng. to 
hop^ doch bij onze schrijvers mij niet voorgekomen. 
Hetprimit., in 'tboogd. hUpfen, leest men bij Bil- 
derdijk, Ki*ekelz. I. Voorr. 3: wcuirom zou hydan 
niet op zijne wijze.... door het groan huppen en 
kwelenf — Meermalen echter in Poezy; dez. Wit 
en Rood, II. Ill : 

— daar zy tangs de heide 
In H luchtig jachtkleed hupte en vloog, 
Tollens, Dichtbl. 27: 

Ik hup niet ovet* U kruid, 
Bogaers, Gez. Dichtw. 1. 53 (de blijmaarbrengster) : 
Die, hijgendf naast hoar hupt, hoar kust bij elke 

schrede. 
Ook met voorzetseis ; Bilderdijk, N. Verscheid. III. 
144: wanneer men hoar de koteti aan stukken 
slaat om op een Latijnschen kruk ns te huppen. 
De Thouars, Zriny, 33 (van een ros, dat): 

De drommen nahupte op Hgeschetter der trompet, 
Bilderdijk, Affod. II. 15: 

Den krekel..., die vast omhupt door het kruid. 
Scbimmel, N. Ged. 2: 

Hupt niet de vink de twijgen over. 
Kiliaan vermeldt als vlaamsch hubbelen, dat men 
leest bij Despars, Cronijcke van Ylaenderen, II. 
486: die men dansers hiet, omme dieswille, datzy 
continuelick bubbelden, dansten enae luyts keils 
zonghen. De Gasteleyn, Pyramus ende Thisbe, 8: 
Om derwaert wy hubbelen, dinct my tsienste: 
0ns voeghende tot ghestadighen dietiste, 
De Harduyn, Uitgel. Dichtst. 127, bezigt hupsen 
voor ontspringen: 
Want van sulck eeneti Godt het segghen uxis 't 

volbringhen^ 
Zijn woord schiep al uyt niet des weerelts bolle 

rondt : 
Jae al de wonderheydt^ 7 zy van hoe vremde 

dingheny 
Is 't werck eens inckel woords dat hupste zy- 

nen mondt. 
Het laatste halve vers luidt in den Gheestel. Nach- 
tegael, III. 195, waar het dichtstuk mede voor- 
komt: ghecomen uyt sijn mondt. — Men zou kun- 
nen vragen of van huppen ook afkomt ons adj. 
en adverb, hupsch, en werkelijk heeft men dit ge- 
dacht^ zie Bruinings Synon. I. 77, om »het denk- 
beeld van vingge geschiktheid tot huppelen dat 
op den grond kan liggen, als in fluksch eene tot 
vlugtige bewegingen." M Is zeker ruim zoo aanne- 
melijk als dat hupsch van heup zou zijn, en dus 
wel geheupty en zoo welstaltig; zie Bild. Verkl. 



241 



HUPPELEN. 



242 



Gesl. op Heup ; eene afleidiqg als die, welke Tuin- 
man van huppel&i geeft, hetwelk hij houdt voor 
oppelen van op. Uit het middelhoogd. blijkt in- 
tusschen dat hupsch alleen een andere vorra van 
hoofsch is, zoodat het met het fr. coiirtois over- 
eenkomt; zie Beneckes Wtb. en verg. Adelung en 
Schmeller, en ook Bilderd. zelven in h. a. w. eenige 
bladzijden verder, op Ho/*, waarhij die verklaring 
uit Leibnitz ovemeemt. 

Bilderdijk schijnt het ww. huppelen bedrijvend 
te nemen, Winterbl. I. 112: 

Die (muzyk) hezweert den neep der smarte^ 

Als uw Vriendachap my doordringt ; 
*t Hnppelt hlijdachap in mijn harte, 
En de stramme toon ontapringt. 
Liever denk ik hier aan een onpersoonlijk gebruik, 
in navolging van het hoogduitsch, dat het pron. 
etf eveilzoo bezigt. Wij zouden er voor zeggen: 
er huppelt hlijdachap^ of de hHjdschap huppelt; 
een gelijksoortig gebruik van het vermeldde ik in 
mijne Proeve over den Invl. van 's Dichters Werken, 
bl. 133. — Figuurlijk toegepast vindt men het w. 
bij dens. Treursp. II. 93: 
'k Herinner my den boog^ die aan mijn schou- 

ders huppelt. 
Met voorzetseis saamgesteld vindt men het freq. 
op volgende wijzen; Fokke, Boertige Reis, I. 30: 
hem door zoo springlevend te zien aan komen 
huppelen. Bilderdijk, Mengelp. II. 211 : 
Vemeemt hij Geertes Edelknaap^ 
Aanhupplend door het dal. 
Van '8 Gravenweert, De Uias, III. 242 : 

Dan we&r uiteengesneldy doorhupplen zij de re^en, 
Bilderdijk, Muis- en Kikv. 34: 

J\anneer een fixe hand..,, omhuppelt langs de 

snaren. 
Hier heeft het voorzetsel den klemtoon, doch de 
regel is daardoor in strijd met de voetroaat. — 
De Vrije Fries, X. 30: alwaar zij de kinderenala 
vogelk^ns op de takken der hootnen zagen om hup- 
pelen. Van den Broek, Ged. 64: 

Kom^ mijn geliefde^ de dageraad wenkL, 
Vrolijk het geurige leger onthuppeld. 
Blieck, Mengelp. II. 99: 

Een geestig boertje^ vlug en jong.... 
Onthuppelde eens zijn vreedzctam dukje. 
D. III. 80: 
«- maegden, dansende en tamboerende in een rei^ 
Het hof onthupplen, om hem feestlyk in te halen. 
Vondel, Davids Harpz. 157: 

^kZal in de achaduw van tiw scha^hien 
Ophupplen, nimmet* schuw. 
Revius, Ps. 68, vs. 8: 



Hoe comtet^ dat ghy hergen trots 
Dus tegen het geberchte Gods 
Op-huppelet en springetf 
Vr. Bilderdijk, Wit en Rood, II. 36: 'tgebergte 
huppeide op. (Nieuwenhuizen) Keur van Dichtbl. 
59: vrolyk huppelt zy my tegen. 
Een adj. huppelig heeft Huygens, Korenbl. I. 509: 
De Vrouw volt.... huppeligh van voeten en van 

praet. 

Hutselen— Hutsen. 

Beide wvm. heeft Kil. voor schudden, schom- 
melen, in bev?eging biengen. Hutsen luidt bij ons 
ook hotaen en hoaaen; bij Von Sehmid, Schwab. 
Wtb. hoaaen^ hoachen^ hotzen; bij Schmeller hut- 
achen; in 't fr. hocher. Dus Croon, Gocus Bonus, II. 188: 
Dai ghy eenen Hutspot zijt^ 
Die Godt ooek at hutsen moet. 
Valentijn, Werken van Ovid. III. 174: hoe deatee^ 
nen gehutst en geworpen moeten worden. D. 11. 
13: hutsende die (woorden) over en weder. La- 
ter bij Bilderdijk, N. Mengel. IL 163: 

Wen Brontes u omhelade en op zijn knien hutste. 
Naklank, 56: 

Waar 't lot my aleepte^ rond gedragen^ 
De wareld op en ne^ gehutst. 
Avondschem. 87: 

Altijd op en ne^ gehutst. 
Eene saroenst. er van heeft Croon.* a. w. II. 188: 
Vreeat het hutseklutsen niet. 
Het frequent. hiUaelen is bij Poot, Ged. I. 342, 
uitschudden, uitstorten : 

Tn HW goutkantoren wasaen 
Atlaa appela^ hoog en laeg^ 
En de tuimelende Taeg 
Hutselt 'er zyn blonde plaaaen. 
Zoo ook Bilderdijk, in Leydens Ramp, 44 : 

De atraten hutzlen goud, de Rhynstroom gouden 

baren! 
Meest gebruiken wij hutselen voor het dooreen- 
schudden van speelkaarten, dobbelsteenen en der- 
gelijke voorwerpen. Vondel, Vii*g. in Dicht, 315: 
Schout Minoa hutselt hier de loten. Duim, Men- 
gelz. 142: 

Men hutzelden 't bovetiat naar onder^ 
Men trok de brief jea teratond 
Tollens, Liedjes, 48: 

{Zij) hutselden het een door Hadr^ 
Alsof het tnoes en poespas waar. 
Lulofs, Louise, 8: de door elkander gehutselde 
apijzen. — Oudtijds was er een speU bekend onder 
den naam van hutaelen. waarschijnlijk aan het 
schudden der geldstukken in de hand, of der dob- 
belsteenen in den koker, ontleend; zie Van Has- 



243 



HUTSELEN. 



244 



aeM op Kil.; Hoeufft, Aanb. op het Bred. Taaleig. 
18, en Oudemans Wdb. op Bredero i. v. — De uit- 
drukking loop hutselen^ tegen iemand gebezigd, gaf 
te kenrien, dat men onverschillig omtrent hem was, 
of van hem ontslagen wilde zijn; thans zegt men 
daarvoor loop spelen^ loop hoepelen en meer andere. 
Men treft ze aan bi] Coster, Isabella, 2: 

Ick sat een ommesien te futslen,. 

Boar quam een bm/tje^ 'k zet/d loop huts'len, 

Of wilt ghy maleti^ maalt uhU oars. 
Jan Vos, Kl. van Oene (1662), U: 

Bitsaart et hier eweest^ die overntze IHef^ 

En wou met al zen kracht, al zeideti ik loop 

hutselen, 

En stiet hum van men lijf, men eerbaerheydt 

ontf'utseleti. 
Krispijn Barbier, Dansmeester enz. 14 : Ki^Sinjeui\ 
loop! hutselen. — Het is opmerkelijk, dat een der- 
geltjk gebruik van het ww. in het zwitsersch 
wordt aangetroffen. Tobler heeft hotschela (d. i. 
hiitscheln) in de spreekwijs mer wonds hotschela 
loh^ d. i. wij willen het laten glippen, ons daarom 
niet meer bekommeren. 

Met voorzetsels hebben we omiiuUten; Croon, 
a. w. II. 187 (van etensbrokken ) : 
'/f Hehse.... 

Niet met lepels omgekeert^ 
MaeP ick hehse omghehutst. 
Hier van het frequent. Erasmus, CoUoq. Fa mil. 353 : 
Werpt^ maer fauUelse my eerst am, fyn rnan. 
Vondel, Horatius' Lierz. 37: In den ruimeti korf 
worden allerleie naemen omgehutselt. E. Bekker. 
Het Nut der Vooroord. Voorb. 14: nadat \mf den 
Beschuit'tronnmel zeer utizydig hodden omgehut- 
zelt. Zeeus, Overgebl. Ged. 22: 

— onder H stierenbloet het bloet ixin dmken 

plengen, 

Dat, omgehutseld, al de lucht met stank besmet. 
Twee plaatsen uit Hooft zie men in het Wdb. des 
Inst., doch aldaar verkeerdelijk gebracht op Hntse- 
leti; ^^ne ervan stelde Oudemans, in het Taalk. 
Wdb. op Hooft, ter i-echte plaats. 

Wij zeggen onthutsen Hg. voor schrikken, ont- 
stellen. Weil, verklaart dit als »door omhutsen 
van juistheid en orde ontblooten." Beter zegt 
Bruining. Synon. I. 127, »als door hutsen. schud- 
den en schokken, uit zijnen vorigen staat gebracht.'' 
Een hots toch is een schok of stoot : en zelfs fiotz- 
leti bij Tobler een' stoot geven. Dus in den eigen- 
lijken zin heeft Oudaan het woord, Agrippa, 163 : 
7 een uit het ander trekkende, onthutzenze de voe 

m 

ten des Waerheids. D. i. van zijn plaats of stel 
brengen. Aid. 428: oorlogen te voeren, verbanden 



te onthutsen, eeden t^' ofitbinden, D. i. ontbinden, 
losmaken. In den mecV gewonen fig. zin is het w. 
bedrijvend; bij E. Bekker, De Twee Moeders, 1. 207 : 
die vrees onthutst mij dikiviJU, Porjeere, Dicht- 
meng. 109: 

Sta^k toch eens het zoiyloos ronken, 
Eer de doodsbode u oiithust. 
H. H. Klijn, Ged. I. 39 : 

Geen anbereikbre wensch onthutst thans meer 

zijn rede. 
En onzijdig, bij denz. Agatbocles, 29: Agathocles 
en Marcellwt onthutsen. — Vanhier de bij Weil, 
zelfs niet vermelde alleidingen onthutsing en ont- 
hutstheid ; Oudaan, Koomsche Mog. 133 : dat Land- 
schap dat.,., de liootnsche Mogentheyd.,.. met geeti 
minder onthutsing geknenst heeft, E. Bekker, De 
Twee Moeders, 1. 208 : Hij otidervraagde Du RociieVy 
die antwoordde met onthutstheid. D.W.^: Mijne 
onthutstheid konde.,.. niet bedaaren. 

Yoor dit otithuUen bezigt men ook wel den fre- 
quentatiefvorm onthutseleti ; Ogier, Boere-Geck, 25 : 

Gedenckt hoe dat ik was met mijn verlies ont* 

hutselt. 
Nomsz, De Geldzuchtige, 232: Hij ging buiten^en 
kwam eenigermate onthutseld binnen. Dez. Ver- 
telsels, II 78: Com raakte een weinuj onthutseld. 
Lesturgeon, Verstrooilingen, 92 : 

Doet het uitzicht u onthutseld beven, 
Als gy Hoog slant om u heen? 
Kinker, Post. v. d. Helicon, II. 259: 

VVir zoekt hier door zijn' geest mijn zangrig 

brein te onthutselen? 
Wiselius, Meng. en Tooneelp. V. 44: 

— Waarom dus onthutseld en verslagenf 
De Hoogl. Bormans gebruikt onthutselen voor: in 
de war brengen, bederven ; Leven van Sinte Chris- 
tina, p : in den tekst is noff meer onthutseld. Aid. 
501 : ook dcze plaets is oogenachijnelijk onthutseld. 

Hiervan onthutsvUng: Nomsz, Gabriela Van Vergy, 
Voorb. 6 : Die akelige ongentstfietd.... die onthut- 
selingen die hem telketut zo natuurlyk bedriegen. 

Weil, heeft verhutselen voor »al hutselende van 
zijne plaats brengen;" het w. komt voor in den 
Brief van Job. Hilarides over de nieuw herdr. 
Roozelyns Oogjes • ( Amst. 1712), bl. 4: hoe de Hol- 
landers heeden zeer drak bezig zijn, om de ge- 
meene Neederduitsche taal eens lustig te verhut- 
selen en te verboeten, 

Zie voorts nog HotterenK 



245 



IJZELEN. 



246 



IJaelen'— IJzen. 

IJzen 18 bij Kil. vriezen, oudhd. isen ; en zoo 
leest men nog bij Arntzenius, Nagel. Ged. 78: 
*tZy, wanneer de winter ijst, 
7Zy, wanneer de lente rijst. 
Vandaar ijzel^ ijekegel, reeds in 't oudhoogd. isilla^ 
hichela^ Graff, L 485 ; waarvan wederom ^jzelent 
bij KjL ook hijselen; Poirters, Den Alderheyl. 
Naem, iO : 

Het sneeuvoden^ en het stormden seer 
Het hyselden van boven neer. 
hetzij voor vriezen, hetzij voor tot ijskegels worden. 
Voor dit ijzelen zegt het vlaamsch ook ijzeren; 
zie De Bo. 1469. Beijzen is met ijs bedekken; 
Bogaert, Ged. 73: beysde bergen. Snieders, De 
Verstooteling, 270: de beysde hakett. Bij Vondel, 
Pascha, 44, kan behijzeld zoowel beteekenen be- 
vrozen, als met ijzel bedekt: 

Sy reysen naar 'tbesneeuwt en 't kout behyselt 

noort. 
Poezy, II. 5: 

Een woest Sarmaet, wiens hair otn fials en hooft 

en ooren^ 

En udt bebijzelt voor 't gezicht kluM^ stijf be- 

vrooren. 
Dus ook Kinker, Ged. II. 51 : 

HcMr moordschichten vliegen bij dagen eti nachten^ 
Door de ijzlende en ademverdelgende luchL 
De laatste beteekenis kan alleen plaats vinden bij 
Ingen, Getr. Herderin, 150: 

— de miyle Herfst 

Komt met zijn kou en Ya, de Bloernen witt' en roode 

Op-eten, 'tvyer uytdoven; 

De tintelende hayren^ 

Als goude Koren^ayren^ 

Behyzelen. — 
Bij Kil. is ijzen ook het tjs broken, eng. bij Hal- 
liwell to ice^ dat zal te verstaan zijn als ant-ijzen^ 
d. i. van ijs bevrijden ; Schmeller heeft daarvoor 
abeiseny auffeiseti, au^seisefi^ en het fi'equent. eis- 
nen, het ijs wegruimen. Wij hebben er niet al- 
leen ijzeny maar ook bij ten voor, en beide wwn. 
vindt men bijeen, Wagenaa?-, Vaderl. Hist. XIV. 
229: Amstelland, welk zelf op het yzen en byten 
orde zoH tnoeten stellen. — Bijten vindt men voorts 
bij Brandt, Het Leeven van De Ruyter, 1. 470: D^is 
werdt dit byten meertnnalen, zoo ras als het ys 
der gracht zoo dik er^ sterk was^ dat 'er tnensclien 
over moghtefi, hervat. Wagenaar, a. w. VI. 341: 
tirbeidde Treslongs oolk, om 't schip los te byten. 
Wiselius, Meng. en Tooneelp. V. 113: Men bijte 
Hijs! — Vondel bezigt het ww. sterk; Maegh- 
dan, 26: 



{Amazonen^ die)..., beeten met de bijl 
Den stroom Thermodoon, en onzen To/taut open. 
Wagenaar, a. w. XIV. 229, heeft mede dit open- 
bijten: het open byten van de groote en kleine 
Wierikken tot aan den Ryn. — Vroeger had men 
daarvoor opbijten: Bogaert, Ged. 2: 

Gereet de Noortpool met dcti steven op te byten. 
Zie ook de pll. bij Weil. 

Kil. heeft verijzen voor bevriezen, tot ijs wor- 
den ; het frequent, daarvan leest m^n Nieuwe 
Honigbije, III. 129: 
— als 't uitlopend Bloey van enen boom veryzelt 
Door onverwachten vorst in 't voorjaar — 

IJaieleu*— IJzen. 

Van ijzen^ schrikken, ontzetten, komt het fre- 
quentatief voor bij Sluiter. Eybergsche Sanglust, 48 : 
Geen ander smert is uwe smert gelijk; 
VVy staen hierom ontset^ eti moeteti yslen, 
Dat gy, als borg in onze plaets getreen, 
U selve soo geheellijk laet verbrijs'len. 
Aid. 50: 

Een hert, dat otn sijn vuyle sond\ 
Heel walg*lijk van sich selven yselt. 
En De Swaen, Leven en Dood van Jes. Ghr. 1. 186: 
Hy yselt in den geest^ en stoort sig in H gemoet. 
In het vlaamsch is dit w. nog bekend; zie het 
Idiot, van De Bo. Zie voorts op IJzeren. 



Jampelen— Jampen. 

Jampelen heeft Kil. voor wankelen, waggelen, 
fr. chanceler. De oorsprong van dit frequent, is 
niet twijfelachtig. Het primitief, dat bij ons jam- 
hen of jampen zou luiden, indien het gangbaar 
ware, laat zirh in de verwante tongvallen duidelijk 
aanwijzen. Het middelhoogd. heeft bij Benecke 
gumpen (ich gimpe, gampe) voor huppelen, sprin- 
gen ; het zwabisch bij Von Schmid gampen^ met 
de voeten hobbelen, gumpen^ huppelen; het bei- 
jersch bij Schmeller gampen (ook gampem), hup- 
pelen, springen, gumpen^ lustig springen ; het zwit- 
sersch bij Tobler tfimpfa^ gempfa^ wippen als met 
een' stoeK gampa^ een bank of stoel her- en der- 
waarts bewegen, gampfa^ wippen, hobbelen, waar- 
van gampross^ een hobbelpaard. Het ww. dat zich 
in de genoemde vormen voordoet, duidt eigenlijk 
eene beweging met de beenen aan, en komt van 
't fr. jambcy lat. campa, oudfr. en in sommige stre- 
ken nog tegenwoordig gambe en gampe^ d. i. been ; 
waarvan de wwn. gambier bij Roquefort en H6cart, 
en janbi bij Cambresier (Diet. Walon-fr.) voor de 
beenen bewegen, gaan, loopen ; voorts gambade^ 



t247 



JAMPELEN. 



2^ 



sprong; (famhader^ oudfr. (jamhadir^ springeii, en 
meer andere. 

Met den frequentatiefvorm heeft men in 't fr. 
ijambiUe^\ met de beenen spartelen, bij Hecart 
gambelier^ gaan, loopen, bij Roquefort gamheler^ 
de beenen bewegen en in de hoogte slingeren. 
loopen, springen, in welken laatsten vorm men 
zoowel Kiliaans jampelen. ale bet eng. to gamble 
en bet zwab. gaumlen terugvindt. 

Jangelen— Janken 

Halma en Weil, hebben beiden voor huilen, in- 
^onderbeid van bonden gezegd, docb vroeger ook 
van menscben; zie op Jammeren. Met janken^ 
waarvoor men jangen leest bij Valerius, Ned. Ge- 
denckkl. 40: 

Slae dat hy (d. i. Aim) pypt^ en kirt^ en jangt. 
zullen vei-want zijn eenige wwn. die in 't algemeen 
builen, weenen, grijnzen, te kennen geven, als 
zawen, lannen^ zdtmen, zennen, zinnen, bij Von 
Scbmid, Schmelter en Tobler opgeteekend; bet 
hoogd. beeft daarvan zanken in de gewrjzigde be- 
teekenis van in woordenstrijd zijn, krakeelen. 

Met jan</efen laat zich vei-gelijkenhelfr. jan^/er, 
bij H6cart jengler^ schreeuwen, schertsen, liegen 
enz.; docb men houdt dit voor ontleend van de 
jongleurs; zie Roquefort en vooral Pougens, Ar- 
cb^ol. Franc- I. 320. Ik moet evenwel doen op- 
merken, dat Borel op /anr/k*r zegt: »on dit encore 
jangaula et changoiila en Languedoc, pour dire 
cner fort^ k la mani^re d'un cbien battu." 

Wat bet reft de beteekenis, die janlten en jange- 
len bij ons doorgaans bebben : Weil, geeft die niet 
voldoende op. Tobler zegt aangaande zbwen^ dat 
dit WW. een middelding is tusscben schreijen en 
niet scbreijen bij kinderen. Datisjuist opgemerkt, 
naar ik meeii. Janketi^ ook wel jenkefi^ ijenken^ 
en vooral jangelen^ insgelijks jengelen en jingelen 
uitgesproken, duiden inzonderheid aan bet op balf 
scbreijenden toon plagen van kinderen, als zij bet 
een of andet verlangen, dat bun geweigerd wordt, 
hetgeen men ook wel dwingeti beet; en voorts, 
ook met toepassing op volwassenen, zulk plagen 
of aanhouden, waarbtj niet zoozeer de scbreijen- 
de toon, als wel een lastig en vervelend vragen 
of snappen wordt vemomen. Vandaar bij Weil, 
de uitdrukking om een ambt janken^ d. i. op aan- 
boudende en vervelende wijze er om verzoeken; 
Dus ook bij Vondel, Poezy, I. 721 : 

Toeti dees Godinnen tijt om spreeken wcus gegont^ 

Deter lang om was gejankt, zoo riepenze uit eeri' 

mont^ enz. 
Onze volkstaal noemt dat mode saneken of zane- 



ken. in welk woord men bet straks vermelde zan~ 
ken herkent, docb dichter dan dit bij de ware 
beteekeni^ gebleven. Dus Fokke, Boertige Reis, 
II. 92: toen sannekten ze at verder: och^ goede 
Jansje enz. Dez. Verzani. van Spreekw. 69: wijl 
ze ons altijd fieel otitijdig.... met bun gezanik ko- 
men vervelen, Dez. De Vrouw is de Baas, 1. 156: 
dat gezanik en geschreeuw is niet otn uittehouden. 
Aid. 185 : Al dat acbter na gezanik zijn nu zeker wel 
woorden in den wind. — Bij Epkema heefi janckjen 
niet alleen den lin van treuren, maar ook dien van 
lofzingen, loven, prijzen; en tevens van baken, verlan- 
gen, streven : beteekenissen ten goede alzoo, aan bet 
friesch bijzonder eigen. — Volgens Willems (Men- 
gel. 343) is in Braband jang^deti of djangelen lang 
aanbouden met dingen of bieden ; iemand die zulks 
doet, wordt er een djangelaar geheeten. Zoo leest 
men in De Dietscbe Warande. I. 417: 
Doe zijn beste die HwiUe doen^ 
Al cocht hy een tnande fruuts overhoopt^ 
Hy en zal niet crijghen dat hy koopt, 
Al comt hy noch so wel dijcken (*) en janghelen. 
D. i. aanboudend dingen; Janssen en Van Dale, 
Bijdr. VI. 230: 

— Verstaet mijn segghen^ 

Besiet of ghy 7 doen wilt zonder janghelen. 
D. i. lastig dwingen. — In gelijken zin bezigtonze 
volkstaal jengelen^ als men zegt : h^ loopt ergens 
om jengelen. d. i. bij houdt op lastige en verve- 
lende wijze aan met vragen om iets te verkrijgen. 
Weil, brengt dit ww. verkeerdelijk tot gengelen., 
d. i. gaan (zie dit w.). Bij Tuinman, Rtjmlust, 181, 
leest men: 

Men zegt van tandpyn, dat ze jengelt. 
D i. aanboudend plaagt of kwelt. En volgens Dr. 
Te Winkels N. Ned. Taalmag. II. 224, is in Zuid- 
beveland voor ^ergens om dwingen" jingelen in 
gebruik, wat van jengelen alleen door gewone 
klankwisseling verschilt. Zie voorts Tjangelen. 

Bij Nolet de Brauwere. Ged. 11. i26, is jangelen 
van bet snaargeluid gezegd: 

Door het jangelen op de overgemoedelijke snaer. 
En Huygens vei'gelijkt het w. met het geluideener 
bel, Korenbl. II. 234: 



(*) Dit diicken komt mtf voor te zQn bet merkwaardige 
middelboogd. ww. tichen» teichen, waarover Grimm bandelt 
in zQne Grammatik, IV, :i.l5 eo 836^ en dat ook In Beneckes 
Wlb. Is opgenomen. He beteekeni$: In bet werk stellen, be- 
proeven. komt altbans In de bovenst. pi. zeer goed te pa». 
Evenxeer voegt die van zlngen, een gezang aanbeffen. In d» 
pi. Hor. Belg. XI. 36: 

Al is die teifUer ttrancK 

Haer nachten die ff n kinck 

Om vrolfc te t%n ter tycke. 



249 



JANGELEN. 



250 



Ghy light en jangelt als een' belU 
Vef^stajet weL verstajet welf 
D. i. gi) houdt aai> met vragen, alsof ge een bel 
waart. Men zou daaruit kunnen afleiden, dat het 
belgeluid mede jangelen heet, wat zeker niet on- 
gepast zijn zou. In onze taal zljn mij voor der- 
gelijk geluid wel voorgekomen de frequentativa 
tinkelefi en tjinkelen (zie deze wn.), doch niet 
jangelen of jengeletu Bij Shakespeare leest men 
intusschen, Hamlet, Act. 3, Sc. 2: 

/ am of ladies most deject and wretched, 
TfuU suck'd the hony of his musick vows: 
Now see that noble and most sovereign recufon. 
Like sweet hells jangled out of tune, and harsh, 
D. i. uit den toon geluid, ontstemd. 

Jengelen, zie Jangelen. 
Jeuflelen— Jeuaien. 

Jeuzelen beteekent in Groningen en Overijsel 
morren, klagen, volgens Laurmans Brjdr. 29, en 
Halbertsma's Wdb. i. v. Dus leest men in den 
Tijdspiegel, 1852, n*. 3, bl. 173: Geen jeuzelen en 
heuzelen over eene lamme enverlammende genade, 
Halbertsma, Lappekorf door Goevemeur, II. ^96 : 
tia een uur pimpelen, jeuzelen en vloeken^ kreeg 
onze boer twintig achtentwintigen in zijn zak. 
Friesche Volksalm. 1841, bl. 87 : 

En wijf zoo jeuzelt Jetje voort, enz. 
Vandaar gejeuzel; Lulofs, Staring geschetst, 12: 
al dat gebeuzel en gejeuzel, al dat rijtnend likken 
en flikken verveelde, Friesche Volksalm. 1842, 
bl. 141: 

'k Was eindlijk dit gejeusel wioe, 
'k Craf hen 't adieu demoedig. 
Halbertsma verklaart jeuzelen door jaselen^ van 
jo»er, in H fr. voor snappen, babbelen, bekend. 
Het prim, jeuzen, jazen^ komt dan overeen met 
gatzen^ bij Schmeller snateren, gaizgen^ kakelen 
als eene hen; waarbij opmerking verdient dat de 
Franschen hun jaser afleiden van jas^ in H oudfr. 
een haan. 

Jingelen, zie Jangelen. 
Jodelen, zie Joedelen 
Joeohelen— Joeohen. 

Beide wn. komen in bet Alg. Yl. Idiot, voor.; 
joecheleti voor »fau88et zingen," en joechen voor 
»een vreugdekreet aanheffen." Zie Jogchelen. 

Joedelen— Joe-en 

Het frequent, joedelen komt voor in Van Oos- 
tei'zees Redev. Verband. enz. 11. 274: 

7 Is een zingen^ een joedlen, met einde noch moat, 
'f Is reeds veel^ zoo men 7 rtiischen der beek nog 

verstaat. 






Elders vindt men jodelen; Auerbacb; Op de Hoogte, 
II. 222: In de verte hoorde men menigmaal jode- 
len, het blaffen van een hond en den riemslag van 
een boot. Aid. 245: Toen.... Walpw*ga,... over het 
meer heeti gejodeld f^ad om hem. te huts te roepen. 
Aid. 303: Nogmaals weirklonken heldere muzijk^ 
gejuich^ gejodel en luide schoten langs den oever, 

Het hoogd. heeft de wwn. juden^ jUdeln, voor 
handelen of woekereri als een Jood, zie Adelung 
en Schmeller. Dat deze bet. hier niet bedoeld kan 
zijn, is duidelijk. Joedelen, jodelen, is hier hetz. 
wat gewoonlijk joelen heet, d. i. joe-elen, frequent, 
van joe-en^ d. i. den juichkreet joe aanheiTem Dus 
Tollens, N. Ged. I. 101 : 

V Vaarwcl en 't afscheid joelt en schatert langs 

de stranden, 
Ter Haar, De St. Paulus Rots (5e dr.) 39: 

Dddr huist en joelt, dddr tiert en schreeuwt 

Een talloos heir van zeegevogelt. 
Dit ons joelen is btj Von Schmid jolen, bij Richey 
en Stalder jolen, zingen. luid roepen, bij Schmeller 
jo-eln »jo, ju schreyen," met invoeging der d, jo- 
deln bij H6fer, jodeln bij Schdpf, op luidruchtige 
wijze vroolijk zijn. De wortel van joZen beteekent 
vrooiijkheid, pret; De Bull, Verspr. Ged. 92: 
Vrolijk Fransjen aUe dagenf 
's Morgens, 's middags, 's avonds jool ! 
Het adj. jolig is in de volkstaal bekend. 

In zijne Verscheidenh. II. 146, stelt Bilderdijk 
joelen gelijk of ^n met juilen. Somwijlen althans 
ontmoet men het laatste in den zin van het eerste. 
b V. Tollens, N. Ged. 11. 75: 

(Hij) juilt van vreugd in 't huxswaarts trekken. 
Aid. 14: 

Dan juilt het volk van moed, bij 'thooren van 

zijn rede, 
Doch anders wordt het aid. 18: 

Dat ziet de Saraceen en juilt met schimpend 

Sfnaleji 

Den waan der christnen uit — 
En dez. Laatste Ged. II. 5: 

Hij wordt gemonsterd en begluurd 
En nagejuild in elke buurt. 
Hier gaat het gebaar van vrooiijkheid tot dat van 
schimp of spot over, anders uitjouwen genoemd, 
en ook najotiwen ; Riemsnijder, Fab. en Vert. 192 : 
Want al 't gepeupeL jonge en oude, 
't Welk zig daarme^ vermaakt had, jouwde 
Nog verre buiten 7 Dorp hem na. 
Op den vrind toegepant wordt juilen wat anders 
huilen heet en zoo heeft Weil, het w. Dus Maria 
van Zuylekom, Mengel. 119: (voord. 

De orcaanen juilden met een schriklijk woeden 



251 



JOEDELEN. 



252 



Van Someren, De St. Eliz. Nacht, 30: 
— dolle buijen^ die verwmrlijk aaklig juilen. 

Jogohelen— Jogohen. 

Beide wwn. komen voor in het dialect van 
Maastricht, voor lagchen, veel lagchen, waarvan 
ook oetjochen (uitjogchen) uitlagchen, bespotten; 
zie mijn Archief, III. 360. Vandaar gejoechjachy 
herhaald of verward gelach; Beets, Cam Obsc. 5e 
dr. 334: De heeren zitten aan tafel.... Het is een 
gejoechjach, een geschater^ een instellen van toas- 
ten^ zonder end. En waarschijnlijk ook uitjuigeny 
brj Bredei'o voor joelend naschreeuwen ; Boert. 
Liedtb. 112: 

Met qxiam doer een kt'iael van Jongen en van 

Outoeny 

En juigden uyt den Nar metkondert duysent 

jouwen, 
Het akensch heeft juchele^ joelen, juichen, en het 
vlaamsch joechelen en joechen^ z. d. w. Dat het 
primitief verwantschap heeft met ons juichen^ valt 
in het oog, en wordt bevestigd door de verwante 
dialecten. Schutze heeft juchen^ juichen, Stalder 
juchzen^ juzen^ juheien^SchmeWerjU'ezeti^juhezen; 
zie vrijders Juchteren. 

Jongelen— Jongen. 

In het Alg. VI. Idiot, is jongelen^ wat elders 
jongen beet d. i. jongen werpen. Ook bij Stalder 
komt jungeln voor in dien zin, van honden en 
katten gezegd. 



Eaatselen— Eaatsen, 

In het taaleigen van Maastricht is kaatselen, k\- 
daar koazelen uitgesproken, bekend voor wat eiders 
kautsen heet, d. i. met den bal spelen. voorts wer- 
pen, slingeren enz.; zie mijn Archief, III. 361. Dat 
het w. eig. zou beteekenen voortjagen, voortdrij- 
ven, als Weil, en anderen meenen, en alzoo ver- 
want zijn aan het fr. cfiasser, eng. to catch, komt 
mij niet aannemelijk voor. De bet. ligt in het 
afkeeren, zooals Bilderdijk te recht opmerkt in 
zijne Geslachtl. II. 20. Ook keisen^ dat Kil. nevens 
kaataen stelt, beteekent dit, en niet, als Weil, 
zegt, een »kissend geluid" geven. Fig. wordt het 
afspringen; b. v. Bij v. op Wagenaar, XIII. 65: 
iixmrom men.,,, nit vreeze voor ketsen, begreepen 
zal hebben^ hier omtrend^ niets.. . te moeten waagen. 

Eabbelen— Eabben. 

Volgens Ril. en Ten Kate, II. 233, is kabbelen 
jongen werpen, inzonderheid biggen, van kabbe^ 
bigge en ook onnoozel, dom mensch, in welken 
laatsten zin men H naaraw. aantreft bij Westerbaen, 
Ged. li. 692: 



Een boer van over Maes^ al is 't een hoddebeck 
Een loer, en botterick^ een kabbe, een halve geck^ 
Heeft hy rnaer geld^ hy zal de meysjes tiaest 

bekooren. 
Van Steyn, Kl. van de Melckboer, 30: 

— jy mogt de galgh jou Sot^ 

Jou besuckten gierigen kabbe, jou allemans spot. 

Voorts »met dezelfde overdragt (zegt Ten Kate) 

als men kalven foetare en vomere, gebruikt," is 

kabbelen braken, overgeven ; en wqders ook : het 

golven van het water, en schiften der melk. De 

twee laatste beteekenissen zijn nog in zwang. 

Het kabbelen der golven is zeer bekend. Dus b. v. 

Antonides, Ged. 92: (viert,,., 

Gelijk een vloet^ dien ruim de teugel wort ge- 

En kabbelt slechts^ en kust de lippen van de 

weiden, 
De Cort, Liederen, 218: 

In den maneschijn ben ik buiteti geweest, 
Wnar beken en vlietekens kabbelen ! 
Vondel (zooals reeds door V^eil. is opgemerkt) 
bezigt het ww. bedrijvend; Brieven van H. Maegh- 
den, 59 : in Provence^ op zekeren hergh, van de zee 
gekabbelt. Virg. in Dicht, 124: 

Ter zyde in eenen bergh^ gekabbelt van de vloe- 

den, enz. 
Het w. echter dat men leest Poezy, II. 539 (tot 
de geitjes): 

(Ik) Zal u niet meer^ van ue»T6, kruit en lover 
Zien kabbelen en. kaeuweti^ even gra^egh. 
houd ik voor eene misstelling voor knabbelefi^ al- 
schoon ook dezelfde lezing voorkomt achter de 
Leeuwendalers. Hoe het wederkeerig gebruik, 
Nierstrasz, Frans Naerebout, 54: 

— {tot dat) de baren, weSr in rust, 
Zich kabblen langs het boord. — 
te verklaren zij, vat ik niet. De bedrtjvende vorm 
zal wel behooren te zijn bekabbelen^ dat dan ook 
meermalen voorkomt; Vondel, Heldinnebr. 36: 
Ick ken de wateren, die den Aftnkaetischen oever 
bekabbelen. Apollo's Marsdrager, I. 161: 

Den Y- en Amstelstroom bekabbelen myn grand. 
Willinks Amst. Buitens. 19: 

Hier schittert de Aritsterdamsche wal^ 
Bekabbelt door twee frisse stroomen. 
Van 's Gravenweert, De Ilias, I. 67: 

Egine en Asine^ bekabbeld door de baren. 
De Zeeuwsche Nachteg. I. 75, heeft begabhelen : 
Daer H Y de giUle cant 
Van H vet'begraesde lant 
Begabbelt met sijn vloeden. 
Oudaan brengt het ww. van het water over op het 
vuur, Toneeip. 271: 



2&3 



KABBELEN. 



254 



Teruyyl de beul het vuur met zijn (fet^eedschap 

roerty 
En op de kpiokketi sUmt^ en luchtig op goat 

hmhheleiu, 
Wat onderdolven^ H vuur zoo wel niet kan be- 

kabbelen. 
D. i. met de vlam bereiken. — Voor het schiften 
der melk zegt men dooi'gaans kappelen^ en diis 
ook Weiland; Bilderdijk echter spelt kabhelen; 
Perzius, 7i : 

Als of men gore melk ziet gieteti 
Die Scheldt e:n kabbelt voor de tint. 
Zijn vrtend Berkhey daarentegen is in overeen- 
stemming met het tegenwoordige spraakgebruik ; 
Nat. Hist, van Holl. III. 1704 : eene gestadig kap- 
pelende of stremmende stoffe. D. VI. 254 : in warme 
dagefiy wanneer de melk schielijk kappelt. — Doch 
ook voor het kahbelen des waters vindt men de- 
zelfde schrijfwijze; Van der Veens Raets. enz. 130: 
— men siet de scheepjes hellen^ 
Ifet water voor de hoegh^ dat kappelt, bruyat eti 

schuymt. 
Six van Ghand. PoSsy, 55: 

Uy blaast de golven van ter zy^ 
Soo kapplende, of hy fors om veer 
Wou kappen al het teegenweer. 
De twee laatste regels teveren eene woordspeling 
met kappelen^ golven of doen golven, en kappeti^ 
afkappen, afhakken; eene aanduiding van etymo- 
logische verwantschap der beide wn. zal men 
daarin niet te zoeken hebben. 

Het freq. kabbelen (op het water toegepast) komt 
bij vroegere en latere schrijvers met verschillende 
andere voorzetsels voor ; Valentijn, Werk. van Ovid. 
I. 132: dat het henvaarts aan goe wint sijy en H 
water op dese strand aankabbele. Berkhey a. w. 
1, 123 : zoo als het Hcuirlemmer Meer..»» 'er (d. i. 
de duinen) nog heden aankabbelt. D. II. 423: 
het aankabbelend Zeewater, Aid. I. 89: de gewel- 
dige aankabbeling doot^ het Marsdiejt, Aid. II. 341 : 
zoo dat {de kadef\) met het afkabbelen der stroo- 
men niet sterk sly ten, Willinks Amst. Arkad. II. 
3 : is dit landt allengs afgekabbeld en weggespoeld. 
Kist, Verhandd. en Kedevv. 41: het onmerkbaar 
afkabbelen van eenen oever door het water van eene 
riviet^ of zee, Fokke, Boertige Reis, IV. 217: 
vaneefi gescheurde brokken, afgekabbelde latiden. 
Ook bedrij vend; Lubach, in het Alb. der Nat. 1862, 
bl. 147: Wanneer een geweldige waterstroom den 
grmid afkabbelt en omtooelt. Van *s Graven weert, 
De Odyssea, II. 43: 

Een eiland^ overal omkabbelt van de barest. 
Het Woordenb. der Ned. Taal, dat deie • pi. mede 



aanhaalt, noemt het object. »eene ruimte;'' versta, 
dunkt mVj, het tastbare voorwerp eiland, zooals bij 
Meyer, Heemskerk, 180. een kasteei: 

— een vast kasteel, omkabbeld van den vloed. 
Voorts Valentijn a. w. 18*5: soo sluipsgewijs^ als 
d'oevers door H water onderkabbelt werden. Berk- 
hey, a. w. I. 421: sclioon {de Weste-wind) het 
Zeewater tot aan de Duinen jaagt^ en dezelve 
met geweld onderkabbelt. D. i. al kabbelende 
ondermijnt. D. II 151 : hoe zeer,,.. de hooge Ian- 
den onderkabbeld of ondermynd zouden worden. 
Dat Hooft dit woord reeds bezigde, blijkt uit 
Ouderaans Wdb. op dien schrijver. — Vondel, Vir- 
gil. 90: Ter zijde in eenen uitgekabbelden bergh 
staet een geweldige spelonck, Dez. Ovid. Heldinnebr. 
47: een rots van het ruisschen der golven uitge- 
kabbelt. — Berkhey, a. w. I. 116: afspoelingen.... 
waar door de Zee het zand wegkabbeit. — Weil, 
vermeldt ook inkabbelen sdoor kabbeling indringen 
en dus uitholen;** hij geeft echter geen voorbeeld 
ervan, en ook mij kwam het w. nog^ niet voor. 
Bij Bekker en Deken, Com, Wildschut, V. 125, 
leest men van: de slecht onderhouden wegen^ de 
bekroosde slooten^ het inkavelen der ntner. — 
't Komt mij voor, dat dit inkavelen verkeerdelijk 
voor inkabbelen gesteld is. 

Van Lennep, De Werken van Vondel, VIII. 267, 
leidt kabbelen van kappen af, d. i. hakken. Waar- 
schijnlijk is hij daartoe geleid door Weil, die het 
bedrijvende kabbelen verkiaart als »door den zach- 
ten slag van het water eenigztns van onderen af- 
gespoeld worden, en aarde verliezen." Doch, in 
deze verklaring bedoelde de Schr. niet de etymo- 
logie te geven. Wie van het kabbelen der golven 
spreekt, denkt daarbij nimmer aan het hakken of 
afspoelen, maar altrjd aan de golvende beweging. 
Dat door die beweging tegen den wal het een of 
ander kan afgenomen worden, is onbetwistbaar ; 
doch dit is dan een govolg van het kabbelen^ en 
nimmer de daad zelve, en heet, volgens de bovenst. 
voorbeelden, af- en uitkabbelen, Naar Van Len- 
negs opvatting zouden be-, aan- en otnkabbelen 
moeijelijk te verstaan zijn. Ook hier bepaalt het 
voorzetsel telkens den aard van het kabbelen. 

Eakeleu— Eakeu. 

Het nu verouderde ww. kaken is het geluid der 
hen; Jan Zoet, Digtk. Werken, 365: 

Kaakt uw Hennetje^ voor 7 leggen, 
Wilt daar op vry Amen zeggen. 
Doch voorts meer in 'talgemeen de kaak roeren, 
snappen ; Rotterd. Spelen van Sinne, 153: 
Wat wilt ghy veel kaken ? ghy zijt betaelt. 



s 



255 



KAKELEN. 



256 



Visscher, Brabb. 57: 

Gerrit heeft Harman tielpen kaecken, 
Om dot zijn houwelick soud warden claer, 
Hnyg. Korenbl. II. 400 : 

Last kaecken al dat kaecken sal^ 
En quaecketi al wat quaecken sal enz. 
Westerbaen, Ged. II. 293: 

Houd ghy uw ba^ihhuys'toe: ghy hebt hier niet 

te kaecken. 
Joncttjs, Venus, IK): 

Zy spotten met die geM^ die veel van Wijsheyd 

kaken. 
Zie ook Van Hasselt op Kil. — Bekaken is beprar 
ten; Gonstth. Juw. 310: 

^Tis een arch gast^ meent ghy die aoo licht te 

becaecken *} 
Van kaken is kaker^ snapper; Huyg. II. 14: 

Was 't miss met Vrouw Nattier^ ofseggen H nmer 

de kaeckers? 
Het vrouwelijke daarvan is kaakster, bij Vondel en 
Bredero voorkoinende ; zie Brender ^ Brandis' 
Mag. II. 139. — Voorts gekaak; Erasmus, Lingua, 
183 verso: op dat ick met tnijn pocherie ende ge- 
kaec u niet cU te moeyeUjc saude vallen. Huygens 
onderdnikt het voorvoegsel; Korenbl. I. 639: 
Veel kaecks op 'tnest^ en noyt een Ey. 

Naast kdkelen wordt kakeijen gevoegd, een vorm 
die overeenkomt met klappeijen van klappen ; Croon, 
Gocus Bonus, II. 199: waer het saeken dat de 
Hinnen hun kakelen ende kakeyen kosten laten. 

In de Tael- en Dichtk. Bij dr. 1. 4, werd beweerd, 
dat ons ww. kallen eene samentrekking zou zijn 
van kakelen, Het eerste is ondertusschen ouder 
dan het laatste; doch zie die dwaling wederlegd 
door Steenwinkel op Maerl. II. 144 vlgg., en Gla- 
risse in de N. Werken der L. Maatsch. IV. 457, 
en voorts Benecke, i. v. BekaUen is bij dezen 
(eene zaak) bespreken^ doch \ vivi. komt bij ons 
voor in den zin van het zooeven gemelde bekaken^ 
d. i. (iemand) bepraten, overreden; Mamix, Bien- 
korf, Opdracht : uwe Heylighe Inquisitie heeft onsen 
alderghenadichsten Coninck alsoo wel becalt ende 
overredeU enz. Aid. Ill verso : de «ton^/i6 bekalde 
eerst de vrouwe tot de sonde. — Het naamvir. kal^ 
dat zoo wel Kil. a Is Ben. vermelden, heeft Krul, 
Pamp. Wer. HI. 98: 

— Ach Claris! toat een kal. 
Bij de samenstellingen van kallen, door Weil, aan- 
gevoerd, is nog te voegen kallemoei, te lezen bij 
Meulewels, Timon Misanthropos, 10: 

Onraedsaem dant^ sottin, ghy averrechtsche daey, 

Ghy dulle kallemoey eti opghetoyde vlaey^ enz. 
En kaUooL, Berkhey, Nat. Hist, van Holl. lU. 706 : 



die slordige Kallooien, welken geheele dagen met 
eene Stoof of een Lollepot onder de Mantel zitten 
te luieren. — Bilderdijk nam dit laatste w. in zijne 
Geslachtlijst op met de bijvoeging »'t zelfde als 
labbekak. 't Woord is van het werkwoord kallen.^^ 
Doch wat is ooi of loot? Is kallooi eene samen- 
trekking van kallemoei^ of is het verwantaan het 
eng. calot^ eene siechte vrouw? Wellicht is ooi 
bloot een uitgang, wat schijnt te volgen uit ver- 
gelijking met klakkooi en klikkooi^ die in den- 
zelfden zin als kallooi voorkomen bij Bredero, zie 
Oudemans i. v. en welk eerste, gelijk daar reeds 
is opgemerkt, een ww. klakkooi jen heeft opgeleverd, 
dat nog ge von den wordt bij Visscher, Sinnep. 
107: hoehy het klackoyen, kyv^n en schelden win 
zijn Wijf mochte verdraghen. 

Wij spreken van kakelbont^ b. v. Scherroers 
Po€zy, 209: 

Hoe deerlyk sleept hy na zyn kakelbonte pluimen ! 
Bilderdijk, Buitenl. 131 : 

Geen wonder, zoo uw stijl, door 'tkakelbont 

gewaady 

In 'tschtldren van het veld den stedeling ver- 

raadt! 
Schenk, Nachtged. II. 176: 

Het kakelbont i^e/u^ is 'tkleed e&is zinneloozen. 
En Vondel heeft daarvan een ww. bant kakelen^ 
Hippol. 42: 

— bey zijne ooren 

Zien ruigh ett borstligh^ bont gekaeckelt ydet 

horen. 
Nagevolgd door Valentijn^ Werken van Ovid. III. 
284: den altaar, die van wit marmer was genuiakt^ 
stoat nog, met bloed bestort, rood gekakelbont. — 
Weil, zegt: i^k(tkelbont, dat is zoo bont, als een 
faoen ;" en Richey gaf lang te voren dezelfde ver- 
klaring. Zij bevalt mij echter weinig; een hoen 
toch beet geen kakeL Aannemelijker komt mij 
daarom de uitlegging van Bilderdijk voor. Aanteekk. 
op Huyg. W.^ldOitkaeckelbantiSy eigenlijk gezegd, 
als de kleuren tegen elkander schreeuwen, gelijk 
men 'tnoemt, en niet saroenstemmen, en waarlijk 
van kakelen (ramraeien) gezegd. Ook zeggen de 
Schilders even zoo van een stuk, waarin geen al- 
gemeene harmonie van koloriet is, dat het rammeltr 

De samenstelling bij Grous is duidelijk genoeg; 
Jos. Droev* en Bly-einde Spel, I. 22: 

— men scUlje '( Tongblad snoeren 

Dat Gy uw kaakelbek, twoyt leydig meer, tmlt 

roeren. 

Evenals kaken wordt ook het frequent, allereerst 
van de hoenders gezegd ; De Meijer, De Gramschap 
(door Schrant) 157: 



957 



KAKELEN. 



258 



Is ^t wonder dat de hin wot kakeli op de nest? 
Voorts, door eene toepassing als de volgende, 
Vkerd. Redenrijckb. 426: 

Broerketu broerken, ghy duty met kak'len noch 

met seggen 

Ist niet te doen^ maer 't sijn Gannen die d' eyenm 

m 

leggen. 
snappen, druk prateii, mede met het denkbeeld van 
groot^praak (zooals boven ook pogcherij en gekaak 
verbonden voorkomen); Orizandts Heracl. ^Z()9: Deti 
Pharimeua kakelt en pocht, d<it hy geen Giet'igaert 
noch Onrechtveerdige en is. 

In hel Ualeigen van Dordrecht is kaktlen zoo- 
veel als hakkelen of stotteren; zie De Taalgids, 
IV. 35. 

Verkakelen is door kakelen verdoen; De Vrijer, 
De Visscher door Liefde, 3^: 

Mcuir kom^ ons tyd diend hier metpraaten 7iiet 

verkakeld. 
Friebcbe Yolksalm. 1842, bl. 143: 

Uier dient geen tijd verkakeld. 
B»i Weil, mis ik aankakelen; 2Schrokhart Slinger- 
been, 2: 

LMat ze wai aankakelen, ik hen al \Hvst een man 

vin stcMt. 
Voortkakelen ; Schaep, Bloemtuyntje, 71: 
Al west hy het hescheyt ook niet^ 
Hoe dat 'et is^ of was geschiet^ 
Soo kakelt hy het nochtans voort. 
Kakelen^ in den zin van snappen, is bij Kil. ook 
kekelen; zie dit w. Het eng. zegt insgelijks to 
ctteklA, en het neders. kdketn in denz. zin. 

SLanselen— Eanaen. 

De Bo heelt kanselen^ ook kantselen^ voor »door 
ruiling verwisaelen, fr. troquer,'' Het w. kan ge- 
zflgd zijn voor kwantselen (zie dit w.), waarmede 
de Schrtjver het vergelijkt. Doch hi] vergelijkt 
het ook, in ^^nen adem, met bet fr. changer, hoe- 
wel die tv^ee zeer verschiilend in afleiding zijn. 
loderdaad, het vlaamsche w. tot het fr. te brengen, 
achi|nt zeer aannemelijk. Changer , van het lat. 
cambiare, luidt in het oudfr. cangier, cnntjer, uit 
welk het nederl. knnsen en voorts kanselen licht 
ontataan konden. Kil. kent ook het zuw. kaitseler, 
voor makker (t. w. m den handel of de ruiling). 

Het vermelde ww. kanaen meet onder»«clieiden 
woiden van een nederl. w. van denzelfdeii vorm, 
doch verschiilend in beteekenis en afkorost. Van 
kans^ fr. chance, oudft\ clieance (van ciieoir, val- 
ten, lat. oadere) eng. btj tlalliwell diancej d. i. eig. 
val (der dobbelsteenen), voorts val dei- furtuin, 
beeft bet oudfr. chancer^ nederl. koftsen, met dob- 



belsteenen werpen, en voorta het lot beproeven, 
een kans wagen ; bij Bredero »een kancsie leggen," 
zie Oudem. Wdb. Dus Ingen, Getr. Herderin, 99: 
Eer ik 

De schoone Roozegaart aflaien zal te minnen, 
Kanste ik daar liever om met ti, ja al uw Maat" 

schapf 
Westerbaen, Ged. I. .^2: 

Daer en is geen meerder schanden 
Dan..., te swijgen als een kloen. 
Daerom is tiet heel noolsaeck'lick.,,. 
Datmer lustigh tegen kanst. 
Uiertoe behoort ook mommekansen, waarover zie 
De Taalgids, II. 58; en verkapsen, van kans of lot 
veranderen, dat ik aantref in de vert, van Don 
Quichot, U. 336: 

Op dat sy, die uw harte heeft, 
Betoovert hlyft soo lang sy leefi. 
En weet van ge n verkanssen. 
Bekanssen voor verkrijgen, winnen; Antw. Spelen 
van Sinne. 009 : 
Luttel vreuciiden soudick dasr deur becanssen. 

Kantelen— Eanten 

Kanten, bij Kil. alleen bekend voor de stukken 
of kanten van iets al'snijden, beteekent eigenlijk 
keeren, wenden; zoo zeggen wij zich tegen iets 
kanten voor zich plaatsen of stellen tegen iets. 
Dus leest men in de Randteek. van den Staten- 
bijbel op i Kon. 12, vs. 30: afgoderye, die met 
uytnemitige, sonde genoemt wort, om datse regeU 
recht gecant vyort tegen de Majesteyt Godts. D. i. 
gekeerd, gewend wordt. Vondel, Lucifer, 49: 

Zoudt ghy.... 

Op trommel en irompet den oorloghsstandert 

voeren. 

En kanten tegens Godt, den stercksten worstelaerf 
Van Lennep (Vl. ^.Tl) veiKtaat dit kanten niet en 
verandeil daarum het voorafgaande En in U; kan- 
ten is hier niet onz.jdig, zooals bij meent ; evenals 
voeren heeft het standert tot voorwerp. Meer in 
den /in van umw^nden en dus overeenkomende 
met het frequent, bij Van Oudenhoven, 0. en N. 
Dordr ^88: bidien (te Koopman dat Hout van 
onderen begevri le sien, ende dat doet kanten, omme 
te wt'teti, ofl onaer soo goet is als hoven. Van 
Kijswijck, Poet. Luinien. iO: 

Alles wendt en keert en kant 

.Ms het sluivend oeverzand. 

Volgens bet Idiut. van Schtiermans zegt het vlaamsch 

omkanten. Men zei ook kant zetten, d. i. iet» of 

ieroand zoo plaatsen, dat bij bestand is tegen een* 

' aanv^l; du.s Oudaan, Poezy, I. 144: 



S59 



KANTELEN 



260 



De goude Vred&, in spyt van die *er tegenMreven, 
Met kracht wierd k»nt ^ezet, en op den tromi 

geheven. 
Vondel, Noah, 2: 

Verdoemde spooken, helpt ons raeden: zet u kant. 
Vandaar het bijv. nw. en bijw. kant^ d. i. niet 
»fraai" zooals Weil, zegt, of »gereed, in orde" zoo- 
als Van Lennep wil. Werken van Vondel, XL i23; 
doch eig. van voorwerpen die goed staan, en vooils 
ook personen, die flink offermzijn of zich houden; 
Bernagie, De Debauchant, 42: zieeena^ /toekanl die 
muuren staan. Krook, Mei-a vond, 9 : Als een tapper^ 
net en kant. Thirsis Minnewit, 1. 36 : een tuyg heel 
kant. Van Rusting, Ovid. Klaagged. 93 : een kereL... 
80 kanl gelijk een perel. Bekker en Deken. Econ. 
Liedjes, 37 : Ben ik dan geen kante vrijer ? E. Bek- 
ker, Mengelp. II. 47: en kant, en aartig paar. 
Van Loghem, Mengeld. 163: }Vat is het meisje 
mooi en random, kant en net, — Geheel iets anders 
is bij Richey en anderen in de kant zetten^ d. i. geld 
sparen, door de stukken (zooals wij zouden zeg- 
gen) op zijn kant weg te zetten. Ik vond daai'- 
voor bij ons het ww. kanten^ Vlaerd. Redenrijckb. 
327, waar de wEygen baet" spreekl: 
— daer gas ik heen na plaetsen, daermeti schrijft, 
Een^ twee^ drie-hondert stucks weet ik in 'tjaet* 

te kanten: 
Een kalen vogel mach niet dan kael nest en 

planten, 
Het frequent, kantelen zegt iets dat hoekig is 
omwenteleti. Berkhey, Eerbare Proettusjes, 378: 
eer de zuilen van ornt EchtaXtaar kantelen. Van 
HengeK Leerred. II. 122: het kantelen van een" 
dabbelsteen. Bilderdijk, Vaderl. Uitboez. 31 : 
De nachl besteeg hoar top; 
Zy kantelt, breekt, verbleekt^ verdwijnt. 
Van 's Graven weert, Vei-spr. Lett. 72: 
Een hooge poort van erls, die in haar schroeven 

kantelt. 
En fig. Rau. Gedwalla, 22: 

Boar hooren wij de danders knallen 
Die *t lot doen kantelen der aard. 
D. i. dus onzijdig; doch ook bedrijvend; Tollens, 
Ged. I. 23 : 

Maar eensklaps kantelt magt van troepen 
Door ooerwigt de ligte sloepen. 
En v66r hem, Berkhey, Zeetriumph, I. 56, doch 
figuurlijk : 
Als H zijn moet, dat me op zee den vrijen han- 

del kantelt 
Te land den voormuur van zijn sterkten worde 

ontmantelt. enz. 
Met Toorzetsels heeft men, David, Vaderl. Hist. 



IX. 23?: de onzen hodden ja hres geschoten, en 
liepen woedend tegen de afkantelende vesten op. — 
Ockerse, Ontw. tot eene Alg. Ghar. III. 291: Hoe 
veelen..,. kantelden ... naar de tegpyipartij over! — 
Bilderdijk, Poezy, I. 174: Uw aalmoes,... Weg- 
kantlend onder slijk en steen. 

Latere schrijvers hebben kentelen; Schimmel, 
Verspr. Ged. 114: 

Want het windtjen.... 
Deed het poopletid hlaadtjen kentelen. 
Tollens, N. Ged. II. 400: 

Een wagglend vloty dat dreigt te kentlen voor 

hun oogen. 
Dez. Rom. 99: * 

Da^r kentelde ante boot. 

Van den Bergh, Longfellows Ged. 44: 

— den Tijd., die zijn golven doet kentlen. 

Ter Haar, De St. Paulus Rots (5e dr.) 25: 

Het werkend schip hangt overzif.. 

En woelf zich am en op en kentelt. 

Naar den aard der klankwisseling die men ook in 

hangen en hengen aantreft, zou kentelen het be- 

drijvende ww. moeten zijn van het onz. kantelefi. 

De aangeh. pll. voldoen daaraan niet. Wei deze 

pi. bij Nierstrasz, Frans Naerebout, 44 (van ijs- 

klompen) : 

{Zij) kentelen den rug voor stoat of aan vol niet. 

Alsmede afkenteletu bij Schimmel, N Ged. 95: 

Het vuur wordt uitgebluscht en de outers am- 

gewenteld ; 

Het houten afgodsbeeld van 't voetstuk afgekenteld. 

Onzijdig is wederom omkentelen^ zie het Woord. 

der Ned. Taal, en overkentelen^ Nierstrasz, a. w. 35 : 

— schots bij schots^ in ^thortend overkentlen. 

Bij Huygens, Koranbl. 1. 429, lees ik : Eenen Steen- 

wegh van kanteiingen Klinckaert te maken, — 

Zijn dat op zijn kant staande klinkers? — Zie 

ook Kenteren. 

Eappelen, zieEabbelen. 
Eamispelen— Knispen 

Dit WW. heeft Garon, Bly-eynd. Kyvagie van Mr. 
Houtebeen met Els sijn Wijf ('s Hage 1657), 1 : 
So negh ick nochy dat jy de Hoer daer am niet 

in huys Hep 
Om gelt te wisselen.: wantje al te yverich naer 

achter Hep, 
Veugel! ick ken jou aude nucken., jy soeckse 

te kamispelen, 
Je bentalle bey waert datmen je op een schavot 

sou quispelen. 
De bet. van een Hoer kamispelen schijnt te dezer 
pi. niet onduidelijk; doch de afleiding des woords 
durf ik niet bepalen. Is het eene verbastering 



961 



KARinSPELEN. 



^S 



(om het riiin)van kamuffelefi, kamiffelenf Komt 
bet van knysseriy knusaerL, bij Stalder stooten, bij 
Benecke knisten^ knustenf van Anu«9en, sterk druk- 
ken ? Ons knispen (zie op Knutte^en) schijnt bier 
niet te voegen. 

Earauffeien, zie Enuffelen. 
Karrelen— Eftrren 

Volgens eene scbriftelijke mededeeli|ig van den 
far. Lesturgeon zegt men in Drenthe onikarrelen^ of 
naar bet dialect omkoarelen, voor omkantelen Dit 
w. is ontleend van bet omkantelen der kar. In 
bet Nassauscbe zegt men volgensKebrein umkar- 
eheuy eerstelijk voor de kar (karcb) omwerpen, 
vervolgens voor bankeroet gaan en voor te vroeg 
(van een vrucbt) bevallen, in onze platte votks- 
spraak : den boel onigooijen. Dat de kar als het 
meest gewone voertuig werd bescbouwd, blijkt 
reeds uit bet eng. ww. to carry en de fransche 
charier en charoyer voor voeren in \ filgemeen ; 
bij Schmeller is bet frequent, kclrreln, karncln^ 
voei*en en gevoerd worden; en bij Stalder vindt 
men verscbeidene fig. spreekwijzen van de kar 
ontleend. Ik twijfel niet, of onze landlieden zou- 
den er ook wel weten aan t-e voei*en 

Eartolen— Earten 

Karten^ kerten. verwant aan keroeti^ is insnij- 
den; zie Kil. en Ten Kate, 11. 23 ». Ook in het 
zwaabscb is kerten veinschueiden, kerben'; zie 
Von Schmid. Vandaar kertelfn, kartelen^ in de 
beteekenissen, die Weil, vermeldt. Kartelen is 
voor kerven genomen bij Oudaan, Toneelp. 140: 
— vergif^ dat u '/ gedarmte kartell, 
En irekt^ ala aan een prietn geregen ; — 
Dez. Uytbr over Job,^ 191 : 

— heeft de Vogelsttmya zijn doorgesnede vederen^ 
Gekartelt ah de cedereti. 
Schutte, Sticbt. Gez. IV. 38: 

Nog toont de rota de acherpe tanden, 
Der break, gekarteld trt de randen. 
Verv. op Wag. XXVIL ti98 : de andere zyde {der 
Noodmunte) was glad en de rand gekarteld. Van 
Haeflen, Dicbtl. 75: H gekarteld loof. 

De samenst. karteldarm beefl De Vrijer, De 
Visscber door Liefde, 49. 

Kartel is kerving. b. v. H. van Halmael, De Edel- 
nM)edige Vrinden, 51 : 

Ik heb myn gereetachap bedurven^dedirkera {') 

tyn vol kartlen. 

(*) Een dirker \» een nacbtsleutel of een sleutel om alle 
AlotcD te opeoen Het w Is het nederg dierker, hoogd. die- 
Urieh ; lit AdelOBg {, v. 



Docb elders de geledingen die gekorven zijn ; bij 
Bara, Herst. Vorst, 67; 

De kart'len van mijn atrot, die be, die beven al. 

Het Alg. VI. Idiot, heeft kartelen voor »in een 
akeligen toecrtand zijn." Die bet. is te onbepaald 
opgegeven, om te kunnen beoordeelen of het w. 
in dozen zin met het gewone kartelen samenbangt. 

Easselen— Eassen 

Uet WW. kaaaelen is door De Gasteleyn gesmeed 
voor wat bij Kil. met basterduitgang kaaairen beet, 
d. i. broken, afbreken, fr. ca^er ; De Konst van 
Retboriken, 70: 

Hadt Atropoa nu zoo verve gbekasselt, 
Dat zy my ont/iaeld hadde zomighe lien, 
Te weten, meester Ian van Aaaelt, enz. 
De Dichter wil zeggen : had Atropos nu dus voort- 
gegaan met den levensdraad af te breken van 
sommige raijner andere vrienden, enz. 

Eauwelen— Eauwen. 

Met de spelling kouwelen komt dit frequent, 
voor bij Schuermans, van bet bekende ww. kauwen, 
bij Kil. ook kouwen, kuwen, kuidetu hoogd. kauen^ 
bij Strodtmann kawwen, bij DalMei*t kaujen^ bij 
Von Zingerle kdujen, kauen, ^euen, bij Lexer Acajin, 
kojin, bij Schopf kuien, kuid'n, kojen, bij Schmeller 
keuen^ bij denzelfden Gimbr. Wtb. keuen, kdugen, 
bij Delling kuyen; oudduitsch chouan^ kiuwan, 
mid del hd kiuwen, kuwen, angels, ceowan, eng. to 
chaw, to c/iew, bij Hal I i well to chawe, to chow. 

Van kauwen is verkauwen. dat ik bij Weil, niet 
aantref; Strick van en tot Linscboten, Ged. 18: 

Waarop men meenigmaoU zijn achachten heeft 

verkaauwd. 

Ook het frequent kouwelen, kauwelen, dat De 
Bo heeft in den overdrachtigen zin van »slecbt 
vervaardigen, knoeijen, broddelen," komt in de 
verwante dialecten in velerlei • vorm voor, in den 
zin van herhaald kauwen, of spreken, i*edeneeren; 
in de genoemde lexicons vindt men kaueln^ kdvehty 
kaveln, kawweln, keuweln, keweln, en bovendien 
bij Stalder kaulen, kdulen. Kieuwelen is volgens 
De Bo vlaamsch voor knabbelen. 

Bij Schuermans is uitkouwelen^ bij De Bo uit- 
/^ieui6/<;n, uitspuwen. Eig. zal dit zijn: het gekauwde 
uit den mond brengen. Hiertoe kan behooren 
kauwen {kaeuen), bij Bredero van iemand gezegd, 
die onpasselijk wordt van den tabaksrook, en dan 
»van de bange lucbt schier kaeut en koockt" (zie 
Oudem. Wdb.), d. i. bijna aan het braken raakt. 
Zie Kwaderen. 

Eavelen'— Eawen. 

Door sommigen is bet ww. Aujtvef^n in de bekende 

9* 



ass 



ULEIN. 



fiBA 



uitdnikking redekavelen voor ten frequent, ver^ 
klaard, als i^ijnde het platduitsche kavelen spreken. 
Dit is echter eene dwaling; redekavelen heeft 
eenen anderen oorsprong en is geen fracpient., zoo- 
als ik aantoonde in De Taai- en Letterbode, IV. 
11 en volgg Doch de onjuiste opvatting beeft ten 
geyolge gefaad, dat kavelen in den zin van spre- 
ken werkelijk is gebezigd. Zoo leest men bij Van 
*s Graven weert, De Ilias, IV. 1(H: 

Men kavelt niet met hem van ateen of eikenloot, 

Gelijk de maagden met de jonglingMchap in H 

reijen^ 

De jonglingschap met hoar bij *t boertendejilcf'p' 

peijen, 
Evenzoo bij Dr. Nolet de Brauwere, Dichtluimen, 
bl. 91 : 

Ge ontvangt van tijd tot tljd uwe uitgelezen 

vrinden ; 

Maer geen tabak, die H zoet gekavel onderhoiidt. 
Op beide pll. is hit V7. blijkbaar genomen in den 
zin van sprdken, praten^ snappen, anders keuvelen 
geheeten, en met dit keuvelen^ zoowel als met 
kauwelen^ van ^6nen oorsprong. Zie dus deze artt. 

Kavelen*— Knveii. 

Bij De Bo is kavelen een timmermans term voor 
»een gruoten kerf in hout maken," en zoodanige 
kerf heet kavel. Vandaar bij hem uitkaveleti^ uit- 
kerven van bout, maar ook toegepast opgronddie 
uilkalkt. Als primitief acht ik kaven^ het fransche 
caver^ lat. cavarey uithollen, uitgraven. Hiervan is 
niet alleen het Sid}. cave^ hoi, maar ook het subst 
cave, kelder, caveme, hoi of spelonk enz. In het 
neders. is kave, kaven, een kleine omsloten hoek, 
waar men vee bergt, en bij ons is het w. een (hoUe) 
kist; Antw. Spelen van Sinne, 740: 

Lijsken die leyen {leide hem^ t. w. haar vrijer) 

om haer gherieft 
Wat rouwelijck in een cave. 
En lager: 

De caefkiste es op strate ghehrocht; 
Een vrouken met lichten sinne 
Die heeft die oude cave ghecocht 
Al met defi vryer doer inne. 

Kawauwalen— Eawauwen. 

Beide wwn. heeft het vlaamsch bij De Bo, voor 
tateren, babbelen; en Mdller en Weitz hebben ka- 
waue voor iemand schelden. uitmaken. Het w. is 
blijkbaar eene samenstelling van kauwen en toau- 
wen, waar van zie op Kauwelen en Wauwelen, 

Kebbolen, zie £ibbelen. 
Eeorelen— Eeeren. 

In Ypermans, Traits de M^d. Prut lia, leest 



men : Eigf dat hi heeft corise^ hi ete amandel mdc.... 
gekerelde mdc gesoden metten brode. *- Waar* 
schijnlijk wordt bier bedoeld gekemde melk, en in 
dat geval zou deze frequent, vorm de afleiding 
van keeren bevestigen, van weike zie op Kemen, 

Eekelen— Eeken 

Keken is bij Kil. hetz. als kaken^ d. i. snappen, 
eng. to cake bij Hall.; en kekelen bij Kil. hetz. als 
kakelen. Men leest dit bij Heyns, Bartas* Wer- 
cken, I. II. (}90 : 

*t Is al genoegh gesnapty u kek*len niet kan haten. 
Den Ned. Helicon, 315: 

Een groot ghesnap, end' keecklen der klappyen, 
Te Mechelen verscheen in 1621 een boek getiteld: 
Apologia oft beschermredenen teghen het kekelen 
van de vyanden van de Berghen van Bermher* 
ticheyt, door W. Coberger. Ogier heeft keJckelen, 
De Seven Hooftsonden, 215: 

Nu Lebben keckelt uiaf — 
doch kekelaarj aid. 176: 

Ja stilt eens eenen Grimtner en kekelaer van 

n'en man. 
Het dialect van Maastricht zegt nog kekelen voor 
schreeuwen, hard schi'eeuwen; zie raijn Archief, 
III. 361; dat van Vlaanderen voor wat minder 
sterk dan krakeeien; zie het Alg. VI. Idiot., en 
dat van Leeu warden, voor aanhoudend babbelen : 
zie de Taalgids, IX. 301. Verg. voorts Kakelen en 
Kekerenf. 

Eentelen, zie Eantcleu 
Eertelen, zie Eartelen. 
Eetdleu^ zie Eittelen. 
Eettelen, zie Eittelen. 
Eeukelen*. zie Gokeleu 
Eeukelen*, zie Eokelen*. 
Eeuvelen, zie Revelen. 
Eeuaielen\ zie Eooelen*. 
Eeiuieleii*, zie Eoaelea*. 
Eeveiea— Ee^en. 

Het WW. keven^ bij Schmellef /(eu^n, btj Benecke 
kewen, beteekent kauwen; eig. de kewen of /cuni- 
wen^ d. i. kaken, bewegen Vandaar bij DAhnert 
keeve^ vischkaak, hoogd. kiefe^ nederl. kieuw^ kevel, 
ook kever (zie Keveren) voor tandelooze kaak ; 
Tollens, Ged. I. 166: 

(Zij) kust en lekt 's verwinnaars voeten 
Met tandelooze kevels af. 
Berkhey. Nat. Hist, van Holland, III. 1269: De ke- 
veltjes of kaakjes van binnen nog vleeschig^ en 
aan 't zuigen gewoon. 

Voorts het frequent, kevelen, eig. de kevels roe* 



966 



KEVELEN. 



366 



reR« .of uitsteken, als bij Oudaan, Roomsche Mog. 
74 : de mond tm. kin. die v»*y meer dan gemeen ke- 
velt en voor uyt steehi. Doch bij overdracht, en 
dan doorgaane keuvelen uitgesproken, voor babbe* 
len, praten. Zie Weil en Braining, Synon, II. 256. 
SchmeJler heeft insgelijks de beide frequentatieven 
ketoeln en ke^iwdn^ manducare. Dautzenberg bezigde 
doorkeuvelerij Ged. 45: 

Drie nachten doorkeuveld, drie nachten doorkust 
en Macquet heenkeuvelen ; Proeven van Dichtkun- 
dige Letteroefeningen, I. .% : over dit met den 
goeden ridder Temple wat been keuvelen. — Van 
Sws^nenbiirg heeft de samenstell. kevelkin ; Ar- 
lequin Distel. A : zeHiigjaarige druipneuzen en ke- 
velkinnen. Focquenbroch heeft, 1. 116, de uildruk- 
king laan hals en handen kevelen'^ wat een druk- 
fout zijn zai voor knevelefi; en Van Rijssele, Sp. 
der Minne, 59 verso: Haei^ herte verkevelt {van 
liefde)^ wat verkrevelt zal moeten wezen; zie 
Krevelen, 

Kibbelen— Eibbea. 

Het nw. kibbej bij Kil. en Weil, onbekend, werd 
gebraikt voor kaak; dua Gats, I. fol. 400: 

Uw u>attgen sender hlos^ uw kibben Bonder tandeh. 
En II. fol 317: 

Wantschoon men vol qdbit omtreni nUjn kibben 

net, 

Een deel van dat behtUp en is m^jn eygen niet. 
Vandaar bet ww. kibben^ bij Epkema kiJbbjen^ d. i. 
kijven, twisten; Negenthien Refer, in HSot, 47: 

Hoe sauden dees soiten verdraechsaem komen 

over een, 

Doer deen seght ick ben wijs, maer d'ander 

seghi zol, 

Soo wel int beginsel ais in het scheen (d. i. 

scheiden) 

Kibbende als knaghende honden aen een been, 
Thana zegt men alleen kibbelen. Dur reeds Levens 
van Plut. fol. 332: lieoe vrient, laet ons de tijt niet 
verslijten met te kibbelen, waer wy hem slacht 
s%Ulen leveren. Vooris Wagenaar, Vad. Hist. XIV. 4ad7 : 
dat men den traagen voortgang der VredehandC' 
linge,... toeschryven moest cum het kibbelen der 
Staatscheii, over de Volmagten. Fokke, Boert. 
Reis, II. 9: anderwijl begonnen de Engelschen en 
de Schotten onderling hevig te kibbelen, enz. Van 
Logfaem, Mengeld. 14j : 

6 Vrouw! wat vindt ge nu als voijf. 

In "t kibbelen een tifdverdrijff 

Ook met de beheersching tegen; Levens van Plut. 

fol. ^70 : ten Athenienser, .. die tegen hem kibbelde 

otn de wvmicheyt van beyde de valckea, Fol 437 



verso: dattet niet e^rlijck noch profijtelijck van 
hein ghedaen wcut teghen hem te kibbelen om de eere. 
Rodenburgh bezigt dit voor het dingen om den 
voorrang; Jacoba, 6: 
Hier nae tvracht weer 't gheval, hier kibbelt loeer 

om strijdt 
Het luck, en 7 ongeluck in *t wercken van de tijt. 
Wat gewoonlijk de kevels beet, wordt op Goede- 
reede en Overflakkee de kibbels genoemd, volgens 
Boers' Beschr. van dat Eil. hi. 52. — De afl. kibbeling 
werd vroeger nog al gebezigd ; Goornhert, Wercken, 
I. fol. 17: d'oneyntlijcke kibbelingen. daer inne 
sich verwerret d'oprecht gheschapen Mensche. 
Disconrsen van Machiavel, 313: ick wil by mijn 
selven leven. ende in ruste, sonder vyandtschap noch 
kibbelinghe. Macquet, Proeven van Dichtk. Let- 
teroefT. I. :i58: de kibbelingen tusschen Adam 
en Eva. Wagenaar, a. w. 425: Men twistte 
lang over de Volmagten, zonder elkanderen te kon^ 
nen verstaan..., *tJaar.,.. liep, met deeze kibbelin- 
gen, ten einde. — Weiland waarschuwt dat kibbeling, 
voor afval van visch, niet van kibbelen is, maar 
van kippen, houwen. hakken; ik zou het eerste 
toch meenen. Kibbeling is de kibben of kieuvoen, 
die van den visch weggesneden en gezouten worden. 
In het Alg. VI. Idiot, is kebbelen gedurig praten ; 
en bij Despars, Gron. van Vlaenderen, II. 9, kab- 
belen twisten, kijven : dwers met elcanderen in de 
zaken.... kyvende, cabbelende daghelicx zeer uf/u- 
rieuselick. Beide wn. met verwisseling van klank 
voor kibbelen. 

De wwn. kevelen of keuvelen, kebbelen en kibbe 
len. zijn derhalve nauw verwant in oorsprong en 
verschillen alleen in de toepassing. Keuvelen en 
kM)elen is blootelijk babbelen, snappen; doch 
kibbelen is, wat de kortheid van zijn klank eigen- 
aardig me^brengt, zulks doen met hevigheid, drift, 
en vandaar kijven, twisten, strijden. Door den gang 
dezer afleiding niet in te zien, hebben Ziemann 
en Benecke de middelhd. wn. kibe, kip, kibeln, 
niet naar eisch kunnen verklaren; drift, ijverisde 
beteekenis van welke zij uitgingen, inplaats van 
daarme4 te eindigeii. Ook Schmeller was hier in 
het onsekere. Tendlau, Sprichw. und Bedensarten 
deutsch-jud. Vorzeit, 129^ heeft in het joodsch dia- 
lect kippelen voor kibbelen. 

Kievelen— Kievea 

Kievelen is bij Kil. hetzelfde als kauwen ; en 
kieve, kievel, als kieuw. De wn. zijn dus 64n met 
kevelen, keven, met het onderscheid dat zij in bun* 
nen eigenlijKen zin worden genomen. 



?67 



KIEZELfiN. 



268 



Sleaelen— EieBen. 

Een frequentatief kiezelen is gebezigd en, naar 
ik meen, gesmeed door Schimmel, N. Ged. 65 : 

Daar murmelt de welle,,.. 

Langs *tkieze1end zcmd. 
Kiezelend zand zai hier te kennen geven wat ge- 
woonlijk kiezelzand heet. Kiezely ook keizel en 
kittel en bij KiL kezel, is een diminutiefvorm van 
kei^ en luidt in 't hoogd. kies, in H boheemsch %z, 
in Houdhd. en middelhd. kis, kisil^ kisel^ angels. 
ceosely ceosl enz. Graff, IV. 500, noch Grimm, 
Gramm. III. 379 vermelden de bet. van bet w. 
Yolgens Kaltscbmidt ligt zij in bet barde en vaste 
van den steen. Kiezelsteen zegt dus kleine barde 
steen, en de ww. kiezen^ kiezelen^ zooveel a is 
kei^ keizel of kiezel vorraen. Het oudhd. bad ook 
kisUing, kieselinc, middelbd. kiselinc^ bij Kil. kese- 
ling^ dat men, bebalve in den Statenb. (zie mi^ne 
Lat. Vei-scb. ^69) leest bij Gassianus, Der Oud. 
Vad. Gollacie, 74 verso: als hi selve een sprancke 
titen harden kieselinc ons herten gheslaghen heeft. 
Heyns, Wercken van Bartas, I. n. 117 : 

— {hy had) versamelt keselingen 
Die hy liet vanden strant rontorn het vtecke 

bringen. 
Bij Jan Vos mede keizeling, zie Van Ha8s. op Kil. 
Ook kijzeling; Erasmus, De On vers. Krijgbsman, 
60: dicke ende duystere lichamen^ als kijselingen 
of hold — Bij Scbmeller is kisel bagelsteen, en 
kiseln, bij Von Scbraid kieseht, met zuike steenen 
werpen, bagelen. Ons keilen is betz. w. Zie 
Keilderen, 

Kiflblen — Kippen. 

Het WW. ki^lJelen kwam mij tweemaal voor bij 
Van Mauricius, Onledige Ouderdom, 1. 282: Onder- 
xoyldorst men geen' soldaat van zyh* post stuuren^ 
uit vrees van gekiffeld te warden^ zofider dat men 
wisty waar de schoot vandaan quam. Aid. 285: 

Boar moet gy blind met een' onzigtbren Vyand 

kampen^ 

Die tf, als eendeti^ schiet^ en kiffelt in de zxvampefi. 
Ik acht dit w. voor H naast bet frequent, van kip- 
pen^ dat dezelfde bet. beeft, namelijk treffen, ra- 
ken, en wel met den kogel; dus Hooft, Ned. Hist, 
fol. 132: Anderen^ gekipt van den koeghel^ deed,, 
in H Waaler^ het vuur de doodt. Fol. 317: dat 
haest niemandt het hoofd uit de loopgraaven stee- 
ken mogt, oft hy werd van een koeghel gekipt. 
Brieven^ II. 389: den houten burg^ in de lucht 
gehangen^ cm den verweerders op den wal te kip- 
pen. — Hiervanisook kippen^ voor uitkiezenof uit- 
zoeken^ docb dat eig. zegt bet treffen of raken 



van hetgeen men te midden van andere voorwer- 
pen verlangt, anders gezegd pikken, eng. to pick. 
Bekend is mede kippen voor bet doorpikken van 
de eijerschaal, in 'teng. bij Halliwell to chip; en 
tig. voor het doorbreken van den dageraad, zie 
Oudem. Wdk. op Bredero. 

B[igchelen— B[igchen. 

Kigchelen is in het dialect van Maastricht lag- 
chen, scbateren; zie mijn Arcbief, III. 362. Eig. 
zal bet w. willen zeggen : beimelijk of met inbou- 
ding lagcben, dat in bet luxembuigscb kickelen 
beet, hoogd. kichem en kicheln^ bij Reinwald en 
Scbmeller kickem^ bij Scbr5er kikerny nederl. ke' 
keren^ zie dit w. 

Het prim, kigchen beteekent bij Kil. met eenige 
mioeite ademen, hijgen, en geeft bij hem bet subst. 
kigcher, asthmaticus; docb betz. w. is bij Von Scbmid 
een ingebouden lagchen. Als eene soort van freq. 
is daarvan mede kickezen, bij Scbmeller afgebro- 
ken lagchen, hoes ten en stamelen ; bij Lexer kicha^ 
z'n^ verborgen lagchen. 

Kijkelen— Sluken. 

In den Teuthonista is kycklen lagchen, en te 
Leuven zegt men kijkelen voor ketelen of kittelen ; 
zie De Middelaer, II. 201. Dit fi-equent. is blijkbaar 
slechts een andere vorm van gigchelen (zie dit w.), 
dat ook als gickeln en kichelen voorkomt. Te Leu- 
ven zegt men kljkhoest voor kinkhoest, hoogd. 
keichhusty bij Kil. kich-hoest^ gelijk deze ook het 
WW. kinken _= kichen stelt. Met dit kichen, of 
naar de tegenwoordige spelling kigchetu komt bet 
primitief A^ty'/^^n, k'^jchen^ hd. keichen, overeen. De 
bet. der wn. ligt eig. in de kittelachtige aandoe- 
ning der keel, die een geluid doet uitbrengen, dat 
door kigchen wordt afgebeeld. Ons kugchen is 
hetzelfde, docb mist het aangename, dat aan kig- 
cfien nieer of miri verbonden is Gagchelen^ met 
den meer open a-klank, is nog vroolijker; zie 
Gtigelen. 

Kittelen— Kitten. 

Adelung vermoedt dat het primitief van kittelen^ 
hoogd. kitzeluy is kiten,, datlicht steken of aanraken 
beteekent. Dit kitim oi kitten vertoont zich in ons 
ketsen^ dat een aanraken derbuitenste oppervlakte 
van eenig voorwerp aanduidt. De jongens kitsen 
de steen tjes langs bet water, wanneer zij het nu 
en dan raken. Dit kitsen werd reeds in 1384 in 
eene keur te Leiden aan de jeugd verboden, zie 
Dr. Scbotels 111. School te Dordr. bl. 6. Ook tik- 
ken beteekent licbtelijk aanitiken, docb met een 
ptintig voorwerp; kits&ii of ketsen met iets wat 
plat of vlak is. Het eng. beeft mede voor ons kit" 



269 



KITTELEN. 



270 



telen zoowel to tickle als to kittle. 0ns frequent, 
leest men in Erasmus, Colloq. Famil. 298: en kit- 
tell u het herte niet^ dat ghy dese Bedevaerden 
meugi doeti? — Tsal my misschien kittelen enz. 
Het luidt in de spreektaal ook kietelen en kiedelerty 
waai de zachte t en r/ de bet. verzachten, zooals de 
heer Beckering Vinket-s (Orthogr.E-Iegie, lit)) te 
recht opmerkt; vooiis bij Schuermans kitaelen, 
voorheen ook kettelen en ketelen; zi& Huydec. 
Proeve, I. 459. Het laatHte leest men Belg. Mus. V. 
113: doget hi wet dat men (onder de voete) ketelt, 
data vrese. Dus ook roeer fig. Bilderdijk, AfTod. 1. 85 : 

— wie hooger springdrift ketelt 
D. i. pHkkelt. Dez. N. Dichtschak. I. 132 : 

— zoo dit uw luirt nog ketele. 

D. i. streele, aangenaam aandoe ; en deze is de 
doorgaandn zin des woords bij Huydec. Zoo ook 
GassianuB, Der Ouder Vad. Coll. fol. 51 verso : 
Samtijt wordeti wij van voerledenen boertliken 
dwcuten dinghen gheketelt. Vondel, Poezy, I. G66 
(van muztik): 

Dat tigers in het woudt kan ketelen en atreelen. 
Ik ti'of het ook aan voor pijnelijk aandoen, bij 
Heyns, Bai-tas' Wercken, I. ii. 565, waar Reha- 
beam tot het volk zegt: 

Miin vinger grooter is als Voders gansche lijfy 

Hy u geketelt heeft^ ick sal u 7 vel afrucken. 
Fig. is ook kittelen; Vondel, PoSzy, I. 342: 
O zuivre en blanke Rijnmeermin^ 
Die my tot stervens toe kuni kittelen. 
Aid. 447: 

Hier kittelt hy den kerkelijken galm^ 

En rotsen we&rklank met een* nieuwen psalm. 
Vandaar ketelachtig^ d. i. licht geraakt^ prikkel-* 
baar; Levens van Plut. fol 05: in stede dat The" 
miatocles van sijn kintsche dagen af, een ketelach- 
\\%hen ende sarghelicken aert Het hlijcken. Zoo in 
onzen Statenbijbel, 2 Timoth. 4, vs. 3 : ketelachtig 
win gehoor — wat wij in het dagelijkache leven 
kitteloorig noemen, d. i. niet (gelijk Weil, zegt) 
haastig, oploopend; maar licht aangedaan, licht ge- 
raakt, fijn gevoelig. Vethandd. der leidscbe Maatsch. 
III. 128: hoe kitteloorig de Stolen der Provincien 
waren op olles wat de reqten of vrijheden des 
volks hetrof, — Bredero heeft voor dit woord 
oorkeielijky in den zin van het oor ketelend, d. i. 
aangenaam aandoende; Ned. Poem. 15: 

Dees Man vrneght nae gheen faem^ noc/i haer 

oorketlijk vleyen, 
Een WW. kittelooren leest men met gelijke toepas- 
sing bij Gabeljau, Treurbr. van Ovid. 274, waar 
van een Sireen gewaagd wordt: 

Dat op een zoete wijs de Schippers kitteloord. 



D. i. de ooran verleidelijk aandoet. Oudaan bezigt 
hiervoor ketelstreelen; zie Weil. Hooft spreekt 
Brieven, II. 2, van eene ketelaghtige tnaterie, en 
bedoelt daarmed een teeder, een delicaat onder- 
werp; en dus ook. Hist. fol. 3, van keetelige zcup- 
ken^ in denzelfden zin. Zoo reeds v66r Hooft, 
Everaert, Politica van Just. Lipsius, 7: En unit 
my ooc niet ketelachtich sijn in woorden oft sub' 
tyle vragen, — Weil. zegtAdelung na, dat de uit- 
drukking dat is een ketelige zaak in het gemeene 
leven geldt voor »eene bedenkelijke zaak." Ik er- 
ken dat ten aanzien van het hoogd. eine kitzelige 
Sache^ maar meen dat de uitdrukking bij ons 
vreemd is, en vermoed verwarring met netelige 
zaak; Huydec. zeide ook dat Hooft t. a. p. het w. 
ketelig )»op eene byzondere wyze gebruikt." 

Insgelijks zingt Van Duyse op eene bijzondere 
wijze, Vad. PoSzy, III. 23, op eene perzik doelende : 
De oranje lacht my aen^ terwijl ik kitteltand. 

Van het ww. to tickle hebben de Engelschen de 
adjectieven tickle en ticklish^ die Johnson erkende 
niet te kunnen verklaren en Chambers geluidna- 
bootsingen achtte. Zij komen overeen met ons 
ketelachtigy doch de beteekenis van licht geraakt 
is ook uiti^ebreid tot die van onzeker, onvast, 
wankelbaar; wie gekitteld of getikkeld wordt, kan 
moeijelijk stilstaan. 

Afleidtngen van kittelen kwamen mij voor bij 
Huygens, Korenbl. I. 80: 

H Verheugelicke licht von 's hemels Waterboogh 

Bekittelt onsen lust — 
Thirsis, Minnewit, I. 10: 

— . zo beklaaglik is de smert 

Datze op een tijd kwest en doorkitteld mijn Hert. 
Berkhey, Vad. Afscheid, 56: 

— daar ik uw jeugd tot eerzuchi aan wU kittlen. 
Het WW. kitten is ook een jachtterm voor raken 

of treffen (naar 't schijnt); Hondius, Moufeschan8,491 : 

Wy hebben anders niet te doen 

Dan stil te blyven sitten ; 

De hose sal haer selfs opdoen 

Om haer te Uxien kitten. 
Doch een ander kitten hebben de volgende plaat- 
sen ; Severijns Meng. II. 4: 

Nu kan het hert dat altljt stikt 
Aen dorst, in Hslemphuis veilig kitten. 
Waltes Kl. van Bol- Backers-Jan, 5: 

— waer seljy soo langh blijven ? — Hier in huys^ 

en terwijl wacker met hem kitten. 
Pels, Mengelz. 68: 

Men weet niet als van l(tchdien^ en van kitten; 

Wy drinken slechts — 
De Regts Mengeld. 8: 



274 



KITTEI-EN, 



272 



Daar valt een rytuig am, in 't draaljen van een 

hoek; 

De man in Jaffa (*) etideplaaten tiit zy^n hroek ; 

Een teken, dat hy niet heeft alles laaten zitten^ 

Mattr noch wat over hoiidt om in de istad te 

kitten. 

Julfus, Blyspel, 21: 

— Al we&r an 't kitten 

Na ue ouwe wijs den hielen dagh^ 

Wanneer hy gelt het, in H gelagh. 
Dit WW. beteekent »in eene hit of ki-oejrtlempen." 
Van kit in dozen zin zou zqn kittig; zie Bild. Ge- 
slachtl. i. V. langs wat weg 'I woord zijn beteeke- 
nis zou verkregen hebben. Ik acht kittig veeleer 
te behooren tot kitten, kittelen. De denkbeelden 
van licht aangedaan of geraakt en vlug in bewegtng 
komen mij voor nog al nauwe vei-wantschap te 
hebben, ja ook ketsen zelf beteekent driftig loopen 
bij Cats, I. fol. 615: 

Sie hoe vrou Dwaesheyt rent .... 

Sy loopt^ sy ketst, sy swiert — 
Verg. Kil. Yandaar ook, dunkt mij, kits' voor een 
licht schip, dat over degOlven heengaat a Is de kit- 
sonde steenljes. De Engelscben noenien bet ketch^ 

m 

en de Franschen quiche of qiiaiche. Brandt spreekt 
er van in zijn Leeven van De Ruyter, I. Ii9i: een 
bHef van den Engelschen AdmiracU Montagu^ nem 
met een kits toegezondeu. Aid. 397: a'Admiraal 
Motif agu zondty met twee kitsen brieveti aun den 
Heer van Wansenaar. En IV. 370: honderdt en 
a^ht zeilen: daar ofider drieendarlig zoo kitzen 
als huyen. — Ik vraag ten slotte of tot keUfen^ 
loopen, mede behoort kets-merie^ bij Kil. equa 
lasciva, mulier lasciva; H weik de Antw. Spolen 
van Sinne, rj79, bezigen in de teekening van lien, 
die de ambachten oefenen: 

Waken en broken^ niet dan miserie, 
Tsvyants ketsnierie elck hqot voor hoot is. 
Nymmermeer ghedaen voor datmen doot, is. 

Elaarselec — Elaarsen 

Van het w. klaren is door eene meet' voorko- 
mende invoeging dei* ,*, klaarsen^ en hiervan we- 
derom /;toarjfe/(;n; beiden in het Aig. VI. Idiot voor 
klaar maken. 

Klangelen— Elangen. 

Het frequent, klanqelen bezigt Van Beers, Ge> 
voel en Leven, (VS : 

— loshirstend uit alle de torens^ 
Klink en klangelt het^ homt en bmist enz. 
Dez. Levensb. I'i3: 

— 7 voortjithelend klokkengeklangel. 

(*) Men zle over deze spreekwyzemyn N ArcbieCt9 en Stt 



Het verscherping der ng heeft klankelen onze 
dichter Ten Kate, in z^ne vei*taling van Tassoos 
Jeruzalem, I. 179: 

De helm dreunt als een klok, bij H klepelklanklen. 
£r is med te vei^geltjken klenkert en klengeln^ bij 
Scbraeller den zin hebbende van het aanslaan van 
den klepel tegen ^ne zijde der klok, in onder* 
scheiding van het liUden^ wanneer de klepel aai^ 
wedrszijd«n aanslaat. Bij ons duidt men dat aan- 
slaan a an ^^nen kant wel eens door de benaming 
van kleppeti aan. Ten Kates uitdrukking beduidt 
luiden in 't gemeen. Men verg. voorts Klingelefx^ 
met welks pi im. klingen het ww. klangen alleen 
in vokaal vei^schilt. 

Klankelen, zie Elangelen. 
Kiepelen — Kleppen. 

Klepelen is met verzachting van den klank ge- 
zegd voor kleppelen^ van kleppen^ waarvan *t fre- 
quent, klepperen meer gewoon is ; zie dit w. Men 
vindt het eerste bij Vondel, Ovid. Hersch. 163: 
De blanke dekt den rug en *< lijf met zwarte 

pennen^ 
En klepelt, zich ten roem, met eenen Utngen bek. 
Ook voor het kleppen der klok vindt men het; 
Van den Bergh en Ten Kate, Zangen en Beelden, 73: 
Daar klepelde in de verte 
De vroege morgenklok. 
Ten Kate, De Planeten, 04: 

Torens, kerkett 
Wagglen^ vallen^ 
Kleeplend met de koopren klokken. 

Kliugelen*— Klingen. 

Klingen werd van ouds gezegd van bellen. klok- 
ken en andere instrumenten. Lancelot, B. III. vs. 
14390: 

Soe begonste die belle clingen. 
Van Hillegaersb. Ged. 31 : 

T)/defi ^vy opter papen singhen. 
Off op die clocken die clinghen. 
Blommaert, Oudvl. Bijdr. II. t27 : 
— '( ivfiter was so dtnne 
Dat si onder huerden doer inne 
Clocken luden ende clinghen. 
Aid. bl. 15: 

Den lof Gods si daer boven zonghen, 
Dai men de lucht mochte horen clonghen. 
Om het rljni is ctongen voor clingen. Ook bl. 23; 

— daer longhen 
Molenen of si fiadden tonghen^ 
•S'oo dat al verclonghen 
Beede berch ende dal. 



273 



KLINGELEN. 



274 



I>. i. we^rklonken. Sambucius, Emblem. 123: 
Terpsichore beweecht den mensch door sherpen 

clingen. 
CaU, I. fol. 546: 

Hoe luHigh uwe stemme klingt, 
Hoe geestigh ghy een deuntjen eingt. 
Ampxingy Ueyl. Dankoffer, 18: 

Ik sal den Heer in Israel 
hfet Psalmen ende snarenspel 
S^jn lof en roem doen klingen. 
Ja ook bij denz. bedrijvend, BibeU-Tresoor, 148: 

Alhier verweckt hy sieh om Godes eer te klingen. 
Randteek. op den Statenb. Jea. 24, yB. S: als sy 
lustich en vroliek zijn met singen etf clingen, in 
hare dronckene gelagen. «^ Biklerdijk bexigt kUn- 
gen soowel ala klingeln; zie mijne Proeve over 
lijne Dichtw. bl. 40. 

Dea wortel des ww. ala taaschenwerpeel bezigt 
Rens, Blad. ait den Vreemde, 32: 

En ylings hoorde ik^ klink, klink, klink, 
Met belgeluid der schapen, 
Eene ▼ariaiie van de herhaling heeft Van de 
Venne, Bel. WereJt, 277, van de pooitbel : 

*t'Klockje ling»*langt en luydl 
Gekling vindt men ook bij Schimmel, Verspr. 
Ged. 25: 

Maar bij H gekling der vesperklokken, 
Buigt hij de knien^ vroom en vroed, 
Bij onze latere, ook belgiache dicbters is bet freq. 
klingelen voorta niet vreemd. Tollena, Laatate 
Ged. U. 2: 

— geen voetstap zet ik uiU,. 
Of daar klingelt weir uw luU. 
Van Duyae, Vad. Po6zy, I. 54: 

Op d'ouden tempelioren 

Ging nu hei klokkenepel 
Aen H klingelen en ramleny 
Mel rustelooze bel. 
Van Beers, Jongelingsdr. (4e dr.), 38: 

— wijl boven^ in de blauwe Itichtf 
De beiaerd zijne klingelen de noten 
Wegspmnklen doei in huppelende vlucht. 
Ten Kate, Tasaoos Jeruz. I. ^3Q: 
Al doen ze ook zijn metalen krijgshelm klinglen 
Gelijk een Mok, terw^jl de wmken kringlen. 
Friesche Volksalm. 1842 bl. 142: 

Ik hoor Hgeklingel van de klok. 
Van Rijswijck, Balladen, 145: Hei klingelen der 
wapens. Hofdijk, Ona Voorgeslacbt, U. 247 : die.... 
too ondraaglyk klingelt met een metalen bd. — Het 
hoogd. heeft zpowel klingen als kHngeln. en Schmel- 
ler bovendien klengen^ klengeln, klingaeln^ klinseln 
en glmseln. Onze dichtera hebban derhalve nog 



keur. Het middelbd. onderscheidde klingen^ klin- 
ken, van klettgen^ doen klinken; en kende klingO' 
ten alleen voor het ruischen of murmelen van 
water. Zie Benecke, en Grimms Gramm. III. 386 : 

KliUKelen*, zie Klungelen. 

a 

Kloagelen, zie Klungelen. 
Klungelen— Klungen. 

De beteekenis vanons frequent. klungdenhX\\)L\. 
uit de volgende plaatsen. Bekker en Deken, Will. 
Lee vend, VIII. 269: Ik klungelde met de kinderen 
naast mijn ouiwe getrouwe Renard, Dezz. Sara 
Burgerbart, I. 272: dan klungelt men naar de 
vrijster^ die men een hope leugens en liflafferijtjes 
verteU. Dezz. Com. Wildscbut, L 209: ik klungel 
veel liever in de keuken. D. III. M: zij zou om 
man te votdoen^ met hem naa de Beniste kerk 
klungelen. Dezz. Econ. Lied^es, 286: 

*k Zii wot te knoopeny wat te naayenj 

En drentel to wat op en neer; 
Maar al dat klunglen, en dat draayen 
Verveelt my daaglyks meer en meer. 
Fokke, De Vrouw is de Baas, I. i41 : daar kun- 
nen te morssen en klungelen, zoo veel als ze willen. 
Weil, heeft hiervoor klongelen ; en Bild. klingelen; 
Mengelp. I. 328:. 

De goede iohbes blafty en klingelt flux naar zee. 

Het yf, komt ook met voorzetsels voor; Bekkef 
en Deken, Corn. Wildachut, II. i07: Ik zonde u 
echier gaam eene een uur met die kinderen zien 
omklungelen. D. III. 209: g^ieel orikundig van 
zulke vermacUcen.,.. klungelt hij zo nog al vrij or* 
denteHjk op zijn wegjen voord. Fokke, Boertige 
Reis, 11. 9: daarmeS klungelde hij alyoot% alsde 
ioaard van Bieleveld Bekken en Deken, Sara Bur- 
gerbart, I. 22: Maandag en Saturday meet ik 
Tante^., naklungelen, am.,.. cUles gereed te zetten, 
Fokke, a. w. II. 231: wat hebben we er aan oni 
ze verder achter na te kTungelen.... laat het vee 
maar loopen. Aid. 248: op het zilver te passen en 
zoo wat in de keuken rond te klungelen. 

Het WW. duidt aan wat men ook slenteren en 
slingeren noemt, d. i. los of doelloos daarheen gaan, 
zich voortbewegen of rotiddraaijen. Een primitief 
klungen, klongeti of klingen is mij in onze taal 
niet bekend; doch daaraan beantwoordt het oudd. 
klankjan bij Graff, klanken^ klenken bij Scbmeller, 
d. i. draaijen, strikken, knoopen, ronddraaijen, 
zwaaijen; voorts het neders. klingen^ klinken ^ in- 
klinken, voor vouwen, plooijen, inkrimpen ; en ook 
de eng. wwn. to cling en to clung^ voor zooveel 
zii samenti^ken, ineenkrimpen of rimpelen te 
kennen geven, komen bier in aanmerking. 



275 



KLUNGELEN. 



276 



Het valt in het oog, dat hiertoe behoort ons 
klongel^ kiungel, lap, kleedingstuk of ander vooi- 
werp, dat eene vrouw laat slingeren zonder daarop 
ordeofprijs te stellen, en voorts zulk eene achte- 
looze vrouw zelve. Vandaar het bnw. klungelig; 
Fokke, Boeit. Reis, II. 174: Is dat nou met beter^ 
dan dat klungelig Besjeshuis? D. i. voddig. 
In dien zin bezigen wij de werkwoorden ver- 
kUnxgelen of verklungeleti (b. v. zijn goed of zijn 
tijd) d. i. verwaarloozen, verkwisten, nutteloos of 
doelloos doorbrengen. Door de verwisseling van 
kl met kn^ vrelke dikwerf plaats heeft, zooals 
Schuermans Idiot. 25U opmerkt en staaft, zegtonze 
volkstaal \oor klofigel^ klt4ngel, ook knongel,, knun- 
gel^ en vind ik ktwvgelen voor klongelen; Valen- 
tijn, Wei'ken van Ovid. II. 483: een peulu, van 
zacht wijer en ruigt bij een geknongelt. Bl. 278 : 
ses leeuwe-vagten aan een geknongeld. D. i. slordig 
en als lappen vastgebecht. — Ook acht ik met klan- 
gel en klongelen etymologisch 66n klommel en 
klvmmelen, met dezelfde beteekenissen in het Alg. 
VI. Idiot. Wijders hebben wij klonge^ bij Kil. voor 
kluwen^ klouwen^ bij samentr. kloefi. Zoo ben ik 
zeer geneigd hiertoe te brengen ons kling, degen- 
Lpmmer, als waarmeS nien zwaait; klink. klap of 
slag, aJs zijnde een zwaaiofdraai (*); A;/t»?/;, dtaai- 
ve^r tot sluiting van eene deur of venster; klink, 
misvouw of plooi in kleedingstuk ken door persing 
veroorzsakt, anders ook link of letik genoemd. 
Aangaande klink^ opengehaalde hoekige scheur, 
anders untikelhaak geheeten, en klink^ coin ou 
fourche d'un has, ben ik niet zoo zeker. — Uit de 
verwante dralecten zou nog veel aan te voeren 
zijn : ik vermeld alleen klungely bij Tobler klu- 
wen ; klunket\ kwast aan den kop der paarden, 
en klunkerfoot^ slingei voet, bij Schutze, en klinge^ 
anders ook geschlinge, ingewand, bij Von Schmid. 

Knabbelen— Knabben, Enappen 

Een vorm knabben is mij alleen voorgekomen 
in het eng. to knab, 't welk die taal nevens to 
knabble bezit. Wij zeggen knappen ; zie Knappelen. 
Blijkens de uitdrukking y>knabbelen en kijven", die 
zoowel bij Plantijn als Kil. is opgeteekend, gold 
knabbelen vooral voor morren, twisten; dus ook 
leest men bij Ma mix, Bienkorf, 90: deen teghen 
den andei'' te kijven^ ende /e knabbelen als hoeren 
ende boeven. — Anders is knabbelen zooveel als 
kauwen ofknagen; Westerbaen, Ged. I. 286: 

Het mondstuk wert niet vee/geknabbelt dat het 

schuym. 



(') Van Mink In deien zin heeft men bet ww klinkefi, 
slaan; zie Oademans op Bredero. 



Koopmans, Redev. en Verhand. I. 44: een muis 
knabbelt de kaas, Bosboom Toussaint, De Delft- 
sche Wonderdokter, IL 29 : dat knabbelen op zijne 
mustatiten. De Haes, Verb, en Vem. Portugal, 144 : 
— gy, die uwe dorre handen 
Vast knabbelde, onder 't knarsetandenj 
6 Bleeke Nyd enz. 
Van Merken, Crermanicus, 431: 
De trappelende hengst,.,, 
Besprengt met zilvren scJiuim^ in H knabblen 

'tgouden bit. 
A f knabbelen leest men bij Van Beverwijck, 
Schat der Gesonth. 123: als den Bock, diede Wijn- 
gaert afknabbelt. Fokke, Verz. vau Spreekw. 85: 
door de rotten en muizen afgeknabbelde oude vuile 
papierefi, — Beknabbelen is in de eigenlqke bet. bij 
Antonides, Ged. 515: 
' T schuimbekkend oorlogapaerd.... dat^ verhit 

.... het gottde mantgMi 
Beknabbelt. — 
Wellekens en Vlaming, Dichtl. Uitspann. 39 : 
. Die *< dor gebeent beknabbelen als honden. 
Bilderdijk, Buitenl. 126: 

— ^thaatUjk roofgespuis,... 

De verien van Jan Vos beknabbelt als van 

Vondel. 
Valentijn, Werken van Ovid. II. 53: de vastge- 
hegte stang^ die hij alien C halve beknabbelt. 

Figuurlijk aan iets knagen, anders beknibbelen 
genoemd, bij Camph. Uytbr. d. Ps. 101, vs. 6: 

Wie sluypelijck syns naestens eer beknabbelt. 
Rabus, Vermakel. der Taalkunde. 218: 

Ja zelfs de Trouw {word) thans beknabbelt vait 

de Nijd, 
Men bezigt het ook voor het tegen den oever kab- 
belen van water; Antonides, Ged. 481 : 

— zuiderbosch en velden, 

Die Ganges waterkolk beknabbelt met zijn vloet. 
Vollenhoves Poezy, 693: 

Voder Tiber^ die uw oevers, vry van toon% 

Beknabbelt — 
Bild. Buitenl. 131: 

Terwijl een heldre vliet^ zich wind^nde in een 

bocht^ 

De kronkeUge board beknabbelt met heur voeht, 
Ook knabbelen kwam mij eene enkele maal in 
dien zin voor; Rulofs, Amst. Hervormd, 35 : Het zui- 
ver beekje kustte en knabbelde <tan den voet der wil- 
gen, — Bilderdijk bezigt doorkndbbelen, Ond. d. 
Eerste War. 94: . 

— de knagende angst doorknabbelt hun gemoe- 

deren, 
Ualbertsma, omknahbelen ; Aantt. op Maerl. Sp. Hist. 



277 



KNABBELEN. 



278 



Inl. 83 : Daar deze heeren nu hier te lande tot zeer 
anlangs op de schors der spelling hehhen omge- 
knabbeld, enz. En David verknabhelen^ Vaderl. 
Hist. IK. 516: anderen verknabbelden {de stroken 
perkameni) met hunne tanden en slokten ze door. 

Zie ook Richey op Knabbelen^ die zegt dat dit 
w. bijzonder den Hollanders eigen is, en dat Petrus 
Rabus in zijn Boekzaat de kritiek letlerknaJbbelarij 
en de critici letterknabbelaara placht te noemen. 
Het eerste w. vind ik bij dien schrijver werkelijk, 
t. w. in zijne Vennakel. d. Taalkunde, 206 : ^t Wefk 
in Me gevallen een enkele letterknabbelary is. — 
Doeb ook bet yrw. bestaat; Valentijn, Werken van 
Ovid. HI. 17i : waarom ooit mijn tijd tot letter- 
knabbelen besteedf 

Door gewone letterwisselingen zegt men voor 
knabbelen in sommige vlaamsche «treken knobbe- 
len en knoffelen. Zie Scbuermans' Idiot. 

Knaffelen zie Eaabbelen. 
Knappelen— Knappen 

Dit freqqent. leest men bij De Casteleyn, Py ra- 
mus en Thisbe, 64: 

Midts dat (kle^t) deurknappelt hcuide den Leeu. 
D. i. doorknabbeld; doch bet prim, hiervan luidt 
gemeenlijk knappen en niet knabben. Zie Knab^ 
belen, 

Knaraelen— Knaraen 

Het frequent, is geliefkoosd bij Oudaan, in den 
zin van ons knarseti; Ged. 80: 

(Leeuwen) knarsselen op Hstael^ en bryzelen H 

tot gruis. 
Woestijnstrijd, 14 : 

Knarssel vrij met ijz*re tanden^ 
Vloek'Verwantschap van de hel! 
Yoorschad. 169: 

Dat beest — drabt in bloed en knarsselt op de 

schonken. 
Aid. 177: 
Zij knarzelen van smart, en smelten, en ver-^ 

dwijnen. 
En Poezy. II. 381: 

— dat men hen geketent, en in boe^en^ 
Doe knarss'len, en vergeefs zich f ende kracht 

vermoeijen. 
'k Vond het echter mede in Hoofts Brieven, IV. 
273: quaade klancken.... knerselende in de ooren. 
— "Voor ons knarstanden had men ook knarzeltan- 
den; Six van Ghand. Pf«. 37, vs. 6: 

Hy grimt hem toe^ en knarsseltand, uit haat. 
De Meijer, De Gramschap (door Schrant), 55 : Men 
knerseltandt. 
Het WW. knarsen of knersen is door invoeging 



der s van knarren^ knerren, bij Kil. stridere, fren- 
dere, ringere ; hd. knarren en knirren^ eng. to gnar. 
Bilderdijk gebruikte tandgekner, en de uitdrukk. 
aan eene dtur knerren ; zie mijne Proeve over 
zijne Dichtw. bl 165. Dit geluidnabootsende ww. 
ontmoet men voorts bij Petr. Moen.s, Hugo de 
Groot, 130: 
De forsche deuren gaan, al krakend en at knarrend 
Nu open — 
De Thouars, De Git. van Antw. II. Wl. dat de 
poorten des doods op hare hengsels knarren. Van 
den Bergh, BloemJ. uit de Dram. Werken van 
Sbakspeare, 108: hoe knart het wiel daarbij ! De 
Thouars, a. w. I. 457: 

Wen de scherpgewette zeissen door de golvende 

airen knart. 
Staring bezigde knerreti van krassend vogelgeluid, 
zie mijne Proeve t. a. p. en Rotgans noemt dat 
knarsen; PoSzy, 623: 

De ravens knarssen by den rook van uwe altaren. 
'kVoeg hier nog bij, dat dit ww. mede bed rij vend 
voorkomt; Van de Venne, Wijsmal, 55: 
' T is beter dat de Doodt vcrsmacht^ 
Dan ons bedodt^ of borsten parsly 
Of keelen stickt, of tanden knarst. 
Bara, Galteno, 45: Men knerste 'tslotgat, Heyns, 
BarUs' Wercken, I. ii. 242 (van granen): 

Gebroken en geknerst in d'omwoelende perssen. 
Gynthia Lenige, Mengeld. 3: 

Gods onverzoenbre toorn springt Los.... 
Die 't blikkrefid wraakzwaard door al de eerst' 

geboomen knerst. 
Ja ook knarstanden is hh bedr. ww. gebezigd door 
Biiderdijk, Schemerschijn, 39: 
Hy knarstandt haat en vloek op zedige arge" 

loozen* 
Vrouwe Bilderdijk bezigt samenknarssen ; Wit en 
Rood, I. 113: 

Haar tanden knarsen saara: zyvoelthaar knieti 

knikken. 
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de wortel als 

I 

znw. voorkomt in grendelknars^ bij Van der Hoopt 
De Renegaat, 52. Zie ook Knarzeren. 

Enaspelen— Knaspea 

Bij Kil. is knaspen knarsetanden ; in het vlaamsch 
volgens het Idiot, van Scbuermans knarsen; doch 
volgens dat van De Bo nauwkeuriger ]>i6t8 eten 
dat het kraakt of ruischt onder den tand" ; in het 
eng. bij Haiti well ttf gnaspe^ met de tanden iets 
Hchielijk wegnemen, en to gnaste^ met ie tanden 
knarsen. 

Vandaar bij Scbuermans kncupelen vvoortdurend 



279 



KNASPELEN. 



380 



en heimelijk eten"; bij Von Schmid knaspeln^ met 
de ianden in iete hards of knarsends bijten. Zie 
ook KruMperen. 

Knau weien- -Knauwen. 

Het frequent, komt Toor bij Van Beaumont, Tyt- 
anipp. 160: 

Neemt hy kruyt-ruigels in den mont 
Die knauwelt hy soo deur sijn ianden^ ena. 
Duirkant, Sistiliaen (1628) b1. 18: 

De Kat bewaert de ham voor 'tknaeuw'len van 

de Rot. 
Belg. Mus. IX. 62 : 

^- uwen tande 
Die ghi dorcnauwelt ht^ en venleten, 
Knil, Diana (1627), 14: 
*- de biAabbelde brockjea van jou beknauv^elde 

Koeek, 
Men vindt ook afknauweUn gebezigd ; zie het 
Wdb. der Ned. Taal, i. v. liet Brem. Niedera. 
Wtb. heeft gnauein^ en Herriga Archiv, VIII. 349, 
nil bet dialect van Lippe-Detmold, ynawwein voor 
het knagen aan weeke voorwerpen. 

Knauvoen is b'j Weil bedrijvend; zooaU b v. 
bij Van Teylinghen, Parad. der Welluat. 131 : (hy) 
knauwdet (papierken) met it^jn tandeketis. En 
lager : hy mompelde ende knauwde tot elcken beet 
deee woorden, Uilaridea, Humor. Rijmelar. 19: 

Een ander knauw' vrij roggenbrood. 
Fig. bij Fokke, Verzam. der Werken, VII. 18: om 
je reig zoo hier en daar wot te krxaau'wen. On- 
zijdig leeat men het m de Randteek. van den 
Statenbijbel, op Pred. 12, vs. 4: de wijle de tati' 
den swaerliek knaeuwen, also datmender niet (ua- 
9chen of onder en hoort krakt n noch breken^ ge^ 
lijckmen wel hoort ale de jonge lieden harden koai 
kaeuwen ende in etucken bijten. 
Hooft bezigde doorknauwen; zie het Wdb. des Inst. 

Kneeuwelen— Eneeuwen. 

In het vlaamsch gebruikelijk voor traag of met 
lange tanden eten, en dus nabij komende aan 
knauwen en knauvoelen, Zie dit art. benevens de 
Idiott. van Schuermann en De Bo. 

Kneukelen— Kneuken 

Wij hebben in den gemeenzamen stiji de uit- 
drukking zicfi verkneukeien voor zich verlustigen, 
zijch verblijden Dus Bilderdijk, Gesch. des Vad. 
XI. 4: met dat kinderspel vermaakte hij zic/i en 
verkneukelde zich even zoo goed als Lodewfjk de 
XIV enz. Dez. Andw. aan Le Sage Ten Broek, 
14: de lang reeds walglijke aartigheid^ waar de 
bestrijders en afvalligen onzer kerk zich zoorecht 
gaame mede' verkneukeien. De Gids, 1853, D. II. 



bl. 568: onvermoeide statisticuSy die u verkneakelt 
van getiot, enz. Aid. 1860, D. I. bl. 253: de han- 
den verkneukelden zich bij den driediAbelen lof^ 
Ameterdam gewijd, Kneppelhout, Geschr. X 160: 
ik . verkneukelde mij onderwijl stUUtjee met het 
vooruitzigt, Jonckbloet, Geschied. der middenu. 
Dichtk. III. I. 205 : het sehijni zelfs dat hij de 
galanterie . .. niet alleen niet afkeurde^ nKuir er 
zich in verkneukelde. Mevt*. Bosboom Tousaaint, 
De Delftache Wonderdokter, I. 228: de duivel ver^ 
kneukelt zich er nv al aan, hoe hy er one voor 
zal laien braden. — Bilderdijk, Aantt. op Huyg. 
VL 248, geeft daarvan de volgende zeer aanneme- 
lijke uitlegging: vHet wrijven van de vingeren 
over en door elkander was het gebaar van innige 
verheuging, waar van ook de spreekwijze zic/i ver- 
kfietikelen dat is, de knokkels been en we^wrij- 
ven." Het prim, kneuken is dan knoken^ knokkenj 
verw. aan knikken^ knakken^ waarvan wij ook 
knok, knook^ kneukelt knokel en knokkel hebben. 
— Het prim, knoken leest men in De Gida, I860, 
II. 809: Haar echtgenoot^ zit zich de .vingere te 
knoken. — Van denzelfden oorsprong, doch in zin 
verschillend. is het frequent, knokelen; zie dit art. 
Dezelfde beteekenis als zich verkneukeien heeft 
zich vemeukelen, Bredero, Roddrick, 13: 
Mijn Ziel vemeuckelt haar met innerlijck ver^ 

froyen. 
Ook als onz. en bedr. ww. voorkomende, bij denz. 
Bron der Minnen, 70 : 
Sy echeen haer bloode lief^ Endimeon^ te eerrefiy 
Om dot hy soude eens vemeukelen met haer. 
Hoofl, Ged. fol. 303: 

Wakker' handen^ radde kneuklen, 
Die, met strookend snaarenepely 
Plaght, alleen niet voorhooftn vel, 
Maar de ziele te vemeuklen. 
Dez. Brieven, II. 335 : een uitapanning^ om den geest 
wai te vemeukelen. — Elders leest men in dit werk, 
II. 326 : behcUven dat de forme van den staet^ haest 
onkenbaer, om de dwera- en dommel-kreuken in de 
pan der dienstbaerheit gekreghen^ met der tijdt zal 
beginnen te vermeukelen, en aen eenigh noemelijk 
aengezicht te raeken. De Uitgever verklaail dit oer- 
meukelen door »van aanschijn veranderen*'; en Oude- 
mans, Taalk. Wdb. op Hoofl, door »zachter, minder 
scherp en daardoor minder kenbaar, minder zich tbaar 
woi-den." Bij de laatste uitlegging is gedachtaan 
ons WW. meuke9iy doch zij levert geenen zin. Wat 
zou het beteekenen, dat de staatavorm, door de kreu- 
ken bijna onkenbaar geworden, zachter begint te 
wordenf Blijkbaar is vermeukelen hier eene schrijf- 
of leeafout voor vemeukvlctt. Evenals Hooft in 



28t 



KNEUKGLEN. 



282 



de aanfeh. dichtregels spreekt van de voorhoofds- 
rimpelen te vemeukelefL, badoelt bij in zijnen brief 
dat de krenken van den staatsvorm worden glad- 
gestrekerL, zoodat deee daardoor teen noemeliik 
aangesicbt verkrijgen", d. i. een aannemelijk voor- 
komen. (Dit noemelijk onihre^kX in OudemanB W'db.1 
Bilderdijk in s^ne Aantt. op Houft, III. 240, ver^ 
klaart vemeukelen a Is afkomstig van noken^ bni- 
gen, gladden, ontrimpelen, blij maken ; en bet Wbk. 
del* Inst, als frequent, van vemeucM, geneucht. 
Ik meen echter bet w. voor hetzelfde met f>erkn€U' 
kelen te mogen bouden. De beteekenis er van 
komt met dit volmaakt oveieen, en de etymologie 
strijdt daarme^ niet. Het ww. noken, waarvan 
BiJd. spreekt, is aan knoken nauw verwant, of 1 le- 
ver knoken is ge-noken zelf. Voor kneukel vind 
ik ook neukelf Heyns, Bartas* Werck. II. b64, 
waar de Dicbter tot den koning Rebabeam, die 
den read der jongelingen volgt, zegt: 
Maer ghy den lesten volgt^ en treckende uvre 

neucklen, 
Met laaex edel hloei na lusten tracht te keuck^len. 
D. i. uwe knokkels saroentrekkende, uwe vuisten 
vouwende. — Al verder pleit voor de identiteit van 
vemeukelen met verkneukelen bet freq. vernukkelen^ 
volgens bet Belg. Mus. VIII. 196, in den tongval 
van Rortrijk beteekenende : verslensen, of liever 
verkrenkelen verfrommelen, in welken zin bet 
friescb beeft bet bovengemelde primitief knuwk' 
jen, Dus bij Epkema i. \.:ho knuckstu tniin hoed 
«o, d. i. kreukt gij. Het valt in bet oog, dat ons 
knakken bier mode toe beboort; eig. zegt dit door 
vouwen of drukken broken, docb fig. scbenden, 
bederven, als in i^geknakte gezondbeid** eni. *k Voeg 
bier nog bij, dat Beets de vrijbeid nam, geknacht 
voor geknakt te scbrijven, Ged. van L. Byron (1e 
uitg.) bl. 9: 

MUn leden huigen tich ter aarde^ 
Doaf moeizame arbeid niet geknacbt, 
M<iar doer een lage rust tmikraehU 
In het Idiot van De Bo vrordt de liet. van eet< 
nuMi^en en vemeukehn, met die van vemukken 
en vemeuken uitgebreid tot verbrodden, verbinde- 
ren, doen mislukken ens. Insonderbeid vermeld 
ik nog vemeukelen en vemeuken in eenen zin, 
dien bet laatste ook in Noordnederland beefl, docb 
alleen in de laagste voikstaai, t. w. van foppen, 
misleiden, bedriegen. 



KneuMlan— Kneufleo. 

Het frequent, bezigde De Potter, aangeb. in 
Huydec. Pi^ve, I. 387: 
O hnwen kondi, die *<«eo bekendig kebt gemU^ 



En nergene hebt geraeckU noch eenig lid ge- 

kneiraelt 
En Van der Hoop. De Renegaat, 5: 

Verplei^ gekneuzeld, diep vernederd, 
Kneuzen luidt bij Ki|. knosen^ bet Brem. Nieders. 
Wtb. knusen^ middeibd. knu&en, knuseen; vroeger 
bij ons ook wel knutnen; Jonctijs, Verband. der 
Tooversieckten, 180: vreeitende dathy eijnlichaem 
tegens den ntock knutsen fnochte. Bl. 260: in een 
geknutste tixmde, moet nootnakeiiek al '(geknutste 
in etter veranderen. Van Beverwijck, Verv. van 
de Heelkonste, 22 : De kanten van een Wonde toer- 
den gekniitst, oft gepUttert, Aid. 16: een»<76knut- 
singbe van *t geen, dat quetst,.,, Derhalve moet het 
geknutste.... van het geeonde gheeeheiden uferden. 

Knibbelen— Knibben. 

Knibbeti verscbilt alleen in klank van knabben^ 

knappen, ivaarvan knabbelen; tie dit woord, en 

Ten Kate, II. i41. Knibbelen^ in bet vlaamscb ook 

knMfelen^ zegt eigenlijk kleine stulges afbijten, 

en beeft vrerkelijk zoodanigen zin in DeToekomst, 

1867, bl. 103: 

De viascher werpt angels met w&rmpjene omdaan^ 

Het vischjeti omkwUpelt ze en enapert daaraan^ 

Het nibbelt en knibbelt, enz. 

Bij Scbermer geldt bet w. voor knagen, afknagen, 

veileren; Po&zy, 365: 

Nooit knibbel u de bitze Nyt, 

En vandaar wat men tbans kibbelen noemt, d. i. 

om kleinigbeden den mond roeren, vroordenstrijd 

voeren, ktjven, twisten; aldus Scbadtk. derPbilos. 

fol. 158: 

-* de jcUoeree vrouuten^ die cUtift k^ven^ 

Niet dan rcuen, knibbelen in haerbedrijven. 

Oudaan, Aand. Treurigh. 8: 

Dat u gelunten kan te knibb*len met malkandren^ 

Wie van u cMen eehijh* de meeete boven andre. 

Westerbaen, Ockenb. 189: 

So iek doorloopen wil die vcat de Kereke echryven^ 

Wat vind ick haer geeeheurt door knibbelen en 

kyven! 
Dez. Ged. II. 689: 

«— Door knibbelen en kifven 
Verdrijfi de vrouwhaer man^ de mannenh4Mere 

wijven. 
Vollenbove. Po^zy, 337: 

Wat knibbelt men om 't heUverboni^ 
Dat Godt en meneth bevredigtf 
Oadaan, Roomsobe Mog. 396: met de drukkere en 
letterzettere te knibbelen, en over hoop te leggen. 
Jonctijs, Toon, der Jal. I. 279: uit deze epring ko- 
men twiet en tweedraeht^ kijven en knibbelen, 
echeiden ens. Oudaan, Toneelp. 26: 



288 



KNIBBELEN. 



284 



Dn8 slijten wy den tijd^ met knihbelen en twisten, 
Dez. Agrippa, 438: dat daar geen knibbelen noch 
redewegen valt^ maar eenvoudelijk te antwoorden. 
Lublink, Verhandd. I. 343 : over het getal der over- 
hrengingen te knibbelen. Andere pll. uit Hooit 
en Bredero zie men bij Qudeman^ in zijne Wdbb. 
op die schrijvers. 

Vandaar de afleidingen knibbelig, geknibhel en knib- 
Ming; Berkbey, Dichtm. Redenv. over de Plich- 
ten der Weezen, 20: 

De Moeder, of Meestres (ztj) niet knibbelig nog 

kregel. 
VoHenbove, Poezy, 410: voroks twist en geknibbel. 
Vlaerd. Redenr. 296* met knibbeling en kyvcn. 
Levens van Plut. fol. 68 : de tweedracht ende knib- 
belinge van dese twee mannen was ghelijck ecn 
diepe incisie, die de stadt in twee pariyschappen 
verdeylde. Verwer, Ned. Seerechten, '144: Knib- 
belinge rysende over het rooijen van den verkoop- 
prijs^ enz. Rabus, Vermakel. der Taalkiinde, 206: 
Hwelk my zekerlyk een gezochteknibbeWnf^schynt. 
De Groot, Van de Waarheyd enz. 844: oneenighe- 
den,,., welke,,,. hy met woorden-knibbelingen noch 
verder heeft gevoed. 

Hiertoe behooren ook de composita knihbelhrief^ 
brief die aanleiding geeft tot twist, Hooft, Ned. 
Hist. fol. 154; knibbelkunde, voor de baarklo- 
verrj der recbtsgeleerden, Van Effen, Spect. V. 601 ; 
knibbellust, twist- zucht, De Brune, Wetsteen, IL 
108; knibbelvuist^ Van Swaanenb. Arleq. Distel. 
260; knibbelvier^ twist vuur, Westerbaen, Ged.. I. 
289; knibbelziek^ twistziek, bij Berkhey, a. w. 43. 

Het WW. knihbelen beteekent ook nauw dingen, 
van den pnjs of loon ieUj afknibbelen ; Bekker en 
Deken, Com. Wildschut, HI. 128: als hlj hoar 
naauwlijks zo veel gelds geeft^ dat zij armlijk huis 
kan houden; als hij opal hare uitgaven knibbelt. 
D. n. 149: ik gun den amba^htsman wel zijn be- 
loning, ik knibbel niet met de geringe luidjetis over 
een stuiver meer of min. — Vooral bUjkt die zin 
uit het bedrijvende bekntbbeleti, dat toegepast wordt 
op het nauw onderzoeken of nagaan van iemands 
woorden of handelingen; Bloemkrans van Versch. 
Ged. 465: 

Hier om een duister woord diep te beknibb'- 

len; daar 

Om eenig oude spreiik te trekken bij het hair. 
Oudaan, Uytbr. der Ps H. 100: 

— in het niet beknibb'len onzer zonden .... 

Zien wy zoo hoog (Gods) goedheyd in hoar 

Vaarde 

Als zich verheft de Hemel boven d' Aarde. 
Bilderdijk, Chalmers Bewijs en Gez. der Cbrisiel. 



Openb. 19 : dit beknibbelt de vrije werking en in^ 
vloed van het bewijs, D. i. dingt er van af, beperkt ze. 
Men leest bij Conscience, De Leeuw van Vlaend. 
I. li^: alle hare daden werden met gramschap 
berispt en beknibbeld. D. i. waarschijnlijk niet 
bloot nagaan, maar bekeven, begromd. 'k Heb hejt 
w. echter wel door Viamingen hooren bezigen van 
het hekelend beoordeelen van een boek, van welks 
waarde men het een en ander tracht »af te dingen-" 

Afknibbelefi is bepaaldelijk afnemen door te knib- 
belen ; De Vrijer, Pulcheria, 68 : 

My komt noch zo wat gelds^ dat kan hy nu de 

boeren 
Weer af gaan knib'len, enz. 

De Nieuwe Honigbije, III. 43 : 

Hij tracht vergeefsch van 't voile geld 

lets af te knibblen, H wordt geteld. 

Berkhey, Dichtm. Redenv. over de Plichten der 

Weezen, 43: 

Geeft hem zijn baas tot loon een afgeknibbeld deel. 

Bilderdijk, N. Vermaking, 168 : 

Geen afgeknibbeld deel dat aan den gever smart, 

Burlage, Acad. Tafer. 73: van den prijs nog eerst 

Wat af te knibbelen. Van der Palm, Salomo, H. 

25 : 't geen hij afgeknibbeld heeft (van *t geen hij 

aan den arnien heeft geschonken). — Vandaar de 

afl. a f knibbeling bij Fokke, Spreekw 26. Men 

vindt Og. daarv^or ook ontknibbelen ; Loosjes, Leven 

van ConsL Hiiyg. 25: 

Wat uren heb ik niet..,, 

Ontknibbeld aan den slaap? — 

Tegetiknibbelen is tegen inleggen; Bruno, Mengel- 

moes, 84: 

Hier en baet geen tegen-stribb^len, 

Hier en helpt geen tegen-knibb'len, 

Gy en blijft u eygen niet^ 

Gy vervalt in zijn gebiedt. 

Eniffelen, zie Gniffelen. 
Knijnselen— 



Knijnzen is in onze volksuitspraak, wat anders 
knijzen of kniezen heet d. i. zooals Weil, zegt: 
»zich van hartzeer kwellen. een knagend verdriet 
hebben." Dus (wederkeerig) bij Hoiferos, Poem. 392' 
Wai een quade beest is Nijd .... 
Die hoar selven knijst, end quell. 
Bilderdijk, Poezy, I. 135: 

Dat uw boezem^ wars van knijzen. 
Tot den zijnen op kan rijzen, 
De Thouat^, Zriny, 56: 

De Suttan knarstandt^ knijst V€U% woede bij 

zijn' vol, 
Hier schijnt het w. met grijnst verward te zijn; 
althans knijst is ongepast. Meer in. gebruik is 



285 



KNUNSELEN. 



286 



verknijzen (wederk. en bedrijvend) ; Fardon, Nagel. 
Redev. II. 107: dat men zich het gofde van de 
eenzaamheid naar waarheid voarstelle^ en wel verre 
van zich te verkniezen, dat goede iracht te genie- 
ten Vlaerd. Redenrijckb. 88: 

Alivarenz^ oock in ntaet verheven meerdan hy^ 
Sy zullen kmderlijck hem doch niet trots ver- 

knyzen. 
Aid. 149: 
Den Heer pryzen en loven^ die ons noyt heeft 

verknezen. 
D. i. doen verknijzen ; Ylissings Redens Lnsth. 256 : 
Al werden wy verknesen. 
Door ^t ve}*volgh of verdnet. 
Springh-Ader aller Kind. Gods, 209: 

Door reden waren aommighe van Godt ver- 
knesen. 
D. i. gekweld. Schadtkiste der Pbilos. fol. 27: 
Theophrastus wilt den wljsen leeren 
Niet te houwen, om niet te worden verknesen. 
Aid. fol. 250: 

Die hem selven verwint^ die is sterck on verknesen. 
D. i. zonder kwelling. Den Nederd. Helicon, 256: 
Leert my^ dat wreedigheyt behoort te zijn ver- 
knesen. 
D. i. met verdriet beschouwd. Ck>nstth. Juweel, 367 : 
Siet hoe sidt den ouderdom hem selven en ver- 

keynst. 
Veraeht de janckheyty ende prijst zijn oversaten. 
Men zal hier te lezen hebben vet kneynst ; het ri jra- 
Mfoord eischt de n, boven in de volksuitspraak ver- 
meld. Oudaan, Uytbr. over Job, 73: 

Als *tkleed dat door de mot zijn glans verliesty 
Zoo zie ik oak gebroken en verkniest. 
Is dat »door verdriet gekweld" ? of gekneuad^ v/ani 
in dien sin korat kniezen mij voor bij Baerdt, Deug- 
densp. 130 : men stoot^ men stampt^ men kniest... 
en smeltet in malckanderen : 't Emplastrum is 
heel goeL 

Van knijnzen heeft het vlaamsch knijnselen ge- 
vormd; zie het Idiot, van Schuennans. 

KnikkeloD— Knikkeu 

Cremer schrijfl in zijne Betuwsche Novellen, I. 
99: zeide Arie eindelijk.... knikkelend en hakke- 
lend, Deze Arie is een vzenuwachtige oude", die 
met beklemd gemoed voor den »baron" verschijnt 
en hem aanspreekt. Knikkelen kan dus hierver- 
staan worden van het vooroverbuigend hoofdschud- 
den; of van hetwaggelen der beenen. Zbowel het 
eene als het andere heet knikken^ en in den laatst- 
genomen zin heeft tichmeller de frequent, kniegeln^ 
kniekeln^ kneikeln. Gerland, Intens. und Iter. 9, ' 



verklaart /cm'cft^n zeerjuist als oorsproukelijk ne^r- 
zinken of doen ne^rzinken aanduidende.* 

Van knikken heeft men aan- en toeknikken, 
beiden bij Weil, bekend ; doch ook a/*-, be- en ver- 
knikken ; Valentijn, Werken van Ovid. Ill, !S29 : 
soo dikwijl ik op hanr seggen iets toe- of afknik, 
denketise iets quauts van mij Aid. 272: Beknik 
dtf, goederticre Goden^ op mijn angstige gebeden 
D. I. 79: Sij knikt staagja.... klaas vaak verknikt 
het bessenhooft. D. i. doet bet hoofd der best 
knikken. 

Den wortel des werkw. leest men als znw. b.j 
Stoppendaal, De Lusiade, 11: Wanneer Mars op- 
hieid te spreeken^ stemde de Opperheerscher van 
den Olimpy door eenen knik, in Hgeen h^j had 
voortgebragt. 

Als samenst. heeft men knikhalzen; Valentijn, 
Werken van Ovid. II. 222: de stervende jonge^,. 
die bij gebrek aan levenskragt geknikhalst, top- 
zvocMr wierd, — En knikkeknieen ; Berkhey, Ter 
verj. van Will. V. (1786) bl. 5. 

Nu knikkeknien wy op ons pad. 

Enippelen— Knippen 

Knippelen is bij Weil, hetzelfde als knipperen; 
zie dit woord. 



L— Knispen. 

Volgens Bouroan is knispelen^ ook nispelen (met 
weglating der ^), tslap melken, niet good door- 
melken, met duim en vinger (in plaats van de voile 
hand) melken." Mede bij Kehrein is knispeln meer 
in H algemeen kleinigheden verrichten. Tobler 
heeft daarvoor nissla en leidt dat af van niss^ iets 
gerings, waarvan ook nisaig^ karig. In het oog 
vallend is de verwantschap met nisselen. nusselen^ 
waarvan zie op Nusselen, Zie insgelijks Knasperen, 

Oudaan, Poezy, II. 199, heeft doorknistelen : 
— Rade ik reehtf ontdek 
('k Kan 'taltes op geen aas doorknistelen) 
Zelf wat ge meent^ of wat het was. 
Dez. Agrippa, 117: dien Hemel zelf, dienze door- 
knistelen. Aid. bl. 35/2: Laat ons ettelijker anderer 
Rijken beginsselen^ en uiteinden doorknistelen, en 
wij zullen bevinden^ enz. En bl. 454: want deze.,.. 
doorknistelen de diepdringende zin. {*) Dez. Room- 
sche Mog. 463: scherpzinnige verstanden^ die zoo 
menigmaal alles op een hair uytpluyzen^ efi door* 
knistelen. — Dezin eischt: doorzoeken, onderzoeken, 



(*) De WoordenlUst der letdscbe Maatecb , die dtt woord 
uU Oudaan uanhaall. been verkeerdelUk doorknietteten, (en 
waredeeersle, mU niel ter band lynde. dmk van den Agrip|»a 
z66 spellen mocbt. 



tS7 



KNBTHUEN. 



bet w kont Utikb^ar avereeii 
ibiiftont, m ef«0a# herum knittem^ bij Von Schmid 
doonoefcan, doorUuitan. De aflmding geefl deze 
anders bakwame etymolofiat niet op Hot Brem. 
Niaden. Wtb. boefl in denzelfden sin niMleren, 
van da spoorhondan ontlaand. Hat primitiaf dar 
dria fraquantt. ia mao^an, bi] Graff traehlan ; ijsl. 
httyta^ doorsoakan ; nadaii. ntezen, dat wi| in aana 
andara bataakania van tmujan babban, doch biar 
dan ztn haall van neazet^ waarvan ook neutelen 
(zia dit woord), dat doomeuzelen gaefl in daoaalf- 
dan sin ala doarkmtiden bif Ottdaan. Ik mark 
nof ops dat ona niezen^ atamntara, fr. ^lamuar, 
■iat allaan looala Wail, varmald fmezen^ naar 
ook in da volkataal gemeien an ^meimi wordt 
nitfpeaprokan. 

Knoedelen— Knoeden. 

Hat WW. knoedelen laast man in bat Alg. Lat- 
tarL Maandachrift. 1848, n*. 4, bl. 240: 

— dipUnnaat^ 
Vit MchUdendeeg gaknoadald. 
D. L tot aan klomp gaknaad« Weil, haefl knuide- 
len^ in Gron. knoedelen^ iata in kronkaliga an wan- 
ataltiga voovfan makan. Dit zai batzalfda woord 
aijn. Hat primitiaf knoeden of knoeten komt voor 
bij Von Schmid: knuUen^ iata met de handanbaU 
gan an draaijen, zoodat bet lenig wordt. Wij 
bebben er van knoedel of knoetel, meelbol, hoogd. 
knddel, kndtely akenacb dialect knuddel, Voor 
knoeden vind ik knoezen bij Baardt, Daugden- 
tjfoor^ 248: 



(Men) $ift en buylt hem wel een bet, 
En rolt en knoeat hem heen en weer, 
Volgena Schmeller maakt »die KnodeT' nevens »die 
NudeT' (aan gelijkaoortige apijt) jaar uit jaar in 
in Baijeren bat boofdgeracbt dar boerentafe) uit; 
bi) bastaat uit meel met verscbillende ingrediSn- 
tan, aU atukken vlaesch, gpek, lever, of gori, aard- 
appelen, tot een klomp gekneed en gekookt. Bij 
Kil. is knuttel bult, boil. Weil, zegt, dat knui- 
delen een frequent, is van hot hoogd. knullen; 
juistar ware gezegd: knuUen is eene aamentrek- 
king van knuidelen, 

Knoeieleix'— Knuiwn. 

Beide ww. komen, volgena Schnermanz en De 
Bo, in bet vlaamacb voor, en in dazalfde beteekenia, 
t w. da enkels tegen elkander ataan onder bet loo- 
pan, aldara knoezeiivoeten geheeten volg. bet Belg. 
MuB. VIII. 182. Daar ze overigens allaen in wor- 
telklank verschillen, mag bet eene als frequent, 
van het andere aangeroerkt worden. Den woiiel 
knuM heett Staldar voor uitwaa. In bat naderL ia 



knoeei batzalfda ak kmtieL, d. L aan plat woord 
voor de loagavoowan en aladan de knokkala var- 
toonanda band; zia Weiland» waarvan bij Bod. 
Benninghs L. Oorl. 12: de dick-geknuyste lieden, 
Bij Kil. ia knoetti een harde uitwaa aan boomen, 
waarvoor man knuiei vindt bij Oodaan, Rooroacbe 
Ifog. 202: dat de lier niei op een aUaary maar 
opeemigetronkofboomknnjBi rich eteunde. -*Ean 
knoest brood ia aan ruw afgaaneden atuk, een bomp; 
Uuppel baaft in danzalfden zan knuety knuuet; Von 
Klein knuet^ broodbomp, doch ook een lomp atuk 
bout an een plonap manacb; Von Schmid, knaue^ 
knauet, knust^ broodbomp en verfaard kliergezwel. 
Van bier knoezeLf bij Kil. knoeeaeiy voatknokkel, 
enkel, in bet middalnad. niat onbakand; Roman 
van Walawain, va. 6528: 

Vore WcUeweme laghen slrukey 
Hondo ende voeie ende andre lede.^. 
Ende hi atoni toUn cnoaeala in *t bioet. 
Grimbargacbe Ooriog, H. 217: 

Menieh orsee doer stont, 
Over de knoaaalan in dot bloet, 
Sylvioa, Tfundameot dar Medicinan ana. fol. 8 : 
die Oder onder den knoasal frnyten dea beens. 

Hat anw. geknoes komt voor in den zin van 
knorrabaan; Ypermanz, DieGinirgia,244: zoeheoet 
ffhemaect natuere ghacnoaa. Aid. .52 : omme dat 
deeen roepere es van den ghecnoasen. — Voor g^ 
knoeet haefl man den frequent vorm, aid. 243 : 
Die oore is b%Uen den kaeenbecken gbecnoeselt^ 
noch pueren beene, noeh puer vleeifch, 

De ganoemda werkvim. hebban in de vervrante 
dialacten nog andere beteekeniaaen. Bij Weinhoid 
ia knusen en kntueien kauwen, verduwen, en der- 
gelijken zin achijnt knuizen te hebben bij Moons, 
Sedel Vermaecktonneel, 357 : sijt ghy in cLen dagh 
van u leven gewoon,,.. te teiren^ te smeiren^ te 6uv- 
eeny te knuysan, en aoo voorts, — - Buizen ia drinkan ; 
daarbij voegt, als allitereerend woord, kauwen of 
etan. 

Bij Stalder is kmueien onder banden naman, 
voorts liefkozen van kinderen, en knaselen yleiien. 
En zoo vindt men da nitdrukking: de bomtkens 
knuyeelen, in Oudemans* Bijdrage. Uierbij denk 
ik aan onze spreekwijs: iemand in de kluiven of 
bouten vatten, aU gebaar van gemeenzaamfaeid en 
Hefde; an hiertoe zal bebooren het zelfsL nw. 
knuisy dat ik aantref bij Gbeschier, Des Warelts 
Proof staen, ^U3: 

Watser imelder aU de saken 
Die van soete uuer gheraketi i 
Hoe langh duert het lieve knuys 
Dat den iipielman eit op Hhuyef 



KNOBZELEN 



390 



D. i. misscbien: het liefgestreelofgevlei. Behoort 
hier ook toe het bijw. of bijv. naamw. kntUSy hnnsy 
dat onze volkstaal heeft voor lief, aardig? Men 
zegt: iet8 knus of knusjea doen. 

Knoesselen*— Knoezen. 

Yolgens De Bo zegt bet vlaamscb verknoezelen 
voor »doen kennen, uiteendoen, verklaren, wijsma- 
ken." AJ8 primitief daarvan wordt vermeld knoe^ 
zeit, dat bet Wdb. van Sleeckx beeft voor »com- 
prendre." Ter vergelijking wordt alleen gewezen 
op bet lat. nosrx) en het eng. to know. 

In de verwante dialecten is knoezen niet geheel 
vraemd. Danneil heeft werkelijk verknUm'n voor 
>iet8 volkomen begrijpen." Ook zal er toe beboo- 
ren g'neisen^ bij Scbdpf merken, waarnemen; en 
uit de dieventaal kneiusen^ ervaren, weten, kennis 
krijgen; knexster^ recognoscent , verktieisen^ ver- 
kneviten^ verstaan, die voofkomen b | Von Grolman 
en vooral in het Wtb. voor het Pohcie-bureau te 
Weenen opgeinaakt (18M). 

Om het w. te verstaan vestig ik de aandacht op 
verknoezen^ dat in bet nederl. en vooral in de 
boogd. dialecten zeer bekend is. Zoo leeat men 
bij Van Rusting, Werken. I. 175: 

Ik {ley God Backus) hou van 'troezen; 
Ik kan die louwen niet verknoezen ; 
Ik vcU 'er itchier van in de slaap. 
D. i. verdragen, dulden. Zoo ook de Holleb. Lachende 
Dokter of Den Bereysden Hans Zingzang (Amst. 
1724) bl. il: 

Fk zou het je wel zeggen^ tnaar^ je moettt het 

niet verknoesen. 
D. i. (zoo ik versta) niet kunnen verdtxLgen, Doch 
bij Van Effen, Holl. Spectator, IV. 8: Zo heb ik 
het hier al weer verknoest. D. i. bedorven. En 
bij Langendijk, Ged. IV. 187 : 

-* Ik getoof dat onze kapitein niet beter zou 

doen kon*fen 
AU te Parys te blyven: het toaar gevaarlyk zowy 

in de bosschen iets begonnen: 
Want cU de Huchten^ het Gemot en de Verknoes- 

ters hebben zyn porlrel. 
Gemot is de huiszoekers, en verknoestera, als bo- 
ven kneister, de uitvorscbers. 

Deze verscbillende beteekenissen worden door 
de hoogd. dialecten opgehelderd. Verknvsen^ ver- 
knuseny verknuzen^ is verteren, verduwen, in den 
eig. zin dier wn.; maar ook oneig. verdragen, dul- 
den, Itjden; zie Kehrein, Schambacb, Stikrenburg 
en Weinhold. Vilmar noemt het »in den nieuwen 
tijd eerst opgekomen, doch zeergewoongeworden/' 
Kehrein en Weinhold wyzen ter verklaring van 



het w. op knueen, kn&seny kauwen; de laatste te- 
vena evenals Stnrenbuiig, op Aneuzen, en mtj dunkt, 
met veel aannemelijkbeid. Het verteren (van spij* 
zen) is een kleinzen of vermalen, evenaU kneuzen 
dat is. 

Ook de bet. van verderven, die in verknoezen 
voorkwani en waarvoor Schmidt en Bemd knut- 
sche^ verknutscho^ verkni'tschen en verknautschen 
hebben, levert geene zwarigbeid; kneuzen toch is 
in verscbillende toepas^ing aan verderven gelijk. 

En met eene andere toepassing is dan ook verr ' 
knoezen in de vlaamf^che beteekenis evenzeer te 
verklaren. Danneil vertolkte het w. zeer juist door 
Diets volkomen begrijpen." Welnu. wij zagen dat 
de werkzaamheid der maag word overgebracht op 
het gemoed: zou de beeldspraak vreemd zijn, dat 
diezelfde werkzaambeid ook op bet verstand werd 
overgebracht? De zaak, die wij goed begrijpen. 
wordt door ons vet*stand niet alleen opgenomen, 
maar als het ware gekleinsd en verteerd, en daar- 
om hoort men van moetjelijk te begrijpen zaken 
wel eens zeggen, dat ze wel kunnen opgenomen, 
maar niet veiteerd worden. Op Kleinsteren gaf 
ik een voorb. van de uitdrukking den road Gods 
door de hersenen te kleinzen; niet anders is de 
beeldspraak op te vatten, die er ligt in knoezen 
en verknoezen voor goed zich eigen maken of vol- 
komen begnjpen ; en verknoezelefh, dat begrip over- 
doen aan anderen. 

In de dialecten van Kehrein en Weinhold heb- 
ben de fi'equentt. knuaelen en verknuselen ook den 
zin van verteren en verdragen. In eenig nederl. 
dialect kwam mij dit nog niet voor. 

Kuoflfelen ■— Knoffea. 

Vlaamscbe woorden. Kno/fen is langzaaro (of 
wel, gulzig) eten, en knoffeleti uit de vuist eten ; 
zie het Idiot, van Schuermans, die te recht ver- 
wantschap aanneemt met knabbelen^ knobbelen. 

Knofblen*, zie Knuflfelen. 
Knogchelen— Knogchen, 

In sommige hd. (jti^le^ten is zoowel knochen als 

knocheln kwellen, plagen, martelen, zie Anton (IX.) 

en Weinhold ; en knochen . alleen in dien zin bij 

Reir\^ald en Schmelter. Anton voegt er ter op- 

heldering bij : obis auf die Knochen, bis aufs Blut." 

Ik twijfel echter of b. v. pijnigen tot op bet been 

ooit beenen zou kunnen heeien, en zou dus iemand 

knogcfien of knogchelen eerder verstaan als »bem 

de knokkels te laten voelen." In ieder geval is 

pijnigen, kwellen, de boofdzaak, en in dozen zin 

heeU men bet frequent, bij P. Onion Gocus PonuB| 

10 



291 



KNOGCHELEN. 



292 



II. 86 : weest in uwe handelinge swert ende sleckt 
door ootmoedigheyf van buyten, gehocchelt ende 
gheknocchelt door versiervingen^ maer inwendig 
in uwe conscientie wit van suyverheydt. 

Kehrein heefl knbcheln in een anderen zin, I. w. 
voor 9de knokken of beenen afknagen." 

Enokelen— Knokkeu 

Het frequent, knokelen heefl Kil. voor iemand 
onbetamelijk behandelen, eig. hem de knokkels 
doen voelen. Hel priraitief knokken heefl derge- 
lijken zin ; Rosseau, De Helsche Kermis, 9.4 : 
Weest te vreede, of deze stokken^ 
Zullen u zoo murref knokken, 
Of gy half gebraden waart. 
H. van Halmael, Grispijn, Bedrieger, 48: 

't Zal 'er niet toe koomen, maar eer ik dat zag, 
Wou ik jou liever knokken, dat je drie myl in 

den grond lag. 
Reinwald heefl knochen, kwellen, pijnigen; Epke- 
ma, knuwckjen, op of met de knokkels slaan; b^ 
Van der Veen, Zinneb. 207: ynen gaf my kneu- 
kelsop. — Zie voorts Kneukelen, 

Enongelen, zie Elungelen 
Enoppelen— Kuoopen. 

Ons knoopen wordt knoppen in beknopty in den 
Teuthonista en in het neders. knuppen, Vandaar 
het frequent, knoppelen voor knoopen, bij Schuer- 
mans; knuppeln bij Stalder, Bemd en Scharobach. 

Knorrelen— Knorren. 

Volgens De Bo is het westvlaamsche knorrelen 
gebruikelijk voor hel gewone knorren, fransch 
grommelery d. i. uit ontevredenheid morren of prul- 
telen. 

Euuffelen— Enuffen 

Knuff^ knuffe, is in verwanto dialeclen slag, 
stool, inzonderheid zulk een die met de vuist of 
den elleboog wordt gegeven ; zie de Idioticons van 
Schiitze en Schmidt. Bij ons vindt men knuif 
voor de vuisl ofknuisl zelf; Nomsz, DeGeldzuch- 
lige, •164: had gij in zulke jongejarenden schurk 
niet met de knuif op den veter gezeten, enz. Vati- 
daar bij Reinwald knuffen, heimelijk en van ter 
zijde met vuist of elleboog een' stool geven; bij 
Schmeller knuffen, met de kneukels slaan of stoo- 
ten; bij Schutze, knuffen^ kniiffeln, met toegevou- 
wen vuist stooten of slaan; bij Schmidt knuffe, 
knuffeln^ met de vuist slaan en heimelijk slaan. 

Ons WW. knuffelen of knoffelen, bij Kil. ook kmn- 
felen, is derhalve een van onze naburen overgeno-* 
men woord, en Weil, omschrijfl het te recht door 



>iiiet de vuist onzacht stooten." Dus Vondel, 
Po6zy, II. 448: 

Wie niet ontrennen kan, wort van 
De buff els doot geknuffelt 
Don Quichol, I. 364: De Barbier knuffelde San- 
cho en Sancho den Barbier, Aldaar, 404: Don 
Quichot, die noch onder den Harder lag en 
keeky wel terdegen geknoffelt en gestagen. — 
Wij gebruiken het echter ook voor minder hard 
behandelen, zelfs voor op eene wellustige wijze 
betaslen; dus Starter, Klucht van Melis Tijssen 
(1646): 

— ick sou jou so koesfreny knolTlen en hehagen, 
Dus volgens de aanh. van Oudemans, Bijdr. i. v. 
Mijn druk (van 4706) heefl koeffelen ; zie Kokelent 
Thirsis Minnewit, III. 96: 
Doe knoffeld' ik rondom in Hduyster tot ter 

teyd, 
Dat ik een Bedde vond; ik nam hoar aan 

mijn zeyd. 
Men leest het w. nog bij Nolet de Brauwere, Ged. 
III. 248: 

Dat ooit of nooit een ministerie 
' Ons knoffle met schoolmeestersklap. 
Zie wijders Weilands pi. uit Noseman, Oudemans 
op Bredero. Figuurlijk bezigt Vondel het w. voor 
wat men anders noemt »iemand onder handen ne- 
men" in het Bereclit v66r den Lucifer: wil men 
ons immers dus ongenadigh knuffelen om het 
woord spel, waer blyvenwe dan met orgelspelf 
Van Swaanenburg heeft daarvan afknuffelen; 
Arleq. Distelateur, 4: 

— daar zyn ten minsten hondert bu/flen^ 
Om 'f (yaars) als een Id van Jupyn zo af te 

knufrieh, enz. 

Beknuffden is betasten, overeenkomende met 

»attreclare, contrectare." waarme^ Kil. knuyffelen 

vertolkt ; Camphuysen, Sticht. Rymen, III. 464 : 

De WoeckenaerSy als ecchels, die moeten hem 

zijn goeden 
Uytzuygen tot den bloede; 
En^ om hem niet te laten, zijn kisten gau door- 

snuffelen, 
En alles nau beknuffelen. 
Verknuffeld is bij Oudaan, Uytbr. over Job, 437: 
Na dat de kracht der handen hen verging^ 
En H slappe lijf een' slapper moed beving^ 

En hen nu <f ouderdom 

Van *t kruchchen Het verknuffelt, koud en krom. 

er zoo uitzien, alsof men geknuffeld is, zooals 

Schmidts Westerw. Id. heefl verknufft aussehen, 

geslagen zijn. 

De eerste beteekenis van knuffe^ slag of stool, 



393 



KNUTFELEN. 



294 



18 zonder iwijfel die van den knok, waarmed de 
stool gegeven wordt, bij Graff, IV. 583, gecnuffe^ 
gecnupfOj hoogd. geknupfe, Zeer juist zei dus 
Tuinman: ^knuffden is met kneukelen dii'wen of 
kneden." Ten Kate, 11.244, bracbt het w. tot /(nob- 
be^ en Weil, tot knobeln, Halbertsma, Overijss. 
Wbk. verklaarde kttoffelen door »in verkeerde 
plooijen brengen." Bilderdijk, Aantt. op Huyg. V. 
!243), noemt knuffeien een frequent, van knaau- 
wen; elders houdt hij het voor knobhelen en nog 
elders voor genoffelen^ van noppen, slaan. Geslachtl. 
II. 93 en 284. Voor zooverre met knok, kneu' 
kelj het naamw. kfwbbel etymologisch verwant is, 
mag dit laatste zeker bij de verklaring van knuf- 
feien v^el in a&nmerking komen, zooals ook het 
eng. to knubble zegt voor met de kneukels slaan; 
doch de allemaaste afleiding ligt daarin niet. 

Onze volksspraak zoowel als de hoogduitsche 
zegt voor knuffeien ook kamuffelen en wel in 
gelijke beteekenis; Werken van Rabelnis. II. 85: 
By get koom ik je daer 6y, ik zaX je kamuffelen 
cUs een onweers-duyvel. — Reinwald noemt dit »ein 
allgemeines Germanisches Volkswoff Niets 
schijnt meer voor de hand, dan beide wwn. oor- 
spronkelijk ^^n te houden, en het Brem. Nied. 
Wtb. noemt dan ook knuffeien eene contractie 
. van kamuffelen. Nog eerder zou men, bij den 
zoo blijkbaren boven aangev?ezen oorsprong van 
knuffeien^ kamuffelen mogen houden voor knuf- 
feien met een voorvoegsel. Doch catmiffel is bij 
Wachter gelijk kamoffel bij Kil. een breuk, in- 
londerheid een liesbreuk; en vandaar leidt hij 
camiffelen af voor pijnigen, kwellen (met woor- 
den); ook andere taalkenners wiilen zoo, zie Ri- 
chey. Ik vind den overgang dier beteekenissen wat 
sterk, en moot doen opmerken dat van het ww. 
kamiffelen bij Adelung nog andere afleidingen 
voorkomen, die bewijzen hoe on zeker de oorsprong 
van dit woord is Bilderdijk, Geslachtl. i. v. hield 
niet onaardig kamoffel veigenlijk voor een knorf- 
achtig gezwel, en zekerlijk uit knorfel verbafcterd." 
Zoo zou zeker de overeenkomst in beteekenis van 
kamuffelen en knuffeien zich goed laten verkla- 
ren; doch de noodige bewijzen voor die afleiding 
ontbreken. Wellicht is Aamu/feicn"alleen ontstaan 
door verwarring van knuffeien met kamoffel of 
kamiffeL 

Volgens Adelung en SchQtze wkarnuffel of kar* 
niffel zeker kaartspel en het ww. kamiffelen zulk 
spel oefenen. Het is opmerkelijk, dat men daar- 
voor bij ons het ww. knuffeien aanlreft Dusleest 
men in Blommaerts Geschied. van de Kam. van 
Rhetor, te Gent, bl. 8 : Verder staen hoeten vast- 



gesteld tegen dengenen.... die gedurende de verga- 
deringen eenig wetspel voorsteldey T^daer men ghelt 
met vertieren mach, als dohheleny ringheleny quee- 
cketiy verkeeren, kneylen, poutrainen, quarteny 
knufflen, of.ander ongheoirlooft epel" 

Knuidelen, zie Knoedelen. 
KnuifelenS zie Knuffeien. 
Knuif elen*— Enui ven 

Knuiven is hetzelfde als kluiven; en knuifelen 
bij Kil. knagen, afknagen, de buitenste randen af- 
eten. Zie ook Ten Kate, II. 244, en het Alg. Yl. 
Idiot. Met deze wwn. komen overeen kniefen bij 
Von Schmid »iets hards bijten zoodat het knoerst," 
en knieflen. bij Reinwald, I. 112, vermeld als 
wurtenbergsch voor »lang en met moeite aan 
iets knagen." 

Enuizelen, zie Knoezelen. 
Enutselen, zie Nusselen. 
Eoedelen— Koeten. 

Volgens De Navorscher, IX. 293, is in het land 
van Kuik koedelen in zwang voor broddelen. Men 
heeft dat w. aldaar overgenomen uit sommige 
oostenrijksche dialecten. Bij Schrder is kudeln^ 
kotteln, aan stukken plukken, verwarren ; het subst. 
kudeln is bij hem, evenals kuder, ook kauder^ bij 
Schmeller, Tobler, Hofer en Stalder, verward of 
ongekamd haar, of ook werk van vlas, welk woord 
uit werren of warren is. De oorsprong ligt in 
koeten^ neders. katlen^ hoogd. kuten^ eng. to cut^ 
d. i. afzonderen, vaneenscheiden; mede in den 
fig. zin van warren, d. i. twisten, komt het eng. 
WW. bij Halliwell voor. — Van dit koeten is waar- 
schijnlijk het in de volkstaal gebruikelijke koea- 
koesetiy d. i. dooreenmengen, Hwelk men leest bij 
Fokke, Boertige Reis, I. 225: waarom ze hem da- 
gelijks slecht voedsel lieten toedienen.,,, eomii^ds 
rets ook zoo wat vergiftiga er onder koeskoesten. 
Bekker en Deken, Com. Wild^chut, II. 147: Hmo- 
naden en siropen koeskoezen, geleien itUeggen. 
D. VI. 104: zoo zot en gek koeskoest zij allea 
dooreen, 

Eoefelen, zie Eokelen*. 
EoekelenS zie Eokelen*. 
Eoekelen*, zie Eokkelen. 
Eoffelen, zie Eokelen** 
EogchelenS zie Guichelen 
Eogchelen*, zie Eokelen*. 
Eogelen, zie Guichelen. 
Eoggelen^ zie Ouiohelen. 
Eokelen', zie Oniohelen. 

10* 



3RB 



KOKELEN. 



290 



Eokelen*— Eoken. 

Kokelen^ keukelen^ is bij Kil. nutrire sive fovere 

culinft; en Ten Kate, I. t281, leidt dit fi'equent. af 

van koken, keuken, coquere. Dus leesl men bij 

den antwerpschen dichter Boudewijns, aangeh. 

door Willems, Verb. o. d. Ned. Tael- en Letterk. 

II. 1-26 : 

Vroukens weten ons te keuklen, 

Stoven^ hraden^ naer den wen.% 
Met een sausken soel of rens, 
Westerbaen. Ockenburgb, 162: 

Hy, die sich op dit goed te keuckelen verstaet^ 
Die doet de heste vangst die H al te boven gaet. 
Dit goed ziet hier op sneppen, welker vangsl de 
Dichter vooraf beschrijft. Van de Vennes Bel 
Wer. 53: Alsmen heeft waer mee^ ist goet keu- 
ckelen. Hiervan t. z. p. hel subst. keuckelaar. — 
In Heyns' Bartas, I. ii. 564, wordt tot Rehabeam, 
die den raad der jongelingen vnlgt, gezegd : 
Maer ghy.... treckende uwe neuck'len^ 
Met laacx edel bloet na lusteti tracht te keucklen. 
Dit zal zijn : uw hart op te halen, uwen lust te 
voldoen. Bij Schmeller is kocheln^ frequent, van 
kochen^ steelswijze betere spijs voor zich koken, 
dan de huisgenooten gebruiken. — Volgens De 
Navorscher, VII. 2^4, kenden onze Ouden kokelen 
of keukelen voor het plegen van verboden rainne- 
handel. Die beteekenis erken ik, niet bij hen te 
hebben aangetrolTen ; alleen vind ik in HoeufDs Bred. 
Taaleigen koekelen of kuekelen en in De Navor- 
scher, XI. 178 als zeeuwsch-vlaamsch dialect kok- 
kelen voor elkander liefkozen, welk frequent., dat 
ook voorkomt in koekelemeijen, zie mijn Taalk. 
Mag. II. 490, mij hetzetfde dunkt met kokelen^ 
ketikele7i. De eerste beteekenis dezes woords is 
dan i>eten voor zich koken;" vervolgens »dit hei- 
raelijk doen ;" wijders figuurlijk »zijn hart h^i- 
melijk aan iets ophalen;" vandaar i»]ief kozen, min- 
nekozen" en wel ]!>heime1ijk" en zoo »ongeoor- 
loofd." 

Schutze heeft kuc?ieln voor iets ongeoorloofds 
heimelijk verrichten; en deze beteekenis komt zoo 
nauw met de opgegevene overeen, dat men ver- 
wantschap tusschen dit ww. en ons kokelen koe- 
kelen onderstellen mag. Mede schijnt hekokkelert 
hiertoe te behooren, bij Alewijn, Latona, 17 voor- 
koinende: om dat hy. .. altyd zen kwaede nukken^ 
cut ien Aep^ bekokkeld en helagt. D. i heimelijk 
of listig volvoert. Schutze voegt daarb'j het subst. 
kuchelersch voor eene viouw die gaanie verboden 
minnehandel drijit, en in dit w herkenuen wij 
den vrouwelijken vorm van' ons kogcheL d. i. 
iemanddiehoererij bedrijft; bij Weil, hoeranwaard, 



en volgens Hoeufft te Breda nog gebniikeUjk voor 
hoerenivaardin, of ontuchtige vrouw. Dus, voor 
een' man, i. Kemp, Kl. van de bedroogen Smith, 
bl. 2: 

Ick gaf de Hoer een sufflet, mijn moat gingh 

de Koggel met kout alaen, 

Dat hy de geest haeat gaf. — 

Schimp- on Hekeld. (Hoorn. 1718) 118: 

— dat ty hem geeft den naam van kogchel. 
Die wagt houd voor het til, als zy de doff era lokt, 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 110- Een hoer wert 
ijder voor geaette prija geveilt, en aoekt klein gelt 
voor de Roffiaan te verdienen. Dit ataal vervhekt 
nog de gierige kogghel, die hoar dwingt gelt te 
eiaaen. Bl. 16!): Ik ben de koghel die,.., minnaara 
aanlokte. Du Moulin, De Lichtmis, 12: De kochel 
en de hoereufaardin, wouwe wat zeggen^ ens. Van 
Swaanenburg, Arleq. Distel. 276: daar zyn altyd 
eenige jonge Kocchels ree, die met de uxiardinnen 
in compagnie doen. Aid. 262: 

Speelt Mie voor HoerwaardiUy en Jan voor H 

hooft der kocch'len. 
Paffenrode, Ged. 165, heeft kochehvaard voor hoe- 
renwaard. — Van eene vrouw vindt men kogcho" 
tin; Rossean, Verjaarfeest van Venus, 44: 
De kogchelin, een achrokkig wyf. 
Die apeeldefi een^ twee, dtne, vier, vyf. 
De Gewaande Weuwenaar, 1. 12: 

— die gauwera 
En Hoere Beataidatera zauwen van den Aal 

kraigen. — 
Daar ia de Kochel ijn weer, wild een lutjen 

zuHiigen. 
En II. 44 : 

— Gooaae van Thiel liet zich gezeggen^ 
En ging by die kocchelin op de Ruatinmh leggen. 
D. I. 13 leest men kochel-atukjena voor hoeren- 
stukken of streken. — En nevens dit kogchel kan 
men wedei'om plaatsen het ww. kogehelen, in de 
zoo even aangeh. Schimp- en Hekeld. 162: 
Hoe kogchelt hy, hoe bedelt hy. 
Hoe schuimt en zingt, en vedelt hy^ enz. 
welks beteekenis niet twijfelachtig is, als men in 
aanmerking neemt, dat het een' man geldt die 
zijne echte vronw voorbijgaat om elders zijn ver- 
maak te zoeken. In dit kogchelen hebben we dan 
een' verhoogduitschten vorm van ons kok^en en 
waai'si'hijnlijk hetzelfde w. dat in Hoeuffts Bred. 
Taaleigen, bl. 312 wotxlt bedoeld. Het w. kogchel 
is echter welHcht van een' anderen oorsprong, zie 
Hoeufft. h. a. w. 315., en zijn Fransche Woorden 
op Cogul. 
Met kogc/ielen acht ik, door eene gewone let- 



207 



KOKELEN. 



M8 



terwisseling, 66n het ww. koffelen bij Jan Zoet, 
Werken, 15, van een minnend paai : 

Nu dit duurden nog een beetjen^ 
HKofflen onder 'tschortekleedjen^ 
Tot zy achter over vil : 
En toen had den bloed zyn wil. 
Bij Starter, Melis Tijssen (1706)^ 3, koefelen: 
Somma, ick sel Jou aoo koesteren^ koeffelen en 

hehagen^ 
Datje jou in H minste over mijn niet soud heb- 

ben te beklagen. 
De Tormen koeferen en koffe}*en heeft ook het 
Alg. VL Idiotikon voor skoesteren, dekken, toe- 
dekken, inwikkelen." 

Kokkelen — Kokken 

Bi] Weil, is kokkelen geluid maken als een 
haan, van kokke^ bij Kil. haan, fr. coq^ eng. cocke. 
Het WW. leest men bij Berkhey, in de Oefen. van 
't Gen. Kunst wordt door arb. verkr. I. 40: 

Het koklef) en toklen bij 't Hanengekraai, 
Dez. Vaderi. Afscheid, 13: 

Terwijl de Fransche Haan al koklend stond ie 

mikken. 
En in De Negerhut, I. 115: een kalkoensche haan 
van middelbare grootte kon hoar op de vlugt ja- 
gen^ als h^ maar eens kokkelde. — Men vindt het 
WW. ook koekden gespeld, zie de Handd. van het 
Kongres te Brugge, 248. Zie mede Kokkeren*. 

Weil, leidt, in navolging van Kil., van dit kok- 
kelen af kokkeloeren of koekeloeren; en voor soo- 
verre dit ww. de beteekenis heeft, die Kil. daaraan 
toekent, namelijk die van »kraaijen als een haan" 
of tklokken als een hen,*' met grond; doch ik 
meen dat het woord gewoonlijk niet dozen zin 
heeft. Weil, heeft dan ook op 't woord zelf koe- 
keloeren voor »een eenzaam leven leiden, te huis 
blijven, werkeloos zijn." Halma verstond er door 
»talmen, sukkelen." Halma noch Weiland hebben 
gelet op het gebruik, dat onze volkstaal van dit 
woord maakt Nauwkeuriger zegt Franquinet in 
mi)n Archief. III. 363, dat koekeloeren is »hals8tar- 
rig in eene zelfde rigting blijven zien, doch in 
gedachten verzonken " Yooral zegt men het van 
iemand die afgezonderd of opgesloten zit. Zoo leest 
men bij Bredero, Moortje, 56: 

Sit doer en koeckeloert, en pronckter dat ghy 

swiet. 
De Brune, Bancketwerck, H. 236: een man die 
Vhuys. met een warmen tahbert, (ten den heyrt 
zit en koeckeloert, zijn vermaeck nemende^ om 
mannekens of ander gedroght, in d" aaachen te 
zien, of te maken. Van Swaanenburg, Arleq. Di»- 



tel. 81: Onze eerwaarde Voder koekeloert op 
Uilen eieren. Bekker.en Deken, Com. Wildschut, 
I. 66: ik dien ook wet eens een paar dagen atU 
in huis te koekeloeren, om uxxt uitterusten. Aid. 
79: daar zit ik nu in dat doodsche langwerpige 
Leiden te koekeloeren! David, Vaderi. Hist. VIII. 
428: Doer,... zat (Lodewijk) te koekeloeren^ en 
a>en zyne nagels te knabbelen, van spyt. — Ver- 
snaeijen, Achter de Gordijn, 196: Ik sta daar 
reeds een gestagen half uur te koekeloeren, als de 
koster naar eenen dooppenning, — Ook van den te 
bed liggende; Erasmus, Golloq. Famil. 130: 

Een man die *t gantsche volck meet wijsselijk 

besturen, 

Betaemt niet al den nacht in H bed te koecke- 

luren. 
Het w. heeft in de hoogd. dialecten gelijken zin. 
Richey zegt kukuluren^ lang of vergeefs wachten, 
inzonderheid waar men ingesloten is. Dar mutt 
he sitten iin kukuluren, »daar moet hij zitten en 
loeren, tot iemand hem beviijdt." Het Brem. Nied. 
Wtb. i^kukeluren^ eig. verborgen loeren, vandaar, 
lang en vergeefs wachten.*' Muller und Weitz 
ukuckelure. steeds thuis zitten, als het ware op 
de loer." De laatsten voegen er bij : »eene sa- 
menstelling van guckenen lauem'' Te recbt; koe- 
ken^ Franquinet merkte het op, geldt ook bij ons 
in verschillende streken voor kyken, hoogd. gu- 
cken en kucken. Het w. vereenigt alzoo de denk- 
beelden van scherp zien^ dat in koeken en kijken; 
en van verborgen zien^ dat in loeren ligt opgeslo- 
ten. Terwen zag dit beter in, dan Weil., die koe- 
keloeren afleidde van koekeloer^ huisjesslak; en 
Bilderdijk, die het verklaarde door uit de kochel 
of kap loeren (Verkl. Gesl. H. 96). 

Eommelen, zie Kommeren. 
Koppelen*— Eoppen. 

Volgens de Bo's Idiotikon zijn in Westvlaande- 
ren deze beide wwn. gebruikelijk voor het ]>zui- 
veren van de koppels of kobben (d. i. spinnen) en 
hunne spinnewebben." De woorden ztjn mij el- 
ders niet voorgekomen. Het w. kob of kop duidt 
een rond voorwerp aan; in het eng. bij Halliwell 
is cobbs testiculi. Bij Kil beet de spin kop, koppe, 
waarvan spinnekop, ook spinne-kobbe, Voor spin- 
newebbe of spinneweve heeft Kil. kop-webbe (eng. 
cobw^, bij Halliwell co/ni;e6) en /coppe-^e«ptn^ welk 
laatste men aantroft bij Van Mander, Bethlehem, 
64: 

— een stal, om Beesten staUen in, 
Niet ghetapijt, dan met vuyl kop-ghespin. 
Het gewone eng. w. voor de spin is a spider (voor 



299 



KOPPELEN. 



300 



spinder of 8pinner)y doch bij Halliwell spincoppe 
en attercop, van het angels. cUtorcoppa, d. i. ver- 
gif-kop. 

Eoppelen*— Eoppen. 

Van Wijn spreekt in zijne Avondst. I. 219, van 
»onB koppen of koppelen^ in den zin van de hoof- 
deti by sen te sleeken, op te sleeken, reikhalzen,^' 
Op zijn gezag alleen neem ik deze wwn., w^elke 
mij in dien zin onbekend zijn, hier op. Zij moe- 
ten dienen ter vermoedelijke vertaling van het 
oudd. WW. kaphen, bij Olfried, die van de disci- 
pelen welke Jezus ten hemel zagen varen^ verhaalt : 
Kapfetun sie ktngo ' 
Uuas uuunlar sie Ihero thingo. 
Schilter vertolkte dit door zagen naar boven. 
Doch Van Wijn verklaarde die afleiding niet ge- 
noeg te voelen, en opperde daarom de geraelde 
gissing. Schilters vertaling was echter goed. Kap- 
fetun is het imp. van kaphen, kaphjan^ hoogd. 
gaffen, nederl. gapen^ d. i. met opgespalkte oogen 
zien. Wij verstaan gapen alleen van den geopen- 
den mond; doch het werd oorspronkelijk vooral 
van de geopende oogen gezegd ; zie Adelung op 
Gaff en, en verg. GrafF, IV. 3G9 en Benecke op Kapfe, 

Korstelen— Eorsten. 

Volgens Bilderdijk, Greslachtl. op Karsteling, is 
korstelen een kunstwoord der bakkerij voor vhet 
deeg met den rolstok tot korst bereiden." Buiten 
dien term echter vindt men het frequent, bekor- 
stelen bij De Brune, Jok en Ernst, 45: 
Geen goud is zoo gloorrijk. 
Ah *sjonglings gladde kaakjes, met 
Geen ruwe board, die kusjes let, 
Bekorstelt, wel bekoorlijkl 
Anders bekorsten; H. van Halmael, Verstand en 
Deugd, 35 (van lijnwaad): 

My dunkt hetaanuw mou,alstaatlykishe\iors\. 
Lublink, Thomsons Jaarget. 293: de nog witter 
sneeuw, door de vorst gelouterd en hard bekorst. 
Weil, heeft daarvoor verkorsten, Hwelk men leest 
bij Orizandt, Democritus, 54: Alsoo wy oock in 
den oven des Werelts geschoveti zijnde, verkorsten 
en vereelen soo seer, enz, Valentijn, Werken van 
Ovid. III. 191 : sneeu.,.. die de noordewind verkorst. 
Bl. 315: waarom de Pont Exixin door de scherpe 
kou verkorst. Bara, Galtino, 15: 

Die etterbuyly 6 pry! is eyndelyk geborsten, 
Iffit vuylnis moet 'eruyt, dan mag ze weir ver- 
korsten. 
Bilderdijk, Holl. Verlossing, I. 39: 

Gy lekt de in H bloed verkorste handen 
Van d' eerlooste alter Dwingelanden, 



Men vindt ook onxkorsten; De Jaargetijden, naar 
St. Lambert, 131: 

— andanks de vorstj 
Die, in ons droef gewest, het rustend land om- 

korst. 
Berkhey, Nat. Hist, van Holland, II. 970: Steen- 
tjes... met kcUkvogi doordrongen en omkorst. Aid. 
1005: Op den bodem der.„. Zee omkorsten de 
Beddingen, Dez. schrijver spreekt aid. 1156, van: 
een gekorst brood, dat een werkw. korsten doet 
onderstellen, *t welk dan ook voorkomt bij Bogaers, 
Gezam. Dichtw. I. 245: 

Om zijn nap mage ijs zich korsten. 

Eo2Belen*— Eosea. 

Kozen, middelhd. kosen, oudhd. koson, is spre- 
ken, praten, kouten, fr. causer, lat. causari. Dus 
bij onzeOuden, Der Minnen Loop, B. II. vs. 1185: 
Dat vriendelic drucken bijder hant 
Maect van beydeti enen bant. 
Mit praten ende mit lieflic cozen 
Breketi sy die rode rosen, 
Het Glossarium zegt: ^spreken. De beteekenis van 
vriendelijk zamenspreken is van lateren tijd." Mij 
dunkt, de plaats wederspreekt de glosse; lieflic 
cozen is toch wel vriendelijk zamenspreken, Ook 
bewijzen onderscheidene voorbeelden bij Benecke, 
en reeds bij Graff, dat het ww., niet uitsluitend 
als thans, maar toch ook voor vminnelijk of vrien- 
delijk spreken" gebruikt werd. Het subst cose is 
reden, gesprek; Blommaerts Oudvl. Ged. II. 14: 
Maer des duvels cose. 
Die was arde boze. 
Aid. 15: 

Ml dincke dine cozen 
Onnutte ende ghebozen; 
Dijns sprekens bem ic zat. 
Die Dietsce Gatoen, door Jonckbloet, de var. bl.19: 
Want van lichteliker chosen 
Comen dicke grote nosen, 
D. i. van lichtvaai'dig gesnap; Buddingh, die dit ge- 
dicht opnam in zijn Arch, van Opv. en Ond., ver- 
klaarde bl. 62 de uitdrukking door j^geringe din- 
gen, fr. choses." — Het ww. kozen werd later ge- 
bruikt voor het vleijend spreken van verliefden; 
b. V. Westerbaen, Ged. I. 106 : 
Dick, als de soete Meyd haer oor begint te leggen 
Nae 't koosen van de knecht, en haer sou laeten 

seggen, enz. 
Rotgans, Poezy, 675: 

Daar zaten in een hoek twee liefjes zy aan zy. 
En koosden mondt aan mondt verwart in vryery 
Tollens, Rom. 7: 



9(M 



KOZELEN. 



3oa 



Daar had h{j gezien en daar had hij gehoord 
Hun kus9en, hun kozen van woordje ioi 

woord, 
Kn gaf, behalve uitkozen voorpratende uiten; Van 
Steyn, Kl. van de Melckboer, 17: Wei wat pocke 
9el dense vent nog al uytkoasen ? — de bekende 
samenBtelltngen liefkozeny Goornberts Wercken, I. 
fol. 21 : niet lief kosen, maar lief doen thoont eens 
Christens aart. — En minnekozen^ alsmede schoon- 
Aoz^, schoonpraten; Lev. van Marc. Aurel. 68: ciaf 
wy altesamen gelijckelijck sileehs metier tonghe 
Bchooncoaen vander deucht^ ende noch eelve daer 
na den boosheden dienen met alle onsen leden. — - 
En vnllekozen^ oudhd. willikoson, naar iemands wil 
apreken, vleijen (zie Graffs Sprachsch. IV. 504); 
Erasmua, GoHoq. Famil. 10: soo krijgtmen min' 
der quaedt en ongeluck daer van^ soo ghy al soet- 
jens die sdfde willekoset, dan soo ghyse met ghe^ 
welt wilt wederstrijden. 

Het vleijende, aan het kozen of spreken verbon- 
den, 18 somwijlen de hoofdzaak geworden, zoodat 
het WW. gelijkbeteekenend word! met vleijen of 
streelen en de handeling van den mond op de 
hand overgaat; dus Tollens, €red. I. 181: 
— als gOy aan gezwollen borst^ 
Bloode 't welig wichtje torschi, 
Dat u dankbaar poogt te kozen. 
D. III. 100 (van vmijn kroost") : 

Dat mij hand en wangen streelt 
En mij ktist en koost 
Het frequent, kozelen^ dat ook keuzelen luidt, 
heefl, meer dan bet primitief, de beteekenis van 
spreken bewaard, hoewel toch met het denkbeeld 
van vriendschappeliikheid en vertroQwelijkbeid 
verbonden, zoodat het synoniem wordt van kouten 
en keuvelen, B. v. Huyg. I. 373: 

Hoe kooaelde die Vent^ hoe still en hoe gerusjes, 
Lottoon. van Holland, II. 88 : 

Wyl zy hevallig weet te kooa'len en tejokken, 
De la Croix, De ingeb. Zieke, 58: 

Wcumeer een Doctor zoo wat koozeld, zoo wat 

kalt 
J. G. Tengnagel, Verw. d. St. Naerden, 74: 
Ick voort naer Btissem toe, daer de Baljouw 

van H Goy, 
Door sijn genegentheyt, te koselen wist soo 

moy, enz. 
Bilderdijk, Roteg. U. 164: 

— <ichl wat ik al mijmrend kozele. 
Dez. ook in proza, Brief wiss. met Tydem. I. 42: gij 
u>Ut wel dulden dat ik in m^jne brieven zoo eens 
wat met u kozele. Die ook een frequent, van mtn- 
nekazen gevormd heeft, Oprak. 124: 



— toacht u, lieve onnoozelen, 
Eer een schertsend minnekozelen . 
U de boezemrust ontsteeU. 
Van Eifen, Holl. Spect. II. 399: zo ik maar een 
half uurtje mefer* wilde keuzelen, en een kopje 
thee drinken, D. III. 305: wat kan hy zoet keu- 
zelen ! En IV. 298 : dat de sloven van, Vrouwtjes 
ook eens hoar tour kreegen om van hare liefheb^ 
bery te keuzelen. Bekker en Deken, Will. Leevend, 
IV. 229 : Dewyl gy zo gaam wat met my keuzelt, 
zo wil ik zien, enz. Dezz. Corn. Wildschut, II. 110: 
vriendinnetjens..,. met wie men op deeze wijs konde 
keuselen. D. VI. 119: wat zouden Mietje en Leentje 
zoet keuzelen! Dezz. Econ. Liedjes, 348: 
Wy zitten by elka6r te keuslen 
Van d^ oorlog, van den ouwen tyd. 
En 508: 

Als Voder y Moeder, GrootevaSr, 

Mel een verheugden geesty 
Eenvoudig keuslen met elkair 
Van 't zilvren BruHoftsfeest 
Bilderdijk, Muzen-Alm. 1824, bl. 128: 
Oude liedeti moeten keuzelen, 
Dat iww zoo van Noachs tijd. 
Dez. Naklank, 58: 
Niet^ dat hy vrolijk was op feest- of vrienden- 

malen. 
En ondfr H p^ipjen, lief kon keuzlen aati den 

hoard. 
ToUens bezigt kozelen, evenals hij dit kozen deed, 
voor vleijen, streelen; Ged. II. 137: 

Dan voel ik^ dan omvademd 

En gekozeld en gestreetd, 
Dat de ziel, die in mij ademt. 
Met mijn kindren is gedeeld» 
D. III. 91 : 

Als u '\ gekozeld wicht door 't eerste lachje roert. 
Van Beers spelt kuizelen, Jongelingsdr. (4e dr.) 61 : 

— dan we^ 
Kwam daer op eens een siiltey een hemelzoet 
Gesprek van oog tot ooge; dan een traen; 
En dan we^ *t lachend kuizelen op nieuw, 
Levensbeelden, 139: 

Waer wij zoo menigen dag 

in schuldeloos kuizelen sleten, 
Dez. Gevoel en Leven, 162 (van vogelb) : 

— le kuizlen somen I Arm gedierte! 
Joy kuizelt long tezaam; uw heil is mij zoo zoet* 
De Dichter verklaart dit bl. 212 door Bvriendelijk 
samen stoeijen/' 

In het taaleigen van Maastricht zegt men ka- 
zelen voor veel spreken, gedurig spreken, ook 
verward spreken; zie mijn Archief, III. 361. 



903 



KOZELEN. 



904 



Kozen luidt in het hennebergsch dialect kusen^ 
in het zevenbergsch kuisen^ hong, bei'glandsch 
katisert, (zie SchrOer, Nachtr.) en in het beijersch 
kous'n^ volgens Schmeller; en met hetlaatste konit 
overeen ons achterkousig^ van kousig, bij Graff 
kosig. Het middelhd. heeft het ww. afierkoaen en 
het subst. afterkoae, voor lasteren en laster; zie 
Benecke. Doch het nederl. woord verschilt daar- 
van in beteekenis; het zegt niet lasterend of las- 
terlijk, maar achterdochtig, ergdenkend, argwanend. 
Ik meen, dat ons taalgebruik te dezen aanzien te 
rechtvaai*digen is. Letterlijk zegt achterkousig »ge- 
neigd veel achter de hand te praten;'' wie dat is, 
vermoedt of vreest doorgaans kwaad, en is dus 
»achterdochtig." Op alle mvj bekende plaatsen 
heefl het w. dezen zin ; Roemer Visschers Sinne- 
poppen, 65: die soo achterkoussigh is, dat hy *t 
geluck *t welck hem voorkomt ende de handt hiedty 
gansch niet en wil of derf aensoecken^ enz. Wes- 
terbaen, Ged. II. 229: 

Ch. Maer eene swarigheyd heh ick nock in mijn 

hooft^ 
Die my in mijn gemoed een doom schijvt 

te laeten, 

P. Die achterkousigheyd is loaerdigh om te 

haeten. 
In gladde biezen soeckt ghy kncbbeU. — 
De Verzierde Onttoovering, Potsspel, 15: 

Zy zal geen hinder doen aan mijn Groverrement 

Zo 'k hoop f — 

(Antw.) — Wat ben jy achterkousig, vent. 
Klucht van de Giasen Doctoor, 6: 

Je hint alte achterkousigh, sou hy haer so ver- 

geeten ? 
H. van Halmael. Overd. en Gierigh. 10: 

Wist gy 'f hoe al de lui lich achterkoussig 

houwen. 
Hoffham, Nagel. Gesobriften, 57: 

Jy hint 'en koffertje^ dat prachtige joweelen, 

Hiel achterkou<(sig dekt. — 
Berkhey, Vertell. I. 35: 

— zidke Jonkers, die zoo gaarne keukenklouwen, 

En agterkoussig ziyVi, zich agterwegen houweti. 
Werken van Rabelais, I. 558 : dunkt hy u niet wel 
wat achterkouzig in sijn antwoordenf Bekker en 
Deken, Will. Lee vend, VI. 283: Hy w alt yd zo 
agterkouzig, ook als er geen oogvol kwaad hy is. 
Dezz. Corn. Wildschut, IV 304 : hy werd soo krih- 
big, zo achterkousig. 

Tot dit kousig breng ik kouA, waarvan komje, 
praatje; Werken van Rabelais, I. 9r>: allerley 
deuntjes en drolletjes van missel ijke-raoers-kousjes. 
En dat, naar H8chijnt,ook gezegd is voor koudge^ 



in samenstellingen uit onze volkstaal, als bahbel' 
kous, praatkous, teutkous, voor iemand, vooral 
eene vrouw, die veel babbeit, praat, tout Het 
Lottoon. van Holland, II. 113, heefl fijmeUunu; 
Bekker en Deken, Sara Burgerhart, II. 495: keu- 
velkousjes; dezz. Corn. Wildschut, IV. 430: kwe' 
zelkous; Pefroen (uitg. 1702) bl. 25: Lys kleum' 
kous; en de Geld. Volksalm. 1836, bl 75: talrn* 
kous. — Zie Koosseren. 

Koz6len*-~Eoz6n. 

Be-koselen, be-keuselen is bij Kil. bemorsen, be- 
zoedelen; be^koseitj bemorst. Bij onze schrijvers 
is mij het woord alleen vooi*gekomen bij Van Be* 
verwijck, Schat der Onges. I. 48: de alderbeste 
(Myrrhe) is bekeuselt, geUjk besmeert. — 'k Breng de 
woorden in verband met kosel, bij Von Schmid eene 
zeug, doch ook een vuil vrouvvsperaoon ; koalicht^ 
mode bij hem vuil, smerig; kosig^ sordidus bij 
Schmeller. De eerstgen. voert de frequentt. koaeln 
en kosseln aan, over welker verwantschap en be- 
teekenis men liefst hem zelven raadplege. Ten 
Kate (II. 231) bracht be'-kozelen tot keuzelen^ lu* 
dere globulis, d. i. met keuzels of kuizels spelen, 
van keuzel, kuizel. knikker, omdat »de kinderen 
haer keuzelsteentjes uit den drek opzoeken." Hij 
acht er ook aan verwani kiese^ koosa, bijzit. 

EoMlen'— Eosen. 

De Teuthonista heefl wt-koeselen voor uitkiezeti; 
het primitief kozen is dan ^n met kiezen^ neders. 
kosen, eng. to choose. Ons naamw. /cet» was ouliugs 
niet alleen /coze, maar ook kies; Van Rljsselen, 
Spieg. d. Minnen, 64 v".: 

Den hongherighen ziet hier syns herlsen kies, 
Van spyse daer ic af moet ghejaecht blijven. 
De Casteleyn, Div. Liedekens, 11 : 

God gheeft u weder puer naer weynsch en kies. 
Six v. Chandelier, Poesy, 339: 

Lydt ghy alweer soo swaer verlies^ 
Door wreedheid van de doodsche kies, 
Wegfisleepende den derden Kerkenhoeder. 
En zoo reeds bij onze Ouden; Kausier, I. 39: 
Boudine ende Robbrecht de Vriese^ 
Die d^ier naer ruddere was van kiese 
Seghelijn van Iherus. HS. 36: 

Ic hoer wel aen uwe sprake, 
Dat hi was uwer herten kies. 
Van Velthem, fol 5: 

Ende (hi) hadde daer af al sinen kies. 
Tot den frequent aiiefvorm kozelen, keuzelen^ be- 
hoort kenzelbetig^ d. i. vies in het eten; zie Kil. 
en Ten Kate, U. 231* 



905 



ERABBEXEN. 



306 



Krabbelen— Erabben. 

Beiden bekende ww., behandeld bij Ten Kate, 11. 
337. Ontkrabhen voor ontnemen bezigt Van Rus- 
ting, Ovid. 88: 

— Hzy ik dese roem. door gonst^ of regt^ verwerv^ 

Ik Mb se al^ en my aal geen duvel dte ont- 
krabhen. 
Weil, beefl opkrabben in meer dan ^ne bet., doch 
mist opkrabbdeity dat Gee! gebniikt voor opspo- 
ren; Onderz. enPhant. Voorz. 16: groote mannen,.. 
die hun hoogen oorsprong en voorvaderlijken adel 
uit oude boeken poogden op te krabbelen. — An- 
ders is dit zooveel als openkrabbelen; Don Qnichot, 
11. i : ten einde die varsche wonde niet op te krab- 
belen. — Bij Fokke, Boert. Reis, III. 20: Wat wUje.,. 
zei de Keizer^ toen ze weir opgekrabbeld waren. 

Krabberij is het bijeenkrabben van voorwerpen, 
en vandaar dieverij; H. van Halmael, Grispyn en 
CHspiaen, 49: 

Mcuxr wie daar wat pokken toil dit weezenf 

Een kruyer met een kist^ en wat meublen daar by. 

Zou Crispyn ook winkel houwen voor de krabbery? 

Dit tiet er zoo verwaait uyt^ als uxis het ge- 

stoolen. 
Dez. De Gestrafte Pasquyn, 24: 

Hy lykt handgaauw^ en geexerceerd op de krab- 

bery. 
Vandaar ook het ww. krabbedieven, vaarnan mede 
het denkbeeld zich hechten kan van linkschheid 
en besJuiping van ter zijde, ontleend aan den 
scheeven gang der krabbe; Van Lennep, Academ. 
Idyllen, 137: 

G^ hebt uit B4renger dit lied gekrabbediefd. 
Krabbeling is slecht schrift; J. de Haes, Leven 
van Brandt, enz. i^, Om woort te houden, he- 
schikke ik heden deze wtiw byvoegsels met myne 
krabbelingen, weederom aan Trojel. — lets af krab- 
belen is met haast en slordig schrijven, De Toe- 
komst, XIII. 60: logische ontledingen^ welke meest- 
tijds heel of half bewusteloos door de leerlingen 
worden afgerammeld of a^ekrabbeld. Maar in 
onzijdigen zin betzelfde wat anders terugkrabbe^ 
leny d. i. terugdeinzen, beet, bij Nolet de Brau- 
were, II. Ged. 127: 
Maer krabbelt ge af, dan wordt ge he I netjea 

onttakeld. 
Bekrabbelen is slecht beschrijven; Brest er, Verspr. 
en Nag. Ged. 28: 

'k Heb twintigmcuil het blcui 
Bekrabbeld en beklad^ 
Om u een lied te schrijven. — 
Doch bij Huygens met de handen bewerken, uit- 
voeren, bedisselen; I. 127: 



Hoe hiet de Roomache Jeughd^ Carthagos vol 

en velf 
De Schrijvers weten 'tniet; 'twas Scipioa bestel; 
Die 't stuck bekrabbelden, vergingen voor een 

ander, 

d. i. de soldaten, die eigenlijk Carthago deden va)- 

len, zijn vergeten. Tegenkrabbelen is tegenstreven, 

tegensporreien, bij Van der Veen, Raetselen, 134: 

Niemant so stouten hart die hier durf tegen- 

krabb'len. 
De samenstelling krahbelvuisten^ door Weil ver- 
meld, leest men bij Udemans, Geestel. Gebouw, 
99: 

Siet doch eens de kleyne Wichten 
Krabbel-vuysten am een koot. 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 182: Doen voe^^de 
hijse^ om sijn hals geklist^ {uxint krabbelvuisten 
kost sij niet) daar van daan, — Met de afl. bij 
denz. 170: een die hoar schaker fel bekrabbel- 
vuiste. D. II. 38: Sij bekrabbelvuiste/i^m wel soo 
veel cUs een vrouspersoon kost, 

Erakelen— Eraken. 

Bij De Bo is krakelen ^frequent van kraken^ 
lichtjes en gednrig kraken." Ook Tiling heeft in 
dien zin krakeln. In andere dialecten is de fra- 
quent. vorm (bij Fulda, Idiotikensamml. krakeln^ 
bij Schmeller krackeln^ bij D&hnert en Danneil 
krakeln) kibbelen, twisten, hetzelfdj dus als onK 
krakeelen. 

B[raukelen— Eranken. 

Het frequent, is gebniikt door Bilderdijk, Brie- 
ven, IV. 236: schoon mijne Egd zwak en kianke- 
lend is. En Dr. Halbertsma noemt het een i^Neder- 
landsch" woord, Aanteekk. op Maerl. hi. 121. Over- 
eenkomstig zijn vorming zegt het woord, gelijk 
het hoogd. krankeln, een weinig ziek zijn, sukke- 
len. Volgens De Navorscher, X. 379, zegt men in 
Zuidbeveland krinkelen {krenkeleti) voor ziek noch 
gezond zijn. Het pi'im kranketi komt bij onze 
vroegere schrijvers voor; Maerl. Sp. Hist. IV 145: 
AldtM crancte troemsche rike 
In alien ziden jammerlike. 
d. i. verzwakte, verviel. D. III. 286: 

Ende hem wart ter herten wee^ 

Ende crancte in lane so mee. 
d. i. werd ziek, derhalveonzijdig; en zoo ook Ghe- 
schier, Proefsteen, 350: 

Want ghelijck de voile Mane..,* 

Kranckt ghedurigh in haer licht. 
d. i. afneemt, vermindert; doch bedrijvend, M. 
Stoke, I. 11 : 



307 



KRANKELEN. 



308 



Dicken quamen si met scaren^ 

Om dat Roomsche Rike te crancken. 
Karel de Gr. vs. 89: 

So selen wi hare heerschap minder 

Maken ende crancken mede. 
Maerl. Spieg. Hist. II. 206: 

Omme dat si met haren roten 

Dat Roemsce rike cranken souden. 
Passionael, Somerst. fol. 176: doe si haer lichaem 
see»^ gecranct had. Winterst. fol. 72 verso: om 
sijn vyanden te vervolghen cnde te crancken. 

GoomlierU Wercken, I. fol. 240: dat sulcke 

sieckten de menschelijcke nature krancken. Bijb. 
1477, Ezech. 19 vs. 5: Als die leeuwinne sach dat 
si ghecranct was. — Wij zeggen daarvoor, en te 
recht, krenkett^ d. i. doen kranken. Onze Ouden 
bezigden dit krenken zoowel bedr. als onz.; zie 
bet Gloss, op Der Minnen Loep. Dus ook Pouiers, 
Den Alderheyl. Naem, 129: ' 

Ick krenck van dagh tot dagh^ ick gae ghedu- 

righ af. 
Gamphuysen heeft hekrenken^ Uytbr. der Ps. 358: 
Wat quaedt kan u bekrencken 
Die Godt en H Goedt geeft steS? 
Men had ook verkranken; N. Werken- der L. 
Maatecb. IV. 63 : 

— sire liede aremoede, 

En tie vercranct sijn ende oud, 
Maerl. Sp. Hist. 1. 411 : 

Naer Claudiuse — 

Die hem qualike hevet gedanct 

Sinen dienst, alse hi wa3 vercranct. 
Der Vrouwen Heimel. vs. 928: 
— wet wel, at sonder waen^ 
Dat suic wljf hevet den lost so groot. 
Dai sij vercranct at totter doot. 
Gamphuysen, Ps. 112, vs. 7: 

Geen ding soo sterck^ off 'tkan vercrancken. 
Weiland zegt: sde eerste beteekenis van krank 
is dun, slank." Onjuist; de eerste beteekenis is 
klein, gering, zwak, en dan toegepast op alle voor- 
werpen, bezielde en onbezielde. Dus — om een 
paar voorbeelden aan te halen — Maerl. Sp. Hist. 
II. Ill: 

Doch hi was win cranker gd)ort. 
d. i. van geringe, Uige geboorte. Aid. bl. 120: 

Maer dat hi was te crane van jaren. 
d. i. te gering, weinig. Van Velthem, fol. 117: 

Die coninc hadde daer crane respyt 

Meer te spreken, daer ter stede, 
d. i. korten tijd. Hor. Belg. XI. 17: 

Dat iaer is lanck^ mijn loon is cranck. 
d. i. klein, gering. Levens van Plut. loL 500 



verso: Die Aleuaden,... wUden sich dese nieuwe 
tyrannie teghenst^len; ma^r siende sich te cranck 
te wesen, verbond^ sy sich met Philippus, D. i. 
zwak. Vervolg op Wagenaar, XXXIII. 195: zy 
ontvingen^ in Heerst^ kranken t roost. Zie wtjders 
N. Werken der L. Maatsch. IV. 278, N. Reeks van 
Werken derz. Maatsch. III. 308; en vooral Benec- 
ke. De tegenwoordige beteekenis van krank is 
^^n bijzonder geval van de vroegere algemeene, 
die nog eenigszins bewaard is in ons krenken, 

Erasselen— B^rassen. 

In het vlaamsch dialect van het noorden van 
Frankrijk is krasselen arbeiden; men kent daar 
de spreekwijs v't Is oltyd krasselen en klauwieren" 
voor sc'est toujours travail ler et fatiguer." Zie 
Quelques Recherches sur le dial. flam, de France, 
par De Goussemaker et Garnel, 47. Bij De Bo zegt 
het w. werken en slaven voor zijn brood. 

Het prim, krassen^ eig.'een kras of krab geven, 
b. V. Smyters Fabelen, n*. 63: Sy (de Simme) 
nam des katkens pool, hegon daerme te krasschen; 
of ook het geluid maken^ dat met die daad ver- 
gezeld gaat, wordt toegepast op verschillende ver- 
richtingen, waarbij iets van het genoemde te pas 
komt. Zoo zeggen wij opkrassen^ heenkrassen 
voor weggaan of loopen, van iemand die daarbij 
niet vlug te werk gaat, maar zich al krassende 
langs den grond beweegt. Wegkrassen is bij Kleyn, 
Oden en 6ed. H. 34, al krassende wegvagen: 

Zy (de dood) krast dien tijd, uit den reij mij' 

ner jaren weg, 
Bij Strodtmann is krassen geld bijeenschrapen, of, 
plat uitgedrukt, bijeenscharrelen ; en in denz. zin 
leest men het w. bij Godewijck, Wittebroodskin- 
deren (uitg. van Dr. Scbotel) 61: 

Die nu wry krast en steelt veel gelts met groote 

hoopeny 

O! die wort weeligh, rijck, o, die wort seer gre- 

acht 
Ook krasselen is bij De Bo grabbelen, schrapen. 
Evenals nu scharrelen gebruikt wordt voor al- 
lerlei bedrijf in ongunstigen zin, zoo is ook kras- 
sden op dezelfde wijze op ruw of veimoeijend ar- 
beiden toegepast 

In het Alg. Vlaamsch Idioticon is krasselen suk- 
kelen, ziekelijk zijn, kwijnen, zooals van iemand, 
die niet goed gaan kan, gezegd wordt, dat hij 
maar wat voortkrast 

Bij Bemagie heeft krassen eene andere beteeke- 
nis; Studentenleven, 11: 

— Vechten, kratsen of slaapen 
Daar hebje de heele siudie. 



309 



KRASSELEN. 



310 



Aid. 28: 

Studentje te 9pelen^ de lux af te zetten en te 

krassen is ziin cUunglyks werk. 
Is dit afsetten, stelen; of een ruw leven leiden, 
of een vroolijk ? H Laatete heet bij Halliwell to 
crcah. 

Krauwelen— Krauwen. 

Het freq. komt voor bij Breidenbach, aangeb. 
door Ypeij, Taalk. Aanm., bl. 47 : Daema quamen 
ay lopende achter mijn rugghe^ en woudett mij 
crau^elen, en in den hamenden put werpen. En 
in Floraes Sotte-bollen, 66: 

1st een Lack^ of ist een Duyck. 
Die je krauwelt in je huyckf 
Scbambach heefl kraulen^ neders. kraueln^ krab- 
belen. — Krauwen is wat wij nu klauwen of 
klouwen heeten, d. i. zacht krabben; Vlaerd. Re- 
denrijckb. 454: 

M(ier sy krauwen den Leeu^ om hem also te 

temmen. 
Doch knauwen of knahbelen bij Maerl. Sp. Hist. 
III. 379: 

Den cruci/ixe hi anetaste^ 
Ende crauwedem de aerme vaste^ 
Ende at hem bi naer af di been. 
'tWoord krauwel^ voor haak of vork, is uit de 
Statenoverz. des Bijbels bekend; zie mijne Handl. 
i. V. Dus Passionael, Winterat. fol. 13 : men scoerde 
so seer sijn syde met yseren crawelen, so datmen 
sijn ribben bloot sach. Wolsschaten, De Doodtver- 
maskert, 106: 

-^ Mooren die met opghesperde vleugelsy 
En crauwels in de handt met ketens en met 

teughels enz. 
Hetzelfde woord beteekent ook nagel, zie Weil. — 
Wat in den Statenbijbel, Deuteron. 28, vs. 27 
krauwsel heet, bij Kil. krauw-seery scabies, is in 
den Bijb. 1477: crouwen. — Krauw voor krabbel 
heefl Huydec. Hekeld. 33: 
Fluks aan een zijdej eerdat ge een' kraauw krijgt 

of een' beet 

KreiseleUt zie ErUaeien 
Erekelen'— Kreken . 

Van krekelen voert Weil, een voorb. aan uit de 
Vert, van Hervey: den deig verspillen met ijdel 
niets beteekenend krekelen — houdt dat voor een 
geluid maken als waarvan de krekel of kriek zijn 
naam heeft, en gebruikt zelf dat frequent, in dien 
zin op het art. Krieken, De plaats van Hervey kan 
ik niet beoordeelen, doch het ww. komt voor bij 
Dautzenberg, Verspr. en Nag. Ged. 263: 
Eeuwig hoeft ja niet gekrekeld. 



En is overigens te wettigen als afgeleid van kre- 
ken, bij Kil. te vinden, anders krieken; aldaar: 

Wen er krekels driftig krieken. 
Gremer, Anna Rooze, II. 161: kriekt een krekeltje 
opeenverborgenplek, — Eng. to creek, (r.criquer, 
d. i. een piepend of krakend geluid maken; de 
gen. krekel\ of kriek heet dan ook in 't eng. 
cricket, fr. criquet, 

Bij Scbambach is krekel en krikel de kruk eener 
deurklink, en krekeln, krikeln zulk een klink 
omdraaijen; wat hiertoe niet schijnt te behooren, 
dan voor zooverre die woorden een geluidnaboot- 
sing mochten zijn. 

Weiland brengt tot krekelen een adj. krekelig, 
knorrig, gemelqk Ik ken dat woord als neder- 
landsch niet en vermoed, dat de Lexicograaf het 
uit Halma zal hebben overgenomen. Er zal krc" 
gelig, d. i. krijgelig, bedoeld zijn, dat in het 
vlaamsch krekelig wordt uitgesproken, zooals men 
daar ook het ww. krekelen aantreft voor »knor- 
rig, gemelijk zijn;" zie het Westvl. Idiotikon van 
Schueimans. — Dit komt overeen met het hen- 
nebergsch krickelick bij Reinwald, van krickeln, 
bij Richey krekeln, aldaar met ons krakeelen ge- 
lijk gesteld, in welk dialect derhalve krekelig van 
Halma thuis hoort. Ten Kate (II. 250) en an- 
deren met hem leiden ons kregel, krijgd, krie- 
gel, af van krijg; waarvoor niet minder grond 
bestaat; zie Krijgelen. 

Krekelen*— Ereken. 

In een bericht uit Zierikzee in de Nieuwe Rotterd. 
Gourant van 5 Januarij 1861 lees ik : Drie meis- 
jes van 13 en 15 jaren zich met sneeuwsleden, 
zoogenaamd krekelen, vermakende op de Oude 
Haven enz. Dit frequent, is van krdten, en dit 
wederom van kreek, misschien in Zierikzee, doch 
zeker in het nedersaksisch, bekend voor eene kleine 
handslede, waarop de kinderen elkander voort- 
schuiven; bij Richey en Schutze krecke, in het 
Brem. Nied. .Wtb. kreke. In Holland noemt men 
die slede tikslede, 

Kremmelen— Kremmen. 

In het Alg. VI. Idiot, is kremmelen »dringen 
door lets dat eng en nauw is," d. i. 'dua met 
kracht of geweld door iets heendringen. Het pri- 
mit. heeft Oudaan, Uytbr. der Psalmen, II. 192: 

Dat men niet aan d* eene kant, 

Kremt en dringt tot in den hoeky 

En alomme d* overhand 

Over zijnen Broeder zoek, 
D. i. stuwt of dringt Ook het eng. heeft to cram 



341 



KREMMELEN. 



312 



voor induwen, opvullen, opproppen, en kremmen 
komt reeds voor in het iniddelhd. voor drukken, 
knijpen. Het Idiot, van Schfipf kent het mede in 
zulken zin en krdmmen is daarvan bij Tiling het 
opvullen van den hals van vogels. 

Krenselen'— Rreusen 

Volgens het Taalk. Woord. is krenscleneen gel- 
dersch woord, voor korenwannen. Men leest het 
bij Van der Veen, Zinneb. 99: 

Gelijk wen stroo en kafmet dorssen ende wannen. 

En. suyver krenselen van 't koren sckeyden moet 
In het osnabrugsch zegt men kranzeln voor de- 
zelfde werkzaamheid, zie Strodtm»nn. Het primi- 
tief krensen leeft volgens De Bo in het westvl. 
en komt overeen met kriivten of kHnzen^ bij Kil. 
graan zuiveren, van krinse^ kaf, afval van het 
graan. Dus De Brunes Bancket-werck, II. lU: 
Ten tijde van den ougst, zal hy H kaf krijn.sen en 
zuyvet* graen^ zeei" wel onderscheydeu. 

Kranzeln heeft bij Strodtmann, behalve den 
vermelden, mede den zin van kwellen, plagen, die 
als figuurlijk is aan te merken van den eigenlij- 
ken zin van schudden. Krensele^x heeft ook bij 
ons een iiguurlijke beteekenis. In het amster- 
damsch dialect is dit w. gezegd van iemand die 
zich op zijn' stoel been en 'we6r beweegt, en van 
den 8lapeloo/.e of onrustig slapende, die zich op 
zijn bed gedurig omkeert en vvoelt; zie Leendertz 
in Pe Nav. XIV. 344. In het westvlaamsch bij 
De Bo is krenselen^ krimselen^ zoowel als krentfen 
en krinaen, het ligchaam wringeii als wegens 
jeukte; en in het overijselscb geldt krerutelen 
voor ongedu rig, kribbig, verdrielig z'jn; zie Dr. 
Halbertsma in den Overijss. Aim. 1830; eene be- 
teekenis welke z^ich uit die van schudden, been 
en we6r bewegen. lichtelijk laat afleiden. 

Hiertoe breng ik het adj. krentig^ voor kribbig, 
dat voorkomt bij Bekker en Deken, Willem Lee- 
vend, II. 70: Zy zyn atylen van de BeurSy enriiet 
krentig of sikkeneurig ; zy durven wel een nieuw 
schip geeven. Men vindl daarvoor krenleng;\l'd\' 
bertsma, Lappekorf, door Gouvemeur, II. 1"J0: ler- 
loijl aUerlei krenterige bazeti de arme knollen af- 
beulen, Bij uitdrukkingen als de gemelde aan krent 
(komit) te den ken, ligt gebeel in den aard der 
spotzieke volkstaal; vandaar het gemeenzame, bij 
Weil, vooi'komende krentenkakker voor een nauw- 
gezet of gierig mensch, iemand die op kleinighe- 
den let en daardoor lastig of kribbig wordt. Voorts 
het frequent krentelen^ dat Bilderdtjk bezigt, 
Mengel. IV. 52: 



t' Huis te muffett^ V huin te krentelen, 
Koe en ploegstaart na te drenielen, 
Neeny dat leven heeft geerC aart. 
Ongedurig en geroelijk zijn geeft bier een goeden 
zin. — Muller en Weitz geven in hunne Aacbener 
Mundart eenige uitdrukkingen die tot krenselen of 
krentelen schijnen te behooren, als krente en 
krentesire^ berispen, kibbelen, welke wwn. zij van 
het naamw. krent (NB. het fr. crainte) en het 
basterdw. kritisiren afleiden; voorts krentachtig^ 
bedilziek, en krenlekol of krentemesseies, berisper, 
bediller, welk laatste zij, nog zonderHnger, van 
den vlaamschen schilder Quentin Messys doen 
afkomen; doch hunne opgaven zijn zoo weinig 
kritisch, dat ik er niet op bouwen durf. 

Krenselen*— WrenscheD . 

In bet geldersch dialect is krenselen het hinne- 
ken van paarden; dus Geld. Volksalm. 1838, bl. 
181 : Jaokep, de jeudde^ die agosie in de paerden 
deut^ en er altemets veurmeistertj gaf 'm^n drank 
iw, en doe duerde H '« ummeziens of wat^ of de 
Bles begos te krenselen en te miegen. Dez. van 
1865, bl. 120 (het paard spreekt): Den eersten 
dag stond 'k meesparl met de kop oaver 't hekke 
te kieken of mooder kwam, moar dee kwam neet,.. 
aw mekare neet mear zeefi konnen, begonne we 
beide te kreanselen. 

Als primitief stel ik wrenschen^ wrinschen^ bij 
Kil. bekend in dezelfde bet. Dus Banket der Gho- 
den, S'j: zo dat men veel waghens rollen en veel 
paarden wrinschen hoonle. Bilderdiijk, Afl'od. I. 74: 

De Echo voert naar verre heiden 
7 Hljgend wrenschen door de lucfit, 

Van den springhetigst uit de weiden^ 
Aan de Ga, die om hem zucht. 
Het w. is ook in H neders. en friesch bekend in 
verschillende vormen. Tiling heett wrenskeru 
wriensken; Strodtmann uyrenschken ; Sturenburg 
wruutisken; Outzen wrienske; Epkema wrinsken^ 
wnnzgjen. Het zweedsch zegt wrenska^ het deensch 
vrinske. Als verwant wordt vermeld het angels. 
wraene, deensch vrinsk. geil, tochtig, zweedsch 
vren, wild, niet gesneden. In het middelned. is 
wreen een paard; Lancelot, B. III. vs. 26404: 

Elc hadde enen goeden wreen; 

Ende rede so lange^ dat si quamen 

Datsi Mirauden casteel vemamen. 
Rom. van Walewein, vs. 314: 

Doe nam hi sinen breidel ter vaert^ 

Ende doolde in gonen herch ollene^ 

Hi ende Gringolet sijn wrene. 
N. Reeks v. W. d. L. Maatsdi. VU. i. 133: 



313 



KRENSELEN. 



314 



Ic 9ie flier bringen nne wreene, 
Dbeste paert^ die nie liep over vier bene. 
Die Hist, van Seghelijn, HS. bl. 83 (Segheltjn spreekt 
tot zijn paard) : 

Nu wilt hier al stille stcLen^ 
Glorifier lieve wraen. 
Meer voorbb. van ufreen vindt men bij Glignett, 
Bijdr. 1U. 

De w zoowet als tie k schijnt bij ons voorge- 
voegd; immera Strodtmann heeft ruiukefi en ran^- 
ken; Tiling als bannoversch rdm»keH^ en bet ne- 
derl. runmeken en rinneken. zie op Ronkelen. 

Kreateleu, zie Ereosslen. 
Kreuohelen— Krugohen 

Krugchen is zuchien, kreunen ; Greenwood^ Boere 
Pioxtervr. 9: . 

— een' ouden^ die tfost sleunde en krennde.... 

En op een bank reeds zat te krugchen; — 
De Thouars, Zriny, 120: 

{Hij) lit mymrend op den stoel^ in diep gepeins 

verzonhen ; 

Schiet ale een blikeemMtraal^ twin koorte door' 

gloeide hnkeny 

Bij ruMflooa krugchen, op zijn' lijfverzorger af. 
Kil. spelt krochen; dus Gonstth. Juw. 350: 

eUendich menech^ diens geboorte is crochen 

steenen. 
Six van Chand. PoSsy, 186: 

— 't huwlikdons, waar meenigh man op krocbt, 
Als of het neetels waaren, 
De Bie, Faems Weergalm, 165: {Zy weten) soo te 
crocben oft dat ay soo tnoesten stemen. 

Bij Fulda, Idtotike;;saminl. is kruchen zucbtea, 
en bij Strodtmann krochen hoesten van oude lie- 
den. 

Het vlaarosche /^reue/ie^, dat Schuermans heefl, 
voor kugcben, veel hoesten, luidt bij Fulda, a. w. 
kriuheln^ hoesten; bij Huppel en Danneil krocheln, 
sterk hoesten. 

Ereukelen— Ereuken . 

Tbans gewone vormen voor het veroudei*de kro- 
kelen^ kroken. Zie dit art. 

Weiiand merkt aan, dat kreuken ook onztjdig 
gebruikt werd; voorbeelden daarvan geeft Uooft, 
Ned. Hist. fol. 535: hoe Don Johan d' Amsterdam" 
mers moedighde om niet te kreuken, maar te vol- 
harden. D. i. buigen, zie het Wdh. des Inst. Afs- 
mede Camphuysen, Ps. 82, vs. 3 : 

Kreuckt noyt: doet We'eu en Wees gelifck, 
P. Moens, De Geschied. der Menscbheid, 58: 



De schoone sluier^ om de ontwaakende aard ge^ 

spreid. 
Wordt zacfit gekreukt door morgenluciitjens. 
Ontkreukcfx is bedrijvend: Bogaeil, Ged. 54: 

Die... H voorhooft noit ontkreukte door een^ loch. 
P. Moens, Hugo de Git>ot, 264: d*ontkreukten 
wenkbrauwboog 

Het frequent, kreukelen behoort tot den gem een- 
zamen sttjl; dus Fokke, Boert Reis. I. 109: dan 
zi.ker zou ze hare muls ki*eukelen. — D. i. be- 
drijvend; doch onzijdig,Lubl ink, Thomsons Jaarget. 
4J: hcutr vederen ki'eukelen. De Veer, Trouringh, 
^'S : een en ander. . dat heel lieht kreukelde, on- 
der anderen^ een nieuw barege fUeeflje. Doch ook 
leest men in meer verheven stiji bij Ter Haar, 
De St. Paulus Rots, 7i: 

Waar ook de trotsche Maranhoti..,. 
Zijn' hooggeztooUen strix>m verbreedt^ 
En op zijn kreuklend golvenkleed 
De stammen meidraa^ty die hij knakte, ^ 
Dus vroeger reeds bij Van Alplien, Dichtw. I. 25: 
— wilt ge.^ zoo kreuklend, de rimpels gelijken^ 
Die H gladde van 't ouderende aanzigt doen 

wijken? 
Gelijken zin heeft verkreukelen ; Bosboom Tous- 
saint, De Delflsche Wonderdokter, I. 62: zijne er- 
gernis te ketmen gevende over H verkreukelen van 
zijn kostbaar gewaad. Dautzenberg, Verspr. en 
Nagel Ged. 121: 

De herfst... verkreukelt, 
Al amendy de bloem met den knop, 
Eene afl. heeft Riemsnijder, Dichtl. Kleinigh. 144: 
Zie 't Karpet eens kreuklig leggen, 

B[revelen— Krewen. 

Krevelen^ krievelen en kriewelen zijn dezelfde 
woorden ; Ten Kate, H. 336. Zij beteekenen voor- 
eerst lichten veel bewegen, als bijv. van een hoop 
mieren of van andere dieren onder elkander; an- 
dot's ook krioelen of krielen gebeeten, van welke 
woorden de verwantschap met kriewelen in het 
oog valt. Het oudduitsch heeft in dien zin reeds 
creweUm^ scatere; Graff, Diut II. 238; en Scham* 
bachs Idiot, kriweln. Krioelen heeft Bilderdtjk, 
Spieg. Hartsp. 48: 

— Hjong gebroed der vuile moedderpoedenj 
/>at, half gevormd en nog ten deele vormeloos^ 
Door een krioelt in slib en drijvend waterkroos, 
Spieghel self zegt t. d. pi. kryolen overboop. (Ver- 
gel. het aangemerkte op Krljselen), Van Lennep 
Marino Faliero, ^>8 (overdrachtig) : 

Als ik... uw haven ingevaren^ 

De vluyye gondels xag krioelen op de baren. 



315 



KREVELEN. 



316 



Hetzelfde wordt door krielen aangeduid; Vonde], 
Poezy, \l. ¥^\ de zieleti, die daet* krielen. Tollens, 
Ged. III. 22 : 

Zij stuwden zich op een in H hoi 
En krielden onder dek. 
Alb. Thijm, Het Voorgeborchte enz. 8i : 
— als H wormgedierV eene aardkluit rond te 

krielen. 
Den vorm kriewelen heeft Van Swaanenburg, Arleq. 
Distal. 295: nu 'er de ertsketter met zyn slange- 
steert in kriewelt. Fokke, Boert. Reis, III. 154: 
de ochtendliicht kcmt me al in m^h' neus en 
kriewelt me zoo. D. IV. 251: hct kriewelt me zoo 
ami me schouwers, Dciz. Verzam. der Werken, 
XL 53: vets aan zijn netis vo^nde kriewelen. 
Westerbaen, Ged. III. 203, voegt krevelen en krie- 
len bijeen: 

— uxit wiUen dese zielefu, 
Die hier met menigte dtw krevelen en krielen ? 
Dus Van der Veen, Raets. 18 : 

Hoe krevelen dus aen m^jn krop 
U vingt^en^ als een spinnekop. 
De Herstelde Uitgelez. Ged. 138 : 

neen, zy voelt zich eUs een uurwerk zander 

rust; 
Zy krevelt op hoar 8toel„ in ^t groejen van hoar 

lust, 
Bilderdijk, Gycloop, 16: 

Hoe *« H met de lammetjens in 'thol^ zoo i>ersch 

geworpen f 
Beginnen ze aan de speen van Hmaederooi te 

slorpenf 
Of kriewlen ze om Piaar heenf — 
Van der Veens Zinneb. 365, hebben het ww. voor 
het dooreen bewegen of oprijzen der haren, van 
spijt of toorn: 

Doe gy leech weer-om most varen^ 
Dat u krevelden de hairen. 
En Meijers Oude Ned. Spreekw. 71, van het krie- 
belen der niciis: ^1^ de catte is van huys, so ere- 
velt de muys, Het vlaamsch zegt zoowel krave- 
len als krevelen^ zie Schuermans en De Bo. De 
eerste veiklaart kravden door »klaateren," de 
laatste juister door »krabbende kruipen van in- 
sekten." Van krevelen heeft het westvl. bij De 
Bo, met voorvoeging der «, schrevelen. 

De woorden beteekenen in de tweede plaats, 
wat men anders jeuken of prikkelen of kittelen 
noemt; een gevoel, zooals Schambach van kriweln 
niet onaardig uitdrukt, alsof mieren over roij heen-» 
loopen. Van Rijssele, Sp. der Minnen, 6 verso: 

Hoe krevelt sijn herte! 
Rodenburgh, Melibea, II. 20: 



De liefde kreveld zo ghestadich door mijn darmen, 

Dat ic/c, helacy, krijch de pyne in mijn zyd\ 
Van daar kreveling^ jeuking, kitteling; Antw. Sp. 
van Sinne, 572: 

My dunckt dat ick self van creuelinghen spUjte. 
Overbeke, Rijraw. Bijvoegsel, bl. 7: als hystil was^ 
had ick een gedusrige krevelinge in myn gemoet^ 
en als hy weer blies, wo* myn fiert gerust. Bij 
Bi*edero en Gats krevel^ zie Oudemans Wbk. 

Bilderdijk meende het primitief kreven te ont- 
dekken bij Rodenburgh, Poeet. Borstweringh, 210: 

Het luck zeer schielijck rugwaerts kreeft. 
Zie Verkl. Geslachtl. II. 129. Ik ben het echter 
eens met Weiland, die t. d. pi. aan een ww. 
kreeften denkt, van het subst. kreeft gevormd. Ro- 
denburgh wil zeggen: het geluk gaat den kreef- 
tengang, 

Het primitief van krevelen^ kriewelen^ meet ge- 
zocht worden in krewen^ kriewen^ welken laatsten 
vorm men aantrefl voor kribben, onder elkander 
kibbelen of krakeelen; bij Busken Hoet, Schet- 
sen en Verhalen, II. 282: om het nagelaten speeU 
goed.,.. prijs te verklaren en al krieuwend on- 
der elkander te verdeelen. Dez. Lidewyde, II. 
135 : reeds hebben wij een paar malen over hem ge- 
krieuwd. — Het middelhd. zegt kriuwen^ krouwen^ 
nederl. krauiven (zie Krauwelen)^ en ook ver- 
want aan krieben^ kribben^ krabben; want krewe- 
len^ kriewelen is in de hoogd. dialecten krebeln, 
kriebeln^ kribbeln^ krabeln. 

Eribbelen— Kribben. 

Ril. heeft beiden voor krabbelen. Kribben heefl 
bij Hooft den zin van'tegenstreven, zie het Wbk. 
des Inst Dos ook Westerman, Gied. II. 182: 
— Hoe het jongsken kribben moog\ 
En 't troetlen weer moog' bien: — 
De Gdnestet, Eerste Ged. (2de dr.) 241 : 

Dat kribt, dat joelt en woelt, dat kwanselt met 

elkoAr, 
Vandaar het door Weil, niet vermelde kribbig bij 
Ril., dat men least Huygens* Korenbl. II. 142: 

Een kribbigh Heer krecgh van sijn^ luymen. 
Krul, Pamp. Wereld, III. 182: de slavemy van 't 
kribbig hofs verdriet. Fokke, Vera, van Spreekw. 
221: die (moeder) was verschrikkelljk kribbig en 
morrig tegen dat meisje. 

Kribbelen^ ook wel kriebeleny wordt gebruikt 
voor klein of onduidelijk schrijven, gelijk krab- 
belen voor slecht schrijven. Dus prof. David in 
De Middelaer, III. 145: de kleine uitgave... waar- 
van ik de kanten onder en boven, en tot tusschen 
de regelen toe^ met aenteekeningen en verklarin- 



^ i 



917 



KRI6BELEN. 



918 



gen bekribbeld had. Van Zeggelen, in den Ver- 
geet mi) niet, 1848. bl. 143: 

Geen haartjes in de inki! 

Geen hrandbrief gekriebeld I 
In Don Quichot, II. 417, is kribbelen hetzelfde als 
kibbeldn, twisten: twee jongens, die met elkander 
stortden en kribbelden, seggende den een tegen 
den under enz. Willems bezigde het w. voor 
krevelen, kriewelen (zie dit woord), Belg. Mus. V. 
ti34: Het kribbeli my geweldig in de ingewanden. 
En zoo zegt het vestpruisisch dialect kribele voor 
een jeukend gevoel hebben, en kriblig voor jeu- 
kerig, volgens Herrigs Archiv fur das Stud. d. 
neuem Spr. XIII. 19. 

Kriebelen, zie Kribbelen. 
lEriekelen—Krieken. 

Beide wwn. beteekenen bij Kil. rood worden, 
schijnen, blinken, en werden gebezigd van den 
morgenstond. De Harduyn, Uitgel. Dichtst. 30: 
Soo nu Aurora vroegh heur rooakens gaf ie 

riecken^ 
En dat den dag begonst al btosende te kriecken. 
Vondel, Poezy, I 140: • 

Het morgenroot verrees, het licht begon te krieken. 
Aid. 607: 

Zie dien dageraet eens krieken. 
Vollenhoves PoSzy, 537: 

Als de dag begon te krieken. 
J. de Haes, Jonas, 7: 
Naer H uiterste der zee, doer *t licht begini te 

krieken. 
Pool, Ged. I. 80: 

Terwyl de toaere faem uw lof met snelle vneken 
Tot aen den avont draegt van doer de dagen 

krieken. 
Geestel. Nachteg. III. 216: 

Lof kriekelenden dagheraet, 
Die one de zon hebt voort gaen bringhen. 
Six van Ghand. Poesy, 27: 

O kriekelende Son^ die juist den Burghschen 

tooren 
Roost enz. 
Nog bij Rens, Bladeren uit den Vreemde, 6: 
— morgen^ ais de dag kriekt, vertrek ik naer 

den Rhyn, 
Wi] spreken nog van het krieken van den morgen 
of dageraad, bij Kil. kriecke en krieckelinghe, 
HEerste leest men bij Rodenburgb, Trouwen Ba- 
tavier, 7: 
De luye slapers droom unit achichtel^ck ontwaken, 
Op dat toy met daeghs-krieck in tijts ter jacht 

gheraken. 



En bl. 51: 

— zo dat zy met hun beyden 
Doen met de krieck des dach stil van mankan- 

der scheyden, 
liet nedersaksisch en osnabrugsch heeft daarvoor 
de Ki*ik vam Dage; terwiji onze Ouden grieking 
en graking hadden; Van Velthen, fol. 96: 
Des anders dages^ herde vroe 
Indie griekinge, quamen doe 
Die buten lagen vor die port. 
Maori. Sp. Hist, 11. 112: 

Teersten dat hi dus treckende quaniy 
Eer hijt wisle ofte vemam. 
Was hi midden eere Uxghe, 
Indie grakinge vanden daghe. 
Hetz. w. III. 342: 

Dat tylike upstont een huusmcuiy 
Die indie grakinge jagen began 
Sine coyen ter weiden uxiert. 
Zij kenden voor krieken ook bet ww. graken, en 
het nw. dciggrake^ anders dagptnkey waarvan (wel* 
licht) ons dagetxuui ; zie Hnydec op Stoke, II. 496, 
en verg. mijn Taalk. Mag. I. 96. 

Met zinspeling op de vrucht kriek zingt Koden- 
burgh, in een vera aan Krul, in diens Minnespie- 
gel, IL 108: . 

De stonden die sy m*ijt in 't rijsen vande Son, 
Vermits mijn waerde Vrou de dagh-kriek H 

rypste von 
Om 't voedt'gedight met murgh haer suyver toe 

te tellen. 
Van het bovengen. subst. kriek is te onderschei- 
den hetz. w. in eene bet. die Kil. noch Weil, ver- 
melden, t. vf, als een verbloemde naam voor het 
achterste (ligchaamsdeel) ; dus Floraes Sotte Bol- 
ien, 65: 

Wei hoe ist^ ist niet te degen^ 
Heb je qua'e tijng ekregen^ 
la je Vaer of Moertje sieck^ 
Of achort het je in je krieck, 
Of achort het je in je kruyntjef 
Roemer Visscher, Lof der Mutse, 17: 

Ick heb pijn in mijn hooft, in mijn, buycky in 

mijn crieck. 
Rosseau, Medea, 17: 

"Want weet ik ben wel goet^ meter by myn kriek 

niet mai. 
Bredero, Stomme Ridder, 45: 

Elementsen Domine, de Princes hettet soo ge- 

weldigh in haer krieck, 
Dattet niet te aegghen ia — 
Oudemans Wbk. 503, verklaart hier onjuist door 
»bol, hoofd." 'tWoord is mfj in de geineenzame 



319 



KRIEEELEN. 



990 



taa) meerraalen voorgekomen, doch altijd in den 
boven opgegeven zin. 

KriemeienS zie Grimmelen* 
Kriemeleu*— Eriemen. 

Weiland kent aan kriemden de beteekenis toe 
van talmen, matren, schoorvoeten. In dezen zin, 
misschien ontstaan door verwarring met kruime- 
len^ is mij het w. niet voorgekomen; 'wel in dien 
van klagen, kreunen, Tuinman, Rijmlust, 319: 
Het w gewormte dat (lanr wriemell^ 
Maar ^tzieke teere kindje knemelt. 
Daarme^ komt overeen het prim, kriemen; Het 
N. Hoornse Speelw. 153: 

Zoo een huis vol kriemen d steenett 
Bij dit werkw. dat bij Plantijn en Kiliaan een' 
anderen zin heeft (zie Krienelen), zou men met 
Weil, aan eene verwantschap met kermen kunnen 
denken. Lievei nogtans denk ik aan het middelhd 
ktnmmen, oudhd. krimman^ drukken, knellen, be- 
angstigen; zie Schmeller, Benecke en Graff, lY. 
608. Het naaniw. crieme voor angst, nood, be- 
klemdheid, treft men bij de onzen aan. Belg. Miis. 
IV. 354: 

— die vrouwen waren vertroetUy 
Ende uut haren crieme verloest. 

' Krienelen— Krienen 

Het WW. krienelen of krinelen wordt gezegd op 
Zuidbeveland tebeteekenen Dveel willen afdingen," 
waarvan ook aldaar krienelig »die veel afdingt.'' 
Zie N. Ned. Taalmag. II. 226. Ik acht dit w. af- 
komstig van het adj. kreen^ dat onze Woorden- 
denboeken wel niet vermelden, doch 't welk in 
het dagelijksch leven gebezigd wordt voor lichtge- 
raakt, nauw op kleinigheden lettend, en dus juist 
het karakter uitdrukkende van iemand, die te 
veel wil afdingen, of beter gezegd, die nauw 
dingt. Krienen of krenen kan 66n zijn met krie- 
men bij Plantijn en Kil., kribbig zijn, waartoe be- 
hoort krimig^ in *t neders. lichtgeraakt ; kremig, 
bij H6fer de gewaarwording van iemand, die door 
lang zitten een onaangenaam gevoel krijgt en be- 
hoefte heeft om de spieren uit te rekken. Ten 
Kate, II. 651, brengt het vermelde kriemen tot 
kruimen^ kruimelen »als vittende op het minste 
krummeltje;" waarbij ik moot opmerken, dat het 
nauw dingen, H welk door krienelen aangeduid 
wordt, inderdaad in Zuidholland ook kruimelen heet. 

Eriewelen, zie Krevelen. 
Knji^elen— Krijgen. 

Het WW. krijgeleti kwam mij voor in eene ploats 
uit Bentivoglio, aangeh. bij Eichman, Magdalena 
Moons (Leid. 1868) bi. 11, waar men leest; Men 



arbeidde bfj dag en nacht aan de wallen ; en de 
wijven krijgelden in d^arbeit tegen de mannen. 
De Schr. teekent hierbij aan »wedijverden." De 
eigenlijke bet acht ik te zijn strijden; zooals wij 
ook spreken van een wedntrijd en van iets om 
atrijd doen, als we aan ijveren om een' voorrang 
denken. Dus ook Cardanus, Neroos Lof, 54: ter- 
wijl zy in die dingen, die van onUiclit vry waren, 
uit eerzucht krijgelden. D. i. streden, ij^erden. 
Valentijn, Werken van Ovid. 1. 240: Ken paatH 
krijgelt dikwijl ee^ H het gebit in den bek neemt 
D. i. veraet zich. D. lU. 210: oude ploegstieren 
krijgelen tegen 't jok. BI. 221 : draagt fuj ttyn 
swanr kruis lijdsaam, en krijgelt niet, yelljk een 
ongetemt ros, tegen sijn toom. — Volgens Weil, ge- 
bruikt Hooft het ww. kriegelen voor »graauwen, 
norsch spreken." Dit is dan, zoo de verklaring 
juist is, een strijden met woorden. 

Het primit. krijgen, dat wij voor oorlogvoeren 
kennen (zie Van Hasselt op Kil.), hoogd en mid- 
delhd. kriegetij bij Schr6er krigen, bij Van der 
Schueran kregen, beteekent ook twisten en ge- 
rechtelijk strijd voeren of procedeeren; van het 
subst. krijg^ bij Kil. en in H hoogd. krieg, mid- 
delhd. kriec, oudhd. bij Graff.. IV. 589 kreg, in 
den Teuthonista en het Algem. VI. Idiot, kreey, 
twist, strijd. 

Als afleidingen heeil men de adject, kriege, bij 
Benecke wederstrevig, kriegec aid., bij Schmeller 
kriegig, strijdlustig, vlaamsch krikkig, optoopend, 
korzel; kriegisch, in 't middelned. en beijersch 
strijdlustig, waarvoor H latere hoogd. kriegerisc/i 
zegt. Wij hebben met anderen uitgang krtjgel, 
bij Kil. stijfzinnig, hardnekkig, bij Weil, ook krie- 
gel, kregel. Dus Vondel, Noah, 11 : 

— dees strefige leerf dien kriegelen 

En byster barssen zich aen Kains onrtutt itpie- 

gelen. 
Dez. Pascha, 30 : 

Want Godt in syn stoutheyt krieghel.. . 
Heeft verstockt syn steenic/i herU 
En Jos. in Egypten, 11: 

( Vat) hy te krijgel vaXt, en al ie stijf van zinnen, 
Ingen, G«tr. Herderin, 78 : 

{Dat) gy te krijgel zijt, en al te trots van zinneti. 
Six van Chandelier, Ps. 119, vs. 78: 

Het heil is ver van 't goddeloos geslacht; 

Wyl ^tuw verbond niet soekt; maar blyft ver- 

treeden. 
En krygel uw inseltingen veracht. 
Fokke, Verzam. der Werken, VIII. 179; er isgeen 
kriegeler volk dan de scfioone kunstenaars, Nomsz, 
De Graaf van Warwik, 27: 



321 



KRUOELEM. 



32$ 



De trotse en kreegle Schot^ wiens hoei hier word 

gesmeed. 
Fokke, Boert. Reis, I. 206: Vat maakte hem toen 
regt kregelig. — In eenigszins andere bet. leest men 
het w. in Maria Heyns Bloemhof der Doorlucht. 

Voorb. 371 : dewijl wy te voren getwisl hebben 

om wie van ons heide de grootste achting hebbenj 
en meest ontzien zijn zouy zo laet ons voortaen krij- 
gel zijn om malkander in matigheit en oprechtig- 
heit f overtre/fen. De uitdr. krijgel zijn wordt hier 
verwisseld met stwisten*' (om den voorrang) en 
geeft hetzelfde te kennen als het freq. krijgelen^ bo- 
ven vermeid. — Voor krijgel heeft Schambach kre- 
gel en wel in de ten goede gewijzigde bet. van dar- 
tel, vroolijk, leyendig; doch hetAlg. VI. Idiot, krij- 
chel, krikkel^ oploopend, korzel; dus Conscience, 
De Arme Edeiman, 99: vermits gy zoo krikkel op 
het punt van eer zyt. Wij zouden hier zeggen 
kitteioorig, lichtgeraakt, zooals het Wdb des Inst, 
op Hoofl eerkriegelhcid te recht verklaart door 
i^Iigtgeraaktheid op het punt van eer." In denz. 
zin leest men krik; Delia Casa, Galateus, 27: Niets 
is onaangenamer als dnt men nl te krik, of te 
ligl geraakt is. — En kreeg, Heyns, Bartas' Wer- 
cken, II. II. 218: 

— hy slaet hoe langs hoe kreger. 
Meer in den zin van korzelheid, Rtijfzinnigheid, 
heeft Hoofl het subst. Ned. Hist. fol. (509 (en niet 
690 zooals het Wdb. heeft): had Norrits..., ver- 
waant booven maat&, begonnen te warren.... en 
weigherde ... d* cerst in H ruimen te weeien : welke 
krieghelheit zich niet paayen liet^ dan enz. Kil. 
heeft in denz. zin krijgelheid. Voorts heeft deze 
als adj. krijgelijk, obstinate, pertenaciter ; middelhd. 
krieclich^ krijgszuchtig, oudhd. bij Graff, IV. 590 
eincrigelichy halsstarrig, brj Schambach krikelig, 
strtjdlustig, bij Hofer kriglich^ heesch (nam. van 
het twist en). Huygens gaf aan krijgelijk eene 
andere bet. Korenbl. I. 151 : 

— sijn' Vorst^ die somtijds op de Swijnen 

Of op een' feller' Leew^ of op eefi' sneller' Hoes 

De schaduw Hchild'ren wit van V Krijgel ick ge- 

raes. 
d. i. het krijgsnimoer. 

Eene samen trek king van kriegel acht Ten Kate, 
II. 250, kril, dat Kil. heeft voor dartel lichtge- 
raakt (op het punt van weelde of wellust), wnft, 
Uchtzinnig; en 't welk men leest brj Meuleweis, 
Tim. Misantr. 16: de cril fortuyn. Ogier, De Se- 
ven Hooflsonden, 205 : 

De wijn ontbint de tongh^ dan volght een kril 

ghesnatei\ 
Gats heefl daarvoor kriel ; Wercken, I. fol. 2 1 : 



De Duyvel., . verweckt in hem een krielen sin^ 
vuylen lust. Aid. fol. 183 : uwe kriele jeugt. Fol. 
184: een kriele vrou. En 203: de kriele teven, 
Fremery, Mijn Letterhof, 30: 

Gij gloeide om vrouw en maegd uit krielen 

lust te omhelzen. 
Bod. Benninghs L. Oorlofd. 63: uw kriele tochten. 
Aid. 64: 

Waer door men jeughd bedwinght en snijt de 

krielheyd af, 
Het Alg. VI. Idiot, heeft daarvan krielig^ voor 
dartel, lachziek, en Six van Chandelier krillig^ 
doch wederom voor stijfzinnig, koppig; Poesy, 562: 
De derde beeltenis ontwent 
Een stier. met wilde vygebladers^ 
Si/n kriirgen hcUs^ en maakt hem mak. 



Krijschen is schi*eeuwen, met verscheidenerlei 

toepastjing; eng. to cry^ tr. crier^ hoogd. kreischen, 

Bij Schambach is krischen luid achreeuwen, zoo- 

we] van smart als van vreugde; brj Schmeller 

kreisen^ kreisten^ stenen met angst; bij Schmidt 

(Westerwald. Idiot.) kreisen^ kreischen, scbreeu- 

wen en weenen. Het middelhd. krizen beteekent 

roepen, schreeuwen. Onze Ouden kenden reeds 

krijschen. Hor. Belg. III. 83, van de jonk vrouw, 

door eene kapel gestoken: 

si en moesle cryschen ende also ghebaren. 

Aid. 82: 

si creese ende maecte een gheluut, 

dat alle die joncfrouwen worden vervaert. 

Maerl. Sp. Hist. I. 171 : 

Want het ginc hem inden live, 

Alse die steke van enen knive; 

Hi creesch oan groten tne^arc. 

Met een basterduitgang zeide men crieren, creye- 

ren, crayeren, crayieren; Der MinnenLoep, I. 84: 

C^orts so worter een bettant 

Gheraemt van enen heleti daghe. 

Wye dat brake verloir sijn craghe, 

Dat wart an elken zijde ghecrieert. 

Van Heelu, vs. 5317: 

Vele liede, met sterker vaert. 

Torsse ende te voet met grooten roten, 

Boenen met eyseliken stroten; 

Crieerden gruwelike.^ ende liepen enz. 

Karel de Gr. 217: 

Binnen vrede., geloeft das^ 

Dien gi selve doet creiei-en. 

Hor. Belg. III. 5: 

(hi) dede craieren, dat hi varefi woude. 

Ferguut, vs. 2502: 

U 



323 



KRIJSELEN. 



324 






met luder stemme hi craihiert; 
heer ridder^ ghi dunct mi al doL 
En eldera: Geroep en geschreeuw is gecri en ge- 
crai; Maerl. 8p. Hist. II. 142: 

— alse hi was den hove bi, 
Quamen ende maecten groet geeri 
.Ixx. duvelen omme hem gevlogen. 
Van Velthem, fol. 295: 

Om dit ward ginder groet gecri. 
Reinaert (door Willems), ts. 2313: 

Dies baden die oude entie jonge 
Met groten gecraie, met groten gelude. 
Bij Van Velthem, fol. 244 leest men: 

Her! Grave! sprac hi doe mettien: 
Al dat ic sie^ dat syn crayolen 
In die wapeti^ ende scieten spolen ; 
En sach niemen van vcUoer, 
Op crayolen teekende Le Long aan »schreeuwei*s, 
keflfers." Inderdaad is krioler of korjoler in het 
holsteinsch dialect een schreeuwer, van het ww. 
kriolen^ krojolen^ korjolen, aid. schreeuwen, jui- 
chen beteekenende, zie Schutze. Het Brem. Nie- 
ders. Wtb. heeft er voor krijolen^ krijolken, en 
stelt daarraeS gelijk het fr. criailler en het nederl. 
krioelen Indien deze gelijksteiling met krioelen 
juist is, dan volgt daaruit dat wij dit ww. door- 
gaans kwalijk verstaan of toepassen. Wij bezigen 
het voor wemelen, dooreenbewegen, als een an- 
dere vorm van krielen (zie op Krevelen) ; doch de 
beteekenis zou dan eigenlijk zijn: juiclien, een 
verward en vroolijk geschreeuw aanheffen, hetwelk 
men ook wel joelen noemt, dat met krioelen kan 
samenhangen. Voor dit laatste trof ik inderdaad 
krejoelen aan bij Jan Zoet, Digtk Werken, 125: 

— Den Dam krejoeld 
Van menschen^ zonder tal. — 
Voor gecri vindt men ook bloot cri of crt/, fr. 
cri, crie; Kausler, Denkm. I. 304: 
So sach mense zeere vergramen, 
Ende ha^telike ie wapinen loepen^ 
Ende vergaderen met groeten hoepen; 
Niet de delvetie, was haerren cry. 
D. i. wachtwoord, cri de g\ie}*re, Ook wel crljt^ 
Hor. Belg. III. 31 : 

die vrouwe haer dies ververde^ 
ende gaf enen crijt harde luut 
Wij zoiiden zeggen kreet, gemaakt van hetimperf. 
van krijten, dat een andere vorm is van krijschen^ 
uit krizen ontstaan. 

Het frequent, krijselen^ zoo wel als krijschen zelf, 
stelt Maerl. tegen het zingen der vogels over, in 
Der Nat. Bloeme, volgens de aanh. in Von der 
Hagens Neues Jahrbuch der Berl. Gesellsch. IV. 185: 



Garrulus es eena voghels name 

Die in husscen ende in bi^me 

Vor alle voghelen die leven 

Meest crijscen, meest luuts wt gheven^ 

Dies es hi garrydus ghenant; 

Een gai hetet in walsche lant; 

Van home te borne vliecht si en sprinct 

Ende crijscelt meer dan sinct 
Van Herwede bezigt het voor het knarsen eener 
wond, het stridere van Virgilius aan het slot van 
het vierde Boek der Eneide, Uyth. Oorl. ofle Roomse 
Mintriomfen, 229:^ 

De krijsselende wondschrijntinUzieltogendHjf, 
Delille vertolkte het door i^fm^me un triste mur- 
mure." Van zich^openendo deuren- leest men in 
Rabelais' Werken, II. 422: datse zulk een snaa- 
rend gedruys, of ysselijk gekners en gekrijssel 
maakteti. — Bij Valentijn van ijskorsten, Werken 
van Ovid. III. 192: Dikwijl krijsselen de bevrore 
hairbossen. Gewoonlijk echter beteekent het ww. 
het knarsen dertanden; Lancelot, B. II. vs. 17249: 

Die hem sine oegen hadde gesiett 

Verkeren ende sine tanden daertoe 

Hadde gehort ciiselen doe^ enz. 
Vanden Lev. ons Heren, vs. 4042: 

Daer sxicht inen^ daer criselen de tande. 
Blommaert, Oudvl. Ged. II. .^: (die duvelen) cri- 
selden up ha£r metten tanden. Bijb. 1477, Job 16, 
vs. 9: mi dreighende so crijselde hi teghen mij 
mit sijnen tanden. Lament. Jerem. 2, vs. 16: {mi- 
ne vianden) wispelden ende si crijsselden mitten 
tandeti. Passionael, Winterst^ fol. 144 verso* da,er 
openbaerden hem die duvelen ende criselden met 
horen tanden op hem. En zoo zal het w. ook te 
nemen zijn aid. fol. 94 : Doe seide hi di woerden 
totten drake ende verbant hem sijn mule die blies 
ende criselde Duyfk. en Willem. Pelgnm. 256: 
mijn tatiden krijsselen. Vaderl. Mus. II. 415: 
soe hoet mine ziele vorden vaer^ 
daer criselinghe es van tanden. 
Der Lek. Sp. I. 47: gecrisel van tanden^ en bl. 
51 : criselinghe groot van tanden. Dus op beide 
pll. de variant, waar de tekst heeft: gecrijsch. 
Maerl. heeft Rijmb. v. 23418: crijs van tanden. 
Ons knarsetanden is krijzeltanden^ tSpel vanden 
H. Sacrara. (door Dr. Verwijs) 71: Hoe crysel- 
tandic. Houwaert, De vier Wterste. 185: 

Ecuwelijck moeten toi/sc/irei/enencrijsseltanden. 
Westerbaen spelt met den hoogd. ^t-klank, Ged. 

m. 22: 

De deuren vati de kerck die knersten in haer 

spanden^ 
De kerren kreysselden, van hooper alt^maeL 



r -'-— -" —^ 



325 



KRIJSELEN. 



326 



Hot Alg. VI. Idiot, heeft kreutselen voor gromroen, 
knorrig zijn, dat hier wel zal thuis hooren. 

Krikkelen— Erikken. 

Krikkelen wordt in het vlaarosch gezegd voor 
het kraken van brekende of brandende voorwer- 
pen; zie Schuerroans* Idiot. Bij Valentijn leest 
men het w. van knappend zout ; Werken van Ovid, 
nl 82: als gij de Godin op hoar oude altaren 
offert, meet, met krikkelent zout^ en wierook kor- 
len, — En voor het knappend breken der vocht- 
blaasjes; D. I. 150: vers gemolke schapemelk^ daar 
H speenschuim nog op stoat en krikkelt. — Kil. 
heeft krikken^ krakken^ v^aarvan krikkrakken. Het 
eng. zegt crick voor 'tgekraak eener deur, en to 
crack en to crackle voor kraken, krakken, breken. 

zie Qrimmelen*. 
L— Krimpen. 

Het frequent krimpelen is mij voorgekomen in 
het Alg. VI. Idiot, benevens in het tooneelstuk 
Julius Caesar, door Michaelius of Van Michiels, 
aangeh. door Dr. Schotel in zijne Tilb. Avondst. 
131: 

— soo krimplen dHngewanden. 
In my, om los te zyn van d'aierlyke handen. 
Verwant hieraan is het eng. to crumple^ in Schmidts 
Westerwald. Idiotikon krumpelny krompeln, krom" 
peln^ Von Schmids Schwab. Idiot, vcrkrumpeln^ 
d. i. vouwen, kreuken, samendrukken 

Erin8:elen— Eringen. 

Kringen beteekent eig. een' kriiig maken, zich 
in eenen kring bewegen ; b. v. Bogaers, Gez. Dichtw. 
I. 312: 

Daar kringden de golfjes; het paxtrtfe verzonk. 
Van Duyse, Ged. 69: 

Verstrekt dan dit wolkengewemel^ 

Gekringd om den voder van V licht^ hem ten 

stoetf 
Schimmel, N Ged. 30 (van eene vlam) : 

Die dwarlend omhoog steeg en kringde over 

't wijd. 
Voortfi draaijen, omwenden, en luidt dan ook kren- 
gen. Tuinman zegt, Fakkel, II 112, dat »bloode 
honden hunnen steert tusschen de beenen kren- 
gen.'' Bij Weil, is jeeen wagen krengen" in het 
rijden een' draai maken; zie voorbb. hiervan in 
het Gloss, op Van Hildegaersb. Ged. In de scheeps- 
taal is krengen het schip op zijde leggen. Dus 
Brandt, Leev. van De Ruiter, I. 28 : eer hy zoo vcr 
kon koomefi^ werdt hy zoo doornagelt^ dat hy wel 
ses schooten onder waater kreeg„ en genoodzaaki 
was te krengen, om de gaaten te stoppen. Aid. 
256: Zy krengden hunne scheepen, maakten ze 



scfioon^ en smeerden ze naar behooren. — Tot kren- 
gen in dezen zin zal behooren verkrangen, her- 
stellen, repareeren; Van Dans, Thyrsis Minnewit, 
1. 106: 

Maer, o Nymphjes^ uwe wangen 
Die en konje niet verkrangen 
Of afschellen: eens geschent 
Blyven leelijck tot het endt. 
En wellieht ook kringen in Serrures Vad. Mus. 
IV. 81 : 

Segt hoe ridderscap began.... 
ende wan.en dat ons quam die 6an, 
ende hoe ons edelheit ontran^ 
Ochte d noch iet sal eringen. 
d. i. of de edelheid nog weder eenigszins zal her- 
steld worden. Als antwoord slaat dan daarop bl. 8(6 : 

»Edelheit es leden" 
en lager: 

»Nu es der edelheiden hoed 
gheworpen in die Seeusche vioet." 
Winschooten en Van Lennep leiden, vreemd ge- 
noeg, krengen af van kreng^ dood ligchaam, »de- 
wijl soodanige doode krengen in het Waater op 
sij drijven.'' Doch krengen is ook op zij zeilen, 
volgens Halma, en zoo versta ik kringen bij Brandt 
t. a. p. 115: Doch in 't heetste van 't gevecht 
raakten verscheide Hollandtsche acheepen... in on- 
orde: eti eenighe zagh men al kringende in elk- 
andre wyken. — In den zin van eene wijkende 
wending maken, komt hetz. w. voor in Severijns 
Mengel. II. 22 : 

Hef paste u Ridderl^k hervoort te sprlngen, 

De wapenkreet te geven aen den strijt: 
Maer op de eerste tegenstant te kringen 
Verdient soo wel ^^en lauwren als verwijt. 
En zoo versta ik mede het w. in SerrunBs Vad. 
Mus. IV. 63. naar welks bet. Oudemans vraagt in 
zijne Bijdrage, i. v.: 

Werde God! laet ons verdinghen 
onse mesdaet ende ciingen 
van desen loesen sade. 
d. i. laat ons vergeven (eig. vrqpleiten) onze mis- 
daden en afwijken van het looze gebroed. Als 
deelw. vindt men gekrongen^ De Honigbije, II. 27. 
Het eng. to cringe beteekent samentrekken, en 
ook buigen. en dan dit laatste zoowel eig. als fig. 
(voor flikflooijen) 

De WW. krengen en kringelen beteekenen in 
een der zeeuwsche dialecten »zeer • nauw dingen," 
zie mijn Archief, II. 181 ; ook Winschooten, Hal- 
ma en Weiland hebben krengen voor knibbelen, 
nauw dingen, en brengen dit tot Hen vermelden 

scheepsterm, wat niet onaannemeliik schijnt; wie 

11* 



327 



KRINGELEN 



328 



nauw dingt, sluit of krimpt in, omperkt. Daartoe 
behoort de iiitdrukking in De Waarzegster (Bly- 
spel, Amst. 1712) bl. 18: 

— als ge my gehulpen hebt^ zal ik noit voor 

iemand krengen. 
Hoof, daar is niemant in den Haag die zo mil' 

dadig leeft. 
En bet wvf. kringen in de Springh-Ader aller 
Kinderen Gods, waar bl. 166, met bet oog op den 
eergierigen Haman, gezegd wordt: 

En zljt tiwen Breeder aldus niet kringende. 
Onze dichters bebben omkringen gesmeed; Van 
's Gravenweert, De Ilias, 11. 160: 
Zoo peinst hij in zich zelv\ nu Troje voorwaarts 

dringt 
En, digt ineengeprest, zijne eigen ramp omkringt. 
Eene sramp'' te omkringen is wel wat vreemd. 
Van Duyse, G«d. 51: 

Nu hief, de muzljk hare klanken, 
En slingrende dansen omkringden den grond. 
Ook dit is zonderling : den grond te omkringen 
door dai;)sen. Beter aid. 66: 

— zij heft het oog, ziet Edwin, 
Dien het Englenkoor omkringt. 
Zie voorts het Woordenb. der Ned. Taal i. v. doch 
vosg daarbij dat het w. reeds in de zeventiende 
eeuw voorkwam; Valentrjn, Werken van Ovid. II. 
40: daar de leste en engste riem de noorderas 
omkringt. 

Onze schrijvers bebben bekrengen; Westerbaen, 
Ged. I. 3S29: 

Noch 7ijn u klaeuwen klam. u vingers noch 

bekrengt 
Van '( hloedi — 
Aid. 333: 

Sie halck en rihb en plancken. 
Hoe dat sy zljn bekrenght van bloed en etter 

schuym. 
D. i. van kringen, moeten of likteekens voorzien. 
Het nw. kringen is in dezen zin in de volksfaal 
nog gebruikeltjk. Overdrachtig wordt dit bevlek- 
ken, bezoedelen; en zoo heeft Oudaan, Agrippa, 
258: de kuisheid der Mevrouwen, als de eerbaar- 
heid der mctagden en tveduwen te bekrengen. 

Het frequent, van kHngen is in den gewonen 
vorm krinkelen, waarbij de verlenging des woords, 
als meermalen, met verscherping van den slotme- 
deklinker des worteU gepaard gaat. Zoo leest men, 
Vondel, Altaergeh. 42: 
Zagh Memfi».... 

Des leitsmans staf zich krincklen, als een slang. 
Schermers Poezy, 412: V zilver duinkrvttal der 
kri&kelende beek. Thirsis Minnewit, 1. 132 ; 't hoar,,. 



dat krinkeld ev knUlende wast. Schouten, De 
Vrijmetselari], 17 : lauwerblaan, die krinkelden om 
'thoofd. Bilderdijk, Pogzy, n 129: 

Terwijl een glans zijne oogen blindt, • 
Waar alles door elkadr voor krinkelt. 
Onze dichters, vooral van den laatsten tijd, toonen 
prijs te stellen op den zachteren vorm kringelen, 
Dus Vondel, Virgil, in Dicht, 172 (zoo de lezihg 
goed is) : 

De rugge kringelt zich geweldigh boght by boght. 
Ten Kate, Tassoos Jeruz. I. 232: terwijl de von- 
ken kringlen, d. i. dwarrelend opwaarts st'.jgen. 
Van Loghem, N. Ged. 161: 

Dan weer door den doek vervangen, 
Waarop lokjes kringlend hangen. 
In proza komt het wvr. voor bij Gremer, Uit het 
Le^en, 37: zoo als het (rookzuiltje) uit den klei' 
nen schoorsteen naar boveti kringelt. AnnaRooze, 
II. 253: spinnewebben die in elkaar kringelden. 
De Veer, Frans Holstei", II. 22: het blauwe wolkje, 
dat kringelend opsteeg uit den schoorsteen. 

Met voorvoegsels ontmoet men het w. bij Schim- 
mel, Verspr. Ged. 160: 

— 'Istandbeeld der Godin, 
Omkringeld door de rosse vlam. 
Stort op het voetsluk in. 
Van Lennep, Ged. 109: 

Het riet kringelt weg voor het vlammengeschroei. 
Dez. Vert, en Nav. 68: 

Vereend als adders die amcingeld 
En in hun broeinest saamgekringeld, 
Zich went'len in hun moordvenijn, 
Het frequent, intusschen is niet nieuw, maar 
bijna vier eeuwen oud in den zin van in^luiten, 
omsingelen, lig. benauwen ; Delfsche Bijbel van 1477, 
2 Reg. (Sam.) 24. vs. 14: In alien ziden bin ic 
sere ghecringhelt. Exodus 14, vs. 3: Si sijn be- 
cringelt int lant^ ende inder wildemisseti sijn si 
besloten. 1 Reg. (Sam.) 13, vs. 6: Doe dit die 
kinder van israhel sagen dat si bekringelt waren. 
Gap. 28, vs. 15: Ende saul seide Ic &tn becringhelt. 
Want di philistinen vechten ieghen mi enz. 

Bij Vondel treft men meermalen eene spelling 
aan, die den overgang aanwijst van tig tot nk; 
Poezy, I. 1.%: kringkelende bladen. Virgil, in 
Dicht, 28: ■ 

— gedoogh dat zich dit groene klijf 
Mag kringklen om uw kooft. 
Van Hasselt, bij Kil. op Klijf deze pi. aanhalende, 
heeft verkeerdelijk kruiklen, wat aanleiding gaf, 
dat mijn vriend Oudemans in zijne Bijdrage een 
frequent. Kruikelett opnam, dat niet bestaat. 
Het werkw. krinkelen heeft ook den zin van 



329 



KRINGELEN. 



390 



krioelen; S. J. van den Bergh, De Geuzen, 40: 
Zie^ hoe meti biijd doareenjoelt en krinkelt door 

elkadr. 
In Schmidts Wester wild. Idiot, is kringelen knil- 

len (van 't haar)< en in het Idiot, der deutsch. 

Spr. in Lief- und Esthland kringeln en krengeln, 

in eeii' kring rondloopen of doen loopen. 

Krinkelen, zie KringeloD 
Kroeaelen— Kroeaea 

Kroezeleti is in het Alg. VI. Idiot. »sterk ge- 
kronkeld zijn," voorts kruJIen, omkrullen, en komt 
overeen met het hoogd. kmuneln. Vandaar bij 6o- 
gaers, Gez. Dichtw. II. 331 : zwart gekroezeld hcuxr. 
En de afl aid. 187: 

Met kroezelig hair in zijn kruin overkruld. 
Het geldersch dialect heeft hiervoor kruselig; Geld. 
Volksalm. 1872, bl. 179: dat de haor zoo kruselig 
if linden. — Het pnra. is bij Ki I. kroezen en kruizen, 
neders. krusen, afgeleid van het adj. kroes^ kruis, 
hoogd. kraus^ middelhd. cruSy gekruld. Voor ge- 
kroead (hoar) leest men gekruiad. Passion. Win- 
tepst. fol. 117 verso: scoon van haer ende dat was 
ghecruyst. 

Krokelen— Krokea. 

Verouderde vormen van het tegenwoordige /cretin 
keleny kreuken; zie dit art. Kil. heeft' alleen 'hkrO' 
ken, verkrokenT de Teuthonista: croecklen Dus 
Heyns, Bartas' Wercken, II i. 61 : 

— Alexander sdfa twe^ hoamen fsaem ded' 

kroken. 
Everaert, Politica van Just. Lipsius, 46: de con- 
tracten ghecroket ende gehroken sijnde, Wester- 
baen, Ged. I. 375: 

Met knien gekroockt en herten neergehoogen. 
Huyg. I. 329: 

— AU de beloften uyt zijn^ 

En 't Bruylofts-hed verkroockt, dan moet ghy 

hasr te huyt zijn. 
De Brune spelt krokken, Zinnew. 7 : Laet aile leu- 
ter^eden den haltf ghekrockt werden. 

De Hoogl. David bezigt verkroken voor (iemand) 
krenken of hinderen; Vaderl. Hist III. 46: de 
Grieken, die vloten uitrustten en naer de Italic 
aenaehe kusten zonden.... doch onder valache voor^ 
wends^j ten einde den Koning der Franken niet 
te verkroken D. IV. 374: (^ noch den Koning 
van Frankrijk, noch dien van Engeland te ver- 
kroken. D. X. 41: om zyne gemalin niet te ver- 
kroken. 

Het naamw. kroke beteekende voorheen krul, 
hairvlecht ; Maerl. Sp. Hist III. 90: 



Nuwe snoen met hehagelen hude^ 
^ Thaer gelu enten crooc, 

Met vingerlinen verciert oec. 
Enten crooc is »en op de krul" als wij zeggen; 
zie ook de Gloss, op DerLek. Spieg. en den Rom. 
var Limborch. In den rom. van Ferguut, vs. 2410, 
leest men : 

ghi saut mit rechte «(/n calu voren^ 
ende ghi hfbt uwen croec verloren. 
Dr. Halbertsma (Naoogst, I. 20) en prof. De Vries 
(Gloss, op Der Lek. Sp.) hebben te recht opgeraerkt 
dat prof. Visscher dit croec verkeerdelijk verklaart 
door staf, in stede van krul; doch zij hebben 
niet opgemerkt dat Willems v66r Visscher de- 
^elfde fout beging. In des genoemden Vlamings 
Vaderl. Mengel. 38 vindt men in een hekeldicht 
van Maerlant: 

So bem ic meester vander arten^ 
Ende unite eten vleesch ende tarten, 
Ende hebbe ge won den den croec 
Ic sonde node stoeten een loea, 
Maer ic songe wel een montet. 
»Uet winnen van den croec (staf, kruk, ook wel 
kroetse geheeten) — zegt Willems — duidt in 
den gewoonen zin de pastorele waerdigheid aen." 
E^ dit denkbeeld blijft hij aankleven, hoewel hij — 
zoomin als de heer Buddingh, die in zijn 6e- 
schied- en Letterkundig Archief (Afd. Dietsche 
Taal en Pogzy) Gorinch. 1859, bl. 360, deze uit- 
legging ovemeemt — inziet, dat die waardigheid 
weinig lijkt aan den lustigen smeester vander 
arten." Neen, de uitdrukking is den croec win- 
den en beteekent »het haar op krullen zetten," 
wat beter dan de »pastorale staf strookt pnet het 
vleesch en taarten eten, het ongaame schreijen 
en het montetzingen. Dezelfde uitdrukking bezigt 
Maerlant elders, t. w. Sp. Hist. II. 82: 
Clerken sullen hem versamen 
An gheselscap van goeder namen^ 
Noch croke winden, no toppen maken. 
Den »clerken" was het verboden vkruUen te zet- 
ten," noch toppen te maken, d. i. haarkuiven; 
top is kuif, fr. toupe, toupet; het ww. toppen 
beteekende een kuif roaken of dragen, bij Schmel- 
ler zopfefi. Elders vindt men crooc wenden; Va- 
derl. Mus. in. 273: 

dats cort wenden wel den croc, 
en lager: 

du versmaeds dijns besscops sceerSj 

ende wens den croec lanes ende dweers. 

De door Willems bedoelde staf heette geen crooc, 

maar — gelijk hij aanhaalt — krootse, fr. crosse. 

Dus Belg. Mus. VI. 159: hadt haer belief t hier te 



331 



KROKELEN. 



332 



kornmene, ic hadde haer gaertie imjnen staet ghe- 
rcsigneert^ ende mijn kroetse saudic haer hehben 
overghegheveti. Hondius' Moufeschans, 411: 
(Nieuwe Mijters) .... 
Die voor haer gewenste lot 
Schuymen 'tvetste van den pot 
En haer crodsen gaen verhlijen 
In de Cloosters en Ahdijen. 

Krompelen— Erempen. 

Den frequentatiefvorm bezigt Goornhert, in zijne 
Odyssea, I. 9 i-ecto: 

Maer u, o vercrompelden, salment xoreedelick 

looneti 

Met pijnlick gequel^ daer men u sal trecken. 
De hier toegesprokene is dezelfde grijze wigche- 
laar, die eenige regels vroeger genoemd werd: 
creupele veelweter. Verkrompelen is dus hier te 
verklaren door: kreupel of gebrekkig gaan, en in 
dezen zin is hel ww. te wettigen. Krumpen is 
te verklaren door verminken of breken, bij Ogier, 
De Seven Hoofts. 36: 

Flus langh ick u wat om de Ribhen te ciurapen. 
In Von Schmids Schwab. Wtb. is krumpen hin- 
ken, en bij Schroeller kt^ump hinkende. Dus reeds 
bij Otfried, Lib. IV. Cap. 26, vs. 34: Blinteman 
gischente, ioh krumbe gangente; coecos videntes 
claudos euntes. Zie voorts Graffs Sprachsch. IV. 
609. In het eng. is to crumple kreuken, havenen, 
bij Halliwell verminken ; a crumpling is een mis- 
maakte. 

Eronkelen— Kronken. 

Kronken ontmoet men bij Cabeljau, Treurbrie- 

ven van Ovidius, 118: 

De Draak, die klatren deed zijn schuhben^ wreed 

f aanschouwen, 

Die hischte^ en veegde d' aard met zijn ge- 

kronkte borst, 

Berkhey, Het Orakel in den Tempel der Ned. 

Dichteren (Leyd. 1769), 10: 

— ik zag de wenkbrauw kronken 

En fronssen mit een trek van Edelmoedigheid. 

Van der Hoop, Goiumbus, 37: 

De stang^ waar wr onze vlag om kronken. 

Het w. is van krinken, door hel imperf. kronk, 

gelijk ook de naamw. kronkel en krinkel verwis- 

seld worden. 

Het frequent, konit overeen met kntikeleix; J. 

de Haes, Ged. 41 (van de vier troondieren) : 

Zij weten wonder zich in boght by boght te 

krongkelen. 
Van Alphen, Dichtw. II. 248: 

H Enge pad..,, 

Kronkle vrij door wildemissen — 



Westerman, Ged. III. 40: 
— gouden lokketi^ die langs d^elpen achouder 

kronklen. 
Aid. 106: 

Doet lauwren om uw' schedel kronklen. 
Schimmel, N. Ged. 55: 

Waar H klimop kronkeit aan %iw voet, 
Ook wederkeerig; Westerman, a. w. III. 39: 
Het kransje, dat zich zadit mn mijneti scfiedel 

kronkeit. 
Fokke, Boert. Heis, III. 52: door zich eerat in al- 
lerlei bogten te dwingen en te kronkelen. 

Verkronkelen is verkreuken, inkrimpen. verdor- 
ren; Bredero, Roddr. en Alph. 58: 

Mijn Liefde die drooght uyt de seer vischrijcke 

stroomen. 
En zijn verkronckelt haa^t de dicht bcblade 

boomen, 
Bilderdijk, N. Mengel. 0. 21 : 

Gekwetst! en Hkostbre Bruidsgewaad 
Verkronkeld en vertrapt! 
Toekrofikelen is in kronkels tegenrollen; Van 
Duyse, De Spell ingsoorlog, 10: ^ 

Daer ryst. als uit een dampenbrakend g'tnf^ 

Een dmek; het oog van razemy ontvonkeld, 

Is hy de Maegd reeds dreigend toegekronkeld. 

Men heefl ook afkronkelen gebezigd ; zie het Wdb. 

der N. T. i. v. Doch met and. bet. bij De Bo, 

Ged. 86: 

iycfielpjes puntig afgekronkeld. 
Alsmede ontkronkelen ; Immerzeel, De Moederlief- 
de, 52: 

Ontsnapt, ontkronkeit dan aan 't vreedzaam 

moederbed 
Het helde.r vocht, enz. 
D. i. al kronkeiende ontvloeit. Eigenaardiger van 
haar, dat ontwart; Siffl6, Ged. 200: 

De Furies sluimren in op de ijzren legersle^; 
Toch hoort heur slangetihaar, ontkronkeld, naar 

zijn be^. 
Nog heeft men overkronkelen^ Alb. Thijm, Het 
Voorgeborchte enz. 93: 

7 Penceel der Staafskunst late eeti ^*oode schei- 

dingslijn 

De kaart van Nederland gevoelloos overkronklen. 

Kronkelen luidde ook hmnkelen^ bij Schutze krim- 

keln, inkrunkehi, tokrimkeln, verkrunkeln; dus 

Vondel, Noah, 9: * 

De slangen sluimeren^ gekrunkelt in eeh* wrong. 
Palamedes, 28: 

— gezworen hoogh en dier^ 
By zijnen gordels draeck^ by 't krunckelen der 

slangen. 



333 



KRONSELEN. 



334 



Eronselen — Eronsen . 

De Bo heeft beide wwn. voor wroeten van een 
varken, voorts fntselen en broddelen. De Schr. 
geeft geene aanwijzing nopens de afleiding. Ik 
acht deze wn. 6en met gronselen, gronsen (zie 
dit art). Meermalen toch vereenigt zich in hel- 
zelfde w. de bet. van het geluid met die van de 
beweging7' welke het geluid voortbrvngt. Het eng. 
to grunt beduidt knonren, maar bij Halliwell ook 
ti*achten, pogen iets te doen, dat met het futselen 
wei eenige overeenkomst heeft. 

Erozelen, zie Eruiselen 
Eruimelen— Eruimen. 

Beiden in gebruik. hoewel. Weil, en anderen het 
prim, kruimen niet vermelden. Men leest dit bij 
Berkhey, Nat. Hist, van Holland, VIII. 453: ah 
(dit cdles) een weinig gekookt was^ kruimde men al 
wrijvende daarin een 9tuk roggenbrood, — De wwn. 
komen overeen met het eng. to crum en to crumble. 
Zie voorts Ten Kate, II 651, die ook krummelen 
heeft. Verkruimelen^ door Weil, zonderling ver- 
klaard door sal kruimelende van vorig bestaan 
berooven," is 9tot kruimels maken." De G^nestet 
bezigt het voor verbrokkelen, verdeelen; Eerste 
Ged. (2e dr.) 241 : 

— (zy) verkniimelen 
't Begeerde atuk tot niets, — 
Afkruimelen is kruimels afbreken of in kruimels 
afvallen, zie het Wdb. der Ned. T. i. v. Uitkrui- 
melen nagenoeg hetzelfde, doch bedrijvend, bij 
Berkhey, Nat. Hist van Holland, IX. 457: wordt 
de turongeL,. met de hand fijn uitgekruimeld. En 
nakruimelen fig. in het klein nadoen, bij Bekker 
en Deken, Com. Wildschut, I. 23: Uwe Apostelen 
ondemamen w^l Lycurgus natekraimelen, z\i lie- 
ten ook have en erf verkoopeti enz. 

Voor kruimels vindt men kruimeling bij Huy- 
gens, Korenbl. II. 399: 

Soo achockte mijn arm Dicht tot kruymelingh 

van Rijmen. 
Van Teylinghen, Paradijs der Wellust. 182: sy 
' vergaderde met een wiecke de cruymelinghen der 
tafelen, 

Eruivelen— Enliven. 

Kruiven is krullen ; b.v. Ingen, De Getr. Herde- 
rin, 86: 

'k Heb mei^ blont hayr dat kruyfl om 't voor^ 

hooft hoog en glat. 
Het w. werd vroeger veel gebruikt, en ook wel 
verklaard door »met glinsterend stof bestrooijen," 
en vfriseeren, coiffeeren," zie Weil., het Wdb. des 
Inst, op Hooft, en vooral de aant. van Groebe op 



zijne uitgave der Ged. van \an Baerle enz. II. 21. 
Kruiven schijnt wel verwant aan krullen; doch 
Groebe^ achtte het door invoeging der r van kui- 
ven afkomstig 

Het frequent, komt voor bij P. Bor, Apollonius 
(1617) bl. 24 : 

Het hair opt hooft rosachtig ende ghekruyvelt. 

Eruizelen— Erui26D . 

Bij Kil. is kruysen, kruyselen^ bekruysen, bekro- 
selen^ zwar*t maken, met roet besmeren. Bij onze 
schrijvers der zeventiende eeuw heeft bekruizen^ 
partic. bekrozen^ meer in 't algemeen de beteeke- 
nis van bemorsen, bevlekken, bezoedelen; Huyg. 
I. 212: 

'k Heb mijn schotel sien bekruysen 
In de magere combuysen. 
En n. 405 (van »Gods Woord") . 

Sy kroocken 't menighmael en vlacken en be> 

kruysen H 
Door menschen'miaveriftand. — 
Vondel, Jos. in *t Hof, 16: 
Het grija Godvruchtig hair begruiade hy met 

aaachen 
En alijck^ en zag 'er zwart bekrozen uit een wijl. 
Dez. Samson, 7: 

Verauft^ en afgealaeft van arbeit^ van het atof 
En zweet en bozen atanck bekrozen. — 
GaU, I. fol. 274: 

— dat happig volck 
Dat in den ofideraertachen kolck 
Bekrosen, awart en vuyl bega^t, 
Den blikaem metten hatner slaet. 
En fol. 358: 

Veel vrouwen aijn geatelt om kindera wegh te 

jagen, 
Bekrosen, ongeachickt^ wanbacken^ afgeslooft. 
Zie voorts het Wbk. des Inst, op Hooft, en Oude- 
mans op Bredero. Voor het deelw. bekrozen heeft- 
Bild. bekrooad, Winterbl. I. 123: 

D* in H bloed beklroosden held in 't moedig aan- 

schijn zien. 
Bene andere beteekenis heeft bekroost, bij Roden- 
burgh, Poeet. Borstw. 415: 
Bekroost ia nu 't veratandt, de menaehen wer- 

den blindly 
Geblinthockt door de warn: — 
Jan Zoet, Digtk. Werken, 1: 

Ala mijn dof gedacht met kommer 
Waa bekroost en heel geboeid, 
Pers, Urania, 91: 

Ala men ia bekroost dan volght de alechte wijn. 
d. i. bedwelmd, verbijsterd. In plaats van bekro- 



335 



KRUIZPLEN. 



336 



zen, in den gewonen zin, heeft Bild. overkrozen^ 
zie mijne Proeve, bl. 55. Hieiioe behoort he- 
krozen^ bij Kil. dronken, van kroesen (*), kronen^ 
drinken, bekruysen, bekroesen^ bij denz.^ urgere cu- 
lullis, obruere poculis; kntseln^ bij Schmeller 
gaarne drinken. In Bilderdijks bewering, aan- 
gaande den gemeenen oorsprong van kr(x>ii (eend- 
groen, bij Kil. ook krooat kroes^ kroest)^ kroes 
(gekruld, waarvan bij Kil. kroesen kruysen^ krul- 
len, hoogd. krduseln^ bij Schambach kruseln, 
waarvan Pass. Wint. 117 v®: ghect^iyst haer)^ en 
kroes (beker, neders. kroos, zweedsch krus^ bij 
Schmeller krausen^ krusen, krau^el, knutel)^ hoe- 
wel v^at verward, kan nogtans waarheid liggen; 
zie zijne Verkl. Geslachtl. op Kroos. De onder- 
Hnge verwantschap der genoemde woorden valt 
althans wel in het oog. 

Krunkelen, zie Kroakelen 
Eugohelen— Eugohea. 

Het frequent, van het bekende ww. kugchen 
konit voor in Van Overbekes Rymw. 52: 
Na hy had een uur gekucheld, 
Bood hy ons een goeden dag. 
Van Rusting heeft er kogchelen voor, Gehoornde 
Duvel enz. 108: 

— na een vyf sea maal gerochelt 
Te hebben^ en r^iym soo veel maal 
Sig bloMW am 't hooft gehoest^ gekochelt, 
En soo voorts^ voerde hy dese taaL 
Het Westvl. Idiot, heeft kugchelen en het Alg. VI. 
IJict. koechelen. Verscheidene verwante dialecten 
hebben mede het frequent, kucheln of kucheln; 
zie de Idioticons van Richey, Schutze eil Scham- 
bach. 

Euifelen— Euiven. 

Het frequent komt bij Bara voor, blijkbaar in 
den zin van kaatsen, 't Verslingert Moekroesje, 13: 

— Zy kuyffelen den bal 
Bdalkandren op 't Raket, zie reght, daar gin- 

der komenze. 

Van Meekeren, To very zonder To very (1696) bl. 55 : 

Wel lichtlyk dat 'er de een of de andre GeeM 

mee speeld^ 
^k Meen kuiffeld in de lucht zo op en neer. 
En in fignurlijken zin genomen bij denz. Galfino 
en Alimene, 16: 



(*) Van het oederl. ww. kroeten, drinkeo, kan afgelefd 
worden het fr. ww. carousser^ boire avec exc68, eng. to ca 
rouse: Kle von Schmld.« Scbwttb. Wtb S 3^6. Deze aflet 
dinir komt mU althans ruim zoo aannemeiyk voor. als de 
meenlnff dat het ww zou komen van bet boogd gar aut! 
Zie Le Dlctlonn. de Trftvoui, Johnson, Nares' Glossary en 
andd. 



— 'k ben lang genoegh in k gilt 
Der gekken heen en weer gekuyfelt — 
Alsmede bij Bredern, Stommen Bidder, 32* 

— Hy mompeld inder harten^ 
't Geen andcr ralleti uyt soo broot-droncken als 

darteti: 
En kuyflen met de beck de reen soo wilt en 

hoogh 
Al waert met een rancket, — 
Angeniet, 22 : 

Ftj Angeniet! ick merck de valscfieyt van u 

kunsten^ 
Ghy kuyffelt en ghy kaalst met wayfelige gunsten. 
Het daget enz. 6: 

De tijdeloose mensch speelt met zijn aertsche 

sinnen^ 
En waggelt met zijn lust^ et} wayfelt met zijn 

minne. 
Soo vlxichtighy soo gezwinty soo imift^ soo wis- 

pelttiur. 
En kuyfelt met de keur. wel duystmael in een 

uur, 
Zie ook Oudemans' Wbk. De oorsprong van de 
beteekenis dezes woords wordt duidelijk door de 
opmerking van prof Siegenbeek, in de N. Bijdr. 
ter bevord. v. h. Ond. en de Opv. 1833, bl. 569, 
dat, namelijk »de raket in het Hollandsch eigen- 
lijk kuif heet.'' Er zal hier bedoeld zijn niet de 
raket., maar de volant; het eerste toch is het net, 
waartegen de bal wordt gekaatst, het laatste de 
pluimbal, waahned gekaatst wordt, en welks ve^- 
ren den vorm eener kuif hebben. 

Bilderdijk zegt iff zijne Verkl. Geslachtl. dat men 
voor kuif vroeger ook kuifel zeide, en hij ge- 
bruikt dit zelf in De Mensch (naar Pope) 74: 
Maar ook deze Eigimmin ivordt de oorzaak van 

d^n teugel^ 
Die ze inbindt en bedioingt, en kuifPel kort en 

vleugel. 
Ons kuif is in 't hoogd. ku/fe^ kuppe^ ff^^pf bij 
Benecke kupfe^ ffffpff:-, fr. coife^ coe/fe, d. i hoofd- 
deksel met verschillende toepassing. Zie eene reeks 
van vormen dier woordfamilie bij Grimm, in Haupts 
Zeitschr. I 137. (*) 
Van kuif is het frequent, kuifelen regelmatig 



I*) Grimm vermeldt t. a. p. as mlddelnederlandsch coi/ie, 
Ferg. vs. 9101. HI) had er cu/ie b|j kunnen voegen ull den 
Walewein, vs. 9996: 

Mettien scoot hi den riddere an 

Ende trac hem of^ alsic lye, 

Bede den helm ende die cufle, 

Ende maecte hem tansichte btoot mettien. 
Huydecoper las daar verkeerdeiyk tufie, zie zyn M. Stoke 
II Ul. 



337 



KUIFELEN. 



das 



af te leiden; terwijl het prim, kuiven vergeleken 
kan vrorden met het ww. kuppetL, bij Kaindl, III. 
537; en gupfen, bij Stalder en Schmeller hoog 
maken, verheffen en derg. 

Kujjelen— Euiden. 

Kuijeleti is bij ScKuermanb slordig eten, zoodat, 
als bij kleine kinderen, de spijs uit den mond valt. 
Hij acbt het een frequent, van kuidett, bij Kil. op- 
geteekend voor knauwen. 

Euitelen—Euiten. 

Het frequent, beteekent in het Alg. Vl. Idiot. 
»buitelen, rollen, tuimeien." Men ieest het bij 
Rosseau, De Helsche Kermis, 53: 

— zy {de reuzen) raaken al aan 7 buit'len; 
Want de Goden doen hcuir kuitMen, 
Bruyen bergeti op hun hast, 

Alewijn, Latona, 27: 

Aenstonds zel je deuze Misgienis^ twee of drie 

draijen om zien keeren^ 
En Juno daer uit kuitelen, zoftgder haer in 't 

minste te hezeeren, 
{Misschienis is misboorling.) Apollo's Marsdrager, 
II. Opdragt: 

— zoo ziet men hoe de eer van de tvereld^ met 

de zelve draayt en kuytelt; 
Hy mag thans niet me&, die niet zoo eefi reys 
of twee over zyn hooft heeft gebuytell. 
Dit WW. kan hier met zijn rijm buitelen verwis- 
seld worden en beteekent ook hetzelfde. Evenals 
het prim, button wisselen, ruilen, aanduidt (zie 
Buitelen)j en voorts op een wisselende beweging 
wordt toegepast: zoo is mede kuiten het middelhd. 
kuteny bij Benecke ruilen ; ook de Teuthonista stelt 
cuydefi gelijk met vbuyten, wesselen.'* Schmeller 
heeft kauten^ ruilen, en kaudem^ tusschenhandel 
drijven, makelen. Het prim, komt insgejijks voor 
in het neders. kutbuten bij Dahneii, kiitebuten bij 
Richey, kOtjebuteti in het B.N.Wbk. en kiUbuVnj 
kuterbutfn bij Danneil, verboden handel of ruiling 
doen, kwanselen; eene samenstelling, die met ons 
ruilehuiten overeenkomt. 

EuiaeleQ\ zie EoiEelen'. 
Euizelen*— Euiflen. 

Kuizeletiy keuzelen (naar Ten Kate, II. '231, ook 

kozelen) is met ballen, noten of andere ronde 

voorwerpen roUen of spelen, zie Kil. Dus kuzelen 

bij Valckoogh, Regel der Duytsche Schoolm. 20: 

Maer hun spel ml zijn hoepen^ tot en koot, 

Bickelen, kuselen^ soo de kinderen pti^gen te 

doen. 
Het freq. woord is afgeleid van kuize^ volgens Halb. 
Wbk. voor 't Overijss. nog in zwang voor knikker, 



bij Kil. kuizel. keuzel. In het oldenburgsch -iiB 
kusel eene wieling of draaijing in het water, en 
kuseln^ keseln^ beteekent in verschillende dialecten 
ronddraaijen of wentelen; zie het Brem. Nieders. 
Wtb., Richey, Schutze en Schambach. Het over- 
ijselsch heeft daarvan /culen, rollen; zieHalb. t. a p. 

Eandseleu— Eundea. 

Beiden heeft Kil. nevens kuyndselen^ voor berei- 
den, toebereiden, lat. condire. In het Alg. VI. 
Idiot, is kunselen »onbehendig of uit den rouwe 
iets doen." Het primitief Ieest men in het Leven 
van Sinte Christina, vs. 646: 

olien, daer si met, doer de noet, 
cundde ende weicde haer droghe broet. 
Een andere vorm van dit w. is kuinen, dat het 
gen. Idiot, verklaart door »spijs toebereiden." Prof. 
Bormans teekent bij het w. aan, dat het subst. 
kundsel, condimentum, in de limburgsche Kempen 
nog bestaat Over de afleiding des woords uitte 
Ten Kate zijne gedachten, II. 228. 

Euustelen— Eunsten. 

Het frequent, is hetzelfde a Is he^ hoogd. kUn- 
steln^ d. i. gelijk Adelung zegt, j>kunst aanwenden, 
doch in ongunstigen zin, zooals den diminutief- 
vormen meeimalen eigen is " Het ww. verdiende 
bij ons te worden overgenomen, te meer onidat 
men niet kan zeggen, dat zijn vorraing tegen ons 
taaleigen strijdt. Onder onze dichters werd het 
gebezigd niet alleen door Bilderdijk, maar ook 
door Wiselius en Tollens; zie mijne Proeve over 
Bild. bl. 129. En onder unze achtbaaiste proza- 
schrijver's het eerst (naar het mij voorkwam) in 
de vorige eeuw, door Ockerse, Ontw. tot eene alg. 
Characterk. I. 44: De mensch is een gekunsteld 
wezen, Voorts door den genoemden Bilderdijk, N. 
Verscheidenh. 11. 43: toaar 't Lalijn tweederlei 
voomaamwoorden gebruikte^ moesten wy er ook 
twee kunstelen Wiselins, Over de Tooneelspeelk. 
20: wat aan uw spreken en werken een stijf en 
gekunsteld vcorkomen zoude kunnen geven, Schrant, 
Rede v. en Verb. I. 107: verraadt die lofrede...veel 
eentoonigs en gekunstelds. Aid. II. 88: gekunstel- 
de sieraden. Dermout, Tiental Leerri*ed. 135: Het 
beeld van den tekst is te eenwmdig om er aan te 
kunstelen. Telting in De Vrije Fries, IX. 353 : welke 
laatste verklaring zeker te gekunsteld is. Van Gilse 
in De Gids, 1857, n*. 7, bl, 31 : Neen, ik wil niet 
kunstelen aan de duidelijke woorden... om daar 
zulk een zin in te vinden, of liever er in te leg- 
gen^ enz. Dez. Twaaiflal Leerred. 83: zuUen wij 
' kunstelen aan zijn klaar en duidelijk woord f De 



339 



KUNSTELEN. 



340 



Veer, Trouringh, 171 : die aan het hart en den 
geetft der kindm^cn nooit, zil te kunstelen. 
Immerzeel bezigde verkunstelen ; Ged. I. Si): 
Niets achtbaars of stemmigtt^ dat toeleg verraadt^ 
Verkunstell de trekken van 'tminlijk gelaat. 
En Beels nakvnstelen; Verpoozingen (2e dr.) 21: 
tvie den toon dier oxide liedereti niet nakunstelde, 
nicLar nie^iw en versch wist aan te slaan. 

Van der Palm keurde het ww. als een germa- 
nismus af, zie De Taalgids, I. 194. Op de Lijst 
van prof. Siegenbeek, ten jaro 1847 op gezag der 
leidsche Maatschappij uitgegeven, komt kuntftelen 
niet voor; men mag het er dus voor houden, dat 
ook die Maatschappij aan 't woord het burgerrecht 
heeft verleend. 

Dat de Hoogduitschei's kitn slier zeggen voor 
kunstenaar in goeden zin, is niet zeer consequent. 
Beter is 6ns woord, waarvoor ook zij voorheen 
zeiden kunstner en kUnster, bij Benecke kunater. 
Zie mede Kunstigen, 

Ku welen— Eu wen. 

Beiden, ook onder den vorm kuijeti, kuijeleny 
bij De Bo voor kauwen^ kauwelen; zie dit art. 

Kwabbelen— Ewabben. 

Kivabheti is bewegen, schudden, van wabben,, 
raiddelhd. wappen, in zwenkende of trillende be- 
weging zijn; van daar kioah^ kwabbe^ stuk vleesch, 
vetofandere zelfstandigheid, die lichtelijk beweegt; 
bij Kil. quabbe, qtiappe^ slijmige visch; eng. bij 
Halliwell to quappe^ schudden; bij Epkema op- 
qunbbjen^ d. i. opkxoabbeny opzwellen, opblazen; 
in 't eng. squdby een vet roensch en een bol kiis- 
sen; bij Kil. quabbel, een hard gezwel. 

Het frepuent. kwabbelen luidt bij Schmeller 
qiiabeln^ van vet schudden, bij Von Schroid en 
and. quabblen, in denz. zin en ook voor onrustig 
bewegen; bij Huppel slap zijn. Voor schuddend 
bewegen leest men het nederl. kwabbelen bij Hof- 
dijk, 0ns Vooi*geslacbt, VI. 177: wanneer ze (t. w. 
de schxiddebollende) nu al kwabbelend teemt^ wat 
ongetwijfeld met vuistslagen op bijbclboek en kan- 
selrand eenmaal werd gebulderd. 

Ewaggelen, zie Ewakkelen*. 
Ewakelen— Ewaken 

Kivakeny kwakken^ kwekken, kweken, drukt het 
geluid uit van eenige vogels, als ganzen en een- 
den, en van kikvorschen, en voorts het snappen 
of kakelen van menschen. B. v. Van Swaanen- 
burg, Vervrol. Momus, 274: het knorren der var- 
kens^ het quakken der ganzen. Nolet de Brau- 
were, Ged. I. 242: 



— \ kwakken, dat; uit Net^rlands waterkom, 
Als wraekgeschrei ten hemel klom. 
Van der Veen, Zinneb. 393: 

Ghg wenscht hem in een jmel met op-^escheur- 

de kakefi^ 
Verandert in een Vorschy om s^Mttelijk te quaken. 
En bl. 372: 

— dat wy stracks hem sien in eenen vorsch 

verand'reny 
En dat hy queecken gae in 't uytterst vanpamas. 
De Meijer, De Gramschap, 47 (van »groene vors- 
sen") : 

— schoon sy onder gaen, nog quakken s* in den 

grand. 
Cats' Werken, I. fol. 620: Men treet oock een vers 
wel soo langCy tot hy eens quaeckt. En fol. 245 
(van eenden gesproken): 

Dog mils een wartel daer verscheen, 
Soo rees 'er strax door al den poel 
Een hees gequeek, een bly gewoel. 
Van Rusting, Ovidius, 77: 

VViens bek niet stil kan staan^ van quaken en 

krijteny 
Gelijk als d' eenden, in een boere winterbijt. 
Foot, Ged. II. 290: 

Doch schoon ik als een gans hier ook by ztoaa- 

nen quaeke. 
Vlaerd. Redenrijckb. 65: 

— als yemant yet te vele queckt 
Tegen otis voorstel, die zal ick daer mede wreet 

schenden. 
Het frequent, kwakelen, dat men aantreft in het 
Alg. VI. Idiot., heeft Berkhey, Zeetr. II. 413: 

Het strandgevogelte hief zijn gekwaakel aan. 
Nolet de Brauwere, Ged. H. 127: 

Op den tweeden weg wordt veel geloftuit, geo- 

rakeldy 
Geschreveny gewreven, gerijmeld, gekwakeld. 
Anders kwakkelen; Berkhey, Nat. Hist, van Hol- 
land, IV.^ II. 159 : het kakelen der Hoenders en het 
quakkelen der Kwartels. — Adelung vermeldt als 
»Niederdeut8ch" quackeln, of beter quakeln, veel 
en onnuttig praten, het intensivum van quaken. 
Halm a heeft kuxikketi en kwaJ^k^^n voor het 
slaan der kwartels. Zie voorts Kwakeren en 
Kwekkereti. 

Als eene geluidnabootsing van eene andere soort 
bezigt men kivakken (*) van eenig vallend voor- 



(*) Er is een ww. fnoaken dat zeker spel aaoduldt. Van 
Hasselt voert op Kil. daarvan een voorb. aan, en 't komt 
mede voor in Blommaert:) Oudvl Ged III. 94: 

— Q/lc spelene si pleghen 
Met tciven, met doltbelen of met potreyen: 



341 



KWAKELEN. 



342 



werp. Bekker, Betov. Weereld, IV. 197: so viel 
een vloersteeti quakkende achter in H huis neder. 
— Zulk yporwerp, zeggen wij, geeft een kwak. Men 
leest dat naamw. reeds in den Ferguut, vs. 553: 

(hi) viel ende gaf enen quae. ' 
Vandaar kwakkeloos voor klakkeloos, d. i. zonder 
klak, stoot of slag; zie inijne Lat. Verscheid. 454 
en De Taalgids, I. 113. Dus Rodenbui-gh, Keyser 
Otto, I. 31 : 

— H eelste onsen qheest ghy quacklos ons oni- 

sieeldt* 
Dez. Poeet. Borstw. 320: 

(//y) Uwt door zotle droom zich qaackeloos vet*- 

layen. 
Aid. 328: 

— quackelooze hoop noch H leven doet vet'letighen. 
Krul, Minnel. Sanghrijmpjes, 55: 

Al levend' acheen ickdood. Mijnsinneti doolend* 

waren; 
Dat ik soo quackeloos u wederom liet vareti. 
Dez Kracht der Deughden, 9: 

Verguist soo quackloos niet het Roosje van u 

Jeught 
Den wortel kwak heefl Schaep, Bloemt. 70: 
(Hy) geeft gelijk de Eend een quak. 

Ewakkelen', zie Kwakelen 
Ewakkelen*— Ewakken. 

Kwakken^ kwaken^ is schudden, trillen, bewe- 
gen, eng. to quake, Vandaar kwakkelen in den- 
zelfden zin; Bredero, Roddr. en Alph. 40: 

Hoe quackeide nujn borst als ick dit treursptd 

mgh, 
Dez. Boert. Liedtb. 25: 

Wat popelt u ghetnoetf hoe sit ghy dus en 

quackelt. 
Vlaerd. Redenrijckb. 65: 

Haer begeerig herte quackelt of z' alree te 

pee}*de zaten. 
Oudaan, Toneelp. 50: 

— Zy doet hem 'tharte quakkelen. 



DiV» jitt al t vieren van den ghemeynen: 

Quaken, clotsen, bancken, caetsen. 
Van Alkeniade, Boscbr. ran Briele, H. fol. 47: wie dobbelt, 
quaect, pyttt of eenigerhamU tpil tpeelt om uelt. In een band- 
scbrlft van 1395 werden door bertog Aibrecbl verboden -de 
Quaackborden en Dobbelscboolen ;" zte Wagenaars Amster- 
dam, I fol. 130. In eene Rekening van 1493 Is er spraak van 
een 'queeckbret te set ten" bi) gelegenbetd van kermis op de 
dorpen tusscben Maas en Waal; zle Van Hasselts Geld 
Maandw. II. 185. Indian bet vermoeden van Wagenaar, dat 
de qiMackborden -de tiktakborden' zyn, juist l9, zou bet 
spel den naam kunnen hebben van bet kwaken of ktoakken, 
d. 1. nederwerpen der stakken, van betwelk ook bet tiktak- 
ken geDoeoid Is. 



Voorts beteekent kwakkelen los, onzeker, • onbe- 
stendig zijn ; zoo zeggen wij van ongestadig weder, 
dat het kwakk^lt. Een kwakkelwinter is bij Wei- 
land een slappe, ongestadige winter. Dus bezigt 
Huyg. I. 495, quackel-vorst voor ongestadige vorst : 
Ghy... stolt in alV mijn^ ad'reti 
Ghelijck een quackel-vorst, mijn onlangs vUe- 

tend bloed^ 
En doyt Vr 7 leven in stracks met een' nieuwen 

gloed, 
En vriester *t leven uyt stracks met ceti nieuw 

verstremmen. 
Die afwisseling van dooijen en vriezen is juist 
wat men kwakkelen beet; en Bilderdijk, die in 
zijne Aanteekk. op Huyg. V. 368, het geroelde 
woord verilaart door »Lentevor8t, die ons met 
de terugkomst der kwakkelen onverwacht op H 
lijf valt," was hierin, gelijk in Hgeen hij verder 
ter opheldering van kwakkelen zegt, bet spoor 
bijster. — Zoo zeggen wij mede van iemand die 
niet bestendig gezond is, dat hij kwakkelt, dat hij 
eene kuxikkelende gezondheid geniet, en derg. 
Uiervoor vindt men ook kwakkeren, zie dit. 

Van kwakkelen is, met het denkbeeld van los- 
beid, verkwakkelen (bij Kit verqtMcketi en ver- 
quackelen) voor verkwisten en verbeuzelen, eig. 
op e^ne losse of loszinnige wijze met lets te 
werk gaan. De Uarduyn, Goddel. Wenschen, 325: 
Al hoord' ick al het spel der neghen sangh- 

goddimien^ 
Soo en sou noch de Slaep mijn ooghen niet ver- 

winnen^ 
Joe off hy sijne roe quaem stricken over my. 
En alle aynen heul verquackelen doer by. 
D. i. al zijn slaapkruid daarbij verdoen. Cats* 
Werken, I. fol. 293: 

Men hout dat selden maegt in rechte vreugde 

leeft 
Die, uyt een luchten sin^ haer trou verquackelt 

heeft. 
Scapijn, 24: 
Zoo los sijn trouwtje te verquaklen, sotider reden. 
. Van der Veen, Zinneb. 253: 

Wei eertijdts doe ick eens mijn trouwtjefi had 

verquackelt, 
En past' ick op geeti munt^ noch op geen Crae- 

sus slijck. 
Lottooneel van Holland. H. 108: 

— Joost verkwakkelde zyti vryheid lyf om lyf. 
Bekker en Deken, Will. Leevend, I. 228: ah wy 
de meisjes tot wittebroodskindertjes verkwakkeld 
hebben. — Poirtei-s brengt het ww. bij speling tot 
het kwakkelen-vangen thuis, Het Heylich Hof van 



i 



343 



KWAKKELEN. 



344 



Theod; iOO: hy was een groot liefhebber van de 
jacht, hesonderlyck nochians genegen om met het 
gaeren qmackelen tc vangen: eti hy vonck soo 
(juackeleti, dat alls syn rj/ckste inkomsten door 
andere verqua'ckelt wierden. 

Het WW. kwakkelen wordt ook van den genees- 
heer gezegd. Dus Van Rusting, Werken, 11. 96: 
Ook^ om de luideti te verwildren. 
Wist ik de Doctors af te schildren 
Voor helden^ die^ door langeti iijt 
Te quack'len, maar hun zelfs profijt^ 
Meer als der ziekefi wclvaart agten^ 
En maar na veel viziteti tragten. 
D. i. falmen, leuteren, slepende houden, niet op 
eene doortastende wijze bij de genezing te werk 
gaan, maar zooals de volkstaal zegt: opiappen. 
Wat anders kwakzalven heet, wordt te Leuven 
kwakkelen genpemd, volgens het BeJg. Miis. YIII. 
184, en niij dunkt, dat dit kwakzalven^ met welks 
verklaring de etymologen niet te recht kunnen, door 
het opgemerkte volkomen opgehelderd wordt. De 
kvjakzalver is iemand die kwakkelende de men- 
schen zalft of geneest; hij heet ook lapzaloer, Als 
Bredero hem kwakverkooper noerot (zie prof. De 
Vries' Warenar, bl. 202) is dit eene woordspeling 
en er volgt nog niet uit, dat »men deze lieden 
eertijds zoo plagt te noemen." Een kioakverkoo^wr 
is iemand die kwakken verkoopt, d. i. die wat wi-js 
maakt of bedriegt, en de* toepassing van dien 
naam op den kwakzalver is zeer eigenaardig. 

Het nw. kioak is bij Kil. eene beuzeling, en 
men heeft verkwakktlen van kwak in d^zen zin 
afgeleid; zie de uitg. van Gats in 8vo bij Ter 
Gunne, III. 111. Ik meen echter, dat deze niet 
de hoofdbeteekenis des woords is. Kwak^ de 
worlel van kwakken^ is te verstaan als slag^ zet. 
kneep^ sleeky fig. genomen voor een verstandig, 
geestig, puntig of grievend gezegde; het is een 
los daarheen geworpen, onbedachtzaam gezegde; 
een gezegde, waarop dus geen staat te ma ken valt, 
dat misschien aardig kan zijn, maar ook onzeker 
en bedriegeUjk. In deze beteekenis' vereenigt zich 
het denbeeld van losheid, dat in het nu behaa- 
delde kwakkelen voorzit, met dat van werpen of 
smijten, H welk eigen is aan het geluidnaboot- 
sende kwakken. op het art. Kwakelen besproken. 
Eenige voorbeelden van het gebruik des woords 
mogen het gezegde staven. Bredero, Moortje, 44: 
Ick wou liever een Boosenohel verrosesolissen 

vei*tabacken^ 
Eer ick h\j dat gescheurde goed sou praten at- 

derley quacken. 
Vlaerd. Redenrijckb. 17: 



Sijkeunen met behendighe toeghemaecktequs^cken, 
Tswert wit maken, en in H aanzicht 8ma>cken. 
Hoofts Brieven, II. 175: Alle zijn mi^daedt is 
slechts een faemroovend gedicht.... Maer.... Men 
deunt daet* met geen' quakken, die een heele ge- 
meente aen Hhollen konnen helpen. Dez. Ged. 
fol. 276: 

Ten is mil gien quakken te raaken an de kost. 
Meerman, Bootsmanspraetje, 62: had ghy..,. zoo 
veel quacken aent malle volcky eti de vyse hoof- 
deti geJioort als ick, ghy soudse het gewoon zijn, 
efi zoo luydc niet iiytvaeren. Oudaan, Agrippa, 
148: op dat niet iemand en meene dat dit 
£' eenemael quakken en onmogelijke dingen zijn. 
De Werken van Rabelais, I. 95: zagense zomtijds 
na de Kluchtspeelers, Koorde-^dansers en Quakzal- 
vers, en hoorden hoar quinkskigen, quakjes en 
koddige praatjes uitslaen. Jonctijs, Toon der Jal. 
II. 618: d'onnoosele Natuur, die ons immers geen 
quakjes zal op de mouw spellen. Van der Veen, 
Zinneb. 323: 

Kom soete Sackjes, 
Vertelt ons qnakje^. 
Van Effen, Spect. III. 21 : waer sou de goe sul 
ooil iets van.... diergelyke quakken geleerd hebben, 
die zyn Zoon zoovemuftig maeken. Apollo's Mars- 
drager, I. Opdracht, i: 

De Koopmattschappen die ik in dezen mynen 

Mars heb gedcutn. 
Uestaan uyt Quikken en Quakken en Snaakse 

grollen. 
Jan Zoet, Werken. 353: 

leder schud een kwik of kwak 

Uit de zak, 
Om 't gezelschap te vermaken. 
Het nieuwe Hoomse Speelwerck, 179: 

Men bezigh hier maar zuikre woordtjes,.... 
Gemefigt met quikjes en met kluchjes. 
Zoo nog bij Bilderdijk, Mengelp. II. 30: 
Zy unst dit al... met trekken van verstand, 
Gevoel, en smaak, en kwikjens te doormengen, 
Doch bl. 80: 

Maar spelden wij malkadr geen kwakjens op 

de mouwen. 
Tot kwakkeleti in den zin van ongezond zijn, 
sukkelen, kwijnen, is te brengen kwaks, ongesteld, 
onpasselijk; Hooft, Ged. fol. 277: 

Houdt me ten minsten wat eeks veur mijn neus; 
Wangt ik zou wel kooken. ik bender zoo qu»x an. 
Bredero, Lucelle, 54: 

Op dat haer laffe hart, quacx 't anborstich hijgen, 
Weer wat verquickings en wat vryer lucht nuigh 

krijgen. 



346 



KWAKKELEN. 



346 



Volgens Bilderdijk (Aanteekk. op Hooft, HI. 177) 
zou kwaks eene samentrekking van kwalijkjens 
ztjn! Hetzelfde wordt uitgedi'uki door kwahs of 
kwaps; Van Beverwijck, Schat der Onges. II. 138: 
Dat rijpe Moerbe^en.,, een quabse en heete Maegh 
verquicken. Van der Veen, Raetselen, 121: 

Al zijn wy nu wat 8wacky wat quabs en on' 
, gesont. 

Bloemkrans van Versch. Ged. 671 : 

Hoe zit de vent zoo quabs? of is 't een beeld 

van houtf 
Huyg. I. 608: 

— *k Magh niet ete. 
Me maegh staetme soo quabs. — 
Aid. 439: mijna meei^ilera quabs verwijt, d. i. wal- 
gend, stuitend. De Brune, Wetsteen der Vemuf- 
ten, L 324: trek uit de quabze manieren die ghy 
u hebt aangewent. Zie verder mijne Verscheid. 
154, en Latere Verscheid. 458. 

Van kwaks is bij Kil. qtiecksen, geroera, lan- 
guere;'en van kwabs bij den aangeh. De Brune 
verkvxtbsen^ I. !286: al te laffe spijzen.... die de 
maegh verquabzen, en tot braken verwekken. — De 
letterwisseling, die men hier in kwak en kwap 
waameemt, doet zich ook op in bet eng. to quake 
en to quapp^ welke laatste vorro door Nares is 
opgeteekend; alsmede in quabbeln^ bij VonScbmid 
zich onrustig bewegcn. 

Aan de beteekenissen^ die Weil, van kwak op- 
telt, kan nog worden toegevoegd die van treuze- 
laar, onbedachtzaam of onhandig mensch. Gats 
zegt, I. fol. 577, tot den hengelaar, die niet merkt 
dat hij aanheeft: 

En gy zit cUs een rechte dwaes, 
Gy sit gelijck een quack en siety 
En dat u raeckt en doet gy niet. 
Een kwMtelaar is bij Hooft een aardige kakelaar 
of snapper, zie het Wbk. des Inst. In het Brem. 
Nieders. Wtb. is quakkeler een los, lichtzinnig 
mensch; evenzoo bij SchQtze. Doch Stix)dtmann 
verstaat er door een treuzelaar, en Schambach een 
onbestendig mensch, een zwetser en een kwakzal- 
ver tevens. — Te Leuven beteekent kwakkelen 
ketelen of kriewelen, zie De Middelaer, II. 291; 
eene beteekenis, mij elders niet voorgekomen. 

Andere vormen van kwakkelen ztjn kwaggelen., 
in Maastricht ziekelijk, onpasselijk, misselijk zijn; 
zie raijn Archief, III. 305, en het Alg. VI. Idiot. 
Het akensch dialect heeft qtuiggele niet alleen in 
den opgegeven zin, maar ook in dien van onge- 
stadig ztjn ten opsichte van het weder, alsmede 
verquaggeln voor verkwisten, en qudggler voor 
treuzelaar* Ook het eng. vertoont de y in quag» 



mire voor qxiakemire^ d. i. veengrond, die schiidt 
under de voeten, en quaggy voor on vast, schud- 
dend. De eenzelvigheid der vormen quake en 
quag werd aangewezen door Whiter, Etymolog. 
Univers. II. 350. 

Voorts kweggelen in het westvlaamsch bij De Bo. 
Lexer heeft daarvoor kweaggaz'n^ het intensitief 
genoemd van kweagg^n^ bij Weinhold queicheln, 

Eindelijk kwangelen^ volgens den Dr. Volksalm. 
1839, bl. 194, in Drenthe braken, spuwen, betee- 
kenende. Hienned komt overeen kwak^ naar Weil, 
in Groningen voor speeksel bekend, d. i. eigenlijk 
uitwerpsel. Kwangelen staat tot kwaggelen^ gelijk 
wankelen tot toaggelen. 

Ewaagelen, zie Ewakkelea*. 

9 

Ewantselen— Kwaatsen. 

De wwn. kwantselen en verkwantselen bezigen 
wq in den gemeensamen stiji voor ruilen, ruilhan- 
del drijven, en wel op meer of min bedekte of 
oneerlijke wijze; Pers, Gezangh der Zeeden, 143: 
Wilt ghy quanslen, tuysachen^ kopen^ 
En op ruyme paden staanf 
Bekker en Deken, Gom. Wildschut, U. 119: dat 
zelfde meisjen,,.. is verkwanseld.... in eene lastige 
beuzelaarsfer, — In dozen zin heeft Huygens het 
adj. kv}anseligy Korenbl. II. 26: 

De rechte uytdraeghsters zijn uw quanselige wijfs. 
En vandaar iets op eene onbehoorlijke wijze be- 
steden, of af handig maken, verkwisten. Dus Bre- 
dero, Boert. Liedtb. 61: 

Hoe sy heur Sondacfuf»duyt 
Verquanslen en versnoepen. 
Dez. Roddr. en Alph. 47: 

Die al zijn lusien hier ter werelt graagh na 

speurty 

Verquanselt als^fndoenin HgeenhynabetreurU 
Oudaan, Uytbr. der Psalmen, I. 236: 

Achl dat men Hleveti dus verquansel' 
In ydelheydf — 
Bekker en Deken, Gorn. Wildschut, III. 161 : dat 
ik zo al mijn* road aan u verkwistf al mijn tijd 
verkwansel? Dezz. Will. Lee vend, III. 329: welk 
eene groote hoeveelheid gezond verstand er ver- 
wfmHoostj verkwansseit, verkwist u)ordt. Aid. VII. 
169: onze Sexe, niet zo als zy door de kunst ver- 
kwanzeld, maar zo als zy uit de reine handen 
der Natuur komt — Ter laatst aangeh. pi. schijnt 
de beteekenis te zijn: veranderd, verwisseld (in 
ongunstigen xin), welke ook voorkomt in het pri- 
mitieve verkwantaen^ bij Gamphiiysen, Sticht. Rlj- 
men, II. x44: 



347 



KWANTSELEN 



348 



Waer w schier konM of anibacht, in dees soo 

verquanste tijdt, 

(Hoe eenvuldigh in voortljden) dat zich zonder 

Malen lijdtf 
Het Wdb. der Ned. T. heeft afkwanselen^ lets 
door ruiling bekomen. Als afl. heeft Weil, kwant- 
selaar^ ;doch niet den vrouwel. vorm; Fokke, De 
Vrouw is de Baas, I. 203: eene snoepster en k wan- 
zelaarster, die hoar geld aan nietswaardige lek- 
kerbeetjes en galanferieijes verkwist 

De oorsprong dezer woorden Hgt in kwant, d. i. 
zoowel eene handeling, die zich anders voordoet 
dan zij werkeUjk is, als de persoon, die zulke han- 
delingen verricht. De handeling gaat gepaard met 
bedektheid en loosheid; vandaar is kwant een 
schalk of snaak. De aan onze taal verwante di- 
alecteh hebben de wwn. quanten^ verquanten^ met 
hunne frequentativa qudnteln^ qudntem^ verqudn- 
telen, voor bedekken, verbergen, in 'tgeheim on- 
eerlijken handel drijven, ten kwade besteden, ver- 
kwisten, in welken laatsten zin het eng. to squan- 
der aan qudntem beantwoordt. Onze wwn. ver- 
kwantsen en verkwantselen zijn door invoeging der 
s van verkwanten en verkwantelen gevormd. Men 
zie het Brem. Nieders. Wtb. en Stalders Idiotikon. 
Von Klein en Vilmar hebben quanzen^ in 'tge- 
heim verkoopen of handelen, van kinderen ge- 
zegd. Reeds in Beneckes Wtb. is verquanten ver- 
ruilen, en in dat van Frisch verbergen. 

Van kwant heeft men afgeleid ons kwantswijs 
of kwansuis^ d. i. in schijn; zie mijne Verscheid. 
154, en voeg bij de daar aangeh. schrigvers het 
Wbk. des Inst, op Hooft, Strodtmann en het Brero. 
Nieders. Wtb. Voorbb van ktoanswijs ontmoet 
men b.v. De Honigbije, V. 136: 

(/ft/) houdt^ quanswijs als voogt, myn StoMten 

in beduHzng. 
Don Quichot, 11. 296: Dese, so haest sy Don Qui- 
chot sagy viel quanswijs van sich selven, Smits, 
Baalfegorsdienst, 15: 

De looze Juffers sUien kwanswijs dat smeeken 

tegen. 
Gras, Nagel. Verhandd. 1.337: om die onschiddige 
beestjes.,, kwanswijs door schijn van weldaad en 
aanbod van voedseL.. te lokken. — In de spreek- 
taal hoort men veelal qimsi en men leest dit bij 
Nomsz, Soliman, 5: ' 

Dan speelt ze eens met een golvend lint, 
Dat zich dan, quasi, los bevind. 
Men moet erkennen, dat die afleiding voor de 
hand lag. In het Hannoversche en andere stre- 
ken is niet alleen quants-wies of vor quants^wise^ 
maar ook vor quant »voor of om den schijn.'' In- 



tusschen, de hoogl. De Vries heeft aangetoond, dat 
de uitdrukking bij onze Ouden gebniikt wordt, 
wanneer men iemands gedachten of woorden aan- 
haalt, en eigenJijk is, zooals ook Muller en Weitz 
een oogenblik dachten, quam si, in 't middeln. ver- 
basterd tot quansijs. b.v. Parthonopeus (door Bor- 
mans) 61 : 

Dat ghine begrijpt met dommen sinne, 
Dat es quansijs: dese hevet gheseit enz. 
verdubbeld tot quinsi quansi en dit wederOm ver- 
kort tot quinsiquans en quisqkmns; zie mijn Ar- 
ch ief, I. 72 en vlgg. Des Hoogleeraars beweerde 
kan ik nader staven uit Van Velthem, fol. 22(5: 
Doe riep hi lude: Sciet! sciet! 
Die Odevare en achtes niet, 
Ende leide 't hovet in den tiecke^ 
Ende ginc clippen metten becke, 
Quansijs: dit hebb ic wet gedaen. 
WaaropLe Long zeer juibt aanteekent: vSeggende, 
als of hy wilde seggen " En uit Blommaerts Oudvl. 
Ged. III. 83 : 

— sijn somighe rike lieden. 
Die ter doot restoor gfiehiedeti, 
Al6 quans: ic wil wedergheven 
Dat ic onthiel in mijn leven. 
Aid. bl. 89: 

Dese giilsichede, modi weteyi, 
Pleghen lude herde vele, 
Als quisquans; "die doet in spele;^' 
Mer si nemen H metier her ten, 
Te troesten ha^r gulsighe sterten, 
Het zoo even gemelde als quans treft men ook 
aan bij Jan Praet, Speghel der Wijsheit, 95: 
Du spreecs ooc van den vonnesse, 
als quans du hebs groten vaer. 
En 103: 
Al secghic wel, du houts dijn spel, als quans: 

ic hare. 
Doch ik kan tevens bewijzen, dat de uitdrukking 
ook bij onze Ouden reeds voorkomt buiten het 
genoemde geval, en geheel in den zin van ons 
tegen woordige kxjoansuis, en derhalve bloot voor 
)»in schijn;'' Blommaert, het aangehaalde werk, 
III. 80: 

— ledige menschen, die node minderen 
Haer goet; maer gheen ambacht connen; 
Dese sal men quanchuys gonnen 
Dat si hasr ghelt rcdelijc leenen 
Dat si .a?, penninghe om, eenen, 
Ja, sulc van achte, sulc van viven, 
Ende dit sal men voer renten scriven. 
Om dat si hen des vooekerens scameti. 
Hier vindt men reeds bijna volkomen onzen 



349 



KWANTSELEN. 



350 



vorm quansuis. Lager leest men weder blootelijk 
quans^ t. a. p).: 

Nu 68 de« woekers hroedet* voercoep. 

Die nu sere heeft Men loep^ 

Daermen camenscape doet ; 

"Want nu men quans niet woekeren moet 

Voar die boete die daer op staet^ 

So vinden si enen anderen raet. 
De zin is duidelijk: nu men quansuis niet woe- 
keren moet, om de straf die er op staat, vindt 
men een ander middel ; men koopt de waren op. 
Het bltjkt derhalve onwederlegbaar. dat de 
hoogl. De Vries met I'echt ons kxoansuis afleidde 
van der Ouden quansijs, en dat kwanswijs een 
verzinsel is van lateren tijd. Een stap daartoe 
was misschien de vorm quansvijSj dien ik aantrof 
bij Sprankhuisen, Vande Scheppinge, 29: denOly- 
pkant van dien Beul quansvtjs veriest hebhende^ 
soo brengt hy hem Gersty ofte Rijs. — De. over- 
zetters van onzen Statenbijbel schreven nog juist, 
in de Randteek. op Gren. *39^ vs. ^: sy en noemt 
hem niet, quansuys gram op hem zijnde. En Exod. 
9, vs. 22: Pharao quansuys hier sijn sonde belyden- 
de. Grimm hield dus te onrecht vast aan de aflei- 
ding van gewandes tuis, hoewel Bilderdijk hem op 
het lat. quasi, quasi ceu, gewezen had ; eene aanwij- 
zing die zeker evenmin volkomen juist was, als de 
daarbij gevoegde omschrijving van het woord bij 
onze Ouden; zie des eersten Reinh. Fuchs, 281, 
en des laatsten Brieven, III. 247. 

Kwarrelea'— Kwarren . 

Den anglicismus kwarrelen gebruikt Beets in 
De Gids van 1840, U. 228: de fruitvrouw, die 
met zoo'n voorname heukenmeid ... niet kwarrelen 
wil. En in de Yerpooz. op letterk. Gebied, 17: 
elk spreker of schrijver heeft de roeping niet van 
stonden aan met dezen (hoogmoed) aan het kwar- 
relen te geraken. — Ik noem dit een anglicismus, 
omdat, voor zooveel mij bekend is, te onzent het 
WW. kwarrelen of zijn primitief kuHirren niet 
bestaat. Bilderdqk heeft in zijne Verkl. Geslachtl. 
wel een naamw. kwarrel opgenomen; doch hij 
merkt er bij op, dat dit slechts »schijnbaar het- 
zelfde woord is als het quarrel der Engelschen;" 
dat het eigenlijk te houden is voor eene saroen- 
trekking van gewarreU en dat het vanouds niet 
zoozeer twist of gekjf, als wel tgewar, gemaal 
of gedraai over iets" beteekende. Wat er van 
dit woord of zijne beteekenis moge zijn: in ver- 
wante dialecten is het primit. kwan^en niet gansch 
onbekend. In het Idiot, der deutsch. Spr. in Lief- 
und Esthland, zoowel als in het Gott. Idiot, van 



Schambach, is quarren schreijen; en quarre een 
schreiachtig kind; en bij Reinwald qudrzen kla- 
gen, jammeren. Deze beteekenis is juist die van 
het lat. queror, queri, van 'twelk de Franschen 
hun querellei' geraaakt hebben, welk laatste de 
Engelschen in to quarrel ovemamen. 

Kwarrelen*— Kwarren. 

Bij Schimmel leest men N. Ged. 84: 
Waar de Tong der vlamme schuifelt, knettrend 

op het kwarlend hout. 
Kwarlend hout zal hetzelfde moeten beteekenen 
wat dez. schrijver in Apostelen en Profeten (Guld. 
Ed.) 38 noemt kwarlig Iwut. Dit adj. komt over- 
een met quarrich, in sommige hoogd. tongvallen 
knoestig en fig. kort en dik. In het akensch is 
quarr een klein mismaakt mensch, en ons dwerg 
zal van hetz. woord afkomstig zijn. Bij Schmel- 
ler is quarn kreupelhout. Of het eng. to quar, 
bij Halliwell klonteren, hiertoe behoort, durf ik 
niet bepalen. 

Het WW. kwarreti, y/HRr kwarrelen van gevormd 
is, dat nauw verwant zal zijn aan kwerdelen, (zie 
dit w.) beteekent dan kwarren, d. i. knoesten, 
vormen of hebben. 

Kwastelen— Ewassen. 

Volgens het Alg. VI. Idiot, is kwastelen \q Leu- 
ven in gebruik voor een kinderspel, bestaande in 
het werpen van knikkers in een putje. Het pri- 
mit. zal zijn hvassen, bij Kil. schudden, werpen, 
stooten; bij Strodtman quassen, eng. to quash, lat. 
quassare. Men vindt daarvoor ook kwatseti, hoogd 
kwatschen; zie mijne Lat. Verscheid. 491. 

*t Woord bootst het geluid na van den worp of 
slag, waarvan mede het subst. kwas, zie mijne 
Verscheid. 155; *k Vind voor H werkw. ook kwat- 
ten; Werken van Rabelais, I. G: ' 

Den Teemzer, nee f van Cyclops^ grijpt en quatze, 
En haktze neer: — 

Kwauwelen— Ewauwen. 

Beide wwn. komen voor in deze plaats bij Baardt, 
Deugden spoor, 326: 

Men bijt en quaeuwelt tuicht en dach, 
Eer datmen ^t Pit erlang^-n mach; 
Men fioeckt de schaduw van het Licht, 
En 7 ware Licht dat vindt men nicht; 
Men qiiaeuwt wel gaten in het been, 
En H Merg dat werptme ginder heen, 
De wn. beteekenen knabbelen, knagen, en zijn 
blijkbaar ^^n met wauwden, wauwen^ met voor- 
opgezette ge of k. Zie het gen. frequent. 

Ewazelen— Ewassen. 

In het limburgsch dialect is kwazelen zooveel 



361 



KWAZELEN. 



36Q 



als ]>bazelen, beu%elarijen vertellen." Het w. schijnt 
helKelfde met qtuisseln, bij Scbambach »zonder 
overleg spreken of bandelen.'* liet primit. vindt 
men in quaseti, bij Tiling snappen, snateren, bab- 
belen, bij Strodtmann quaasken^ laffe of beuzel- 
achtige dingen praten. De woorden kunnen ver- 
want ziin aan kwezen^ kwezelen; zie dit art. 

Ewebbelen— Kwebben. 

Kwebbeleri, zoowel als het daarmeS naiiw ver- 
wante kweffeien^ zegt onze volkstaal voor babbe- 
ien, snappen, snatdren. Door het augment ge of 
k zijn zij gevormd van webbelen^ weffeUm^ bij 
Schmeiler wabeln^ wabem, bij Schmidt waffeln, bij 
Stalder waffelen, bij Scbambach weffeln^ alien in 
meer ot min gelijke beteekenis. 

Het primit. uxiferL, waff en, is bij Schmeiler spre- 
ken in vera chtelij ken zin, bij Schmidt waff en hui- 
len, en de verWantschap van dezen en waben, 
webben, met wauwen en kwauwen (waarvan zie 
op Wauwelen en Kwauwelen) loopt in het oog. 
Sommige dialecten hebben voor mond ook uxiffel^ 
waarvoor wij thans wafel zeggen, doch 't welk 
vroeger mede bij ons waffel luidde; Van Rusting, 
Ovidius, 4: 

Hoe duvel keer je nu de baren van je waffel ? 

Ik kan van 't water niet een woort sien wat ik 

9egg\ 
So slaat het me in Hgeaigt. — 
Focquenbroch, I. 155: 
Maar Kalchas,. . 

Hiel doe kwanzuis zyn waffel toe. 
En zweeg zo ettelijke dagen. 
Aid. 192 : 

{Neptuin) vloekte te ysslyk uit zyn waffel. 
Bekker en Deken, Econ. Liedjes, 440: 

Jy kunt in 't veurhuis mit jou boeren 
Jou waffel ook wel koatlyk roeren. 
Thans zegt men: houd je wafel! en wisselt dat af 
met: hood je wawel of wauwel! In Van Alkemade 
en V. d. Schellings Displegtigh. III. 82, en el- 
ders (') wordt dit uxifel min nauwkeurig door 
9aangezicht" verklaard. De daar aangehaalde 
spreekwijzen: ik smijt u op den wafel of ik gejf 
u v)at voor den wafel worden nog wel gehoord, 
en beteekenen hetzelfde als: ik sla u voor deti 
bek. Door eene zonderlinge overdracht van be- 
teekenis vind ik waffel genomen voor den slag, 



(*) Zie bet getolgenig yan een ongenoemde In de (4to) 
Werken der U Maat^li. I. loe. VolKens Rllderdyk (Geslacbtl 
i. V ) is toaffely anderstiNitoe/, muli of mond, en by uitbreiding 
voor bet ganscbe gelaat. , 



dien men op den mond krijgt; H. van Hatmael, 
Crispy n en Grispiaan, 09: 

Waar moeid de Lomp zig me^, wat rabbeld 

deae gekf 
Soo je weer gaapt, aoo krygje een waffel voor 

je bek. 

Kwodelen — Kweden. 

Kwedelen is in den Teuthonista zingen ; bij Kil. 
praten, zingen, klagen. Wij kennen het in de sa- 
mentrekking kweelen, vroolijk zingen, vooral van 
vogels gezegd; doch ook wel van menschen; Fei- 
tama, Telemachus (eerste druk) 213: 

Men hoarde, door een' rei vati jonge maagden- 

kelen 
En jonglingschap, den lof dea Bliksemvoerders 

kwelen. 

Het zingen wordt ook klagen ; Dullaerts Ged. 139 : 

Maxir ach! verUuxt hy ons, dan zullen lustpri- 

eelen^ 
Bezochte schaduwen en wandelplaatsen kwelen, 
Door montatuk^ snaar en stem; — 
Vandaar bekweelen, beklagen; De Harduyn, God- 
del. Wenschen, 326: 

Gelijckt de Tortel-duyf oock niet en kanvervelen 
Uaer wederpaer ghetrouw ter doodl toe te be- 

quelen. 
Houwaert, Lusthoff der Maechden, II. 934: 
Daerenboven moet hy zijn verlies bequelen 
Als hem contrarie is gheloopen het lot. 
Moons, Sed. Verm. Tonn. 44: ghy suit dat spel 
bequelen. — Zie meer pll. bij Oud. op Bred, bij 
wien, evenals bij Weil., gemist wordt verkweefen, 
in deze bet. Roddrick, 48: 

Ick sal in H hoogh geberght mijn Tijdi sluyten 

in rust, 
Verquelen eeuwelijck met innerlijcke rouwe, 
't Verkeert'Spel van u heri, en over^vals ontrouwe. 
Van de contr. kweelen is te onderscheiden kwe- 
len, kwijnen, waartoe kwaal behoort Verward 
worden beide ww. bij Huydec. Proeve, II. 450 
vlgg. en Ypeij, Taalk. Aanm. 82 vlgg. Men zie 
voorts over kwedelen nog Hoenfft, Oudfr. Spreekr 
woorden, 174. 

Kwedelen luidt ook kwetelen, in het vlaamsch 
kwietelen, zie Schuermans Idiot. Lulofs zegt in 
zijno Reis naar Hamburg. I. 31.5: i^kwetteren is 
ook wel kawetteren en kwetelen geheeten." En 
Van Duyse zingt Vaderl. Poezy, I. 39: 

Het wood herleeft: V gepiep, 't gejoel^ 
V Gefluit, 't gekwetel en 7 gewoel 
Wint veld: — 
Het primitief is kweden, spreken, praten; oudhd. 



9B8 



KWEDELEN. 



SM 



quedan, mtddelhd. quiden; m Graff, IV. 696, en 
Ten Kate, II 678. Onze Oaden bezigden quedden 
in den zin van toespreken. aanftpreken, begroeten; 
Hor. Belg. III. 58: 

Floris ghinc te hem ward^ deter hi sat. 
Van al den goden quedde hine averluut. 
Beatrijs, vs. 549: 

Doer omtne sijn u die selve woert 

Soe bequatne, wnder wane, 

Dai ghije wet elken done. 

Die u gheerne doer mede quel.. 
Aid. vs. 700: 

Heie van Gode dat ie tf quedde. 
Reinsert, vs. 1108: 

Sulc tnochie one bi doffe gemoeteti, 
Hi noude one quedden ende groelen, 
Partbonopens (door Bormans), 168: 

{Hi) hevet Parthonopeuit gheeien 

Peineende comen ende metlien 

R'tjt hi aen hem vele vaerdelike, 

Etide queddene harde tiavescelike. 

Na dien queddene seidi voort enz. 
Tot de freqiientatiefvormen behooi'en ook quedern 
bij Wachter. en kweteren en kwettet'en* bij ons; 
zie op deze laatsten. 

Eweffeleu, zie Ewebbeleu. 
Kweggelen, tie Ewakkelen*. 
Eweagelen— Ewengen. 

Kwengelen w in Groningen aaiihondend water 
of eene andere vloeistof iiitstorten. volgens de 
Gommentatio van Swaagman, p. 65. Weil. omschnjA 
met water kwengelen a Is »door beweging van bet 
watervat gedurig stoilen en kleine plassen maken." 
De laatste acht bet verwant aan zwengelen, zwen" 
gen, en die afleiding woi*dt aannemelijkt als men 
bedenkt dat de hoofdbeteekenis van deze laalsten, 
t. w. die van been en weder bewegen, ook aan 
kwengelen eigen is. In verwante dialecten beeft 
dit WW. een* anderen, docb aan bet gemelde boofd- 
begrip niet gebeel vreemden zin. In bet dialect 
van Groningen is kwingelen »door elkander men- 
gelen, haspelen, knoeijen;*' zie Taal- en Letter- 
bode, III. 102. In bet vorstendom Lippe-Detmold 
is quangeln slordig iets verricbten, den tijd door- 
brengen zonder iets uit te voeren; zie Herrigs 
Archiv, Vm. 350. In Brandenburg mede talmen, 
zich met beuzelingen opbouden; zie Adelung. Zoo 
ieta noemen wij ook wel draatjen, ronddraaijen, 
wat met zwengen of zunngen en zuyengelen zeer 
wel overeenkomt; zie wtjders Kwenteelen, Docb 
quengeln is bij Weinbold op scbreijenden toon 
ieta verzoeken, bij Adelung op een nitgerekten 



verwijfden toon sprekon; bij Schfltze vertroetelen, 
en bij Scbambach in meening en wil nooit met 
anderen overeenstemmon, maar altifd iets anders 
willen; en in die beteekenissen geuomen, zal voor 
H WW. naar eene andere Hfleiding moeten worden 
omgezien, die vermoedelijk in 't gotb. qweinon, 
queinan. angels, cwanian, ligi. 

Ewentselen— Kwentsen 

Kil. beeft kwentselen. voor met lange tanden eten. 
In de plaats, die Ouderoans' Bijdrage aanbaalt: 
— wat duiict u, maetf 
Eeat scfiier niet tijdt um qnenselen ? 
schijnt het w. eten te beduiden. Ik acbt dit w. 
verwant aan kwengelen, dat bij Sturenburg zoowel 
quenkelen als kwcutelcn luidt, un den algemeenen 
zin beeft van bewegen, langzaam bewegen, bier 
toegepast op de trage beweging der tanden. Met 
kwenUelen komt in voriu overeen bet eng. to 
quihcii, bij Halliwell bewegen, en ook eenig geraas 
ma ken. Zie voorts Kwengelen, 

Ewerdelen — E werren 

Ril. heeit querdcftn voor grof spinnen, waai'toe 
ook belioort querdel, knoop, knobbel. Muller en 
Wcitz leggen kwan^el uit door »a] wat klein, in- 
eengedrongen is." Het piimitief kwerren of ktvar^ 
ren uioet dus beteekenen samendringen, ineen- 
drukken In verwante dialecten is (puit^ quarg 
(uederl. du^rg), een klein inisniaakt mensch ; guar- 
rich wat met kwasten is (bout); quart, quavle, 
bet opzwellen der huid bij muggensteek of anders- 
zins; zie Scbmidt, Kebrein en Scbambacb. Oudaan 
beeft kwarrel'knuist vooi* kwast of knoest van een 
boom; Uytbr. over Job, 12: 
— eeti bootnsc/tors, ruw van puytiten, 
Wanneer ze in harde quarrel-knuysten. 
En hamdrop, telkena scheurt en boritt, 
Zie ook Kwarrelent. 

Ewerrelen'— Ewerrea. 

Kwerrelen, d. i. berkauwen, is een freq. van 
kwerren, waarvan ook l^weemen afgeleid is, *t welk 
gelijke bet. beeft Zie dus dit w. 

Ewerrelen*— Ewerren 

Volgens Scbuermans' Idiotikon is kwerrelen ge- 
zegd voor bet rammelen der ingewanden. Het 
prim, kwerren of kwan^eny dat eene geluidnaboot- 
sing is, beeft in het neders. en oostfriesch de- 
zelfde bet., zie Tiling en Stilrenburg. 

Ewetelen, zie Ewedelen. 
Eweaelen— Eweaen. 

Kwezelen beteekent beuzelen, zicb met kleinig- 
beden opbouden. Ypeij (Kerkel. Gescb der 18e 
Eeuw, XII. ri9 volgg.) leidt bet ww. af van kwe- 



365 



KWiaXLEM. 






zen, d. i. keuvelen, praten, waarvan ook kweesten^ 
dat men leest bq den vlaamschen dichter Ster- 
lincx, in Serrures Vad. Museum, Y. 350: ' 
de wcterheyt wU zy queesten 
en dat in spijt^ van cdle diet benijt. 
Voorts bij van Swaanenburg, AHeq. Distel. 27: 

Of men al fyntjes k weesV en van de liefde zwetst 
De bet. van dit ww. gaat over tot die van een ge- 
meenzaam onderboud tusschen een' minnaar en 
eene minnares, bescbreven bij WeiJ. en .in dien 
zin heeft Van Paffenroda Ged. 129: ow, op zijn 
Noordholland^^ fjouwend een lutje te komen k wees- 
ten. Ja voor bet bijslapen ontmoet men bet bij 
Van Beverwijck, Scbat der Onges. II. 125: aeker 
Kruyt^ hetwelck.,. sulcken krachi in haer leden 
aphlies^ dat sy queesteden als sy wilden. Yandaar 
ook kwezel^ klopje; Focquenbrocb, Werken. I. 86; 

Tot dat een Quezel, of een Klopje^ 

Of een kaninklyke Non^ 

Twee kinders werpt op een gaUopje^ 

Die zy bij Mavors overwon. 
Volgens Hoeuffl, Bred. Taaleig. is kwezel i»eene 
geestelijke docbter, aan geene orde verbonden, en 
alleen de gelofte van kuiscbheid gedaan bebbende." 
De samensteiling kwezelkous zie men op Kozelen^. 
Yerscbiilende afleidingen van bet woord, de eene 
al vreemder dan de andere, kan men vinden bij 
Tuinman, Bilderdijk (Gesl. i. v.), Scbmidt (op 
Quisel) en Muller en Weitz (op Quiesel). Tuinman 
zegt: T^queselen was in de oude taal beuzelingen 
met emst bebandelen." Yandaar kan de bijbetee- 
kenis van scbijnbeiligbeid, nu en dan aan bet 
woord verbonden, haren oorsprong bebben. 

Ewikkelen— Ewikken. 

Kwikken beteekent leven en bewegen. Zie Kil. 
Yanouds bad kwik als snbst den zin van levend 
gedierte, vee. Dus b. v. Yan Yeltbem, fol. 82: 
{dese rovers) worden so in her quaet 
Verstout^ datsi wilden aldare 
Den lantlieder nemen openbare 
Haet^ qilec, haer coye^ ende die eten, 
Le Long las bier verkeerdelijk gust. Als adjectief 
levendig, vlug; Zeeus, Ged. 174: 

— gelyk in ^t kwikke lenteweder 
Al *t veldgevogelt zingt en kwinkeleert in 't wout. 
Anders met den vorm kwiks; Yan der Yeen, Zin- 
neb. 323: 

Al waerje noch w quix, 
Geen kleyn noch grootje. 
Van al het sootje, 
Behaiven onse Bruydt^ 
Of 7 moet ter Camer uyt. 






Jan Zoet, Werken, 139: 

— de Moeder van de Vreede, 
Die^ in 'er kwikse jeugd^ «a»» ieder wierd be* 

streede. 
Dikwerf ontmoet men den vergrootenden trap 
kwiksty die zoowel van ktoik als van kuriks afgeleid 
kan worden; Yondel, PoSzy, I. 115: In Hquickste 
van den May. Bl. 726: In tiel quikste mijner 
jeucht. Macquet, Uitsp. I. 277: uwe kwikste dagen. 
D. n. 126: in 't kwikste van haer leven, Zeeus, 
Ged. 122: i^ H kwikste van het jeugdig maisai- 
zoen. 

Het znw ktvik is bij Kil. ook kind, knaap, uit- 
boofde van diens levendigbeid ; docb in ongunati* 
gen zin voor woelgeest, oproermaker, leest men 
dit bij Despars, Cronijcke van Ylaenderen, II 503 : 
die vier vroomste^ utrafste ende hatsardeu^tte quic- 
ken van der stede. D. III. 16: lo dater omme die 
ghiericheits wille meer vreitnde fiasardeuse quec- 
ken tallen canten uytliepen exploierene dan der 
wederkeerden, Zie wijders bierover mijne Yer- 
scbeid. 295 en volgg. — Bij onze Ouden bad kwik- 
ken^ of zooals zij scbreven queken^ inzonderbeid 
de bet. van bewegen, scbudden en verschillende 
figuurlijke daarvan afgeleid ; zie Yan Kalken in De 
Taalgids, 11. 109 — 111. In den zin van wankelen 
komt bet w. voor bij Dullaert. Gred. 32. 
Hy zal... 

Den voet die quijnt en kwikt onwankMaer doen 

siaen. 
Den zin van bediillen heefl bet w. in De Gelijke 
Twelingen, 16: Wat is 'er te kwikken? — Yandaar 
ons verkwikken (zie op Kwikkeren)^ en opkwikken^ 
bij Weil, opscbikken, optooijen, docb 't welk eene 
latere beteekenis is; de vroegere is wat wij op- 
kweeken noemen. Quicken^ quecken, queecken, is 
bij Kil. ^^n voor nutrire, alere, educare. Wolsscba- 
ten, De Doodt vermaskert, 108: hunne ouders 
ende meesters die hun opgequickt hebben ende 
onderwesen, Elpenor, 15: 

— als zy (de Pelicaen) er borst oppickte 
De longen met fiet bloet in plaets van melck 

opquickte. 
waarvan, aid. 4, bet frequent, opkwikkelen in den 
zelfden zin: 

— door dien ick opgequickelt 
In vlammen wert, gelyck den kleynen krekel 

doety 
Wiens leven door de hit en vlammen wert ge- 

voet. 
Scbmeller beeft aufqueckeln voor »een zwak kind 
of ziek menscb zorgvuldig oppassen." i>Den staart 
kwikken" is dien been en wedr bewegen, waarvan 



807 



KWIKKELEM. 



S58 



oiue vogelnaam kwikstaart* Dub Voet, Stichtal. 
Gred. n. 187: het vogeltje dot met zijn atcuir^e 
kwikt. Doch ook van den hoiid werd het gezegd, 
Reinaert de Vos, va. 5705 : 

Die hont apranc op^ en quicte sinen staert^ 

Ende lecte aijn heer otntrent sinen haert. 
Bijbel 1477, Tob. Gap. 11: Doeliep die hant.., ende 
ghelijc enen toecomende bode soe verhlijde hij. sij- 
nen staert queckende. — Dit bewegen van den 
staart wordt in De Bo's Idiot, uitgedrukt door het 
frequent, kwikkelen. Ook in denzelfden zin heeft 
men het woord bij A. Bolswert, Duyfk. ende 
Willem Pelgriroagie, 20: hoe neerstigh dat aUe 
deee Voghelkena besigh zijn om bar en schepper te 
dancken, met huppeien^ quickelen ende door de 
lucht te swieren. — Vandaar ook kwikk^-staart^ bij 
Prtirters, Masker van de Werelt, 311 : gelijck de 
liefde met sijn vleugedljena ean Quickelateertjen is. 

Van het znw. kwikstnart heeft men een werkw. 
gevqrmd; Meijer, De Gramschap, II : 

De exter maehi getter^ en quiksteert op de 

boomen, 
d. i. kwikt met den staart ; doch elders heeft het 
w. een' niet zoo onscfauldlgen zin ; Valentijn, Wer- 
ken van Ovid I. 196 : Besluit hier uit niet^ dat gij 
u bij ien dier houden meet: dat verhoe den he^ 
met!... Quikstaart vrij: mcuirhotU u snoepen heus 
verholen, Bl. 900: Men segt, dat 'tsoet gequik- 
staart de woeste gemoederen verknede, doen man 
en wijfbij malkanderen fxuzkten. — Hiervan is ook 
de samenstelling, D. III. 175: Als een geilvlieger 
sijn paardoffer door dese of gene vond onderquik- 
staart heefl, werd hem toegejuigt. — Te Kortrijk is 
kwikkelen nog »gedurig het ligchaam bewegen,'* el- 
ders kwikkebilleny zie Belg. Mus. VIII. 184; en te 
St. Truijen »hangend wiggelen of wiegelen," zie 
Bormans* Christina, 89. In den laatsten zin denkt 
men terstond aan kwikken, bij Kil. vibrare, librare, 
pondus manibas examinare, in Breda noggangbaar 
voor »met de hand wegen," volgens Hoeufft. Deze 
Geleerde vergist zich echter, als hij tot de ver- 
melde beteekenis brengt de plaats uit Huyg. Ko- 
renbl. I. 36: 

Ltist u bly te hooren neuren 
Die nu vroliek swi^gen moet, 
Vriendy alleen aen uw gevaUen 
Hanght het quicken van mijn hert. 
Jt Woord is hier doen opieven, vroolijk maken. 

Tot kwikkelen^ been en we^r bewegen, zal ook 
behooren de beteekenis van »met kleinen draf vocil* 
gaan," van paarden gezegd op het platteland van 
Noordholland (zie De Nav. VIIL 183). Men spreekt 
daar van een kwikket voor kleine draf, en zegt: 



het paard kwikkelt. — Kwikkelen^ volgens het 
Belg. Mus. t. a. p. te Gent en Meenen gezegd 
voor preutelen, knoteren, zou ik achten niet tot 
de gemelde woorden te behooren, maar tot het 
geluidnabootsende kwekkelen, kwakkelen (zie dit). 

Ewinkelen— Kwinken. 

Beide wwti. heeft Kil. voor zingen, anders met 
basterdnitgang kwinkeleeren genoemd; ook de 
Randteekenaars van den Statenbijbel, zie mtjne 
Lat. Versch. 274. Dus kwinken bij Jan Praet, 
Speghel der Wijsheit, 153: 

Die met u quinken 
zi stdlen drinken 
van zulken biere. 
De Brune, Bancketw. II. 276: Doer kent men ter- 
stont het vogheltjen aen zijn quincken, en tirelie- 
ren. Den Nederd. Helicon, 324: 
— H vrolijc vederschoon, veelverwigh vluclitgedierf^ 
Dat in 7 geboomt springt^ singt^ vinct, quinct 

en tiereliert. 
Bij Gals, I. 627: 

Hy singly hg quinkt, hy drinkt een reys. 
Westerb. Ockenb. 114: 

— geen lichte vinck 

Die heele nachten deur^ syn potter^untjes 

quinck. 
De Thouars, De Git. van Antw. I. 152: 

Waar 't loftiedstemmend pluimchoor kwinkt. 
Het fiequent. heeft De Bo, Gedichten, 30: 

De stille nacht hoort God bedanken 

In H kwinklen van den nachtegaal. 
De eigenlijke beteekenis der wn. is eene her- 
haalde of snelle beweging maken, trillen, en van- 
daar dan: tiillend zingen. Met eene andere toe- 
passing der beweging is kwinken flonkeren, glin- 
steren: dus Kausler, II. 82: 

Danne so saldi haers ghedincken 

Ende peinaen om haer hogheti die quincken, 

Ende om hare scone figure. 
De Gasteleyn, Pyramus ende Thisbe, 57: 

De Mane zie ick klaer lueticii blijncken, 

De Sten*e/^fins quijncken an 't Firmament 

De verwantschap van kwinken met kwikken (zie 

Kwikkelen) valt in het oog. Goomhert bezigt op- 

ktmnken voor opkwikken^ Odysaea, II. 177: 

D' oude SicUiaense, diese had op ghequinckt. 

t. w. de zonen van Delius. En ons kwinkslag is 

niet, zooals Richey meende, metaphorisch van de 

quint'snaar afgeleid; of zooals Bilderdijk (Geslachtl. 

i. v ) dacht »een trilslag, slag die schudden doet 

van lachen"; maar kwink in kwinkslag is, wat 

anders een kwik of kwak beet, d. i. geestigezet, 

IS* 



3S9 



KWINKBLrai. 



300 



streek, aardigbeid ; zie op Kwakkelen*. Vandaar 
bij Kil. q^iinckte^ quinckt^ bij Weil, kwint^ loos- 
beid, 8treek, kuar, gril. Te recht verklaarde fiilder- 
dtjk, Aanteekk. op Huyg. V. 383, squint ^ eigenlijk 
kudnk^ levendigheid , van bet zelfde grondwoord 
als kwik." Zoo leest men kwint voor gril, in 
Bekker en Dekens Sara Bnrgerbart, I. 286: Dat... 
is ook weer een van die quinten, d/iar ik geen 
zin aan heh; ^tia draaijen^ anders niet. In hetz. 
werk, I. 25, leest men de nitdrukking »met linten 
en kwirtten^'^ wat anders beet »met atrikken en 
kwikken.'' — Vandaar ook kwiniig, voor grilHg; 
Langendijk, Ged. IV. 364: 

In het laatste van April, 
Wierd Komelis wry wat quint ig,' 
En hy kreeg een wondre gril. 
Fielebout of de Dokter tegen Dank, lil: 
— (zy) duxmgen 

De vent mit slaen: uxmt, ziet, hy vxis 

Op die tijd wat kwiniig; — 
En bl. 47 : 

Zyn weSrgd wierd' er nooit gevonden. 

Hy '9 k win tig: manr een doorleerd man. 
Het zwaabscb zegt quintlich^ wonderlijk, eigen- 
zinnig, fr. quinteux^ eng. quaitit. Als etymolo- 
giscbe opbeldering zegt Von Schmid: invert ooedelijk 
van bet nauwkeurig afwegen tot op een kwintje." 
Roquefort voegt quinte^ gril, en quinteux maar 
stillekens bij quinte vinlervalle de cinq notes con- 
secutives/' zonder nadere verklaring; en Bailey en 
Jobnson leiden bun quaint of van bet franscbe 
cainty met 't welk de Franscben zelve voistrekt 
geen raad weten ; zie Roquefort, Gloss., de Dic- 
tionn. de Tr6voux en, over bet gebniik van Caint 
met zijne derivaten, Pougens, Arcb^ol. Fran?. I. 
86—^9. Het nederl. kwint enkwintig beldert alles op. 
Kit. kent ook kwint voor winst, eig. deo|)brengst 
van bet vijfde, in 't fr. le quint, en Van Hasselt 
brengt daarvan een voorbeeld bij uit bet Consttb. 
Juweel, dat bl. 196 aldaar te vinden is. Docb van- 
daar ook het WW. quinten, dat Kil. niet heeft. 
eig. bet vijfde deel van iets nemen, fr. quinter. 
Men leest dit bij V. d Venne. Belaccb. Weielt, 128 : 

— Fielen, 
Die een Beurs of yemants tas 
Rwinten off 'theur eygen was. 

Ewirrelon— Kwirren. 

Volgens de Nieuwe Bijdragen tot opb der Vad. 
Lett. I. 388, is i^quirlen'* by onze koks in dagelijks 
gebruik." Onze Woordenboeken hebben nogtans 
het w. niet Het beteekent eiwit of andere zelf- 
standigheden met eene soort van bouten vork, 



kunrrel genoemd, snel roeren of klutsen. Hot 
hoogd. zegt quirlen en querlen; zie bet Brem. Nied. 
Wtb., Reinwald, Von Scbroid en. Adelung. Rein- 
wald noemt bet primitief quernn , d. i. onidraaijen. 
Dit kweren of kwirren is van wirren, waarvan 
ook ons zu*irrelen , bet hoogd. wirbeln , bet eng. 
to tuyirl en to whirl, alien omdraaijen te kennen 
gevende. Ook kweet^n of kwern, handmolen, be- 
hoorl hieiioe; zie Kweernen. 

Kwispelen— Ewispen. 

Etymologiacb zijn deze wooiden eigenliik ge- 
wispelen, ge-wispen en dus 6en met wispelen, 
witpen (zie dit) , alsmede met gis}ielen en geeseleti 
(zie ook dozen) In laatstgeni. bet. leest men 't 
w. bij Roaseau, De Snoevende Minnaar, .>0 : 

fJog myn ConfraiUer daar ik heden van verhaal, 

Wietyi binnen Amsterdaih aan eene geezel-paal 

Heel fray gekwispeld. — 
Caron , Houtebeen met Els , i : 

Je befit alle bey waeri datmen je op een scha- 

vot sou quispelen. 
Duim, Mengelzangen , 19.(: 

Al wie stout is kwispelt 'tgartje. 
Valentijn, Werken van Ovid. Ill 91 : ik... beti met 
de natte laurier in 7 aansiqt gequispelt. Vooral 
is kwispelen gezegd van bet bewegen van den 
sUart; Berkbey, Nat. Hist, van HoUand, VHl 34il: 
daar (de koeijen) anders met {den staart) keen 
en weder kwispelen. Dez. Rbijnl. Wedspel, 57: 
Zyn staart . . . lag stil ter zyden af 
Te kwisp'len heen en weer — 
Storm van .'sGravesande, Luim. Ged. 174: 

Dan kwitpelde zijn staart jen. 
Tollens, Liedjes, 63 (van een bond): 
Hij kwispelde aan mijn zif. 
Kwispelstaarl en wispelstaart wordt beide gezegd, 
zie Huyd. Pr. III. 254, en Hinlopen aldaar. — Bil- 
derdqk zegt van de koelte dat zij »over 't veld 
om bloem en distel wispelV\ zie mijne Proeve 
ovei hem, 180; Van Beers zegt daarvoor kwispe- 
len , Jongelingsdr. (2e dr.) 72 : 
Het windeken van tak tot tak, 
Var, blad tot blaedje wipt en kwispelt. 
Figuurlijk is bet ww. genomen voor rondloopen , 
in de volkstaal draaijen genoemd; Bekker en De- 
ken, Will. Leev. IV. 35: je deed niets dan zo wat 

uitkwispelen en inkwispelen , zo wat wande-t. 

ten, Dez. Sara Burgerbart, II. 669: meisjes , die, 
de een voor, de andre na, in^ en uitkwispelen 
en kissebissen. leraand kwispelen is hem met een 
kwast water toewerpeii; Erasmus, Golloq. Famil.153: 
Hheylighe water, dat hy hem wel overvloedel^ck 



OHM 



KWISPELEN. 



36a 



in 't backhvt/s quispelde. — Uitkwufpeleti is mede 
bedr. voor uitgeeselen ; Van Swaanenburg, Aiieq. 
Difltel. 2fV7 : Qnispeldeine tneS uit onze Synagogen 
die fyne spooken eens uit. — Verktnspelen is ver- 
beuzelen. nutteloos verdoen; Jan Klaasz, of Ge- 
waande Dienstm. 3i : doer heeft men zyn tyd 
verkwispeld en vermald. — Zoo ook afkvnspelen^ 
zie het Wdb. der Ned. Taal, i. v. — Eene andere 
afleiding in omkwispeien^ in De Toekomst, 1867, 
biz 103: 

Het vischjen omkwispelt le (de wormpjens) en 

snaperf daaraan, 
De bet. van de volgende samensU is niet onduide- 
lijk ; Valentifn , a. w. II. 168 : U regie voder was 
een 6u/, die door zijn btirren aart nooit vaarshe- 
quispelstaerte. Bl. 321 : ontmoeUe one een dram- 
mel van ontaltjke wolven..,, die,,, ona vleiende be- 
quispelstaartter. 



Lagoheleu— Lagohen. 

Het frequent, lagchelen is, naar ik ineen, het 
eerst gebezigd door Bilderdijk in den Muzen-AIm. 
van 1827 , bl. 168 : 
De Lente kwam; in Hjeugdig blad gedoken^ 
Bloost reed9 de roos- het zwellend knopjen door^ 
Nog sluimerziek, en lachelt half ontloken 
Den morgen toe op H rijzend hemelspoor, 
Daama ook door Beets, Ged. (2e dr.) 45: 
Heerlijkheid licht tiit uw oog one tegen^ 
En gencuie in 't lachelen uws monds. 
En Korenbl. (1854) 4: 

Genade is op de tippen 
Dier lachelende lippen. 
Het woord is genomen in dentelfden xin a Is het 
hoogd. lachelny dat eig. een diminutief is, en van 
het prim, daardoor onderscheiden, dat het geluid 
minder hoorbiiar is, en meer beant woord t aan het 
nederl. glimlagchen. 't Bestaat meer in het trek- 
ken dee gelaats, dan in het geschater. Zoo heeft 
Luther in zijne Bijbelvertaling Jezus Sirach 21 , 
vs. 29 : Ein Narr lachet itberlauty ein Weiaer 
lachelt ein tvenig. 

Hetherhaalde iagchen heeft Van de Venne anders 
dan door het frequent, afgebeeld, Belacchende Wer. 
Voorr. : 

Lacchen moet ick, Lach-ha-hacchen, 
Om al 1 WerelU ydel Yet. 
Kil. drukt dit uit door lacftaehen en iets derge- 
lijks schijnt te iiggen in het znw. bij Jonctpjs, 
T<x>neel der Jal. II. 154: waardaor het hepleistert 
wijf tot diergelijken lachgelach ver$trekken kan, 
— Weil, vermeldt lagdMjk als bij Rodenburgh 



voorkomende ; noen ti*eft het insgelijks aan in de 
Levens van Plut. fol. 389 verso: hy en konde hem,,, 
niet onthouden van hem altijt eenich lacchelijk 
schamper woort te iaten ontvallen, Fol, 400 verso : 
ghewoon.... in sonderheyt eenich lachlijck looort te 
spreecken. — Men versta bier niet: belagchelijk, 
ridiculus (zooals Kil. het w. heeft), maar lachwek- 
kend. Nog iets anders is lagchig; Den Nederd. 
Helicon, 114: 

Sy sieter vriencUiJck uyt^ haer mend is lachigh, 

maar 

Met staticheydt verselt. — 
Onze gemeenzame taal zegt hiervoor lachachtig, 
d. i. neiging hebbende tot Iagchen; ik vind daat- 
voor iadhzuchtig bij Fokke, Yerzam. der Werken, 
II. 101 : de lachzuchtigste Thyrintier zou de che^ 
mie der menachelijke vochten kunnen hij%vonen , 
zonder eenigzins den mond te vertrekken. — Dat 
deze Grieken lachachtig van aard waren, bUjkt uit 
Bartb^Iemy, Voyage du jeune Anach. IV. 359; 
het was hun niet mogelijk, de gewichtigste zaken 
emstig te behandelen. 

LefFelen— Leffen. 

Het frequent, trefl men aan bij Baardt, Deug- 
denspoor, 263: 

Ai staen de Kinders aen de Banck^ 
Men gaet nochtayut sijn oude ganck, 
DuH gaetmen aelfs sijn Kinder voor.,. 
Men kiist^ men leffelt, uxter men gaet.- 
Aid. 294: 

Hy soent, hy leffelt, en hy drinckt. 
Waarvan ook het subst. leffelijy aid. 12i: 
Soud ick van mijn geleert Studoor,,,, 
Gaen maken tot de Vryery, 
Off ander wulpae Leffely, 
(raen maken Winekels tot de Minf 
En bij Valentijn, Werken van Ovid. I. 144 : 'Tis 
tang genoeg geleffelt. Vangt wat grooters aan. 
Bl. 218 : dat se met u praten^ hebben sij met dui- 
sent vrijsters gelefTelt. D. III. 74 : Doen bestont 
de welsprekendheid in 't vermurwen van een barsae 
tas^ en ijder sleep de toftg om voor sig selfs te 
leffelen. D. I. 201 : H voegt niet dat welspree* 
kende vrijers onder 't vrij-geleffiel stadhuiswoorden 
dreunen: 

De bet. van dit ww. is blijkbaar lief praten , 
minnekozen, Hefkozen, zooals leffeln en loffeln 
dan ook in dien zin voorkomen in H6fers Idioticon. 
Het primit. leffen heeft onze Kil. die het verklaart 
door snappen, babbelen ; doch htj heeft ook het 
subst. leffe voor eene hoer, als die door hare tong 
den man verleidt. fldfer leidt het w. af van lieff 



868 



LEFFELEH. 



304 



Hever denk ik aan lip, oudh. en raiddelhd. lefs, 
hoogd, /e/Ve, lepse. Men vergelijke OQk Kiliaans 
leffe met lehbey waarvan op Lahbereti^, — Zie mode 
Leeveren^. 

Lengelen— Langen 

In het Alg. YK Idiot is lengelen, ook lingelen 
uitgesproken »de hand uitsteken , om \erder te 
kunnen schieten". Het is dus het frequent, van 
langen, d. i. in de lengte uitrekken, en alzoo reiken, 
uitstrekken. Het ww. lingen noemt Kil. vlaamsch 
voor verlangen, en zoo leest men in de Antw. 
Spelen van Sinne , 286 : 

Laet 07%8 doer henen nemen den loop dan , 
My lingt naer hem , die my rnijn ghebreck vel- 

len sal. 
Voor verlangen vindt men lingen in Der Lek. Sp. 
zie het Gloss.; en bij Halliwell is to ling de tong 
uitsteken. 

Lispelen— Lispen. 

Kil. heefl beide wwn. ^oor stamelen. Die be* 
teekenis is niet volkomen juist aangewezen. Lis- 
pen is eig. met onvasten tongslag spreken, hetzij 
doordat de tong te lang is, of dat een der voorste 
tanden ontbreekt, waardoor, zooals Adelung zeer 
juist aanmerkt, een valsche zachte 3 gehoord woi*dl; 
en lispeln beteekent in 't hoogd. hetzelfde. Zoo 
wordt onder de gevolgen van het te veel wijn 
drinken, Dietsche Doctrin. 271 geteld: 
Lespen oec inder spraken, 
Ende die oghen leep maken. 
Oudhoogd. is lisber of lispar iemand, die met een 
sissend geluid spreekt; zie Graff} Kil. heeft daar- 
voor lispeler, blaesus, titubator. Een ady. lisp 
heeft De Groot van Mozes, Bew. v. d. waren 
Godsd. 15: 

Noyl sonder sulcx te sien en hud dat stoute volk 

Den lispen Amram» soon geJumden voor Godts 

tolk, 
Bredero, Poem. 19: 

Den bull' naer, korl gekromt, den stamlaer, lisp 

in Hspreken. 
Vandaar bij Erasmus, Golloq. Famil. 61: een sia- 
melende en iispende tong. 

Lispen is ook gezegd van zacht windgeblaas ; Bil- 
derdijk, Mengelp. I. 113: 

De teedre scheutjens..,, van H flaauwkens lispend 

kruid 
Dautzenberg, Ged. 98 : 

Lief is der beek murmelend gelisp. — 

In den tfg. zin van spreken is lispen zeer verschil* 
lend toegepast Bij Benecke is Iispende kosen met 
gladde tong spreken. Meermalen is het zacht of 



fiuisterend spreken ; Sprankhuisen , Geestel. Ba-< 
taille, 47: Syne beke»iden en vrienden.,.. met haer 
luysteren en lispen, vallen hem lastich. Bellamy, 
Proeven, II. 280: Somis lispt hij ook met Dames. 
P. Moens, Joh. van Oldenb. 286: 

De zelfvoldoening lispt Gods troosttaal in 'Ige- 

weten. 
Tollens, Dichtbl. 10: hij lispt hcuir in Hoor. Dodd, 
Liefde-Lief en Leed, 74: 

Zij hebben haar in de ooren gelispt 
Vele ^aseHjke zaken, 
Uiertoe behoort ook nalispeti ; Nierstrasz, John Ho- 
ward, 6: 

Hij bidt dat de Almagt hem gaedgunstig ga- 

desla. 
En luistrend ligi de groep en lispt zijn woorden na. 
En Huygens stelt het tegenover spreken, voor 
bedillen of gispen, I. 299 : 

— in den druck van eer of ofieer, van berispen 
Of prijzen; naei* het volck of spreken will, of 

lispen. 
Zoo ook 'zeker dichter achter deszelfden Ghebruik 
en Ongebr. van 't Orghel, 170 : 

— H Vaderlijck berispen 
Van al mijn Uisteren, en lueghenen, en lispen. 
Hiervan bdispen bij Van de Venne, Bel. Werelt , 
178: 

Laete wy niet veul berispen. 
Of te dwaas het dwaas belispen 
Van het gecke Jong en Oudt, 
Lispelen bezigen wij voor het zachte blazon van 
den wind ; Bilderdijk, Mengelp I. 90: 
Men hoort de{n) wind door reep en zeilen rut- 

schen. 
En lispelen, longs mast en waterboord. 
Van Loghem, Mengeld. 63: 

Staak, luchtig windje ! uw lisplend blazen, 
A. M. Moens, Dichterl. Proeve, 128: 
Hoort in het ruischen der cedren den lof der 

verrezenen lisplen. 
Waarvan ook tegenlisj}elen, Bilderdijk, N. Uitspr. 
122 (zij d. i. de ziel) : 

Lispelt wien zij lief heeft, tegen. 
In het windtjen, dat haar voert 
En den luchtstroom flaauw beroert» 
Toelispelen; Van de Kasteele, Oden van Klop- 
stock, 82: 
Lispel mij toe, uit het gezang der ontvlamde 
Zoonen des heils — 
En uitlispelen; Bellamy, Ged. (1836) bl. 195 : 
Het darlel windje kwijnt. 
En lispelt, op een trillend blaadje, 
Zijn' l€iatsten adem uit / 



906 



LISPELEN 



966 



Hel w. zegl ook gebrekkig spreken ; De vrije Fries, 
VI. 373 : Doorgaans spreketi zij dan ook^ gelljk de 
EngeUchen, veel dooi* de tanden, lispelen enz. — 
zoowel a Is zacht spreken, fluisteren ; Van 's Gra- 
ven weert, Verspr. Lettervr. 420: 
Nog hlijft zijn heldenziel, bij 'tlisplen der ge- 

zangen 
Van 7 hemeUch orgelkttor, aan Nedrlands wel- 

zijn hangen. 
En Stalder heefi daarvoor lutein , lyseln , lisseht, 
gliseln^ waarvan het grondwoord is het middeln. 
en middelhoogd. iwe, zacht, hoogd. leise^ Brem. 
Niod. Wtb. en Schambaoh lise, Von Schmid liesch, 
rustig, kaJm (*); Van Velthena, fol. 285 : 
Dit vernam tc, ende ginc lise 
Tote daevy om dit te siene. 
Sinte Christine, Vs. 1176 : 

— 9i haer oghen toe dede^ 

na die mahiere ende die wise 
dies si pleghen die slapen hse. 
D. Warande, III. 309 : 

doen waest haer swaer dat si soud gaan 
ter tafien, daer si soud so lyse 
nutten eneghrande lichamlec spise, 
D. i zachtkens, stillekens. Aid. IV. 169: 

— also ghelikerwise 

als men werpe^ seer ochf lyse 
een droppele waters in een vat^ 
Maerl. Sp. Hist. I. 163: 

Die last was nief te telne lise. 
D. i. de last was niet licht (genoakkelijk) te tellen 
of te begrooten. Elders is bet stillekens, zie de 
de twee pll. bij Huyd. op Stoke, III. 233, met welk 
stillekens als diroinutief overeenkomt^tse^tne; Lan- 
celot , B. IL vs. 2761 : 

— hinnen dat hi dit seide te hem 
Hief hi op lisekine te hant 
Hestors halsberch metter hant, 
Vandaar ook liselike; Passionael, Winterst. fol. 168: 
hy hoorde een stemme die hem al liseliken riep 
mit synen tiaam. Kausler, Denkro. I. 120 : 
[nt eerste leide die quade Boutsaert 
Up des graven hoeft liselike cUit zwaert, 
Hor. Belg. IV. 27 : 

« rechte haer op ende stac 
haer aenschijn over theddd>oom. 
Elegast die nam dies goom 
ende croper liselike toe. 
Aid. XI 93: 



(*) Het 01098. op Der Lek. Sp. brengt tiler ook toe het 
fniosche Ugge, wal echter, naar *t my voorkomt, met meerder 
grond van 'tgr. liuot a/^eleld wordt. 



Hi clopte so lijselijck aan den rinck 
. Hi worde cUier in gelaten^ 
Tsnachts . ontrent der middemacht, 
De Gasteleyn, Pyramus ende. Thisbe, 22 : 

Snel is u komste^ u vertrek lijselick. 
Aid. 42: 

-> hoe wy hier secreet en lijselick 
Tsamen spreken — 
De Harduyn, Goddel. Wenscben, 157 : 

Want soo sy maer en wordt hoe lijselijck 

onibonden, 
Terstondt sy haer helaasi voor eenen Rechter 

siet 
Spiegbel, Hertsp. B. III. vs^ 45 : 

Qtiam my een ?idle stem al lizelijk ter ooren. 
En B. IV. vs. 32: 
Ik hoorde zoet gheruysch, dat in een hoos quam 

voortj 
Al lyzelijk, duer cf Amstel tot Meerhuyzens 

boord. 
Erasmus, Golloq. Famil. 119 : Somtijdts werpen (de 
slangen) haer al lijsselijck kruypende in den mondt 
det* slapenden. Zie wijders Huyd. op Stoke, III. 
234, en Oudemans, Wbk. op Bi'edero. — Huyd. 
heeft een voorbeeld van HissentUjck; (tie inschui- 
ving der n voor den uitgang treft men reeds aan 
in den Lancelot , B. II. vs. 36817 : 
— hi deetene al lisenlike 
Metter joncfrouwen deileren vrindelike. 
Doch Kil heeft mede lijnse^ Ujnselijcky lijnsachtig^ 
en houdt dat 'VOor den primitieven vorni, naar 
't schijnt : ook deze ingevoegde n komt raeer voor, 
en wel reeds in bet middelhoogd. linse bij Benecke, 
en het zwat^ische leins bij Von Schmid. 

Onze volksspraak heeft nog lijsachtig en lijzig 
behouden. 't Laatste heeft ook De Harduyn, Goddel. 
Wenschen, 58: 
Maer soo ghy met u handt hoe lijsigh dat ghe- 

naeckte^ 
Van vleesche, beett, en bloedt ghy my een lichaem 

maeckte. 
Aid. 440: 

Men siet de nuelde van H Compos 
Hoe lijsigh iemandt die doet beven^ enz. 
En 493: 

*Tux>rdt aen Adam cU gheweten 
Dat hy lijsigh heeft gebeten 

hi den appel die hem schonck 
Eva teghen sijnen danck. 
lets lijzig doen is hier, overeenkom^tig de eerste 
beteekenis des woords, iets zacht of stillekens 
doen; doch tegenwoordig verbindt men er het 
denkbeeld aan van traag, onhandig iets verrichten. 



967 



LISPELEN. 



fMfi 



Als men dus een onhandig mensch een liJH noemt, 
behoeft men juist niet aan Lijsbet of ElizcLbeth te 
denken. Ik onderscheid daarvan den naam lange 
lijs^ waarmed men een lang man bestempelt, welke 
benaming mij voorkomt onUeend te ztjn aan de 
]ange vazen, kruiken of flesschen, alzoo geheeten. 
Daarvan leeat men in Bekker en Deken, Corn. 
Wildschut, III. 48 : ik, die mijn huia propvol meti- 
belen heb, met kraakporcelein en met lange lijzen. 
"t Lange lijzen met zes merken" zegt Beets, Cam. 
Obsc. 109. Bij Schmeller is Itself lisl^ onder anderen 
groote kruik. Ook zekere chineesche theekoppen 
dragen dien naam, volgens Van Effen, Spect IV. 
79, en Mr. Pan brengt hem thuis op de lange , 
ranke poppen, die daarop geschilderd staan ; zie 
De Taalgids, I. 28. In dien zin leest men 't w. in 
Bekker en Dekens Brieven, II. 58: een stel met 
lange lijzen heschilderL — Andere lijzen worden 
bedoeld in Tondalus Visioen, bij Blommaert, Oudvl. 
Ged. II. 54 : wider desen boom saten wiven ende 
Tnannen op guldine ende ivoore lijsen. D. i. ban- 
ken, zitbanken ; zie KiL en De Bo. 



Httflblen, zie Moflblen'. 
BEaggelen— Maken. 

Yolgens Weil, en Laurman beteekent maggelen 
in Groningen »nietsbeduidende baken en oogen 
met de pen op het papier halen", en volgens bet 
Letterkundig Magazijn voor 1822, D. I. 600 »slecht 
en ellendig schrijven.'' In Overijsel, volgens Hal- 
bertsma*8 Wbk. »met de pen op het papier krib- 
belen als kinderen." Doch in Drenthe »moi*sen", 
zie Dr. Volksalm. 1844, bl. 155; vanwaar ook aid. 
mcLgge, vooi'schoot of boezelaar, als 't ware een mors- 
kleed. In den groningschen zin leest men bemag- 
geleii bij Brugsma, Opmerkingen en Wenken, I. 
20: daar zijn de vroeger geschrevene schriften 
niet bemaggeld of opzettelijk bemorst. Deze be- 
teekenis is echter eene bijzcnder toegepaste van 
de meer algemeene van morsen, die in Drenthe 
beerscbt. Te recht tocb, naar ons inzien, verklaart 
Halb. t. a. p. maggelet} ^n met makelen^ van 
makel^ bij Kil. viek, tnacula. Het friesch zet het 
woord oni tot malken^ mcUkje, of liever dit is ge- 
zegd voor malegen; zoo heeft ook Von Schmid 
mailigen, bevlekken, en vermcUgen, veionti'einigen, 
van mailen^ een vlek hebben. Als eene sanien- 
trekking van makel komt bij ons maal voor, in 
den zin van vlek; Spi^hel, 271: Buylen en 
bkiive maal }iQeden (fik poor ongheval. Westerb. 
Ged. IL 26 : 



— de wratjes en de maelen — 
Te kussen in sign Lief^ UMxe»* of dat oock uyt 

spruytf 
Het hoogd. heeft daarvoor mahl, volg. Adelung 

■ 

saamgetrokken van machel\ voorts mcUiel^ (bij 
Von Schmid makes) vlek, makeUoos, onbevlekt, 
makelig, bezoedeld, en bemakelen^ bevlekken, 
bezoedelen. Van dit laatste kan het ww. bemokr 
kelen afkomstig zijn bij Valentijn, Werken van 
Ovid. I. 211 : Bloet! hoe bemokkelt vrou natuir 
u schoonheid, — En in onze platte volkstaal vuil 
maken , bezoedelen , beteekenende , en ook door 
Weil, (op Mok) vermeld ; misschien echter is dit 
smokkelen^ zie Smokkelen\ 

Van makeif vlek, heeft Schmidt het ww. ma- 
keln^ mackeln^ ook mackeseny tnacksen^ voor »vlek- 
ken slaan", en vandaar slaan, in 'talgemeen. 

Wat den primitiefvorm van maggelen^ makelen. 
betj'eft : volgens Adelung beboort bij tot die woor- 
denreeks, welker hoofdbegrip beweging uitdrukt 
en van welke men het ww. mcUten^ hd. machen^ 
vooi' zoover dit eertijds in 't algemeen »bewegen" 
te kennen gaf, als de bron mag aanmerken. Er 
behoort mede toe malen, maa^en^ hd. mahlen , 
mdhen enz. 

Makelen— Maken. 

Adelung acht het waarscbijnlijk, dat het frequent. 
makelen afkomt van het hollandsche makefi^ d. i. 
verdrag maken , wanneer niet (laat bij er op Vol- 
gen) veelmeer het begrip van handel drijven het 
heerschende is. Doch noch verdrag maken , noch 
handel drijven wordt bij ons door maken aange- 
duid. Ik meen dat Kluit (op Hoogstr. 304) de 
beteekenis juist omschrljfl, als hij zegt: >Met dit 
makelen wordt dan een dikwils of herhculld maken 
aangeduid; want gelijk maken beteekent een zaak 
beschikken, bezorgen, zoo geeft makelen te kennen 
een aanhoudend bezorgen ^ een over en weer be- 
schikkeny over en weer gaatt, enz." Overeenkom- 
stig met den aard der frequentatieven, beteekent 
makelen ook wel een maken in het klein, ea nadert 
dan ons knutselen. In zoodanigen bedrijvenden 
zin bezigt Hooft het ww. Brieven, III. 117: belan- 
gende Uhanteeren met die staetlijke Heeren Ita- 
liaenen er^, andre ; 'twelk ik schijne gemaekelt te 
hebben enz. Huygens in dez. Brieven, III. 195: 
om tussen deselve ende gemelte Heere soodanighen 
midetiingen verstand ende vrundschap te maecke- 
len, als U. E...., aetigenaem wesen zal. Ogier, 
De Seven Hoofts. 107 : cost ick het helpen maecke- 
len. David, Vaderl. Hist IV. 556: een huwelyk 
gemakeld tusschen den jongen Lodewyk en Mar- 



OoQf 



MAKELEN. 



370 



gereet — Dooiigaans echter wordt het w. toegepast 
op een besehikken in handelszaken ; dqs Van der 
Veens Zinneb. 86 : 

Wat hatet dot een Makelaery 
SiJ7i groote winningh gciet verspeelen ? — 
Het maeklen van alsulken man baart sonde ^ 

schad^ en schant. 
Pater, Nagel. Podzy, 6: 

Geen Kooptnan denkt am winaly geen Makelaar 

om H maaklen. 
Paffenrode, Ged. 157: 

Ik wou voor den Baas {gelijk ik schtUdig ben) 

op mgn fatsoen aoo wat makelen. 
Schimp- en Uekeld. (Uoorn, 1718) 125: 
Jan Neefl komt dat van het jaasen 
En van 'tmakelen, goe maatf 
Wei je ivord een man van stcMt. 
Uoorns Liedb. 272: 

Het wijntje leert ons mak*)en, 
Zeyt Bruyd'gom Esterweeg^ 
Het spraaklit kan bent kaak'len 
Wie H wijn^e drinki ter deeg, 
Ungendijk, Ged. UL 419 : 

Of men koopt^ en of men makelt, 

Of men H land regeerty of preekty 
Of men rymt en of men kakelt^ 
Yder zoekt dat hem ontbreekt, 
Bekker en Dekeu. Econom. Liecyea, 324: 
Zeun^ zetd zy^ je moet door maaklen 
En door.uit en in te kanklen , 
Toonen dat je winklen ken. 
Van Swaanenburg, Arl. Diatel. 349: (Hy) baekmn- 
kelde en makelde in klinklaare Poesy. Bekker 
en Deken, Com. Wildschut, II. 52: Pieter makelt 
alreeds in de Brunsw^jker garens, — Anders 
wordt de bet. Berkhey, Akad. Vertell. I. 259 : 
Wat dat de Luiden doen^ met spreeken en met 

' kaekHen, 
Het Vonnis was geveldy er was niet aan te 

maek'leD, 
Dee gaan de Boertjea met dat mooije Yonnis 

heen. 
Hier wordt het w. genomen voor herdoen, veran- 
deren (door praten of nauw dingen). Zoo ook 
Bilderdijk^ Chalmers' Bewijs euz. 218: Met den 
Bijbel if geen makelen. geen byleggen. 

De oorsprong van ons bekende makelaar is der^ 
halve niet ver te zoeken, en Hoogstraten bespot 
te recht t. a. p. de betweterij van de amsterdamsche 
makelaars, die aan de posten hunner deuren stel- 
den: Mask klaer, lie ook de Werken der leidsche 
Maetsch. VII. 313. Hooft zegt van eene vrouw in 
verachtelijken sin : mcUielstery btj Kil. maeckeleraee; 



zie het Wbk. des Inst. Uet makelaarsloon heet 
makelgeld bij Bredero, zie Oudemans' Wbk. «- 
Onze volkstaal zegt makelij voor maaksel, en ik 
lees dit wooi*d bij E. Wolff, Mengelp. I. 167: te 
groot van stuk, te grof van makeltj. Bilderdijk, 
Brieven, V. 129: ziUk een aaamgestelde en kranke 
makely ale ons Itchaam is. Halbertsraa, Lappe- 
korf door Goeverneur, II. 161 : 

De stof is fijn en *t makelij 
Is naar den nieuwsteh trant. 

De fransche dieventaal zegt voor faire^ tnaquilUer^ 
dat in vorm met makelen overeenkomt; zoo is in 
Victor Hugo's Les Mis^rables, VII. 417 : maquiller 
une tortouse »faire une corde", en p. 427 : rien 
a maquiller Id »rien k faire \k*\ 

Het fransch heefl maquereau en maquerelle 
voor man of vrouw die huwelijk koppelt en hoe- 
renwinkel houdt. Zonderlinge afleidingen daar- 
van vermeldt Scheler; hij zelf leidt het te recht 
van ons makelaar af ; aan den anders nauwletten- 
tenden Hoeufft is bet w. ontsnapt. De vrouwelijke 
vorm kwam mij voor bij Sprankhuisen, Van de 
Scheppinge, 21 : De Mane tnochten wy met recht 
noemen.... een makeielle van de Huwelijeken. 

Mangelen'— Mangen. 

Mangen^ angels, mangianj ijsL mangtt, is han- 
delen, handel drijven; manghaus bij Von Schmid 
een winkel of handelmagazijn. Vandaar (behalve 
mangereny zie dit woord) mangelen, bij Schmeller 
mdnkeln^ bij Benecke menkelen^ handelen, ruil- 
handel drijven, ruilen. Dus in eerstgem. zin, 
Janssen en Van Dale, Bijdr. VI. 230: 
Onbeyty laet my spreken van mangfaelen^ 
Die jaerHjkcx de maerkty ter cause van dien, 
Comme besoucken, 
Jan Zoet, Adel. Huisvader, 157 : een goede Huis" 
tiouster geacht zyn, inkopeny verkopen en mange- 
len. — Ook met een voorwerp, Vondels PoSzy , 
I. 164: 

Hy mangeh zijne zijdcy en zyn kattoene waren> 
En in laatstgenoemden zin Maeil. Sp. Hist. I. 114: 
Archabanus quam daer ter stede 
Metten anderen gewapent mede. 
Doe sprae die jongelinc inder gebare, 
Alse of sijn halsberch coriere ware. 
Of Arcfiabanus manglen woude. 
Ogier, De Seven Hoofls. 77: 

U dochter ataets'u af; ick mangel dity om hasr,.., 
Dosynen Dochters,... 

Die mangold* ick gelyck om sulck een lieven 

Dingen, 
Vrouw. Gieraet van St. Agnes, 106 : 



371 



MAN6ELEN 



372 



— Dan ick en heb geeti zin 
Chn voor een dopjen gouds^ een hraeltjen meer 

of mifiy 
Doer tne'e de ielc lust vermaecki werdt van de 

Te rnang^len tnijn ^msl in zoo veel beel-'herou' 

wen. (•) 
Poirlei*s' Duyfken, 28 : soo sij doer amlerlie cruys- 
kens vmiden die minder waeren ois de hunnc... 
dat het hun vry slont met die te manghelen. Dez. 
Masker van de Werelt. 141: wandelende door deti 
hol\ mangelen sy met malkixnderen dc Trouw- 
rinyen, Levens van Piut. fol. 540 : de strcUen der 
deucht^ ende de hope der onstei^jfelijckheidt der 
sielen^ mette welcke wy manghelen.... alle de onghe- 
macken die wy begrijpen in dit verganghelijck leven, 

Vandaar mangeling^ haiideJ ; Vondel, Brieven der 
H. Maeghden , 41 : 

— dat hy^ zonder achterdocht, 
De have zyner bruit gewillighiyck verkociU^ 

Op hoop, dat zy U genot der mangelinge trou- 

welijk 
Besteden zou, enz. 
Kausl. Denkm. II. 74: 

Ic ate al ydele manghelinghe, 
Ic ne mach der minnen niet^ 
Doer men die herte gedeelt tdet 
Ende hare minne werpen onberaden. 
d. i. ik haat alle lichtvaardige ruiling of verwisae- 
ling van rainnen , waardoor men nu den een en 
straks een ander lief heeft. Van Mander, Bethle- 
hem, 7: 

— mangelinge onvroet, 

De bitter doodt in plaets van 't leven soet. 
Schippers, Verov. van Rhodes, 52: 

Ey! Periandre, neem, ey neetn toch deze band 
In mangel ing van dien , die met haet* lieve 

strikken 
Mijn ziel zoo houwt bestrikt, — 



V*) Ter ophelderiDg van deo zIn vaa bet com{M>sltuni beel- 
herouv) dlenl bet w. heelen^ by denz. scbr. eenige regels booger 
Yoorkomeode : 

— Die nu begeerten heeft 
Met kostelick getoaed met strycken, en met streelen 
Te koopen een getal van rouwen en van beelen, 
Die,gae voordaen te toerck. — 
Beel Is wat wy noemen rouwkoop, d I berouw van een' of 
anderen bandel gedreven, eene of andere verbintenU aan- 
gegaan te bebben By Plantyn Is beel zfin se repentir d un 
marcb^ marlage et semblable De Ktlianus aoctus (t64i) 
geen dezelfde verklaring Het werkw beelen Is Indezen zIn 
nog gangbaar In bet zecuwscb dialect van SIuls en Axel; 
zle myn Arcblef, II 156, en Te l^tnkels IS' xNed. Taalm. 11 
908. waar ecbter, biykens het aangevoerde. de opgdven der 
beteekenis wel otet lalst ralUn geacbied zyo 



Ook in concrete bet.; Van Teylinghen, Paradijs dei 
Wel1u8licheyt. 67: wnf m»nge\\nghe sal den mensch 
gcven voorsijne zielef — Mcde eenvoudig mangel; 
Krul, Minne^p. Faustina, 86: 

Al xvacrt dfit my een Uof van Marmor opge- 

bout, 

Voor decs myn rosekrans in mangel wicrd ge- 

boden. 
In de rekenkunst is de term mangelen^ mangeling^ 
bekend. In een stuk uit de dertiende eeuw bij 
Von Schmid is menkeller een handelaar. Zich 
mangelen is bij Bredero verkeeren, veranderen ; 
zie Ouderaans' Wbk. In de D. Warande, I. 417, 
leest men mede een' wederkeerigen vorm : 

Daer zijn groote crijghers, die hem manghelen 

Metier coopmanscepe ende die vervulen. 
wat ik opvat ah handelen of niilen up ongeoor- 
loofde wijze, waarvan ook Schmeller gewaagt. 

Vermangeleti leest men in Janssen en Van Dale, 
t. a. p. : 

— Thoocht up, laet ziefi 

Wat ghy vermanghelen %mlt te deser feeste. 
Van Goor, Beschr. van Breda, fol. 308: erfgoeden^ 
ende renthefi^ die voor andere erfgoeden ofte ren- 
then vermangelt zyn. Van Alkemade, Beschr. van 
Briele, 11. fol. 70: hoir principals goet, dat zy 
dan fiebbefi... niet verse f ten, verkopen, veiinange- 
len, belasten. Mourentorf, Twee Boecken van Lip- 
sius, 150 : dit. syn de vruchten, die welcke ick niet 
en sol vermangelen teghen alien de rijckdommen 
enz. Erasmus, Lingua, 123 : datse hunnen weytsa^k^ 
oft male eens vermanghelen. Vondels Vii-gilius, 
12: dan zal de zeeman het varen staecken^ geene 
kiel heur waeren vermangelen. Feith, Poet. Men- 
gel w. 202: hier plant ten zij wijngaxirden, verga* 
derden den wijn, en vermangelden dien.... tegen 
landvruchten. Wagenaar, Vad. Hist. II. 134 : het 
Regt, om {de tiendeti) te doenr invorderen, of te 
vermangelen, naar zyn welgevallen, Levens van 
Pint. fol. 212: ^oo liet hy eenen van dese jonghc- 
linghen zijn cleederen uyttrecken, ende met hem 
de cleederen vermanghelen. 

Mangelen*— Mangen. 

Voor ons legenwoordige mangelen, d. i. linnen, 
wollen of andere stofifen pletten, heeft Kil. zoowel 
als het hoogd. den primitiefvorm mangen, zooals 
ook mange voor ons mair;el, het werktuig voor 
die plotting. Hetzelfde woord is mangel, in de 
belegeringskunst bekend voor werpmachine of 
muurbreker, bij Benecke mange, doch ook bij onzen 
Maerlant, Rijmh. vs. 19484: 



373 



MANGELEN. 



374 



— alst quam an die daghertiet^ 
Sach hi hoe die heidine vochten 
Ends niangheii etide ledren brochten 
Die veste te winnen mede. 

Hon Belg. V. 90 : 

si brochten manghen etide pedrieren, 
Kil. : »mangh6, mangheneel, machinae bellicae ge- 
ntw." — Aan tnangeleti^ waarvoor het hoogd. ook 
ntandeln zegt, acht Adelung verwant mangeln^ 
volgens hem bij Friscb en ook in verwante noor- 
delijke talen vechten, strijden, beteekenende. Ik 
merk daarbij op, dat ook de Teuthonista heeft, 
»Mangel, gevecht ; mangbelen, veclUen.' 

Mangelen*— M anken • 

Voor manken bezigen wij doorgaans bet basterd- 
woord rnankeeren, fr. manquer, Het eerste komt 
echter bij Kil. 'voon Due Marnix, Ps. 142, vs. 6: 
— wie recht voandett sonder mancken 

- Sal goeden name nae hem laten. 
En nog David, Nederl. Ged. met Aantt. 83: ivat 
hier mankt, is dat de Dichter zulke pee^^en Uiet 
op den hoi gaen, 

De meer gewone vorm was minken; Leven van 
St. Amand, I. 161: 

— Amand heeft verhaelt 
Sine glose ende sijn dinken^ 

Ende bat den bisacop sonder mijncken, 
Dat hi hem hier up gave raet. 
Moeiman, Gleyn Werelt, 127 : 

Eenen boer mestede syneti wijngaert sonder 

mincken. 
De Brune, Zinnewerck, 26!): 

Och hoe veel onnutte blaen 
Hebben Hop de vrouw ghelaen ! 
Die nochtans aen ziel^ of lijf^ 
Noch in eenigh hand-bedrijf^ 
Noch in fierssens, noch in tin, 
Niet en mincken erghens in, 
Y. d. Muyr, De Ketelboeter, 3: 
D€ier sal H niet aen mincken, ic sal't wel louter 

doen, 
D. i. ontbreken, in gebreke zijn ; doch ook bedrij- 
vend voor ons vertninken; Maerl. Sp. Hist. I. 343: 
Die vrouwe sp^^k : Vonjoaer dat hort , 
Dat ic lievere hier verdrinke, 
Dan ic mine suverheit minke. 
Meyers Lev. van Jezus, 37: Nit dat imen sinen 
lichame si schtildeeh te minkene. Bij Maerlant is 
hei w. voor* minder worden, afnemen; Rijmb. 
VB. 22502: 

Ic moet mincken, nti mercKet deSy 
Ende hi moet wcuten — 



In de pi. GoQstth. Juw. 479: 

Ick wil op die Armen altjjt gaen mincken, 
En thoofien barmherticheyt , als God selfs heeft 

ghedaen. 
is het w. vermoedelijk genomeii voor micken^ d. i. 
leiten. 

Het naamwoord is bij Kil. mincke en meneke. 
Van 't laatsie geeft Van Hasselt een vooi-beeld. 
Het eerste hebben onze Ouden, b. v. Maerl. Sp. 
Hist. I. 109: 

Doer wart liem up des scepes bort 
Afgeslegeft die rechterhant^ 
Doer hi tscip mede geprant. 
Hine liets niet dordie minke, 
Hine hilt tscip an metier slinke, 
Ferguut, vs. 5234 : 

— ic hebbe ai te grote minke, 

mijn die schinkel es te broken* 

Despars, Gronijcke van Ylaend. III. 262: veel di- 

versche mincken ende grievelicke quetseuren, Het 

komt nog voor bij Udemans, Geestel. Gebouw, 60: 

Litteyckens dienen niet^ maer deugden moeteti 

blincken ; 
Maeckt dat men doer op siet in plaats van utue 

mincken. 
Lager aldaar: 
Die sonder eenig* minck de zwaerste wotid* 

genas. 
Men vindt ook manhy Der Minnen Loop, B. II. 
vs. 2701 (de variant) : 

^- wes men gheiooft den goden 
Dat salmen houden sonder manck. 
Wij hebben tfians mank als adj. voor verminkt 
aan de beenen, kreupel, en Willems heeft daar- 
van een ww. mank<n^ kreupel gaan; Brieven, i21: 
Het been,., is,., uit zijn schamier geraakt.,. Mis- 
schien zal hij zijn geheel leven moeteti manken. 
Doch vroeger gold dat voor verminktheid van 
wat ligchaamsdeel ook; Maerl. Sp. Hist. 11. 286: 
Schent di oge^ hant oft voet , 
Werpt van di: hets noch also goet 
In hemelrike mane gevaren^ 
Dan gesont ter helscher scaren. 
Elders voor gebrekkig in zedelijken zin. Van Man- 
der. Gulden Harpe, 64: 

Ihii vreesden sy eer UMick 
Den Heere maer al manck 
En niet nae sijnen danck, 
De volgende pi. uit Reinsert de Vos, 168: 
Gi weet so claer der wereU staet^ 
Dat niemen en mach voor u gaen mane, 
had door Willems wel opgehelderd mogen worden 
De spreekwijs, die mede bij Harrebomto gemist 



375 



MANGEU3(. 



376 



wordt, vindt hare verklaring in 't geen Weiland 
zegt: i^Gij hunt voor mij niet }nank gnan, gij 
kunt uwen naturelijken gang, uwe geaardheid en 
ware gedaante, voor mij niet verbergen." 

Tot de bij Kil. niet voorkomende vormenbe- 
hoorl minksel, verminking, waarvoor wij ook wel 
let9el zeggen ; .Willems, Mengel. 441 : Sloghc hine 
oec dot hi hlodde sender mincsele. Belg. Mus. YII. 
301 : Wie eenen man doetalaet. oft mincsel geefty 
oft quetst^ enz. Zie mede D. VI. 294. — Ook 
menksel; Ogiei\ De Seven Hoofts. 25o: s'en heeft 
krencksel, noch rocucksel. En mingnesse, var. mine- 
tiessCy minkenesse^ minckenisae] Maetl. Rijnib. vs. 
20766, van iemand, wien de ooren afgebeten xijn : 
Dat hi dariy hi dier mingnesse, 
Den dienst Gods nemmermeer dede. 
Voorts gemink^ adj. Levens van Plut. 263: yemant 
mel eenen voct gheminck zijnde. 

Het fi'equent. mrmgelen heeft meestal den onpers. 
vorm, b. v. Wagenaar, Vad. Hist. IX. 224: het 
mangelde hem,dikwilsy fia^fre/eid. Porjeere, Dichtl. 
Uitsp. 20: 

Het mangel t mij te veel cian redelijk ontzag! 
Bogaet*s, Gez. Dichtw. I. 81 : 

Ook raangeide't cuin Hoofden niet^ 

Bekwaam een kiel door zee te slieren. 
Doch ook persoonlijk ; Vondel, Poezy, I. 633 : my 
mangeleii geen jarcfi. Bekker, Bet. Weereld , IV. 
21 : Die nu niet weet dat daar iets aan geman- 
geld heeft. Bilderdijk, Luchtreis, 46: had niets 
aan mijn wen srMen ^emBn^e\d. De Lannoy, Dichtw. 
145: 

Wat trekken mangeten nog aan 7 glorierijk la- 

freelf 
De Thowars , Zriny, 123 : 

De ruiters mang'len, goed en voorschot , ^t een 

als Hoar, 

Het oudduitsche mangalon had reeds dezelfde 
beteekenis, die mangelen nog zoowel in het hoog- 
als in het nederduif sch bezit; doch het beheerschte 
er den genitief, die Adeiung zegt in 't hoogd. on- 
gewoon te zijn , en die mij bij ons onbekend is. 
Zie GraflF. II. '807, en voorts Ten Kate, U. 672, en 
Schmelier. In de N. Werken der leidsche Maatsch. 
III. St. II. 333, staat manghelen opgegeven als 
ergens voorkomende voor »niissen, in den zin van 
zijne beurt (in het drinken) te laten voorbijgaan." 

Het nw. mangel voor gebrek is onzijdig ; het man- 
nelijk te gebruiken, zooals de taaikundige Wise- 
lius, Mengel- en Tooneelp. V. Voorr. bl. 74: Deze 
mangel aan geld — en de niet minder geleerde 
Ypeij en Dermout, Gesch. d. Herv. Kerk, I 421 : 
de mangel aan hoo^ — strijdt zoowel tegen 'de 



geslachtsbepaling van Hoogstraten en Kluit als 
tegen 'die van Bilderdijk. 

Hanselen— Mannen 

Bij De Bo is het ww. mnnselen schikken, rege- 
len, bereiden, fr. arranger. Ik meen ditzelfde ww. 
aan te treffen bij Van Velthero, fol. 281: 
Laet ons rumen nu desen pas! 
Wat waendi, datwi niet en sien 
Wat men hier maiiselt ende iaechtf 
Ic secge u, daimi qualike hehaecht. 
Aid. fol. 297 : 

— hier binnen dit gesciede, 

Dat aidus slichten die liede^ 

So werd gemanselt heymdike^ 

Dat men dit slichte oec fuxestelike 

Ende dat sy V weder maecten doer naren enz. 
Le Long verklaart hier »geniompelt." De zin etscht 
op beide pU. beramen, overleggen, regelen. Het 
znw. manseling^ bij De Bo Dschikking, beraming", 
leest men in gelijken zin mede a. w. fol. 324 : 
Doen deft Paus dit wert cont, 
Verliet hi hem der manselinge, 
Ende ahsolveerdse om die dinge. 
Le Long: verliet hij zijn hedekt gedrag. 

Als primitiel stel ik mannen^ voor het goth. 
manvjan , expedire, van manvus, bereid, manv , 
gereedschap, waarvan het oudfr. s'amanevir, se 
preparer, se disposer, bij Roquefort, Tot het stel- 
ien van mannen nevens manvjan^ meen ik grond 
te vinden bij Diefenbach, die Vergl. Wtb. L 298 
het hoogd. bannen, oudhd. bannan, brengt tot het 
goth. banvjan^ eene afleiding, die door Grimm, 
Wtb. I. 1115, »g]uck]ich'' genoemd wordt. Is mijn 
vermoeden gegrond, dan is daardoor 6en bevesti- 
gend antwoord gegeven op de vraag van Diefen- 
bach, I. 35, of er dan van den in het gothisch 
zoo vruchtbaren stam manvus in de andere taien 
geen spoor voorhanden is. Zie voorts over het 
ww. manvjan^ h. a. w. 764, en mijn Taalk. Mag. 
II. 371. — Of de bet. van i>traag en lui gaan", 
die Schiiermans eh De Bo aan manselen toeken- 
nen, met die van voorbereiden samenhangt, durf ik 
niet bepalen. Doch vermansen^ dat De Bo heeft 
voor verwisselen, verruilen, schijnt mij toe eig. 
verschikken te kunnen beteekenen. 

Marbelen— Morwen. 

Het freq. marbelen leest men brj De Brune, 
Bancketwerck, I. 295: als 't {brood) door ouder' 
dtmUf begint te muffen, en te marbiBlen, wert het 
hoenderkost^ of mestingh voor de verckens, — Ik 
leid het af van morwen^ nmrwen^ van bet adj. 
morw, murw, Dit laatste luidi in 't hoogd. murbe^ 



377 



MARBELEN. 



978 



en Adelnng beklaagt zich, dat het hoogd. daarvan 
geen werkw. bezit. Het zwaabsch evenwel heeft, 
volgens Von Schmid, vermurben voor beder?en, 
verrotten ; want het adj. bevat niet alleen het denk- 
beeld van sacht of week worden, ntaar ook dat 
van vermolmen, zooals b. v. van hout, dat door 
wornksteek uiteenvah. Naat* dit ver-murhen^ ety- 
mologif^ch ^n luet ver-m&noeif, 8chijnt marbelen 
gevormd; da beteekenis althans van beide wwn. 
komt overean, en de a is in H woord niet vreemd, 
want het grond woord doet zich bij Schmeller en 
Stalder ook voor in den vorm van nmr, rnarw , 
angels, mearwa^ maerwa; en laatstgem. heeft als 
werkw. mar^n^moareti, morwen, middelhd. metnven. 

Het zou das niet otimogelijk zijn, dat het adj. 
mare, bij Maerl. N. Werk der L. Maatsch. IV. 78 : 
GheMieh es dan ende mara 
Quaekelen en Kxekene van hinnan. 
»Enurw" beteekende, en dat dus de hoogl. Lulofs 
geltjk'had; zie mijne Nal. op. diens Uandb. 28. Het 
gewone gebruik des woords, ook bij Maerlant, 
pleit evenwel niet voor die opvatttng. 

Het WW. beu>orwen heei't in den Bijbel 1477 , 
!2 Chron. 24, vs 17, de beteekenis van »tot kwaad 
neigen": doe ghestarven was ioicukL, aijn inghegaen 
die princen iuda, ende aenbeden den coninc, Ende 
hij bemorwet met fioren diewtten volchde hem. 
De Roomsch-Kath. ovcrzetting van Ulenberg komt 
hier dicht bij : der sich durch ihre Ehrerbitnng 
erweichen liese. De B jbel bij Vorsterman heefl: 
At, verleyt met haren dienste 

Marrelen -Harren. 

Marren, maren, meren, is als scbeepsterm bin- 
den, vastleggen ; b. v. Vondel, Ifigenie, 33 : 
Daer *t Bchip op anker leght gemaert om af te 

varen. 
Aid. 42: 
De roofgley maerde al stU in 't boghtig strand* 

gewest 
HolTeraa, Poem. 160: 
End* 90ucken »oo one 9chip cumh Godes Stad te 

meren. 
Bilderdijk, Mengelp. I. 6i : 

— wen, meerende aan de ree, 
De landwind naar mijn' loensch mijn zeilen 

zwellen dei. 
De N. Honigbije, UL 104 : de Staaiahulk meerde. 
Oodaan, Roomsche Mog. 445: ringen om de sche^ 
pen aan te meoren. 

Bij Kil. is ontmaren, ontmeren, daarentegen los- 
maken. Men leest die wnn. Vondel, Virgil, in Dicht, 
58: Het echip V ontmaren. Dez. Maria Stuart, 17: 



Toen gy den zeeman Hschipaan 't water zagh 

ontmeeren. 
Valentijn, Werken van Ovid. 1.235: Terwijl nij dus 
8pi*ack, on t meerde Ulysses 'tschip^ dat.... voor de 
wind keen atoof. — Men vindt ook ontmarren; 
Westerbaen, Ged. II. 610: 

— Ghy, die eertijds onse vloot 

In Aulis hebt ontmart, en haer de wegh otitsloot. 

Een geheei ander w. is bij Moeiman, De Gleyn 
Werelt, 55, van den spinnendeii Sardanapalus : 

Die vrouwen hebben kern syn ghestadicheyt 

ontraeert. 
Hier versta ik het tegendeel van vermeeren, en 
dus verminderen. — Zie voorts Van Hasselt op 
Kil., Weil, en mijne Proeve over Bild. 97. 

De eigenl. beteekenis des woords is vasthouden, 
tegenhouden. zie Benecke. Vandaar ook marren, 
talmen, dralen ; eig. zich ergena ophouden, vertoe- 
veil. Zoo in den Bijbel van 1477, 1 Chron. 29, vs. 
15 : Onse daghen sijn als een scae op ter aenien : 
ende gheen mairingh is hier — waar Van der 
Palm heefl: bestendigheid. 

Een mlj niet duidelijk ww. mare9i treft men 
aan in Anna Rodenburghs Trouwen Batavieiv32: 

Ick geef u, Theodoot\ twee duyfkens die nu 

maeren. 

Of mynen besten Pauw — 

Het freq. marrelen is alleen als scbeepsterm be- 
kend, voor »de onderlijken der zeilen met mar- 
lijn omwinden.'' Zie Van Lenneps Wbk. en verg. 
Weiland. 

Massohelen --MasBclien. 

Of mcuiaschelett, maasschen, want Kil. dol)bert 
tusschen den korten en langen klank in deze nu 
verooderde woorden. Zij beteekenen bij hem, even- 
als bemaaschelen, bevlekken, bezoedelen. Masschen 
maassehen is in het middelhd. masen, bevlekken, 
van mass, viek en lijkteeken, bij Hooft masche 
vlek, zie het Wdb. des Inst., bij Kil. masschel, 
waar van bet nederl. mazel. Zie Benecke, en Bild.. 
Verkl. Gesl. op Mazel. Etymologisch is dit mazel 
een met massel of masschel, bij Kil. roode been- 
vlekken; dus Hor. Belg. XI. 128: 

Hi heeft so veel masselen aen zijn beyn, 
Ende dan moet ic hem gaen verwermen 
Den leeiiken ouden man. 
Zeeuwsche Nachteg. I. 49: 

Een vel is al myn lijf, heel vol van blinde ooghen, 
Versteven door het vier, met masschele overtO' 

ghen, 
Bij Plantijn is de Kctioenen masselen vnoircir les 
souliers.'' Het hoogd. heeft beniasen en bemasigen 



379 



MAS8CHELEN. 



380 



voor bevlekken: zie Grimms Wtb. en wijders Meu- 
zelen en Masscheren. 

Aan de geraelde froquentatieven is verwani ver^ 
mizeld of vermijzeld^ dat ik bij Tuinman aantref 
en dat tot het zeeuwsch taaleigen behoort. In 
ztjn Rymlust zegt bij 171 : 

Het onderbleven is vei'myzelt. 
wat opgebelderd wordt door de Bakkel, II. ^i, 
waar bij zegt yyvermiselt, kletn, dor, schraal, on- 
dergebleven, i$i van 't Latynsche miselltts^ een di- 
minutivum van miser^ elendig." In Te WinkeU 
N. Ned. Taalmag. II. 236 staat als zuidbevelandsch 
vermisely klein gerimpeld, waar verrniseld zal moe- 
ten gelezen worden. Misel^ etymologiscb ^en met 
mazel^ is in het oudhd. en nog bij Scbmeller en 
Kil. die mesel spelt, melaatsch, oudfr. mesel, me- 
seau^ meseus^ mesias, en voorts in de laatste taal 
ongelnkkig, ellendig. In Notkers Ps. 50, vs. 9, 
wordt leprosos vertolkt door miaeten^ en misel- 
sucht, muselauht. bij Kil. miselaucht^ meselsuchl 
en meselrije^ is melaatschheid. Zie ijcbm. i. v. 
maar ook II. 620. De ziekte heeft dus haren naam 
van de gevlektbeid, ^ii vermizeld of verm^jzeld is 
voor eliendig gezegd bij overdracht, zooals in de 
gemelde oudfr. woorden. waarmde bet lat. misel- 
lu8 overeenkomL 

Mengelen— Mengen 

Over de waarschijnlijke afleiding dezer woorden 
zie men Ten Kate, II. 67i, met wien Adelung vrij 
wel overeenstemt. Het middelhd. en ook het mid- 
delned. kende den frequentatiefvorm dezes woords 
weinig of niet. en nog is hij in 't boogd. zeldza- 
mer en minder edel dan bij ons. Den primit. vorm. 
vindt men met den frequent, 'afgewisseld, Passi- 
onael, Winterst. fol. 147 verso : had ick haer knape 
mi uiillen menghelen in haer scande... soe ontsie 
ick mi in eenich menschen doot te mengben. — In 
proza- is mengelen minder gewoon; Bilderdijk, 
Chalmers' Bewijs, 183: Het is onmogelijk,.. met 
zulk eene overweging^ geene zedelijke indrukken 
van Godsvrucht te mengelen. 

Met voorzetsels heeft men de volgg. Hooft, Brie- 
ven, IV. 196: met wien men hier veel te schiften 
oft ontmengelen gehadt heeft. D. i. ontwarren. — 
Levens van Plut. fol. 541 verso: dat hy van de 
snootheyt van de Epicureen onder de Stoische 
stuyrsheyt vermenghelt heeft. Bekker, Bet. Wee- 
reld, I. 99: so veel als... met het Heidendofn ver- 
mengeld is. — Koopraans, Redev. II. 17: Het 
nieuv^e gras der weilafiden, doormengeld met veld* 
bloemen, Bilderdijk, Ovidius* Gedaantv. 3: 



— toeek- en hardheidy zich doormenglend met 

elkadr, 

De korte e werd ou lings ook met de i verwisseld. 
Janssen en Van Dale, VI. 179: dat niemant ooS' 
lersche vet^sche visschen .. minghelen moet met 
vlamscheti varscfien vissdie, — dat nietnwU pael' 
dingfien onder alen mmghelen moet. Despai's, 
Gron. van Vlaend. IV. 32: sumptueusheit endecos- 
telicheit... ondermingali met., fartsen^ cluchten, — 
Houwaert, Lusthof der Maechden, II. 515: den 
wijn.,. die ongheminghelt is. 

Mensohelen— Mensohen 

Uet nw. meM^c/i geeft bet WW. menschen^ mensch 
zijn of mensch maken ; zie Bild. Verb. o. d. Gesl. 
83. Bij Benecke vindt men een voorbeeld van 
dit menschen: er heizet ein gemenschet got. Wij 
hebben er vermenschen voor; Udenians, Geest. 
Gebouw, 44: 

Hy is met u vermenscht, weest ghy tnet hem 

ver-God, 
Gras, Nagel. Verband. I. 307 : het vermenschen van 
God. — Hettegendeel daarvan is ontmenschen, b.v. 
Scbenk, Nachtged. II. 96:' 

Wat toch^ wat is die zucht^die zelfs denmetisch 

ontmenscht ? 
De Toekomst, 1867, bl. 343 : men is begonnen met 
hem te ontadelen, te ontmannen^ te ontmenschen. 
Zie ook Weil, en Ou damans Wbk. op Bredero. 
Gamphuysen heeft uitgemenscht, Ps. 4, vs. 5: 
Hoewel my V uytghemenscht. gepuffelt 
Belacht als ick dit openbaer, 
D. i. het ontmenscht gepeupel. Bilderdijk heeft 
daarvoor ontmenschelijkty Wit en Rood, I. 59: 
— dat Helsche spoken 

H Ontmenschelijkt gemoed van razerny doen 

koken, 
Ook Beets, Verpoozingen (2e dr.) 29: veel men- 
schelijker dan sommige onimensche\i}}Lie menschen . 

Vandaar het frequent, menschelen^ menbch zijn, 
doch met het bijbegrip van een minder gunstigen 
zin. Zoowel bij Von Schmid als Stalder (zie van 
dozen, behalve zijn Idiot, ook zijne Schweiz. Dialek* 
tol. 197) beteekent het woord hetzelfde .wat wij 
heeten: iets menschelijks hebben, aan het men- 
schelijke onderhevig zijn, de gewone gebreken 
hebben van een mensch. Hetzelfde woord, doch 
zonder het ongunstige in de beteekenis. heeft De 
Brune, Zinnew. 197: Om niet van Ajjen en Pa- 
viaenen te spreken^ die zoo wat schijnen te men- 
schelen, en op onze gedaente te trecken. enz. 

Diminutieven als menschelchen bij Schmidt zijn 



384 



MENSCHELEN. 



382 



bij ons niet vreMod ; Spieghel, 47 : der menschel- 
kens gevDoel. Bredero, Stommen Ridder, 2: 
Menscheitjes Godi geeft elck zijn deel. 
Het zwaabsch Idioticon heeft ook een frequent, 
op r: vennefincheni^ en wel in de bijzondere be- 
teekenis van met lichte vrouwen ziin goed door- 
brengen, van mefisch^ dat in verschillende ver- 
wante dialecten zulk eene vrouw aanduidt. 

Mergelen- -Mergen. 

Mergen is van met^g (d. i. pit, kracht) voorzien 
zijn of worden. Dus in De Brunes Nieuwe Wyn, 
469: Dat spade merght, is veeltijds goed. De 
Statenb. Randt. op Jcs. 25, vs. 6: vette wel-ge- 
mergde heesien — Van mei'g berooven is daaren- 
legen antmergen; De Brune, Banckelw. I. 2ii: de 
Zorghe.., ontmerght de been en. Aid. 67: doer de 
greselaer .. zijn beenen ontmarght lieeft Schim- 
mei, N. Ged. 192: 

Geen laauwe domtnelingy die lijfen ziel ontmergt. 
Jonctijs spelt anttnoryen. (het subst. met^g heeft 
ook de vormen morg en murg); Roozel. Oogjes, 
120: 

Klaagt hoar, hoe de dxdle zorgen 
Mijn gebeenderen ontroorgen. 
De Pijnbank, 117: een deftig man,., wieti tiader- 
hand die van Kleefmet een onderaardache gevan- 
kenisse lahgen tijd ontmorgt hebben. — Hetzelfde 
beteekent uitmergen; De Brune, Zhmewerck, 4: 
dai wy ons zelven moeten uyt-mergen deur pijne- 
lidie gepegnsen. Ck>oi*nbert, Wercken, I. fol. 237 : 
'tghebruyck van Venus onmatelijck ende ie veele 
volghen tot de walghende saiheyt of uytge- 
merchde swackheyt. Vondel, Warande der Die- 
ren, 112: 

Aemachiigh slap en flau door de uytgemarchde 

kracht, 
Hofferus, Poem. 383: 

Mijn vleesch was uytgemerght met jammet* die 

my saghen. 
Bredero, Angeniet, 32: 

Ach! sal ick, jonge maeght^ verslijten al mijn 

jeught 

By een uytgemercht man^ gantsch doodt en kout 

van vreuchtf 
Van Borsselen, Strande, 2: 

— haer vaderkuui nu hoi end wtgemei^l. 
Den zin van uitmergen, zoowel als de afl. van dit 
w. drukt Van der Palm, Salomo, V. 182 op deze 
wtjze uit: de verslagenheid van een' ter nederge^ 
drukten geest ondermijnt het kloekste gestel. Zij 
zuigt, als het toare, het merg uit het gebeente. — 



Zoo leest men dan ook bij A. M. Moans, Dicht. 
Proeve, 54: 

Een mergeiooze klomp een spijs voor worm en 

maden. 
Van der Veen bezigt inmargen voor (in het bin- 
nenste) indrukken, inprenten; Zinneb. 420: 

Dus was ons ingemjiicht van galgh' en rat te 

spreken. 
Het frequent, mergelen zou eig. moeten zeggen: 
van raerg voomen, evenals het priroit. mergen; 
doch het beteekent door eene weglating van ottt, 
die zeer gewoon is, van merg beroovei^. Dus Croon, 
Ck)cus Bonus, II. 70 (van het zaad der hebzucht) : 
Het mei*gelt ons gemoedt, 
Het magert vette aerde. 
Swaen, Leven en Doodt van J. C!. I. 143: 

D moeder selve quuem al weenen over *t lyk. 
Gemergelt door den rouw^ een stervende gelyk. 
Niet zeer fraai gezegd is het w. in den zin van 
»bhinenuit halen of trekken ;" De bekeerde Al- 
chymist, 15: 

Heer, al de glazen zyn OMX stukken 
Gesprongen daar je zo veel gotuL, 
Gelyk je hoopte, uit merg'len zaud, 
Vandaar het adj. ongemergeldy niet van merg of 
kracht voorzien; Bredero, Roddrick, 45: 

Ghy suyght u soete vreught in *t onghemerghelt 

quijnen^ 
Van my, troost-yle Mensch: — 
Dus de druk van 1644, en evenzoo die van 1622; 
de eerste uitgave (die ik niet kan raadplegen) 
schiint hier uytqhemergfielt te hebben, zoo de aan- 
haling van Oudemans, die het woord zelf niet op- 
nam, bl. 400 van ond. jaist is. Beide lezingen kun- 
nen bestaan, want uitmergelen was in den verm, 
zin, die ook met dien van uitmergen overeenatemt, 
in gebruik. Coornhert, Wercken, L 274 Jverso : Oock 
is dese minne schadelijck, wantieer hare onmcttige 
ende heete vyerigheyt,,. de nature selve over wel- 
dight, uytmergelt. Erasmus, Ck>Uoq. Famil. 242: 
al ist schaoHy dat de mensch sich door berou uyt- 
mergelt. Bl. 364: Ghy mergelt u selven uyt door 
het onmatigh studeren. En 380: dalmen syn ft- 
chaem tnet vasten niet tnoet uytmerghelen. De 
Brune, Bancketw. II. 210: Niet dat den mensehe 
meer verstelt, en uytmerghelt, als van elat spoock 
(d. i. de dood) vervaert en schouw te wezen. Krul, 
Pamp. Wereld, I. 34 : 
Da^r woeker 's menschen vleesch uytmei^geld tol 

*er zielen. 
Aid. 159: 
Zie sens dien m**nsch die 't hert de Uurt verleend 
En d'arme menteh uyimergeld op *t gebeepU. 



383 



liERGEI.EM. 



384 



Brandt, Pofizy, III. 24S : Th zcU... de stadt uitmer- 
gelen. Wagenaar, Vad. Hist. III. 313: deezen^ 
maede van zig longer uit te mei-gelen, am '« G»Yia- 
ven spiUugt te voeden. Vervoig op Wagenaar, 
XXVI. 94: eene onderdrukking^ die de Burgers 
tot op het been zoude afknaagen en uitmergelen. 
Bilderdijk, Mengelp..!. 270 (onztjdig): 

Mm/" Edio mei^elde in spelonken, 
Van H biaakren van de minnewmken, 
Tot enkle geest en sckaduw uit. 
Ontmergelen heeft Van Merwede, Uyth. Oorlog, 
31, voor uitputten, verteren: 
*k Ontmergel steeds tnyn vlatn^ en voey myn 

ongeluk. 
Bilderdijk bezigt dit ww. meermalen; Winterbl. 
II. 14 (van den onechten kunstenaar ten aanzien 
der kunst) hi]: 

Ontperst hoar bloed en geesl^ ontmergelt hoar 

't gebeent 
Vermaking, 116: 

— daar ik ruMloos zucht en ux>el, 
Ontmergeld en ontkracht. 
Aid. 171: beenontmerglend zonneroosten. — Blijk- 
baar is de bet gelijk aan die van ontmergen^ d. i. 
van merg of kracht berooven. 

Weil, heeft mede afmergelen voor verzwakken, 
krachleloos maken. Mij kwam dit ww. nog niet 
voor. Ik acht het art. uit Adelung overgenomen 
Lublink heeft onderscheid gemaakt tusschen 
uitmergen en uitmergelen, Volgens hem zou al- 
leen het eerst«, als zijnde van merg ontblooten, 
op menschen en dieren toepasselijk zijn; en het 
laatste, d. i. van mergel (vette aarde, marga) ont- 
blooten (en alsdan geen frequent.), niet dan op 
een akker. Zie Weil. i. v. Ook de hr. Oudenians 
is niet vreemd van dit gevoelen, zie zijn Wbk. op 
Bred. 4<;5. En de -hoogl. De Vries is die meening 
met zijn gezag komen staven ; zie het Woordenb. 
d. Ned. Taal op Afmergelen, en vooral De Taal- 
en Letterbode, I. 37 en volgg. Ik meen, dat het- 
geen in het genoemde tijdschrift, hi. 109 en volgg. 
daartegen door mij is ingebracht, en- vooral het 
hier aangevoerde, voldoende zijn zal, om het ne- 
derl. frequent, mergelen te handhaven. Niet alleen 
het tegenwoordig taalgebruik, maar reeds dat van 
den tijd van Kil. verzet zich tegen de gemaakte 
onderscheiding; in zijn Lexicon vinden wij niet 
alleen wt-ghe-mergheld land, maar ook wt-ghe- 
mergheld peerd, Te recht zegt Weil.: iWanneer 
uitmergelen het voortdur. w. van uitmergen is, 
dan kunnen menschen en dieren zeer wel uitge- 
mergeld heeten." Het is, voeg ik er bij, niet denk- 
baar, dat uitmergelen en ontmergelen^ die in de- 



zelfde bet als uitmergen en ontmergen gebruikt 
worden, een anderen oorsprong zullen hebben dan 
dezen. Grimm in zijn Wtb. beschouwt abmergeln 
en ausmergeln beiden ats frequent, van merg af- 
komende, en waarschuwt op het laatste, dat de 
uitdr. das land, den bodefi ausmergeln niet met 
mergel, argilla, samenhangt. 

Als ten overvloede wil ik nog door eenige voor- 
beelden staven, dat het deelw. ook als adj. ge- 
bruikt, van het roeest bekende der twee genoemde 
frequentatieven steeds toegepast werd en wordt 
op eene wijze, die aan merg en niet aan mer- 
gel doet denken. Holl. Pamas, 576 (van Leidens 
buigers bij het ontzet): 

Een uitgemergelt volk laat zich door voetsel 

queeken. 
Coomhert, Wercken, I. fol. 144: Die (menschen) 
sietmen... uytghemergelt synde... hare onkuyssche 
geylheyt vemieuwen en hanteren, De Haes, \erl. 
Zoon, 30: Myn uitgemergelt lyf, myn koud ge- 
beente. Fokke, Verzam. der Werken, X. 85: of- 
schoon tnen... \oeduwen en weezen benadeele, gan- 
sche huisgezinnen uitraergele. Lublink, Thoms. 
Jaarg. 133: velden, waar dorst en hanger }iet ver- 
zengde jaar uitmergelen. Bl. 273: De verzamelde 

wolvtn door den winterhonger aangedreven 

schankig, uitgemeigeld en grimmig. Bl 310: toaar- 
om de verlnalene weduw en haare xceezen zich 
in hongerende eenzaamheid wimergeiden. Van der 
Palm, Salomo, IV. 420* die berovfde, uitgemergel- 
de... huisgezinnen. Borger, Leetred 1.113: zoo ik. . 
door ramp op ramp gelroffen, geleisterd, uitgemer- 
geld word. Nolet de Bra u were, Ged. I. 20 (van 
eene vrouw): hare uitgemergelde armen. — Over- 
drachtig vond ik het w. gezegd van ivoor, dat 
verteert, Van Beverwijck, Schat der Onges. I. 64: 

Yvoor op een Porphyrsteen kleyn gewreven.. . 

en uytgemergelt in StaelworteL 

Het frequent, uitmergelen drukt in ^^n woord 
hetzelfde uit, als anders bij omschrij^ing gezegd 
wordt, b. V. bij Fokke. he- Vrouw is de Baas, I. 
179: cUit die lieden het middel vinden om... onbe- 
zorgd te kunnen leven; ten koste der arme natien 
die ze het bloed en merg.... afzuigen. 

Mer velen— M erven . 

Beide wwn. heeft De Bo; het frequent ook on- 
der de vormen merlen, marten, maarlen; de twee 
laatsten mede bij Schuermans. Deze omschrijft de 
bet. door^ »het samenspannen van twee paar- 
den door twee boeren (66n paard van ieder) voor 
den ploeg of de egge;'* de oerste door )»malkan- 
der helpen, gezegd van twee landbouwers die elk 



385 



MERVELEN 



386 



op zqne beurt hun paard of paarden leenen om 
den akker te ploe^n." Aanwijzing nopens de 
afleiding der woorden geeft de een zooniin a Is de 
ander Heefl men ook te denken aan den wortel 
mar of maat\ d. i. paard ? Bij Graff, Sprachscii. 
II. 844, marahy noordsch mar^ bij Schraeller mm\ 
tnarh, b'j Outzen mnt% mnrr^ hoogd. miihre In 
de verwante dialecten vind ik alleen a Is werkw. 
mdrhen voor ploegen bij Stnlder, dat overeenkomt 
met bet vlaarasche merven. 

Metsdlen -Motssn. 

De eigenlijke beteekenis van metsen, mnet^fen, 
matsen^ motsen^ is anijden houwen, bakken, slach- 
ten, moorden Fergunt, vs. I^5'W: 

ic wane dnt sinf ml queisetu 
si salne duet in d'erdr nietsen. 
De bijvoeging in d'erde deed hier denken aan n\\ 
de aarde metselen;*' de uttdrnkktng geet't te ken- 
nen ter aarde houwen, nedtM-hakken. Men lee^t 
ze mede in den Walewein, vs 01)03: 

Den swarten ijkinc hi a^meifficmt 
Bitterlike in sidker mnnicre 
Oft hine in die aerde sottde maetsen. 
Hetzelfde wordl nitgednikt door nr^rmittfien bij 
Focquenbr. Werken, 1. 1*»r>: 

Om Priaams branf cfrslncht te dotnlvn 
En ne^r te niatzen <ji*oot en klrin. 
Scbild en Vrind, Volksalni H.ngge IHt^Tn hi. <>l : 
Zy, Sehild ende Vrind ! de lantut'* tiet^Tgfnnatst ! 
Het boogd. zegt daarvoor niedermetzeln. Von del, 
Virgil. 134: de (iriecken hinnen (ferneckt, smijlni 
om verre al uv// hun in den wrffh slnet ; mat sen 
voat hun eerst beje<fent, De Decker, HymoeflF. 1 
t£92: 

Ghy tyertoomt en hmyq vcrnloovt 
tf^t vertoorfft nen nllr zi;den^ 
Heht gcslachty gemalst, (jenuHirt. 
Zonder eenig medelyden. 
Aid. .124: 

Zy heeft den Vorst hier V hnrnas aen doen 

ijespen 
Om zynen onderraet 
Te matzen, op den t*ned 
Van slechtH een deel ffekaftte Kl(yostenve»peti. 
Westerbaen, Ged I. 'MrM 

ify kan ter nneuwernoo(til het overschot ver- 

gnrrcn 
En treed op piek en swaerd van syn gematste 

schneren. 
Van RuHtinga Werken, 1. 4t>3: 

— wie hen\ niet kon ontwyken 
Wiert vlnchtende gemalsl : %vat leiden finer nl 

iyken, enz. 



Dez Ovid. 5: 

— Wa^ ik de doot nu waardiy^ 

lly had mc, in Homen aly door d' een of cf an- 

der, vaardig 
Doen matsen; — . 

Vondel. Helden Godcs, 14: 

Ick Veltheer 'theyr aenvoerde en onverziens op 

Den vyand vieL en motste liaer Vorsten alle 

Aid. ^1 : 

— (de leeuw) verblijd 

Myn vyand »net zijn kics, en klaexiweti motst 

en rijt. 
Dez. Warande der Dieren, 7: soo dickxvils (Justi- 
nianus) zijn neiis snoot ^ ende zijn afgemotste neu^ 
aenraerkte. — Men vindt ook moetsen ; Sprankhui- 
sen, Oeestel Trinmphe, 115: doer nae liet hijse 
de lonye ityt den \eck haelen^ (mde... soo ghe- 
moetst en mishatulelt zijnde, noeh levendich.,.. 
bntdrn. 

Het nedersaksisch heefl in denzelfden zin mnts- 
ken. Bij Schmeller is me.tzcn en metzeln inzon- 
derheid vee slachten; metKjer is in Beijeren (zegl 
hij) vieesc'bhoiiwer, en fleischer woidt er niel ge- 
hoord. Ook bij Beiieike is m tziaere, metziger 
en metzeler vieeschhonwer, en metzjefu metziyen 
en met^elrn plachten. Voorts is metzen bij de pe- 
niiemden «teenbonwen, steinmetze een sleenbouwer, 
en oris tegenwoordigo- metselen en metseUtar heb- 
ben dns den naam van bet honwen of afbikken 
der steenen, en worden niet dan bij uilbreiding 
toegopast <»p het boiiwen. In die beteekenis is 
nietsen reeds bij onze ondste si'hrijvei's bekend ; 
Maerl. Sp. Hist. I. 'Z^: 

Dnt si eencn tor nut ken woudeny 
Dien si so hoye metsen sondm, 
Dnt si die lovie daer bi ontginyen. 
Leven van Sinte Aniand, I. 0: 

Vp dit fondament sunder wnen 
flee/t dit kint metsen bestaen. 
Hermans, Oes«-.hiedk. Mengelw. II. 23li: 

Mvn yhinc dner tinuneren ende maetsen 
FJne liorch groot ende stare. 
Despars, Oronijcke van Vlaend. II. 4:^4: dat hy 
tyan stonden an een men we Cnrckere dede maet- 
sen hinnen den casteele, Ook nog later; Hooft, 
Ged. fol. 4."): 

Oft wanr dit levend' lijk gemet,<Jt, met dikke 

mnureti. 
In onderaardtsche tomb^ — 
Vondel, Peter en Panwels, 44: gemetst met bloe- 
diyh kalck. Maeghden, 2ih toi*ens dick gemetst 

Uierus. Verw. 51: 

18 



387 



METSELEN. 



388 



— metst van beroockte steenen 
Een graf voor cfydelheidt, — 
A. Bijns, Refer. III. 177 : 

Op Apostels daghen sietmen openbaer 
Metsen en timmeren — 
Six van Chandelier, Poesy, 232: 
Zoo metste Hendet'ik de det^de 
Westmunsters voorste mop, op 't berde. 
Oudaan. Voorschad. 38: 

Maar God zal als een muur^ esn voorburgt^ om 

hem metsen. 
Prof. David schreef nog, Vaderl. Hist. I. 44: Cesar 
had.., een' muer doen metsen. 
Hollantsche Pamas, 388, leest men : 
Docfi 800 noch evenwel het vallen wert gevreest^ 
En 80ud' niet beter zijn voor soo gedrayden geesi 
Dan ann de aarde vast ^e metsen syne benen? 
Bij dit vastmetsen gaat het d^nkbeeld van hou- 
wen en zelfs van bouwen geheel verloren; 'tbe- 
teekent verbinden, vasthechten, zooals de metse- 
laar de steenen doet. Zoo is ook bemetsen beves- 
tigen, Bloemkrans, 244: 

Boor haar werd Eenigheid bemetst als in Tiros. 
Anders ommuren, omsluiten; Van Mander, Bethle- 
hem, 53. 

Mijnen wegh heeft hy met grondsteenen mede 
Bemetst, en al toeghestopt mijnen pad, 
Oudaan, Aand. Treurigheyd, 28: 

muren die 'tgemoed des Rechters houd be- 
metst. 
Bij Maerlant heet dit vermetseti^ Rijmb. vs. 34807: 

— Pauliniis quam int lant. 
Die nam, al dai hiere in vant, 
Ende vermetstene, als ict las^ 
Datter gheen gaen toe ne was. 

In later tijd overmetselen, dat evenwel bij Weil, 
niet voorkomt; Vervolg op Wagenaar, XXVI. 430: 
werd de eerste Steen^ met een tinneti overtrekzel 
gedekt^ en vervolgens ovennetzeld. 

Mel andere voorzetsels heeft men doonnetse- 
letu d. i. doorgaando bemetselen; Geld. Volksalm. 
1874, bl. 119: De siad is van onderen meerett- 
deels hoi en loel met verwulfsels doormetselt. — 
Ontmetselen voor losmaken ; Porjeere, Zangl. Uitsp. 
202: 

— de storm, met open kaaken 
Bevyoog de vastighe^ — ontmetzelde onze 

daken. 
Meer gewoon is opmetselen; E. Bekker, De Twee 
Moeders, III. 204: eene nis.... van klinkers opge- 
metzeld. Fokke, Verzam. der Werken, XI. 159: 
een rnet zware steenen eenvovdig opgemetseld... 
gebouw. 



Het freq. metselen^ welks eig. en fig. bet. door 
Weil, is aangewezen, luidde oulings ook maatselen; 
Verhandd. der leidsche Maatsch. I. 218 (betaald 
aan) : Jan van der aer met him derden (d. i. met 
hun drie&n) van maeteelen (volgt de som). — 
Voorts nog in het vlaamsch mutselen, mitse- 
len^ moetselen^ in den zin van afkappen, kleiner 
of korter maken; zie het Idiot, van Schuermans. 
Vandaar mutselementen voor kleingehouwen stuk- 
ken; Despars, Gronijcke van Vlaenderen, HI. 227: 
aldaer zy up den Bra^emberch thuysekin met ha- 
mers in mutselementen smeten. Thans zeggen wij 
gniizelementen, 

Onze metselaar heette metselier; Serrures Mus. 
I. 348: 

Sinen metselier dede hi voert halen^ 
die mechteghe wert, met ghewelt. 
Anders metsenaer; Lancelot, B. 11. vs. 17967: 
Doe ontboot %i voder te hant 
Al die metsenaers di wanm int lant, 
Soe dat dese stat was al gereet 
Ende gemaect eer die maent leet. 
Bilderdijk, N. Verscheid. I. 188: 

Doe horde Reynolt die niemare 
Dat .i. kerke begonnen ware 
Tote colne op die rijn stat, 
Overwaer segic u dat, 
Ende dat men doer otitbode te waren 
Temmermanen ende mesnaren, 
Ende alien die gelt wilden winnen. 
Van Hasselt op K ilia an geefl een voorb. van 
maetsenaer. En zoo leest men ook bij Despars, 
a. w. III. 14: by de timtnerlieden, matse- 
naers ende wijnschroodet^s van Brugghe, Aid. 
360: haerlieder overdeken, een maetsenaere van 
zijnder ambochten. Janssen en Van Dale, Bij dra- 
gon, VI. 348: dai gheenen maetsenare en geoor- 
loofi eefiighe raeuwe... teghelen te maetsene. — Deze 
vorra zou aan een frequent, metsenen doen den- 
ken, die raij echter niet voorkwam. Bij Maerl. 
Sp. Hist. III. 339, lees ik maets: 

(soe) staerf ende wart al doer begraven 
In dat graf van groter haven, 
Ende besloten vanden maetsen. 
Dat hier metselaars bedoeld zijn, wordt bevestigd 
door Hoeufft, die (Bred. Taaleigen, 383, en Fr. 
Woorden, 265) zegt in een stuk van de veertiende 
eeuw maetse voor metselaar gevonden te hebben. 
Het woord nietser^ te Breda nog in zwang, komt 
meermalen voor bij Cats, I. fol. 033: 

Als xemani timmert aen de straet 
Daer yder komt, doer yder gaet, 
Da^r al de wet*elt mat en vroet 



389 



METSELEN. 



390 



Mack sien cU wat de metser doet^ enz. 
En II. fol. 317: 

Men moet een timmerman, eensmid^ een metser 

halen. 

Meuzelen'— Meusen . 

Ook mozelen^ mozen^ met slijk bedekken, bezoe- 
delen. van moze, slijk; zie Kil. en Ten Kate, I. 
28± Te Kortrtjk zegt men voor modder moze, 
meuze en maz&, Belg. Mus. VIII. 187. Bij De Brune 
is mooze droesem; Bancketw. IL 59: een keersse^ 
die uyt-gaende stinckt^ en niet naer en laet^ dan 
een vuylen damp, en een mooze van onreynigheyd. 
Aid. 65 : Men ziet den ouderdom aen, als de drabbe 
en de mooze. Van dit w. is mozegat bij Kil. dat 
o|>gehelderd wordt door Berkhey, Nat. Hist, van 
Hoi I. IX. '29: Bij sommige Boeren wordt de groep^ 
(d. i. een geule of gool^ waarin alle sltUvuil bijee*t' 
loopt) ook mozegat, mozegoot, moz iei*ga t ,f/i?naam^. 
Vandaar hetnozeleti, bemeuzelrn^ voor bevlekken, 
besmetten, bezoedelen, zoowel in bedrijvenden als 
onzijdigen zin, zoowel eig. al8 fig.; Huyg. Korenbl. 
II. 474: 

Een Schuldbrief in papier^ raeckt g}i hem fe 

dickwibi aett, 
Kan licht bemeuselen en slijten en vergaen, 
Gedenckt dit, Kinderen, en soo ghy op uw' 

Vriefiden^ 
In tijdefi van gebreck, uw leven yet verdienden, 
En meldt de weldaed niet le dickwiin : nietter tijd 
Vuylt en bemeuselt sy, en gnet hner tuyster 

quijt. 
Oudaan, Ged. I. G7 : 

— wat zoekt dit ondrrzoek 
Dan 't werk der wnarheid te bemeuzelen ? 
Broufir. van Niedek, /inneb. der Tonge, \\^: 
Eeti zak met fumte kool, ten keukendienst ver- 

voert^ 
Waar dat hy nedervnlt, of umar hem iemnnf 

t*oert, 
Bemeuzelt met zyn stof en vtoet\ en handt, en 

kleeden. 
De Bnme, Wetsteen der Vemutten, I. i'>6: fk ben 
van de lui niet^ die yemandn glori zoeken te be- 
meuzelen. A. Bolswert, Duyfk. ende Willem. Pel- 
grimagie, 188: (de penning) is wat bemeuselt, ma^^r 
ick gheloof dat het goedl silver w. Aid. 195 : 
de aimpele klare waerheydt, die om lief noch om 
leedt hem eenighsins en laet bemeuselen met Me^ 
ghen. Wagenaar, Anist. II. ''JK\: de zwarte (klenr) 
in de plaats van witte, die veel te ligt bemeuzelen 
zou. Oudaan, Agrippa, 129: nllv goede kmuften 
bemeuzeltze (t. w. de /tterrewigchelar'j) en werptze 
om veer. lL\e vooils de Wbkk. des Innt. op Hooft, 



en van Oudemans op Bredero. Ten Kate schrijft 
betnoezelen, Aenl. II. 700 : ala de gebreken der dtn- 
gen xvat bemoezelende en bezwalkende^ om fiet 
overige te beter schijn te geven. Zoo ook Van 
Lennep, Ged. zoo 0. als N. 217: 

Foei! toat bemoezelt hy zijn hes. 
Hiermede moet niet verward worden bemoesd bij 
Rotgans, Poezy, 669: 

De juffer hadt de pruik gepoejert en gekroest^ 

De troni geblanket, bestreeken en bemoest. 
Krook, Spiegel der Zotten, 16: 

— ze is zoo roar gekleedy besmeerd^ gemoest, 

gekruld, 
D. i. niet bet deelw. van bejnoezen of bemozen ; 
maar van het znw. moes of moesje, door Weil, ge- 
noemd een »pronkpleistertje"; door Huyg. bij J. de 
Haes' Lev. van G. Brandt, 118: »een pleistervliegh, 
die een schoone vrou op haer voorhooft zette, om 
haer wit nog sterker daer tegens op te halen"; 
Koi'enbl. II. 44: vplaestei kens, daer geen Zeer on- 
dersitt"; alsmede II. 450: »plae$terpleckjens die 
't Vrouw-voick Vlieget} beet"; en bij Lafontaine, Liv. 
4, Fab. 3: nun ajustement, des mt>uc/ie» emprnnt6." 
De Schinip- en Hekeld. (Hoorn, 1718) spreken er 
van, 38 : 

— Zy die voorheen noyt uit dor»t gaan 
. Voor ze eenige ureti voor hoar spiegel imd ge- 

ataan^ 

En daar met poejeren^ met toassen eti met 

hullen, 

Met strikjes. moesjes, of met nagebootste kruUen 

JIaar opgedaan had. enz 
De Hervormde Kerkeraad te Utrecht richtte irt 
Junij 1(>Gc*) een verniaanschrift tot de Gemeente 
over het toenemend zedebederl", waarin bestraft 
werd: Item onkuisdie drachteti in ontblootingen 
van H Hcfuiem, sou ook moetsies, vliegende hayi^ 
locken, lichtveeMige en dertele veranderingen van 
de mode in kteederen en andern. Zie de Boek- 
zaal van 1^7t2, bl. *.^20. — Ztj bestonden in kleine 
slukjes zwarte zijde, die voorheen de vrouwen, en 
ook wel de mannen, in Frankr.jk en hier te lande, 
zich in Haangezicht plakten, nm de blankheid te 
meer te doen uitkomen. Van veri-e gezien gele- 
ken zij op vliegen, en bun naam moii^/ie« brachten 
ze bij ons mede, en deze bleef tot op heden be- 
staan voor zwarte plekjes in sommige kleeding- 
stofTen. 

Tot mozelen, menziden, zal te brengen zijn het 
adj. meuz(^/t^, dat ik voor drabbig aantref in Klioos 
Kraam, .(39: 

Zoo zal (Gods) gehet've hand en nader ende slagh 

Ons meus'lig ingewnnd zoo deerelijk verpletten, 

13* 



3SH 



BfEUZELEN. 



392 



Meuzelen*— Muimn. 

Bij Kil. is meuselen lekkere beetjes proeven en 

wel heimelijk, en dus snoepen. Weil, brengt dit 

tothethoogd. musen, eten. Hei middelhd. muoseny 

van muos (nederl moes), zie men bij Benecke; 

en muesen^ eten, bij Schmeller. Het begrip van 

heimelijk en bij beetjes eten ligt niet alleen in ons 

frequent, dat bij Stalder mauscheln luidt en dat 

mij ook voorkwam bij Van de Venne, Belacch. 

Wer. 114: 

Eer dat Heerschop heyt gepeuselt. 

En gepitsty gevroet^ gemeuselt, 

Neemt de Gaauwert Hvetje wegh! 

Maar reeds in het prim, muaen^ dat bij Schambach, 

en muaen^ nibsen^ dat in het Br. Nieders. Wtb. 

beteekent snoepen en kleinigheden heimelijk weg- 

nemen. Ik houd dit voor hetzelfde w. met ons 

muizen voor in stilte eten, waarvan ook ietit op- 

muizen^ en bij Bouman, De Volkstaal in Noordh. 

' muizelen voor »peuzelen, eten," en 'twelk men 

verkeerdelijk ioi muizen vangen brengt. Ais men 

zegt de kat tnuist goed. bedoelt men » muizen 

vangen;" doch in hij muiat wel, maar mauwt niet, 

is muizen eten, en de bijvoeging mauwen door 

een spel met het beiderlei muizen ontstaan. 

Mierelen— Mieren. 

Beide wwn. komen in het vlaamsch voor in den 
zin van krielen of vsremelen (als de mieren\ een 
jeukerig, prikkelend of ook pijnlijk gevoel hebben, 
zooals door het loopen van mieren op het ligchaam 
wordt veroorzaakt ; alsmede tintelen van gram- 
schap, en voorts het tintelen of vonkeien van wtjn 
of bier in het glas. Bij Kil. beet de ziekte, waar- 
bij een pijnlijk gevoel als gezegd is plaats heefl 
de mieren, waartoe misschien behoort de spreekwijs 
een mier aan ieta hebben^ d. i. afkeer van iets ge- 
voelen. Zie mijn Taalk. Mag. I. 318, Bouman, 
Volkstaal van Noordh. en elders. Men zegt even- 
zoo en in denzelfden zin: een puist aan iets heh- 
hen. Het bij v. nw. miersch i^ gezegd van koeijen, 
die een jeukende ziekte hebben; Berkhey, Nat. 
Hist, van Holl. VHI. 116: oude en miernche koeijeti 
in onreine stallen. — De mierschheid zelve vindt 
men aid. 100 beschreven. Het bnw. is grijnzend, 
Oudaan, Aand. Treurigheyd, 57 : 

Zie dat verdrayt gezicht, aanschou dat miersse 

wesen. 
Bij Van de Venne is mierlijk pijnlijk, k>\ellend; 
Sinnemal. d8: 

Dit mierlijck ongheval van dese domme dieren, 

Le^erty yder wie het zy, geen vuyl ghecoppel 

vieren 
In het dialect van Axel is mierig^ kwaad, nijdig; 



zie mijn Archief, II. 174. Aid. is het ww. mieren, 
kwaad of nijdig zijn, in Fu Ida's Idiotikensammf. grof 
plagen ; elders kwellen, schorten, Blasius, Dubbel en* 
Enkkel (Amst. 1670) 46 : t^ weet niet wder U miert. 

Miezelen— Misaen. 

Beide wwn. benevens miesten voor misfen^ d. i. 
vochtig dampen of nevelen, en mieseling voor mist, 
heeft Kil. Voor mieseling leest men verkeerdeijk 
nieseling bij Mamix, Ps. 72, vs. (i (proza) : Hy 
sal afdoUen gelijck een regen op het afgemaeide 
gras^ gelijck nieselinge bedruppende het eertrijc'i. 
Van der Cniycen, Spreeckw. v. Sal. 726 heeft mijzel: 

Wien is *t die in de locht. door Noordschen kau- 

wen unnt 

De mysels onder een tot sneeuw te samefi hint? 
Bij nevelachtige lucht spreken wij van mistig en 
miezerig wefir, en miesregen is mot- of stofregen. 
Reinwald heeft daarvoor moserig en Schambach 
miselig weer en muselweer, en miseln, museln, 
miseken, stofregenen; Hunters Glossary to mizzle. 

Van het weSr brengt de volkstaal de woorden 
over op de gemoedsgesteldheid. Hij of zlj is mie- 
zerig, d. i. lastig of twistziek van humeur. Het 
mist daar, het is daar mistig, zegt men als er ge- 
keven word I. Reeds Cooriihert sprak van een 
^mistig strijden," Wercken, I. fol. 529 verso : 
Dan souden sy door 't strljden mistich 
Na ^swerlts vemielen poghen twistich: 
Maar nu bestiertse liefd eendrachtich. 
Bij Schmeller is miselsuchtig »gramlich, unrouthig, 
einbilderisch." Hiertoe beboor*en ook onze wwn. 
miesmeezen en meesmvVen. Van het eerste geefl 
Weil, een voorb. uit Six van Chandelier, dat voor- 
korot in diens Poezy, 28; doch ook nog werd ge- 
bezigd door Nolet de Brauwere, Ged. II. 121: 

Hoe, gij miezemeest ! uw gezigt trekt leelijke 

wrongen. 
En 249: 

Verbouwereerd gaept ieden* in de lucht 
Het steekspel aen, en miezemeest en zucht. 
Het tweede is in algemeen gebruiken ook vroeger 
bekend ; Krul, Minnesp. Gelion en Bellinde, 164: 

Hy meesmuylt en hy laght. — 
Het lijdt geen twijfel of van mist, misten, angels. 
mist^ mistiari, is het fransche moite, tnoistey en het 
eng. moist, to moist en to moisten, waarvan 
onze naburen zooveel etymologi^n hebben gege- 
veq. Hickes zag te recht, dat het eng. moist het- 
zelfde is als mist, zie Home Tooke, II 316 ; nogtans 
blijven Johnson en anderen naar H fr. moiste ver- 
wijzen, 't welk door sommige fransche Geleerden 
wederom van Heng. moist wordt afgeleid. Vooral 
bevreemdt het mij echter, dat onze Hoeu£ft zich 



393 



MIEZELEN. 



304 



hier nog met zooveel gissingen ophoudt, en de af- 
leiding van het fr. moUe van 'teng. moist »waar- 
schijnlijk" acht; hij, die anders het verband van 
het fransch met de duitsche talen zqo goed inzag 
en door een geheel woordenboek gestaafd heeft. 
Zie dat Wbk. op Moite, 

Migohelen— Mikken. 

Het WW. migchelen ontmoette ik in de volgende 

plaataen. Van Rusting, Werken, I. 1C7: 

— Erato vond ik netjes 

Perfectjes by een Pol te bedt; 

Alwaar zy^ leggende^ baUetjes . 

AUf kneutj&t^ michelden by get. 

Aid. 071 : 

— t* uwer eer, zyn at verscheyden dansjes 

Gemichelt.... 

Dez. Aran en Titus, 55 : 

Waar ben je nu die michlen hunt? 

Zie zo! een dcmsjey dat *s de munt. 

Van Elsland, Dronke Jai^ de Boer, 6: 

Maer atil te weezen, dat ken ik niet^ wangt me 

bienen beginnen cd graegte te krygen: 

Wei zellen ommers wel raia michelen, zou 'k hoope, 

van Koolslae of Kiekehoe. 
Aid. 12: 

Oflaeten we liever raie michelen van ndaer buiten 
d€ierdeZwaenuithangt" of van i^Kropjea Crroen,'* 
Gi-een woods Boere-Pinxtervreugt, 33. 

Een jonge Knevel.., 

Kwam hallef dronken met zyn meidt te voot' 

achxfn treden^ 

Wat ruimte^ riep hy^ hier waar benje? zaag 

eens opy 

Jou luije Schrapers, 'k heb het danesen in 

den kop,.,. 

'k Roep schrik van michlen : komt maar voorty 

jou lanterfanien, 
De beteekenis van het w., blijkbaar een lage, 
geroeene uitdrukking, is dansen, en wel van wel- 
lustigen of beschonkenen. Het heeft eenige over- 
eenkomst met mischkeln^ wegen, wiegen, been en 
wedr bewegen, in de Gauner-Sprache, bij Grolman. 
Eerder denk ik echter aan een primitief mikken^ 
beantwoordende aan het eng. to mich^ ook to 
meach, to meech en to mikey dat eig. beteekent 
verbergen, schuilen, wegsluipen; voorts lanterfan- 
ten en zich aan geheime minnarijen overgeven ; het 
adj. micficUl is overspelig; zie Nares en Halliwell. 
Het middelhd. bij Benecke heeft den wortel mtuihe^ 
die iets heimelijks of verborgens aanduidt, waar- 
van mauchen^ vermauchen^ mucheln^ heimelijk 
snoepen van vrouwen buiten weten barer mans; 
maucken^ mukeny vermducken^ snoeperij steleo, 



schmducken^ smokkelen, mauchen^ paren, muchen^ 
sluipen enz., alles bij Stalder en elders te vinden, 
en met weike ons smuigen^ amuiken, amokken^ enz. 
meet vergeleken worden, waarvan zie op Smokkelen^. 
Mtj dunkt Sturenbui*g acht te recht het nederl. 
mikken eig. heimelijke aanslagen ma ken, en zoo 
op iets doelen of aanleggen, zooals ook Terwen 
reeds vroeger de verwantschap van ons mikken 
met het neders mucken enz. aan wees 
• De beteekenis van heimelijk of verboden hande- 
len of genieten ging over tot die van dartelheid 
plegen, en vandaar bij de onzen het freq. migchelen 
voor wellustig of in beschonken toestand dansen. 
' Tot dit migchelen zal niet behooren het adj. 
migchel bij Van de Venne, Bel. Wer. 33, waar van 
de ongestadige vrijater Soetje gezegd wordt: 
Soet 18 maer een Dubbel-tael 
Al te micchel, al te mcuU. 
D. i. naar ik den regel versta : al te zeer, te veel ; 
eene bevestiging, door al te macU herhaald. De 
beteekenis van veel, groot, was trouwens aan 
*t woord eigen ; zie mijn Mag. I. 97, het Gloss, op 
Der Lek. Spieghel, en vooral den daar aangeh. 
Giignett. Op het gezegde van dezen laatste, dat 
het woord ^bij Melis Stoke ten minste nietgevon- 
den wordt" meet ik opmerken, dat dit niet geheel 
juist is. Wordt bij dezen het adj. migchel gemist: 
niet het daarvan afkomende migchelia, dat toch het 
gebruik of de kennis van het eerste onderstelt. D. 
II. 52 leest men : 

Ghinder wort een groot geacal^ 
Ende een michelic gheluut. 
Getijk het woord michel^ mechel of mekel zelf bij 
onze oudste schrijvers reeds voorkomt, niet in zijne 
eigenlijke beteekenis van groot, maar bloot ter 
versterking van een ander hoedanigheidp woord, 
{als b. V. Dietsche Warande, VII. 454 : michel mere. 
michel ungevuch; Van Velthem, fol. 252: enen 
mechel sterken stave; Walewein, vs 3931: mekel 
were, d. i. veel meer), zoo bleef het vennelde 
michelic nog lang in gebruik voor dergelijke ver- 
steiking, maar zoo dat men het w. blijkbaar niet 
meer verstond. Dus leest men in Mrlders' Kl. van 
Gioengeel, 12: 

Ick h^b de hiele spierighe, en michelijke na^ 

middagh 

Soo ongheruat gheaeten^ offer ien stien veur mijn 

hart lagh. 
Spierig, anders apierlijk^ is mede zulk een ver" 
grootingsterm ; zie mijn Mag. IV. tV85. — En Ber- 
nagie, Ontrouwe Voogd, 18 : 

Dat kan niet migelyke meugelyk weezen, 
D. i. volatrekt niet mogelijk. 



395 



MIGGELEN. 



396 



Miggelen— Miegen. 

Miggelen is een groningsch en friesch woord 
voor stof- of niolregenen, zie Laumian en Swaag- 
nian. In NoordhoUand luidl het mieqeletu zie 
Bounian, De Volkstaal in Noordh. In Drenthe en 
Noordholland beteekent het knelen, wriemelen, 
wemelen, b. v. : H miggelt er oet, van de bijen als 
ze driftig worden en in grooten getale uit de korf 
komen; liet miggelde van menschen, het %oas zoo 
vol abs of het miggelde; zie den Dr. Volksalrn. 
1844, bl. 15«), en Konst- en Letterb. Ib08, I. 204. 

Weil, leidt dit frequent, af van miegen^ mijgeti^ 
in Friesland, Groningen en Gelderland bekend voor 
pissen; zie Weil, en Wassenb. Bijdr. I. 60. Van 
miege^ mljge^ bij Kil. urina. Dit sub^t. leest men 
in Hoffmanns Reineke, vs. 6327: 

Ysegrim wischede, dat dede em smerte, 
so sloch denne Reinke to mxt deme aterte 
und blendede ene so mil der mygen. 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 105: Sij west op 
een prik wat kragt... 't vergiftig merenmijg... in heeft, 
— En is mede vermeld bij V. d. Schueren, Richey, 
Schutze, het Br. Nieders. Wtb. en Schambach, 
welke beide laatsten ook het ww. miegen hebben. 

Als men met Ten Kate. II. 297, aanneemt, dat 
de grondbeteekenis van miegen of mijgen gelegen 
is in het uitwerpen van vocht, dan kan de over- 
gang hiervan op het dichte stofregenen, en van- 
daar wederom op het dicht dooreenwriemelen van 
bijen of menschen niet onnatuurlijk schijnen. 

Mij melen— Mij men. 

Voor ons gewone mipneren treft men bij Van 
Mander mijmelen aan; zie de pi. en verderdetoe- 
lichting van het w. op Mijmeren. 

Mi)zel6Q— Mijzen. 

Beide wwn., ook miezelen en miezen^ heeft het 
vlaamsch voor brijzelen, aan stukje? breken ; zie 
De Bo en Schuermans. Van der Cruycen, Spreeckw. 
2 <9 heeft : de mysels drooghen hroot. De oorsprong 
ligt waarschijnlijk in het znw. mie^ in 't fransch 
kruim, mittte^ kruimel, lat. mica. De wwn. la ten 
zich vergelijken met de fr. emier en emietter. 

Mikkelen— MikkeD . 

Mikkelen zoowel als mikken is bij De Bo hape- 
ren, dubben, aarzelen. Vilmar heeft in dergelijken 
zin mickeln. Er zal toe behooien ons mikmak 
voor hinderpaal, zie mijne Verscheid. 159, en mik- 
ken hetz. w. zijn dat wij voor op iets aanleggen 
of doelen bezigen, en eig. een zeker bewegen aan- 
duidt, lat. micare; zie Weil. Bij BsJnneriis micken 
den mond bewegen, bij Anton (St. X) en Lexer 
mucken zich verroeren; doch bij Richey (evenals 



bij ons) mikken, in het gezicht vatten, ten doe! 
nemen. Heins, Bartas' Wercken, 1. ii. 28^ neenit, 
naar het schijnt, het ww. bedrijvend : 

De Schutter synen pyl op geen hesondWen mickte. 
Misschien echter vervangt sgnen den genitief. Mik 
is doel, oogwit; Rodenburgh, Jacoba, %: 

— elck emstigh is geneghen 

Tot wegh ter salighet/dt : ons alter mick ett oogh. 
De spreekwijs hinnen mikken is »in het bereik." 
Dus Westerbaen, Ged. II. 365: 

'Kheb selfs ten naesten by een andre binne micken. 

In wien ick zin heb. — 
D. III. 373 : 

— als hy nu so wijd van Pallas ivcut van daen 

Dat dees hem meynde nu te hebben binnen 

micken. 
Thirsis Minnewit, III. 31 : 

Dat het maar zijn strikken, 

Om jou binnen mikken 

Te krygen... 

Misschelen— Misschen 

Beiden bij Kil. voor mengen, vermengen ; hoogd. 
mischeHj miscfieln. eng. to mix, fr. meter, mesler, 
immiscer, lat. miscere, pail, itiistum, mixtum, waar* 
van 't fr. mixte, immixtimi. Hoewel de Teuthonista 
ook heeft »Menghen, myschen, plengen," en Plan- 
tijn : i>Misscheleti, oft Mengen," gel oof ik echter niet, 
dat de woorden te onzent immer druk gebruikt 
zijn Bij onze schrijvei*s althans kwamen zij mij 
evenmin voor, als in onze tegenwoordige dialecten. 

Moddelen— Modden. 

Beide wwn. zijn in Overijsel in gebruik voor 
aardappelen rooijen, zie Te Winkels N. Ned. Taal- 
mag. III. 241 ; in Gelderland voor eene nalezing 
doen op het rooijen, zie Weil.; in Vlaanderen in 
oude papieren of vodden zoeken, zie Schuermans 
Idiot.' Bij Kil. heteekenen zij den modder omwroe- 
ten, eng. to muddle, (in den modder) nazoeken, 
wat met het vorige overeenstemt, of liever wathet 
verklaart. Met den vorm mudelen komt het ww. 
voor bij Cassianus, Der Oud. Vad. GoUacie, 142: wat 
wilstu nu in deti weghe van egipten om ghemue- 
delt water te drincken? Blijkbaar wordt bier aan- 
gehaald Jerem. 2, vs. 18, waar ter pi. de delfsche 
Bijbel heeft lovermoddert water" en die van Vor- 
sterman : T>vermiylt water." In den gen. delfschen 
Bijbel leest men elders vermoddelen voor modde- 
rig of troebel maken, waarvoor Kehrein muddeln 
en mutteln heeft ; Ezech. 32, vs. 2 : du vermodde- 
les die water&n mil dinen voeten : en du ver trades 
haren rivieren. De Statenb. heeft: gy beroerdet 
het water met uwe voeten, ende vermodderdet 
haerlieder rivieren. Aid. cap. 32, vs. 43: desmen'- 



397 



MODDELEN. 



3d8 



schen voet en sal nemmermeer die wateren ver- 
moddelen: noch die fiove vanden paerdeti en sal 
die wateren niet vermoddelen. En cap. 34, vs. 18: 
als gi al claer water drinct: so vermodel (sic) 
di mit uwen voeten dat u bleef, De Statenvert. 
beeft bier vermodderen, Zie wijders Modderen. 

Moetelen, zie Mot'elen. 
MoeaelenS zie Meuzelen*. 
Moeaelen*— Moesen 

Beide wwn. bebben bij De Bo de bet. van »tot 
moes maken, pletteren," van vrucbten gezegd. 
Stalder beefl in dien zin mussehi. Docb bet oudbd. 
mosjatiy middelhd. muosen^ beijei*8cb muesen, zwa- 
biscb musen^ beeft een anderen zin, t w. van (moes) 
eten of te eten geven, spijzen. 

Moeaelen'— Moezen 

Moezen is bet oudfr. muser^ bij Roquefort Gloss. 
»jouer de la muse-^* want muse^ van bet lat. mti«a, 
was de naam van bet speeltuig, later come^muse 
en musette gebeeten. Grandgagnage, Diet, de 4a 
Langue Wall, vermeldt mede muzer^ musarj in 
dez. bet.; en muzer is bij hem, zoowel als muser 
bij H6cart (Diet. Roucbi-fr.), »cbantonner." Het 
speeltuig noeraen wij zakpijp of doedelzak ; vroeger 
ecbter zeide men vooral bij vlaamscbe en zeeuw- 
scbe scbrijvers moezel; Van Beaumont, Tyt- 
snipp. 96: 

De moesel klinckt door Hgansche velt. 
Aid. 99. 

Hy maeckt dat ick soo vry mijn moesel mach 

doen spelen. 
De Bie, Faems Weergalm, 216: 

— cds de moesel gaet met toomeloose pypen, 
De Brune, Bancketw. I. */43: Die gheen tangh of 
moezel uyt een luyt en ketity is altijds goeds moeds. 
Bn bl. 327: Zulcke moezels rnoeten vol tvinds ge- 
blasen wesen, eer ze eenigh geluyd geven. Den 
Nederd. Helicon, 307: 

Al doend een liet op Pijp oft Musel kraken. 
Cats, I. fol. 314: 

Maer als dan wederom de mousel koomt te 

swijgen, 
waar ter pt. men bet speeltuig afgebeeld vindt. 

Het WW. moezelen^ bij Kil. onbekend, leest men 
in den Nederd. Helicon, 235: 

— H ruysch-getier zijns beeckjens^ dat soet lect, 

Dat suyslend^ moeslend', hetn een slaep-lust soet 

verweckt, 
Poiiters, Masker (12edr.) 243: 

Claes die moetselt (sic), Aerd toil springen^ 
Hannen danst, en Lijs moet singen* 



G. Jacobs in den Friescb. Volksalm. 1837, bl. 45: 
't Sy dat ge singt een geestigh Lied 
Of raoezelt op een haver-ried 
Uw lof'lucht-maet-gesangen. 

Moffelen'— Moffen. 

Ons woord mof (in handmof) beteekent mouw^ 
en is daarme^ etymologiscb 6^n; boogd. muff^ bij 
Strodtman maue en mowwe. Hetzelfde of een der- 
gelijk kleedingstuk heette ook moffel^ door Huyg. 
I. 99, onder bet raeisjestoilet van zijn* tijdgesteld. 
Ook Poirters, Heyl. Hof van Theod. 185, spreekt 
van : een moffel, een en hoet met pluynmge, enz. 
Dez. Den Alderheyl. Naem, 11: 

Hoe veel zijn vande kauw verveert^ 
Die moffels met een otters-steert^ 
En hebben bont doer in ghesteltf 
Zoo leest men in Hoofts Ned. Hist. fol. 849: (/it/) 
stak het {briefken) voorts in een moffelken, dat 
hy aan den arm had, De Decker, Rymoeff. 1. 145: 
Een' Wonderspreuck (zoo U schynt) die wonder 

doomig stael^ 
En zonder moffelen zich qualyck hattd'len lael. 
Men berkent bier de spreekwijs, waarvoor de 
Franscben zeggen: cela ne si prend pas sans mi- 
taine, nederl. dat is geen kat, om zonder hand- 
schoenen aan te vatten. De Franschen zeiden ook 
. moufie, en bedoelden daarmed een want of hand- 
scboen met 6^n vinger, om welke reden de nederl. 
vertaler van Rabelais I. 293, Thibault Mitaine 
beeft overgezet door Thibaut den moeffelae^\ 

Ten tijde van Shakespear was in 't eng. a muffler 
een soort van masker, bestaande in een' doek die 
de kin en den mond, soms ook den neus bedekte, 
zoodat, indien over het voorboofd de muts nefir- 
gebaald werd, alleen de oogen bloot waren ; zie de 
bescbiijving met de albeeldingen tevens bij Douce, 
Illustrations of Sb. I. 75—78. 

Van bet bergen in den mofTel of mouw hebben 
wij niet alleen de spreekwijzen »iets in of acbter 
den mouw bebben", maar ook in den zin van weg- 
steken, verbergen, de wwn. moffen en moffelen. 
Het eerste kwam mij voor bij Dullaert, Flavio en 
Juliette (1679) bl. 25 : 
— zy verschieten naauw de kaarten eens ter 

loop^ 
Hun lompe vingeren die moffen ze op een hoop. 
Het is vermoedelijk hetzelfde met tnu/f en, dat Van 
der Schueren door vsluiken" verklaart en voor 
wegdoen, verdoen, neemt ; en stellig met mou)wen, 
bij Strodtmann sentwenden", met de opbeldering: 
i^Mowwen scbeint nur ein Diebstabl zu seyn, den 
man im Aermel verbergen kann." Meer bekend 



399 



MOFFELEN. 



400 



is bij ons moffelen, dat ook in het eng. to muffle 
zich vertoont, en door Bildenlijk even verkeerde- 
lijk als eene verbastering van muiclielen wordt 
voorgesteld (N. Mengel. Voorr. 2()) als e!dei*s ( Verkl. 
Gesl II. t^.45) door hem onigekeeid muichelen van 
mo/Jeleii. Dus Van Uasselt, Arnh. Oudh. I. '253: 
zo wierdt al in 1.')33 Gysbert Mess Ha(jetjeeven.dal 
hy een ty^tneti kanne gemoffeld hadty en dat hem 
die wedr... nit de mou gehaald ivas. H. van Hal- 
mael, De Schynheilig, 41 (van pati iizen): 
— zy neemender zoo mnar drie op' er borty 
De vierde rnofflenxe otidej" de rand van de 

schotel, — 
Berkhey, Snerpende Hekelroede, 39: 

Wie inoCFelde aan een kanl de drukpers en co- 

pyen ? 
Valentijn, Wepken van Ovid. I. 311) : Korts daar 
aan had^e de vloot der Trojanen in de ( front ge- 
moffelt. E Bekker, De Twee Moeders, II. 105: 
[k molTelde mijne kleene Leocadierin een mantel. 
Geld. VolksaJm. 1^6J, bl. 103: Ik hoeve H onder 
giin steiUe of banken te mofHen. — Ook zonder 
voorweip der werking ; H. van Halniael, Overd. en 
Gierigh. 18: 

Wat wil dat mofTlen in het schorteldoek be- 

duijeti f 
Dez. Crispijh, Book- en Kashouwei*, 51 : 

Hoe leyd hy le raofflen, hoe tost jezo luy? 
Rosseau* Helsche Kermis, 47: 

Want zy speelden aan vier ploeyen^ 
Zeeven streepjes om een duil: 
H Waar elk past hier wat te raaken^ 
^chrik van mofflen, en vcrzaaken. 
Hier denkt men aan de handgauwheid van den 
goochelaar. Daarvan bij Van Swaanenbuig, Arleq. 
Distel. 201 : 
Ecr //;/ een zilvre mop zouwt moirien int Imar 

ta^sje. 
E. BekkiM-. Mengel p. II. .57 : 

Ei! Damon motfelt met de kaart 
Het WW. bemoffelen is omwinden, inwikkelen ; 
Bekker en Deken, Corn. Wildschul, II. I.i3- zander 
(de hand) met het /tand van zijn rok bemofl'eld 
tc hebben. Doch bij Hooft, Ged. fol. 59: 

— men zal^ naar ouwdl gebnnk — 
— zoo bemoffelen zijn handeft, dat hy '/ spel, 
Door hooifhmoed^ echter ons niet weer in 't war 

en stel 
heeft dit ww. een' anderen zin, I. w. met houten 
werktnigen, moffen genoemd, omkloiumen; zie 
Oudemans Wdb. op Hooft i v. Maar zoo zai men 
ook mo ff el en knnnen opvatten bij denz. Ned. Hist, 
fol 657: De Prins, niet ziende^ met handen zoo 



gemoffelt, daar ter steede yet goeds te doen^ enz. 

In- en toemoffelen hebben weder den gewonen 
zin van in- en toesloppen ; D. Warande, X. 604: 
in de liousen van het metuich steketi de bankj^ns 
van den boer, De DamezeUle^ dat de huisman ze 
or uit de grap had ingemofleld Van Swaanenburg, 
a. w. 12 : dat ik jmi mageren hand zes schellingen 
in de hand had gestooken^ qelyk men een Advo- 
eaat toemoffelt vow een hal/blanks constUtatie. 
De S(*hilder door Liefde. 6: 

— 'k Zal myn muil 

Met vyf zes kapers zo wet wat toemofTlen, uily 
Dat hy niet zien zal als my^n kleeren, 
Westerb. Ockenb. Opdr. heeft: 

— nu dit arme wieht hier buyten is gebooren^ 

Sal men 7 vermoffelen en voor een Zuyger 

smooren. 
Volgens Halbertsma's Wbk. voor het overijselsch 
is mo/felen in dien tongval een jongensspel waar bij 
»de duilen (sc. de centen) met twee gesiotene 
handen (en dus vermofjeld) naar partij worden 
G^ergebracht, die ze opsmijt." 

De bet. van verbergen of inwikkelen gaat in 
moffelen over tot die van in wanorde brengen ; Va- 
lentijn, a. w. I. 147 : wilt gij u hulssel door 't slin- 
gereti der tabbaarden niet uit 'tfatsoeti latetimof- 
felen. 

In de volkstaal is iemand moffelen hem (in 't 
geheim) ombrengen ; zie HoeufTts Bred. Taaleigen. 
Zoo leest men Valentijn, a. w. II. 220: genegend-er 
om mijy ten gevalle van de vijandige Goden^ dood 
te moffelen. Het begrip van wegstoppen zal daarbij 
we] ten grondslag liggen. In heel wat gunstiger 
/in maar toch op gelijken grond, zegt men iemand 
moffelen voor dartele stoeljerij met iemand plegen, 
wat Bilderdijk opvatto als kussen, van moffel^die- 
renmuii (Verkl. Geslachtl.). 

Moffelen*~itfolFen. 

Mvljelen^ ook majfelen en muffelen, in bij Kil. 
de kaken roeren, en dus het?ellde wat anders wa- 
welen of mom|»eleii heet, hetz'j om te elen, zooals 
nwlfelcn b'j Si-huermans en mulfelim b\\ De Bo, 
d. i. osmnllen, lustig eten" »3ii waarvan, almede 
volgens hen in het vlaamsrh, met voorvoeging der 
Sy de wwn. smolfelcn^ smulfelen en smoefelen met 
de^elfde bet.; hetzij nit misnoegdheid of kwaden 
luim. Dus Westeibaen, Ged. 11.289: 

— wanneer suit ghy my seggen 

Met klaere woorden hoe dat desesaecken leggen? 

Ghy moffelt binnens-monds : ick weet^ ick weet 

het niet. 
Bredero, Moortje, 68: 



^h^HBA^M^Btfl 



401 



MOFFELEN. 



402 



Hoe latigh suldy dus divars eti twijfelachtigh 

spreken f 

Wat gemoffel is ditf ghy staemeri in u pnxet. 
Het hoogd zegt in denzelfden ziii muffehi, en 
bet eng to muffle en to maffle. Bij Sou man, De 
Volkstaal in Noordholland, is moffelen »knabbe]en 
op taai vieesch of broodkoi'^ten * van iemand die 
een gebrekkig gebit heeft." 

Het primitief komt in verschillende verwante 
dialecten voor. Bij Stbmeller is muff en morren, 
brommen, gemelijk de lip laten hangen ; evenzoo 
b^ Schmidt en elders. Het nw. muff is een knor- 
repot bij hen, dat te vergelijken is met mafje^ 
't welk wij voor beuzelaarster of eig. wawelaar- 
ster zeggen, en dat bij Bredero, Griane, 7: 

Wei hoe ist hierf speul op een reys, matje, uxy 

sellen de doodt danssen. 
juist geen »liefkozingswoord" behoeft te zijn, zoo- 
als de hr. Oudemans vermoedde, ten ware in 
ironischen zin. Voor den man luidde het w. maf; 
Wolsscbaten, De Doodt vermaskert, 28: 
— dat Matthijs iwta recht een maf 
En dat ityn voder was een geek. 
Aid. 129: 

Den knecht die staet met H hoetjen af 
Seer slecht en loert als eenen maff. 
H. van Halmael, Crisptjn Weezenpl. 33 : 

Ons geld is op den honcL, de mskfhoi^d hemgek. 
Van Swaanenburg, Art. Distel. 33: 

— bruijen Vorst Jupyn^ gelyk een Boere maf, 

In 'taanzien zelfs der GoOn van zynen kak^ 

stoel af, 
Ook als weetniet of gek komt het w. voor; a. w. 
60 : t/c, die anders maar voor een maf word ge- 
houdeny kan enz. Bekker en Deken, C^oni. Wildsch. 
IV. 390, met dezelfde spreekwijs: uw Moedcr \oor 
de maf te houden. D. V. 272 : zij hee/t mij voor 
de maf gehouden. D. HI. 26, van een jongeling : 
of men hem nii daar xvat al te veel geplaagd en 
voor 't malje gehouden heeft. 

Hiertoe behoort ook onze scheldnaani mof Mullur 
en Weitz zeggen in bun Idiolikon dat Kolsche 
Muff te Aken een scheldnaam voor de Keulenaars 
is, gelijk het hollandsche mof als benaming voor 
de westfaalsche gras^maaijers en voorts voor de 
Duitschersin Halgemeen. Naar Schmidt heet, wat 
elders muff of mof luidt, in Oostenrijk muck, 
van muckert, nederl. mokken^ gelijk muffyan mu/fen^ 
boven in dergeltjken zin vermeld. Mof zegt dus 
eigenlijk zuurmnil, onvriendelijk mensch. Bilder- 
dijk verklaarde mof door maaijer, zie de Aant. 
achter den Perzius, H5, en N. Verscheid. IV. 186. 
Die afleiding berust op geen enkelen grond, dan 



alleen op de overeenkomst van het w. mof met' 
het eng. — let wel, het engelsche — ww. tomow^ 
en misschien ook de bijvoeging van Hans; Strick 
van en tot Linschoten, Ged. '291, in een gedicht 
van Jan van Hout : den snorkenden Hans MofT. — 
Aannemelijker nog wiaire Toinmans meening, ook 
door Van Effen (Sped. VI. 261) en Weil, overge- 
nomen, dat mof afkomt van mu/, verschiromeld,. 
wegens den onaangenamen geur. Want inderdaad 
is het WW. muffeny zoowel als het frequent, muf- 
feln^ in alle duitsche tongvallen bekend voor rie- 
ken, stinken. Men zie ook onzen Van der Schueren 
en Kil. Een znw. muf echter, op een persoon 
toegepast, ontbreekt er. Niets natuurlijker ook 
dan dat de westfaalsche arbeidslieden een onder 
hen bestaanden scheldnaam tot ons overbrachten ; 
en dat ons volk den eigenlijken zin van dien naam 
gevoelde, blijSt uit zijne spreekwijs: hij zwijgt als 
een mof, Zwijgen is het eerste en meest gewone 
kenteeken van den gemelijken, onvriendelijken 
mensch. Reeds Rabut schreef voor twee eeuwen 
in zijne Vermakelijkh. der Taalkunde, 100: heeft 
niet Tertulliaan^ die onder den Keiier Severua 
schreef, een geheel boek tegen de Joden gemaakt ? 
I en van deze getuigenis van Jozefus zwijgt by als 
een mof. 

Volgens Adelung is muff en in 't hoogd. ook blaf- 
fen, en wordt daararo in sommige streken een 
groote hond in de volkstaal muff, muffer^ muffel 
en muffmaff genoemd. Die laatste benaming paste 
men bij ons op den Duitscher toe. Huygens, Ko- 
renbl. 11. 104, op gedichten, door hem uit het hoogd. 
vertaald : 

Dit heeft den Haesekop gedaen en dat de Mcff. 
De benaming hazekop doelt op den Hollander, zie 
Van EflTens Holl. Kpect. VI. 267. Ingen, Ged. 23 : 
Dat yder een in deze Stadt 
Hem gtHx)telijks verwotiderty dat 
Uatts Mofmaf in tien jaar 
Zo. groot en rijk geworden is. 
H. van Halmael, De Prins van Platte Marry, 65: 

Hans mofmaf, B reenter knoet, en onbeschofte 

vent! 

^k Woude ik myn daagen u gezien hady noch 

gekent. 
Meulewels, Misantr. 34: 

Cromtongen^ cointermans^ mouf-maffen, iersche 

swaelems. 
Is. Vos, Kl. van Robb. Leverworst, 20: 

soo een Hoogduytse hans mofmaf, as jy bint, heb 

ik men leven .. niet esien. 
Zoodanige alliteratie is trouwens ook bij onsgelief- 
koosd. Van de Venne maakte ze met het adj. muf; 



403 



MOFFELEN. 



404 



Wys-mal, Voorr. : den maiTen, muffen reuck. Sinne- 
vonck, 40, van den tabakrookenden boer: 
(T Oogen stonden als een Dollen^ 
Bey de koonen opgezwolleti^ 

Lippen naeuw^ gelijck een slot, 
Maf en muf, en hoi en hot. 
Maf is dus hier te ondei'scheiden van hat gelijk- 
-luidende adj. door Weil, vermeld als laf, mat, vad- 
sig, beteekenende. Liever zou ik dit verklaren door 
zat, vol, eig. afgemat als ieiuand die veel gege ten 
heeft; want muffen is in verschillende dialecten 
eten, en mu/feln sterk en veel eten; zie vooial 
Schmidts Idiot. Daarop past dan ook de gewone, 
door Weil, vermelde spreekwijs: hij is maf van 
al het eten. Bij nitbreiding der beteekenis gold 
het w. voorts voor afgemat, krachteloos, laf, in het 
algemeen; b. v. Van Beverwijck, Lof der Medic. 
29: Diogenes^ siende eenen maffen Worstelaer de 
Getieeskonste oeffenen^ enz. Westerbaen, Ged. 
I. 241: 

Nu streck ick over zee dees handen, moe en maf 
Door sUiegeny die ick my op mynen hoesetn gaf. 
Bloemkrans, 069: 

— d' heerlijkheid 
En macht^ en waarvoor ooit een maffer ziel 

mag hukken, 
HolTbam, Nagel. Geschriflen, 6 : 

Maer^ miesier^ je gaf main 'en malfe rol in. 

't 9pul. 
In dergelijken zin vindt men muf gebezigd ; Eras- 
mus, Colloq. Famil. 363: Ghy wort dof en muf 
door al dat in (huys) siiten, Bij Oudaan, Room- 
sche Mog. 237, leest men: de veriiiaiTe Roomsche 
Quistgoeden, ik denk voor vermafte. 

Mokkelen'— Mokken. 

Mokkelefi^ door Bild. Verkl. (lesl. II. 245 vermeld, 
wordt in het dagelijksch leven gehoord voor een 
herhaald mokken, hoogd. mucken, d. i. eene in- 
wendige ontevredenbeid toonen zonder te spreken. 
Hiertoe behoort ook ons niik, wonderlijke luim of 
gril, hoogd. muck. Dus leest men bij Ten Kate, 
Het Boek Job, 78: 

Ik ken uw heimlijk overleggeth, 
Uw wreevlig mokken al te goed, 
Mr. A. van Halmael Jun., Mathilda en Struensee, ^: 

'k lloor ook geen kUichten, maar slechts mmnpelen 

en mokken. 
Zulk mokken heet in het Brem. Niedei"s. Wtb. ook 
muksen en muk seggen^ en door die laatste spreek- 
wijs wordt de volg. pi. opgehelderd uit HofThams 
Nag. Geschr. 6, waar de boer, die onvergenoegd is, 
dat hem in het spel zulk een laffe rol is toebe- 
deeld, zegt : 



Ik roep nog mok ; verdord ! ik hin gien prul : 
Me waif spcult veur prinses^ en ik loop mit de. 

meuien. 
Ik voeg hier nog bij, dat mok, bij Westerb. Ged. 
L 482: 

Ick en vreesde spat noch gallen, 
Noch het veel of luttel stallen: 
'k Sagh niet of de vilte-lock 
Was hedraegen van de mock, 
een ongemak der paarden is, bestaande in het zwel- 
len der beengewrichten, hoogd. mauke, neders. 
muke, osnabr. muken, akensch muff, 

Mokkelen*, zie Maggelen. 
Mokkelen'— Moggen. 

Mokkelen beteekent in Gelderland wat men el- 
ders molten noemt, d. i. uit liefde een kind vatten 
en kussen, vooral een kind dat dik en vet is. Dus 
in Gremers Bet. Nov. \\, 1 -. as ik oe 'soavonds is 
pakken e7i mokkelen kan. Aid. II. 83 : hoe ze moe- 
ders evenheeldige uit de krih neemt en mokkelt 
dat het een lust is. Dez. Een Reisgezelschap, I. 
9: mokkelt Geertje hoar krijtend jonkske. Dez. 
Uit het Leven, 37: ik hen met onze lieveling aan 
H keuveleti efi mokkelen geweest. — Zoo vinden we 
reeds op het einde der i7e eeuw hemokkelen ge- 
bezigd ; Valentijn, Werken van Ovid. I. 86 : Ter- 
wljl hij met den duim de slaande pols komt te 
tasten, bemokkelt hij, quansuis of *t so hoorde, dik- 
wijl die hlanke houten. — Minder nauwkeurig heeft 
deze Schr. het frequent, voor inwikkelen, aid. 195 : 
Sit sij in ceti winterdos gemokkelt, segt... dat gij 
sorg voor de gezondheid draagt. — Men kan hier 
denken aan een inwikkelen door te betasten, of 
ook aan eene verwisseling met moffelen. Zie Moffelen^. 
Bilderdijk noemimokkelen een vlaamsch woord, Ge- 
slachtl. II. 246. Ik weet den oorsprong er van 
niet beter aan te wijzen dan door een ww. mogf- 
gen., moqeti, meugen, mugeti, wellicht zoo als Rein- 
wald gist, hetzelfde als meukefi, d. i. zachtofweek 
maken. Dat zulk een vorm aan te nemen is, blijkt 
uit muglich, bij Von Schmid rond, glad; moggel^ 
bij Weil, een dik, vet kind of vrouwmensch; ge- 
mogelt, bij Von Schmid dik in 'tvleesch. De g 
wordt verschei'pt in mauck, bij Stalder een vleezig 
en vet mensch ; muckelicht, mackelich en mokelich, 
bij Rein wald dik en vet, kwabbig ; mokkel, mokkel- 
tje, bij Weil, een vet kind. Dus in het dialect 
van Groningen in Gouvemeurs Huisvriend, XVII. 
256: 

Och, lijvert, roept ze. dat is goxid; 

Dou hist mien allerlijfste mokkel! 
Ons werkw. mollen is ontwijfelbaar aan mokke- 






405 



MOKKELEN. 



406 



Z«n,. moggelen^ verwant en wellicht daarvan eene 
samen trekking. Een vet kind noemen wij een mol- 
letje, en bij Von Schniid is niolle een dik, dom 
naeasch, moUiskopf een dikhootd, molluj vleezig. 
Bij ons is dit w. meer zacht, waarvoor Von Schmid 
heeft tnollet^ fr. mollet, lat. mollis, 

Het WW. meukerUf straks genoemd. herinnert mij 
Schambachs mok^ voor boop, acervus, dat daarvan 
onderscheiden zal raoeten worden. Scbmeller beeft 
daarvoor maticken^ maiigken en moger, die bij met 
het angels, mucg. rnuga^ vergelijkt. Die woorden 
helderen niet alleen op het eng. ww. to mucker^ 
goed of geld bijeenscbrapen, maar ook ons meuk^ 
bij Westerbaen in de boerenspraak gebruikt, Ged. 
1. 140: 

Ick heb noch he-gat 
Yen meuck van ten achat 
Bewaert in ien knoppel-^doock, 
D. ). een hoop. E^n meuk van een schat is een 
rijke, opgeboopte schat. lets anders wederom is 
metiken^ moken, bij Kil. modiolus, voorkomende 
bij De Gasteleyn, Ck>n8t van Rethor. 8: 

— oock de keerase en wardt niet gheueeert 

Verborghen, onder mueykin oft kiste. 
en dat eig. muddeken is, het diminutief van mudde^ 
modius, en hier gebruikt voor korenmaat. De Bij- 
bel van 1477 heeft modeken, 2 Kon. 7, vs. i : Afor- 
gen in deaen tide aal hinnen der poorte van itema- 
rien wesen een roodeken hlomen om enen stoter 
ende twee modeken ghersten om enen stoter. 

Mommelen- -Mommen. 

De eig. bet. van doze woorden is knabbelende 

de kaken bewegen, in welken zin Von Schmid 

zoowel het prim, mumtnen a Is het freq. mummeln,, 

en Halbertsma's Wbk. voor het Overijss, mumme- 

ten heeft. Dus zingt Van Lennep, Beleg van Go- 

rinthe, 27, aangaande dieren: 

Naauw kosteti zij rijzeny in luiheid vereend^ 

Bij 7 mumm'lend herkaauwen van H untte ge- 

beetit. 
Elliot Boswel, In e^n Bandje, 8 : 

W^j mumnielden flaauw op eeti suiker. 
Van Koetsveld, Fantasie en Waarbeid, 1. 116: mum- 
melt... Alejc nog met een boutje tusschen de tandefi. 
— Scbmeller heeft in dien zin memrneln. Dickens, 
Het verlaten Huia, door C. M. Mensing, 111 : Jo..,. 
mommelt onder het voortgaan zijn vuil stuk brood. 

Het prinu mammen^ bij Stalder mummeft^ beeft 
de bij ons gewone beteekenis van mommelen, d. i. 
tUBschen de tanden brommen, onduidelijk spreken, 
prevelen, bij Westerbaen, Ged. L 11 : 

— den een begon te morren 

En op den anderen al mommende te gnorren. 



Dus ook bet frequent. Don Quichot, I. 318: Hy 
bleef een goede wyl staen^ moramelende tusschen 
de tanden. Gem. Duytsche Spreckw. (Gamp. 1550), 
02 : Men mummelt soe langhe van en dinck^ hent- 
let votbrecty d. i. men mompelt zoo lang van een 
ding, totdat het uitbreekt. Oudaan, Roomsche Mog 
369 (het Rijkshoofd) : 

Welk 7 aanzicht fronsVen Irok op H toverachtig 

mommelen. 
Jonctijs, in Van Beverwijcks Wtnem. des Vrouw. 
GeslacbU, 68: 

— gelijck d^Aegyptsche Priesters deden: 
Die eerd' haer Goden^ met een mommelende lip, 
Bilderdijk, Mengel. I. 6: 

Wy slaan der dooden schild by *^momm'lend 

lijkgebrom, 
Westerb. Ged. 11. 129: 

Ala H zijn gfbedekene en sijn getykens leest 
Of mommelt so wat heen — 
Hier kan men het w. bedrijvend verstaan. Zeker 
is het zulks bij Erasmus, Golloq. Famil. 113: De- 
welcke alleeti eenighe u^oorden mommelt. Aid. 263: 
!>' andere... mommelden sommighe Psalmen met 
een droevighe stem. Van Beverwijck, Begin van 
Hollant in Dordrecht, 335: eenige woorden binncn 
^smotits mommelende. Dez. Schat der Onges. I. 
121: sy... mommelen al benaeuwde dinghen binneti 
'a monts. Oudaan, a. w. 142: haare Priesterinneti^ 
die de handen ten hemel heffende schrikkelijke 
gebcden mommelden. Bloemkrans, 146: 

Want de woorden die gy mommelt 
Zijn zijn eigeti A. B. C. 
Jonctijs, Venus, 75: 

Hetgeen^ haer, in den slaep, lien Droomgod heeft 

gemommelt, 
Werdt van haer stoute pen te schendig uyt-ghe- 

rommelt. 
Hier zou men toefluisteren kunnen zeggen ; zoo ook 
bij Baardt, Deugdenspoor, 242: deti Hospes mom- 
melt den Beer al sa^htjes in U oor, dat hy enz. 
Overtnommelcti is naprevelen bij Huyg. I. 439 r 
Dae}* ick — 

Beide ^t Kostelicke malleti 
En 't Voorhoutsche watidelkcUlen, 
Met de waerheit. die ick daer 
Heb geslingert by den haer^ 
Binnens lips kon overraomm'len. 
In den zin van onduidelijk, onverstaanbaar spreken, 
leest men het w. bij Valckoogh, Regel der D. 
Schoolm. 13: 
In Hopseggen sullen sy niet mommelen noch 

dromen, 
Bl. 35: 



407 



MOMMELEN 



408 



Spreect geen ve^'geefsche woarden^ wilt siamelen 

noch mommelen. 
Voorts van het gonzen der bijen; Bilderdijk. Men- 
gelingen, III. 9: 

*— 't flcuiuw mazijk van deze onzichtbre reien^ 
Maur dompig^ en gelijk aan H niomlen van 

de Bij, 
Dez. Vadeii. Oranjez. 144: 

— Een dof geluUi^ niet ongelijk aan 't mommelen 
Van nijvre hijen^ of door een gedreven hom^ 

melen. 
En dit op menschen toegepast; Van Lennep, 
FiSsko, 49: 

— Hun moedtuil stiert hel momm'lend volksge- 

voemeL 
Bogaers, 6ez. Dichtw. I. 332: 

Van rondom verschenen er armen en rijketi; 

De vlakle wan zwart van het momlend gewoel. 
Opmerking verdient het ww. nog, van den donder 
gezegd ; De Harduyn, Godd. Wenschen. 136: dat 
den dander beghint te mommelen. Feith, Poet. 
Mengelw. 81, in de bij uitstek klanknabootsende 
regels : 

— het atommelend gedommel^ 

Met klettrehd klatreny en het murmelend ge- 

mommel 
Der dondren — 

Alsmede het nw. mommelaar^ voor den dierenbe- 

zweerder, Oudaan, Uytbr. der Ps. I. 354: 

Als een Aspisy zijns gevaara 

Niet onkundig^ op Hbezweren^ 
En Hgeluyd des mommelaars, 

't Oor stoply orn het af te weren. 
En de hiervan weder gemaakte afleiding; S. van 
Hoogstraten, Den Eeii. Jongeling, 71 : groene 
nieuwelingen^ en die van nature tot mommelery 
geneygt zijn. 

Mompoleu'— Mompeu 

Eig. dezelfde woorden als momfnelen, mommefK 
doch met meer verscherpte iipietter. De spelling 
mondpeien van Kil. steunt op de verkeerde, ook in het 
Brem. Nied. Wlb. en bij Ten Kate, 11. r»C9 aange- 
nomen ondei'stelling, dat het w. regeli'echt van 
mond is afgeleid, en is zeker wel nimmer door 
de uitspraak begunstigd. Het eng. zegt er voorlo 
mump en to mumble^ en het hoogd. in de dialecten 
bij Schmeller, Stalder en Von Schmid mumpfen 
en mumpfehi^ alien in den zin van mommelen en 
mommen, 

Wat ons taalgebruik betreft : mompen is bij ons 
in dezen zin weinig gangbaar; althans het is mij 
alleen voorgekomen bij Ilofdijk, in het Jaarb. voor 
Rederijkers, 9e Jaarg. 217: 



Hi Ik zalf o — ^kzcd 'tT zoo wrokt en mompt de 

diewttman onder 't gaan. 
En zoo leest men ook in Bogaers' Togt van Heems- 
kerk, privaat-druk door den Dichter, van 1837, 
bl. 8: 

Dan^ uitgeput, temeergeslagen^ 
Dan mompte hij van vreeverdragen^ 
Maer 7 bleef bij H momplend stemgeluid. 
In de Werken van de Holl. Maatsch. die het stuk 
bekroonde, las men D. X(niede van 1837), bL 183: 
Dan^ repte hfj tntn vre^erdragen ; 
Maar 7 bleef bij U vlugtig stemgeluid. 
In de openlijke uitgave (van 1860) vindt men, bl. 
11, de beide regels dus: 

Kn mompelde van vre^yerdragen^ 
Maar 't bleef bij Y momplend stemgeluid. 
En deze- lezing is, natuurlijky ook gevolgd in de 
Gez. Dichtw. I. 79. — Meer ontmoet men mompe- 
leny dat zelfs zeer gewoon is voor binnensmonds 
of onduidelijk bpreken, zoo wel bedrijvend als onzij- 
dig, b. V. Toetsteen van .de V^erelt, 381 : eeti quade 
Ckmscientie indie gene, dewelke meer tusschen de 
tanden toat mompelen, als die rondt uyt spreken. 
H. van Halmael, Vei*stand en Deugd, 32: 

Wy hooren van de Deugd half binnens monds 

lets momp'len. 
De Vryer, Pulcheria, 30: 

In onbekenden schyn hoor ik, hoe yder mompeld^ 
Dat ik te laf en flaauw my hoar ontnemen liet, 
lie voorts Weil. Ik vermeld nog alleen het min- 
der gewone uitmompelen voor mompelend uitspre- 
ken; Mamix, Bienkorf, 49 verso: dat sy hare ge- 
tijden, seven PsaXmen, ende Patemosteren met ge- 
tal, ende als op eenen kerfstock met bemende 
keerssen^ wt mompelen sal. — En rondmompelen. 
Van Duyse, Vaderi. Poezy, L 136: 

Een lijkzang mort en mompelt rond. 
welk laatste niet fraai gezegd is. ImmerH mompelt 
een lijkzang niet; hij wordt genwmpeld, en dus ook 
rond' of liever in het rond gemompeldy d. i. bin- 
nensmonds aangeheven. 

Evenals mommelen is mompelen ook toegepast, 
hetzij op het gonzen van insekten ; Dautzenberg, 
Ged. 39: 

De gulden kever snort en mompelt, 
Eer hy zich in zyn bloembed dompelt. 
hetzij op het murmelen des waters; Vondel, De 
Boetgezant, 61 : 
Zy gaen te water ^ dat nu za^chter ruischt en 

mompelt. 
De uitdr. mompelige gebeden vindt men in den 
Friescben Volksalm. 1862, bl. 30. 



409 



MOMPELEN 



410 



Hompelen*— Mompen 

Van mom, masker, is het ww. mommetty d. i. 
een masker voorhebben of toonen ; b. v. Anna 
Bijns, Refer. 11. 45: 

lat detight voor 't Sacrament storten de lampen f 

En achter atrateti met torUen loopen mom men ? 
En voorts fig. zich bedekken, verbergen, zie Huyd. 
Proeve I. 475—478. Ontmommen is daarentegen 
ontmaskeron, zie Weil, en het Wbk. des Inst, op 
Hooft. Een frequent, mommelett in dezen zin is 
mij bij ons niet bekend, hoewel Schmeller en Rein- 
wald het hebben: mummeln^ »ich zumummeln, 
zich vermommen of vermaskeren. Wij zeggen 
daarvoor nermampelen, Kil.: in>ermondpelen (lees 
vermompelen)y reticeie, mussare, velare, celare, 
abscondere*; V. d. Schueren: i^vermumplen^ ver- 
stoppen, bergen, verbergen ; vermompelen^ ver- 
stomplen, verwyroplen, verhelen," enz. Zoo leest 
men bij Poirters, Hof van Theodosius, 222: wat 
Houden wy al klachten voor de menscheti vermom- 
pelen ? wat en souden wy met een stilmvygende 
gedult niet verdragenf Meulewels, Misantr. 24: 

— n4zer dat ghy (wat hoeft men */ ie ver- 

morop*len) 

9yt creupel, ateeke^lindt^ enz 
Bredero beefl daarvoor verkeerdelijk on^»7om/>e^«ii, 
wat het tegendeel van vermompelen uitdrnkken 
zou, lets wat den n.iuwkenrigen Oudemans ont- 
snapt is; Angeniet, 19: 

Dat my gantsch niet vemoeght^ dat ghy wo licht 

dijn ooren 

Aen de geveynsde re^en van deeen Eelman leent^ 

Hoe wel ghy veelt^jts dat my te ontmomp'len 

meent^ 

En hout my voor wrdaeht in u vet^gaderingen. 
Een priroitief vermampen is mij niet bekend. 
Doch onze vroegere schrijvers zeiden mompen^ en 
wel op eene merkwaaixlige wijze. Zij bezigden het 
niet voor een mom aandoen en alzoo zich of iets 
anders voor een ander verbergen; maar zij zeiden 
iemand mompen voor iemand bedriegen of mislei- 
den. Het woord drukt dus niet een mommeti 
van zich zelven uit, maar bet mommen of blind- 
doeken van een ander. Ik motn^ vermom of ver- 
mompel mij zelven of eenig voorwerp voor een 
ander; doch die ander wordt door mij gemomd^ge- 
mompt^ d. i. door schijn misleid, bedrogen, in ver- 
keerden waan gebra^bt, met ^n woord geblind- 
doekt. De volgende pll. zallen die verklanng be- 
vestigen. Bijv. op Wagenaar, Vad. Hist. VI. 35: 
Om^. Orange te mommen en eigen miadryf te 
dekken, Hoofl, Ned. Hist. fol. 61: Het eene {be- 
drogh) zoud hy met mompen van teekren ge- 



maghtigde.,, gepleeght hMen. Aid. fol. 157: om 
door gemompten middetaar den een en vcm zyn 
weederspreekers by te brengen. Aid fol. 1lf7 : om 
den vyandt te mompen, gcuit hy in der nncht toe 
En fol. I'M : hoe dat b&tteeken was. . puurlyk om 
de gemeente te mompen, en hun bedryf met de 
scitaaduw zyns naamtt hh aanziens te ma^ket^en. 
Dez. Ged. fol. 233: 

{Hy) pooght de gotten, j<ta zich zelven ook^ is 

V mooglijky 

Te mompen met den wijn. — 
Zie nog vijf andere pll. uit dezen Schr. in het Wbk. 
des Inst. — Oudaan, Agrippa, 16(5: de zuivere en 
van a ode geopende oogen^ kannen deze dingen niet 
mompen. Dez. Aand. Treiirigbeyd, 13: 

Om dus de Priestet^ett te mompen, te bedriegen, 
Bredero, Poem. 37: 

Hy meytit hy mompt de luy, maar wat istf sy 

verstaan 'f. 
Vondel, Peter en Pauwels, 41 : 

— op dat men hem zou mompen noch verschcU' 

cken. 
Dez. Brieven der H. Maeghden, 41: 

Myn bruigomy die dit roock, wist ghy door uw 

(lees utve) rexte 
Zoo loos te mompen, dat hy enz. 
Nog bij Macquet, Uitspann. H. 172: 

De fyne Godsvru^ht d*'ende om 'svolks eenvou- 

dige oogen 
Te mompen — 
Wagenaar. Vad. Hist. V. 180 : dat hy Frangois lig- 
telyky met de belofte van het Hertogdom Milaan^ 
zou konnen mompen. D. VHI. 71: de belofte.,, 
met welke men 'tvolk gemompt hadt. Ja nog bij 
Bilderdijk, Perzius, 32: 

— wanneer ze een boer met woorden tracht te 

mompen. 

Gelijk men zeidetioor mom gaan of loopen voor 

zich vermommen, zie Oudem. Wbk. op Bredero; 

had men de uitdrukking de mompen geven voor 

mompen; b. v. Westerb. Ged. II. 82: 

Oock en gthreeck'er geen die haer de mompen 

geven, 
PluymstrykerSy prekebroers^ en vleyers^ die 

Signoor 
Vast flickefloyen en hem streelen aen het oor. 
Aid. 250: 

Kort o>n, ick heh my selfs een regel voorge- 

schreven, 
Waer na ick sulcken volck de mompen \oeet te 

geven 

En haer in alle dingh te spreken nae de mond, 

Het tegendeel van mompen wordt uitgedrukt door 



411 



MOMPELEN. 



412 



ontmompen, (Li. derhalve uiteen verkeerden waan 
belpen, den blinddoek afnemen; Hoofl, Ned. Hist, 
fol. 691 : Deeze blyken (t. w. onde^schepte bneven) 
ter yl geschikt naa Groninge^ ontmompten de Wet- 
hwiders^ dus lang geblinddoeki door Rennenberghs 
konstenaaryen. — Bij Bredero is ontmompen wal 
anders, namelijk door morapen of raisleiden iets 
aan een ander ontnemefi, ontfiitselen, zooals wij 
ook hebben ontjagen, ontvechten enz. Zoo leest 
men in 's Dichters Boert. Liedb. 58, tot een soldaat 
gericbt : 

Mcuicki de Waardin veel trompe diets^ 
En soeckt haer te ontmompen yets^ 
En gheeft haer van de lornpen niets^ 
Ghy krljght de hooctisie graet. 
Aan hetzelfde werkw. heeft men te denken in zijne 
Kluchten, 53, hoewel bij er ontmonit spelt en de 
hr. Oudemans bet w. om die reden op ontmom- 
men plaatst; jou goetje^ Inidt bet tot iemand die 
geen meid boudt : 
— jou goetje en werdje niet ontmomt, noch ver- 

huys-morsL 
Wat helme onse Aecht wel goet ofhandich ge- 

maeckt en ontlorsL 
Docb in des Schrijvers Moortje, 76: 

— wat per en unit lof 
Salmen van mijn dichten f hoe sal elck van mijn 

• spreken ! 

Om dat ick een loose Hoer soo fray heb uyt- 

ghestreken : 
Want heh^cker niet ontmomt door mijn scharp- 

sinnigheydt 
Dat mey^jen daer hy so sijn sin op had gheleytf 
is bet w. niet voor ontfutselen, zoo als de hr. 
Oudemans verstaat maar werkelijk ontmommen^ 
d. i. ontmaskeren. De Dicbter vraagt : beb ik bun 
(t. w. elk^ vooraf genoemd) niet door mijne scberp- 
zinnigbeid bet meisje ontmaskerd, daar bij 
(Writsaert) zijn zinnen op bad gezet? Men zie 
wijders bet vervolg der alleenspraak van Koenraad. 

Moiikeleu— Monken. 

Deze wn. zijn verwant en komen in beteekenis 
vrij na ovei-een met mommelen en mompeleti^. 
Monketi^ btj Scbuermans en De Bo pruilen, boort 
men bij ons in de spreekwijs : i»in den donker is 
'tgoed monken" waarvoor Harrebom6e beeft: »in 
bet donker is bet goed moffelen of mokkelen" De 
laatste lezing is minder nauwkeurig, meen ik; de 
eei*ste beveelt zich aan door baren rijmklank en 
komt ook overeen met onzer naburen : »Im dunkeln 
ist gut munkeln" Monken is kauwen, eten, docb 
op eenigszins ongeschikte of ook bedekte wijze 



eng. to munch^ bij Halliwell to munge^ scbransen, 
etende den mond reppen. Die beteekenis beeft ook 
monkelen; Bredero, Boert. Liedb. 40: 

Laet hier u roockt-vleys sied^n 
En monckelt hier doch wal. 
Van de Venne, Bel. Wer. H3: 

Wauwelt wacker uytje sack. 

Of gaat^ monckelt vanje hangden, 

Dattet kruymelt ande tangden, 
Dez. Aid. 49: 

Lusje Roompje, suyr' of soet ? 

Lusje ProL of monckel-goet ? 
Oudaan, Poezy, IL127: 

Men voateT'tant op gele peen^ 
Sy wekken lust tot monkelen. 
Overeenkomstig hiermede is bij Kebrein monkeln 
iets droogs b. v. brood elen, bij Stalder munggeti^ 
munken, langzaam en moeijelijk, docb munggelen 
vlug en met lust kauwen; maar overigens bebben 
de wn. in de verwante dialecten meer gelijke be- 
teekenis met mommelen en mompelefi, in den zin 
van met den mond een zacbtgeluid maken, zacbt 
of beimelijk spreken, prevelen, ook morren uil on- 
tevredenheid. Zelfs bij Kil. is monken^ monkelen^ 
mussitare, susurrare. In bet dialect van Kortrijk 
is monkelen de lippen even bewegen om te lag- 
chen ; zie bet Belg. Mus. VIIL 187, en Van Huls 
noemt, Ged. 81, bet kussen motikelwerk. Bij Scbam- 
bacb en anderen is munkeln nevelen, nevelacbtig 
of donker zijn, van bet weSr gezegd, bij Kil. 7non- 
keti. En bij De Bo monkeleti zoo wel alh monken 
en monkereUy meesmuilen, pruilen. En zoo leest 
men bet prim, bij Van der Gruycen, Sreeckw. 651 : 
sy monckt, ny preutelt heele daghen. Conscience, 
Moeder Job, 20: waerom zil gi/ daer te dubben 
en te monken? .... Is dat zuer zienf — Vanhier 
ook monker; Toetsteen van de Werelt, 381: die 
monkers.... die als de katten op schiltwa^ht staen^ 
sonder nochtans haer pooten te roeren. 

Kil. brengt tot monken bet ww. monkefrooljen^ 
d. i. lagcben, glimlagcben, 't welk Van de Venne 
in dien zin bezigt, Bel. Wer. 244: 

— wanneerje mijn belonckt 
Set ick onder U Hoetje luyme, 
Dan mijn Beckje laate schuyme^ 

Asje goelijck moncke-frooyt. 

En nae mijn een suchje gooyt. 

Mordelen— Mordeu- 

Mordelen is in den Teutbonista drukken, kwet- 
sen. brijzelen ; zie aid. zoowel i. v. als op Qwettzen. 
Het primitief morden Inidt bij Stalder murden., 
morden^ kleinstooten ; bij Schmeller is merdem^ 



413 



MORDELEN. 



414 



mertemj iets of iemand bederven, onbruikbaar ma- 
ken, en merderer iemand die alles bederft of be- 
scbadigt. Da wn. hangen blijkbaar samen met 
mortelen en marzeleft; zie dezen. 

Morfelen— Morfidn 

Beiden heefl Kil. voor herkauwen als van geiten, 
voorts kauwen. Bij Frisch is murpfen en bij Stal- 
der murpfen mede in de eig. beteekenis van gei- 
ten gebezigd van bet afstroopen of af bij ten der 
boombladeren, en dan bij den laatste van menscben 
gezegd kieskauwen. Bij Scbmeller is murfeln^ 
morfelny met gesloten lippen kauwen als tandeloo- 
zen. Het grondwoord is ons morf^ murfs in de 
gemeene volksspraak voor mond bekend. Dus 
Focquenbrocb, Werken, I. 197: 

Terwyl myn vrau hoar dus Het hooren^ 
En speelde wakker met hoar murf, enz. 
D. i. dapper den mond roerde. Bara, H Verslingert 
Moekroesje, (5: 

Metier glimmende Kinnetje^ die tandelooze murf. 
Dez. Galtino en Aiiuiene, 37 : 

Wat bobbels aan de schoft^ wat murven aU twee 

galfels, 
Bekker en Deken, Will. Leevend, VI. 276 : zy bah- 
belt van 'sogtends^ tot des avonda,,. hoar murf 
8ta4it geen ^ oogenblik stil, Zie ook Ten Kate, II. 
674. 

Morkelen— Morken. 

Markelen is bij Kil. en Ten Kate, II. 674, het- 
zelfde als moirren, en Tuinman noemt morkelen^ 
murkelen, het diminutief daarvan. De verwant- 
schap is zeker nauw, doch het naaste primitief is 
morken^ bij SchamLach murken^ morren, brom- 
men. Het freq. murkeln "is bij Von Schmid — 
opder andere bij ons onbekende beteekenissen — 
onduidelijk spreken, als van iemand die de waar- 
heid niet zeggen durft. Dus lezen wij bij De Brune, 
Zinnew. 337: Marthe murckelt en prevelt teghen 
haer zuster Magdeleene^ am dat zy aen de voeten 
Jesu zat. Tuinman, Rymlust, 164: 

Wie daar op rymen tw/, die morkelt. 
D. i. pruttelt, omdat bij 't woord niet vinden kan. 
In verschillende verwante dialecten is murk een 
onvriendelijk, norsch mensch; wij zeggen daar voor 
nurk^ zie Weil 

In de Oudvl. Ged. van Blommaert, III. 50, leest 
men, op de vraag waarom jonge kinderen beter 
leeren dan oude lieden, na de opsomming van 
eenige redenen: 

Daer ommfi comei dat ^ (de ouden) 
Niet 80 vele leren, dat seg ic di^ 



Alse die van haren sinne 
Vri sijn ende van goeder mintie, 
Ende nouwet* om hebben morkelinghe 
Dan allene om ha^er leringe. 
Sloeg morkeling hier op de ouden, men raocbt aan 
»pruttpling" denken; doch het geldt den jongen, die 
aan de ouden worden tegenovergesteld. Ik verklaar 
dus morkelinge door morgelinge, van morgen^ zich 
vermorgen of vermergen, d. i. zich verlustigen; zie 
mijne Vei-scheid. 235 vlgg. en Lat. Verscheid. 478. 
De Dichter wi( dan zeggen: »die nienwers (d. i. 
nergens) lust in hebben." 

Morrelen*— Morren. 

GeluidnabooUende woorden. Morren gebruiken 
wij doorgaans van een dof geluid binnensmonds 
uit onwil of misnoegdheid, en vandaar ook voor 
de uiting dier gemoedsgesteldheid, mede op andere 
wijze, b. V. door te klagen. Het komt echter ook 
voor als bloote geluidnabootsing. Dus b. v. van 
het water, bij Vondel, Uippol. 22: 

— het zy een zoet geruisch gestort 
Met vlienden waterloop door 'nieuwe bloe7nen 

mort. 
Van den Cerberus, bij De Bartas, I. ii. 80, die te 
gelijk: 

. Uuylt overluydey briest^ met tanden knerst en 

mort. 
Het WW. bedrijvend te nemen is ongewoon; nog- 
tans vindt men het dus bij Vondel, Maeghden, 65: 
Noch schijnt de purpre fnond gebeen tot God te 

moiTen. 
Het frequentatief hiervan leest men bij Van 
Lennep, Ged. zoo 0. als N. 207: 

Krioelend en woelend^ 
En borrlend en morr'lend> 
En gonzend en bonzo'td. 
Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofdaghen, 167 : 
Sy mon-elt binnen 's monds^ Hcfiaedlijcke schaemt, 

ick 'Stuytje. 
Coster, Polyxena, 54: 

Om te besien wie 'k daer koor suchten^ preuflen^ 

morlen, 
Wie 'k weenen hoor — 
dat beteekenen zal : een morrend of klagend geluid 
maken. Maar dan ook bedrijvend voor mom peien ; 
J. G. Tengnagel, Verw. d. «t. Naerden, 38: 

Mijn Ruyters morlen vcuft^ dat by haer is verstaen 
Hier alles is gebreck. — 
H. van Halmael, De Zedemeester en Kantoorkn. 8: 
Wat of hy daar morrelde uyt zyn bedurve 

kaaken^ 
Men vindt knarren en morrelen in ^^ne samen- 



415 



MORRELEN. 



416 



stelling bij Marnix, anngeh. in De Tijdspiegel, 1860, 
n". 1. bl. ><5: nadat hy er andermael eenighe 
PscUmen op gheknorremorrelt heeft. — Het Idiot, 
van De Bo spelt moorelen, moarlen. en verklaart 
dat doot' »een dof gebrul geven," en zoo zingt de 
Schr. in zijne Ged. 38: 

— moorelen de tuhnelharen 
Op d'ongestuimen Oceaan. 
Zie wijders mijn Mag. T. 1^5, en Weil. Wbk. bij 
welks voorbeelden men dit van morrig voegen kan^ 
uit Van Effens Sped. IV. *^99 : een morrigen ouwen 
gemelyken vryer. Fokke, Verzam. tan Spreekw. 
221 : die (vrouw) was verschrikkelijk kribhig en 
morrig tege^x dat tneisje. En De Groots Bewijs, 27 : 
Het raorrigh ongeloof. — Bij Weil, komt niet voor 
morrerij ; Nomsz, Will, de Eerste, 23:< : Diewreede 
morrery. Bl 367: der burgren morreryen. Dez. 
Jeruz. Verl. I. 5: 

Held Reinouta vooeste geest^ op krygsrumoer be- 

lust, 
Verwerpt met morrery de streeling vart de rust. 

Morrelen'— Moren. 

In het dageltjlcsch leven is mof*relen ergens in 
roeren of wroeten, of zooale Weil, zegt, in het 
donker of bij den tast iets venichten. Men mor- 
relt b. V. met een stok in water of slijk; men mor- 
relt in eene lade waar men allef; dooreenhaalt, 
enz. Dus H. van Halmael, Crispyn, Bedrieger, 19: 

Jou dronken Beest^ wat morlje rfoar injou zak? 
Afmorrelen is afkrabben, Koddige Opschriflen, 
IV. 449 : 

Doch zat er wat aan H hembt^ als d'eerswis was 

vergeten^ 

Dat morrelde sy 'er af, en gaf H hoar kipjens 

't eeten. 

Hetzelfde noeraen wij ook wel moeren^ of zooals 
Bilderdijk (Geslachtl. II. 252 en III. 38) zegt, mo- 
ren; in het akensch mure^ bij Kil. moeren^ in 
imoeren het waeter^ turbare aquas." Dit moeren 
of moren^ verwant aan moet% moor^ slijk, is dan 
als het primitief aan te merken. Men leest het 
w. bij Van Alkemade, Beschr. van Briele, II 241: 
salmen tifsschen den nieuwen Dyck,,.. ende den 
nieuweti Zeedyck... mogen moeren. D. i. graven. 
Bol. 245: dat sal hy mogen moeren ende uitdelven. 
— Kil. heeft er ook van vermoeren of vermuren^ dat 
men leest in OrizandtsHeraclitus, 162:om/»6^ JBac^f 
der Kercke heymelijck te vermoeren, en met meer- 
der gewin te mogen msschen. Dez. Democritus, 92: 
de Paerden^ die dorstigh in een water komende, 
't selve met de voet vermoeren, en troebel ma ken. 

Vandaar ook moerig, troebel; Huyg. Korenbl. 
IL 1<»3: 



— noch keurde ghy niet recht 
Het rooerige voor puyk^ ^n 7 hoogelandsch voor 

slecht. 
Volgens de mededeeling van Dr. Schotel in zijne 
111. School te Dordrecht, 6. wordt in eene keur 
van 1384, een knaap, die op tien roedon afstands 
van de school ^morelde. kitste, of binnen die grens 
boverie deed of geruchte maekte" tot eene boete 
veroordeeld Wat hier doov morelde bedoeld wordt, 
is roij niet duidelijk. 

Moratelen, zie MorzelenV 
Morteleu— Morten. 

Morteleny nauw verwant aan morzelen^^ betee 

kent hetzelfde als dit. Bredero, Rodd. ;i5: 

Dat fiet den Lasteraars niet verdelght en ver- 

dempt^ 

Verplettert en vertreet^ en niet in stucken moi- 

telt. 

Oudaan, Uytbr. over Job, 7 : 

7 Gezelschap letjt bealolpt op 7 vrolijk vreugde- 

nianl^ 

Gemortelt, en geknispt^ men hoortse deerlijk 

karmen. 
Barn, Herstelde Vorst, 3iJ: 

Dat jae een^ hagelwolck my mort'len ynoet het 

hooft. 
En bl. 5t> : 

Ick sweer dien Styxen-hond sijn hel^che muyl te 

moilelen. 
Bogaert, Ged. 609: 

Een goedt dat d'aardworm noit zal ktiaagen^ 
Noch mortelen doov regenvlaagen. 
Anders vermortelen; Van Merwede, Uyth. Oorlog, 
187: ^ 

Deti hagel moet luier boomgewas vermortelen. 
SI u iter, Lofz. van Maria, 4: 

Maria's zaed is '( welk de slang den kop ver- 

morteld. 
Brandt, Veinzende Torqiiatus, 6: fk zal u heel 
vermortlen, Zo gy me naakt. De Thouars, Zriny, 
113: 

Hi) mag verbrijzHeti, 'tslot vermeesCren^ 'tvolk 

vermorielen. 
Lev. van Marc. Aurel. I.jO: hoe vast dat de muere^i 
ghemaeckt worden, de oudthet/dt doetse al vermor- 
telen. Hier is H ww. onzijdig en hetzelfde wat bij 
Weil uitmortelen is in de uitdrukking: de muur 
morteU uit, d. i. kalkt uit, gaat los en uiteen Bre- 
dero gebruikt dit ww. zeer figuurlijk, Kl. 58: 
Daer hanght botter in jou baei% veeght of eerier 

in gaet verwortelen. 
Neen, laet hanghen, alst droogh is dan seller 

wel uytmortelen. 



417 



MORTELEN. 



m 



Elders heet dit afmorielen; Lev. van Marc. Aurel. 
220 verso: de mueren en vallen soo haest niet ter 
neder^ oft daer mortelen eerst eenighe homen 
ccUcx af. — Onze volksspraak zegt in dien zin af- 
molmen: »dit of dat zal er wel afmolmen." 

Te moriel^ gelijk te morzel, is eene adverb, uit- 
dnikking, waarover men zie Bild. Geslachtl. II. 253. 
ZIj luidde bij Walewein, vs. 374, morteling: 
Mettien heeft- Gringolei — 
— den serpente enen slach gh*>gheveii 
Wel te pointe jeghen tbeste been, 
Dat hem vlooch mortelinghe ontween, 
Als subst. leest men dit morteling bij Vr. Bild 
Rodrigo, II. 126: Te morteling vergruisd. 

Bij Benecke is murtelen morren of murmureeren. 
Als primitief wvy. komt voor morten bij Fulda, 
Idiot ikensam ml., en murten^ in bet Bi*em. Nieders. 
Wtb. fijn maken^ kleinstooten, vergruizen, gelijk 
ons nw. moriel daar ook murt luidt, voor gruis, 
zand, bij Kil. morter. Zie Morteren, 

Morselen'— Morzen. 

Een naamw. morse., waarvan Bild. spreekt, Ge- 
slachtl. II. 253, is m)j nog niet voorgekomen. Wel 
een primitief ww. morsen^ munten^ bij H5fer, Stal- 
der en Schmeller. Het freqaent. morzelen werd 
door Burman. Nieuwe Aenmerkk. 157, afgeleid 
van bet fr. r^uire en morceaux; de Tael- en 
Dichtk. Bydr. II. 244, achtten die afleidin^ »niet 
waerschijniijk." Als men het w. toch uit het 
fransch wilde halen, waarom dan niet aan morceler 
gedacht ? Ons morzelen, meestal vermot^elen, veordt 
zoowel fig. als eig. gebruikt, b. v. onzijdig bij Van 
Beverwijck, Steenstuck, 10: een Steenken,,, dat in 
7 uyttrecken mee»t van malkanderen morsselde. — 
Bedrijvend bij Visscher, Sinnepoppen, 66 : datse sich 
aen grooter en harder aU %y niet wryven en sou- 
den, of zy souden vuyl en terstont ghemorselt loor* 
den, De Harduyn, Uitgel. Dichtst. 83: 

Den rechten offer God's moet *s menschen herte 

wesen, 

Ghemorselt met den steen van diep-grondich 

berouw. 
Prof. Schrant verklaarde dit door »eigenlijk dik- 
wljls bijten, en alzoo aan stukken bijten" Van 
Mander, Olijfbergh, 116: 

GKlijck ofmen wel met een suxier yser staf 
Vermurseld' al veel eerden vaten schervich, 

Nieteigenaardig uitgedrukt vind ik de samenstel- 
ling bij ToUens, Ged. I. 118 : 

Uit Vejes muren morzelt Homen 
De Schenders win hoar regten nedr. 

De afleiding morzeling voor kruimel en das in 



concreten zin, heeft Van Teylinghen, Het Paradijs 
der Wellust. 264: overmidts hy de moraelinghen 
des hroodts by den dorpel noch sagh ligghen. — Van 
Rusting heeft, Werken, I. 47, als rijmwoord wor- 
steleny dat als eene versterking der uitspraak van 
morzelen zal zijn aan te zien, zooals Stalder op 
gelijke wijze vermurzen heeft: 

{Jupyn) zei : kom hier jou pekelhoer, 
Ik zalje zonder tyt te rekken, 
Geen ooren maar de kop aftrekken.,. • 
En zo zy hem niet was ontworstelt, 
Hy hadze zekerlyk gemorstelt. 

Morzelen*— Morsen. 

Een frequent, ww. bemorzelen, voor hetgewone 
bemorsen, is mij voorgekomen bij Krul, Minne- 
Spiegel, I. 24 : 

U Edelheyi sout ghy haer hooghste roem oni- 

recken.,, 

Bemorselen u eer, u Edelheyt tot sc?iandty enz. 

Mottelen— Motten. 

Mottelen, in het dialect van den Teuthonista 
moetelerty beteekent pruttelen, morren (uit onte- 
vredenheid). Het zal ook wel ^n woord zijn met 
het zeeuwsche meutelen, dat Tuinman bedoelt als 
hij, Rymproeve, 239, zegt: 

De Zeeuwen praaten van gemeutel: 
Maar elk heeft van dat woord geen sleutel. 
en dat hij in zijne Fakkel, I. 253 hetzelfde acht 
met neutelen, talmen, treuzelen; zie dit w. beneden. 

Het w. doet zich reeds op in het middelhd. mv- 
telen, oudhd. muHlon, morren, bij Von Schmid 
mutteln en muttem, bij Schmeller en Stalder al- 
leen muttemj mutteren, eng. to mutter, Het prim. 
motten vermeldt Weil, voor kribben, netelig zijn, 
in het akensch mute, Dit w. is gelijk meer andere 
van de wedrsgesteldheid overgebraeht op het ge- 
moed ; want n\otten is eig. misten, nevelen. Zie 
Motteren. 

In De Brunes Bancketw. I. 441, leest men: {Het 
geld) en kan oock nergens vaster geleght werdeti, 
als in Gods mssel-banck^ die in de motjens en 
kotjens van de armen gehouden wert. — Kotje is 
eene ellendige woning of armoedige hut ; motje is 
wellicht genomen voor wat leelijk of vuil is, want 
dat beteekent mot als adj zie Weil. De uitdruk- 
king de motjens en kotjetis is om den rijmklank, 

« 

met andere in de volkstaal, zooals ook het hutje 

met het mutje, en dergelijke, van welke Van Has- 

selt er op Kil. bl. 238 enkele optelt. Van de twee 

daarin vervatte rijmwoorden is dikwijls het eene 

naar het andere gevormd, en in beteekenis eigen- 

lijk daarvau niet onderscheiden. Uit onze vroegere 

14 



419 



MOTTHiEK. 



420 



schrijvers ware een lijst van za]ke spreekwijzen te 
verzamelen, veel breeder dan die van Eiselein voor 
H hoogduitsch. 

Mozelen, zie Meuzelen*. 
Muffelen, zie Moffelen* 
VLuggelen—TIBjiggen. 

Het frequent! leest men in een opstel van den 
hr. Sleeckx (uii Lier) in Goevemeurs Hui«vriend, 
1864, bl. 104 : Dat ging cr, in den futn des school- 
meesters^ van zingen en tierelieren,,. snateren en 
kleppenteren^ gonzen en muggelen !... de muggen 
en de vliegen snorden en dommelden uit alle magf, 
om het hoor te volledigen. Blijkbaar wordterdoor 
aangeduid het. brommend of gonzend geluid der 
muggen. Ook bij Stalder is muggeln zoowel als mug- 
geln en nvuckeln een dof en eentoonig geluid maken. 
Het fr. meuglevy waarvan meuglement en mugle- 
ment, dat voomamelijk van den os gezegd wordt, 
is louter geluidnabootsing ; zie Nodier, Onomat. 
Fran^ise^, op Beugler^ dat alleen letterverwisse- 
ling van meugler en ons hulken is. 

Gelijk van meer geluidnabootsende wwn. is in 
het ned. het eigenl. prim, van miufgelen niet aan 
te wijzen. De hoogd. vrwn. muchen en mucken, 
lat. mugire^ worden door Kaltschmidt als verwan- 
ten van het jiw. mucke, nederl. mug^ veimeld, en 
Stalder stelt mucken als primitief. 

In de Idiotikons van De Bo en Schuermans heefl 
mwggelen de bet. van peuzelen, treuzelen. 'kHoud 
dit voor hetzelfde w., doch ontleend van mug^ als 
klein dier; alzoo zich met kleinigheden ophouden. 
Men denke aan muggeziften. Van het eng. midge 
heeft Halliweli midjans (midgena) voor kleine 
stukken. Bij Stalder is mugeln kleinbreken, afg. 
van het celt, mugj klein. 

Muichelen— Miiiken 

Het WW. mut/senbeteekent naai* zijn oorsprong iets 
tersluik of heimelijk verrichten; zie Grimm, Gramm. 
n. 471 en Benecke, i. v. Muche. Vandaar bij Stal- 
der mauchen, in 'tgeheim snoepen, en verbergen 
in Halgemeen, anders ook mduckcn. mucken, mu^ 
ken; nederl. mokken, smokkeriy smuiken, zie l^oh- 
kelenu Kil. heeft muiken niet, doch men leest het 
achter de Schadtkiste der Pbilos. in Porphyre en 
Cyprine, fol. 26: 

Cygnus in awaen hem tnet dit water laeft, 

Ceyx doer met Alcione muyckt. 
D. i. minnehandel drijft, hetzij dan meer of min- 
der ter sluik. Elders leest men het subst van 
dien vorm, Rott. Sp. van Sinne, 113: 



Myn bloeyende jeucht versch ende groene. 
In veel turberinghe (ick) dagheliicx verslyte, 
Deur H discoort der ghedachten, die my tot een 

spijte 
Niet dan onrust en muyken en konnen harem. 
Duidelijker is het w. in de Honigbije, IL 6: 
Laast dreef ik evenwel een kudde nog ter 

muik. 
D. i. heimelijk. 't Woord komt overeen met mu- 
cken bij Reinwald en Schmidt, voor kwade of ver- 
drietige zaken. Aan het denkbeeld van verborgen 
paart zich dat van boosheid, boos opzet; alzoo 
is nrnkken in 't neders. lis tig of bedriegelijk moor- 
den; vandaar in *t oudhd. m,uchilari^ middelhd. 
miucheler^ moordenaar (met een dolk) en in 
't hoogd. meuchelmord^ ^iuipmoord, bij ons door 
Bild. en andd. overgenomen in muiohelmoord ; zie 
mijne Proeve, 125. Men leest ook muichelmoorder 
bij Van Walr^, Heksluiting, 210; muichelmoorde- 
naar bij Van Oosterzee, Mozes, 13; R5mer, N. 
Reeks van Werken der ieidsche Maatsch. VHI. ii. 
98; muichelkogelhil Van den Bergh, Fantazij en 
Leven, 47 ; muichelhinderlaag, bij V. d. Hoop, 
Lente en Herfst, 34; en muicheldolk bij De Thouars, 
De Git. van Antw. I. 119. Bild. sprak van een 
nederl. ww. muichelen in de Voorr. der N. Mengel. 
I. 2b en 27 ; 't woord kwam mij echter niet voor 
dan bij een' onzer latere dichters, t. w. Van der 
Hoop, Golumbus, 29: 

Den ponjerd in zijn gordel muichelend. 
Waar H freq. alzoo hetzelfde beteekent als bij Von 
Schmid maxichelen (maukeHen^ maunkelen, mau- 
kern, fnodielen), t w. versteken, verbei^n, hei- 
melijk handelen enz. 

Mummelen, zie Mommelen. 
Murkelen, zie Morkelen. 
Murmelen— Murren. 

Een eigenlijke primitiefvorm murmenis mij niet 
voorgekomen. Gewoonlijk wordt murmelen afge- 
leid van murren, d. i. morren, 't welk, met tas- 
schenvoeging der tweede m, zoowel murmelen als 
murmeren oplevert, welke vormen zich in ver- 
schillende talen voordoen. Zie Murmeren. Met 
ons murmelen komt overeen het hoogd. murmeln, 
middelhd. murmelen, oudhd. murmulon en het 
oudfr. murmeler, waarvan bij Roquefort de uit- 
drukking murmeler lea aalmea, psalmen zingen of 
neurien. Het ww. beteekent bij ons vooreersteen 
zacht morrend geluid maken, zooals in : de beek 
murmelt, en dan ook bedrijvend; P. Moens, Joh. 
van Oldenb. 7: 



4S\ 



MURIIELEN. 



423 



Joy de Ystel murmelt nog^ hij HstcUig, treurend 

vloeien^ 
Den -grootschen naam^ den roem van Vrijheida 

fieren toon, 
Vandaar bij KItjn, De Driflen, 144: 
H Is dddr dat cU '/ gebrtd der levenazee ver-- 

dtoijnt^ 
Of door den af stand dechU een zachte murmling 

schijnU 
Vandaar Bilderdqk, Wit en Rood, 11. 7, van de 
zee : Oak deze marmelt na. — Doch wijders wat 
men andera mompelen heet, d. i. binnensmonds of 
onverstaanbaar apreken. Dus leest men in de 
Randteek. dea Statenbijbels^ op Ps. 38^ vs. 6: om 
dat de tooveraers ende besweerders binnens monU 
sprekenj ende murmelen. En in den tekst, Joann. 
7, vs. 32: De Phariseen hoorden dat de echare 
dit van hem murmelde. Dus mede Van Alphen, 
Dichtw. n. 18: Ik murmel 6(/ mij zeff» Bild. 
Zedel. Gisp. 38: 

Dan murmelt ht, van schtUdy met half verstaan" 

bre vooorden, 
Waartoe de samenst. behoort bij denz. N. Mendel. 
II. 309 : de geloften.,. die hy aan de Godheid toe- 
murmelt. Snieders, De Verstooteling, 15: Hyzag 
den jongen Bohemer.., aen^ en murmelde zachijes: 
Ik ben wreed^ ens. — Eindelijk mompelen uit onte- 
vredenheid, waarvoor anders meer gewoon is bet 
basterdwoord murmur^er^n ; De Brune, Bancketw. 
II. 42: Al dat one overkomty God wilt het zoo. 
Waerom dan te murmelen, ofte kreunenf Van- 
daar bij Van Hengel, Leerred. 11. 14: gemuimel 
van kleinmoedigeny altyd bezorgd. Van Lennep, 
Marino Faliero, 10: volksgemurmel. — Het w. is 
ook van dierengeluid gezegd; Hofdijk, Ons Voor- 
gealacht, II. 168 (van een' beer) : Dof murmelend 
en brommend ging hy oerder, Mamix, Lofsang 
Ezecbie, vs. 14: 

Ick hebb* gekrocht in mijne traeneny 
End vast gemurmelt als de kraenen. 
Ongewoon singt De Bull, Verspr. Ged. 68: 
— een klachty ztelroerend teedevy 
Murmelt uit zijn bleeken mond. 



Napelen— Napen. 

Het wvir. napelen trof ik aan in Nijboffs Bijdr. 
N. Reeks, IL ^^25: bceverien^ die eie ndt tna^con- 
dereny see eiet eens wereny onder den coepman be- 
dreven hodden mil quaden teHingen^ mit tiegen^ 
nHchen^ mit quaerteny mit riemsteken en ander 



boeverieny mit napelen, enz. Hier heeft men de- 
zelfde bet. die bet eng. to nap beeft, d. i. met dob- 
belsteenen bedriegelijk spelen; doch ook bij ons 
komt het primitieve napen voor in den zin van 
door goochelarij bedridgen; Oudaan, Agrippa, 414: 
menschen.., welken zy (t. w. de alchimisten) nu 
drie viertnaal genaapt, altyd op nieuwe gooehela- 
rijen onvoordachty we'erom bedriegen, 

Eene afieiding van het eng. to nap heb ik niet 
gevonden; er zal toe behooren Halliwells adj. nap, 
afgericht, handig, en to nop, grijpen, vatten. 

Naaaelen— Nassohea. 

In het goth. is het adj. hnaeq teeder, week, 
klein, angels, nescy hnescy eng. bij Halliwell nease, 
zacbt, neshy teeder, week, arm van geest, honge- 
rig, nicey teeder, lekker, kiesch, keurig, hoogd. 
ndechigy gendsch*^y lekker, snoepachtig, nederl. bij 
Kil. nesch^ nischy zacbt, teeder. Dus bij Cats, 
Wercken, I. fol. 350: eyera vers en nis. D. II. 
Ged. op Slap. Nachten,fol.9: eyers nis gekoockt. — 
Het eng. nice is echter ook dwaas, zot, vreemd, 
(zie Nares en Halliwell), en in dienzelfden zin 
komt bij onze schrtjvers dikwijls nesch of nesk 
voor; Rodenbui'gh, Alexander, ^'i: 

Zottinne, nesk, en broetSy bal^oorichy alechty en 

dom, 
Vondel, Jos. in Dothan, 27: 

Daer ghy zult d'uitkomst zien van ttiwe neske 

droomen, 
Leeuwendalers, 4<: 

Een neske koeckoe-ck broet een anders eiers uit, 
Po^zy, n. 428: 

De neske koetjesherder 

Docht voorty dat is niet beus, 
Brieven der Heil. Maeghden, 50: 

Of zoeckt een du)alend licht aen Ammons bron; 

aen naelty 

En nesk geheimenisy verbloemt met menigh 

teken. 
Oudaan, Agrippa, 211 :de overeenkomingdes naams... 
en dierg^yke neske dingen. Bl. 320: een volk... 
nesk en wuft, De Brune, Bancketw. H. 239 : moet 
een man zoo uei^ch en simpel niet zijn, Janssoons 
Grietje Wouters, 17: Dai de ien nesq t«, d^a,er 
neuswys. Aid. 20: D*aer is spytich of half nesq, 
elck hetter sijn gebreck — Vandaar de afl. en samenst. 
Leven van Marc. Aurel. 64: Onse ffoorvaders heb- 
bent vercregen als wijse mannen, ende wij haer 
kinderen verliesent weder als slechte nescaeits. 
Vondel, Herschepp. 419: Dat*s mis^ 6 neskebol. 
De Verliefde Lubbert (Amst. z. j.) 9: Een neske- 
bol... een weetniet of een Jan hen. Hooft, Brieven, 

14* 



423 



NASSELEN. 



iSA 



I. 398: neskebolletjen, oft jooltje. Westerbaen^ 
Ged. il. 152: tvi/ven, otMi^e Zt^ «n nesker-boilekens. 
— Zie voorts het Wdb. des Inst, op Hooft, De 
Vries op Wsrenar, 233, Oudemans op Bi*edero. — 
Ook het WW. neskebollen komt voor; Erasmus, 
Golloq. Fam. 85: soo begeer ick liever met (de 
Christenen) te neskebollen, ala met de Vleeschhau- 
wers de wijsheyt alleen te hehben. 

De vraag is of ons neschj eng. nice, voor teeder, 
lekker, en voor dwaas, zot, hetzelfde woord is. In 
laatstgemelden zin achten sommigen nesch, nice, 
dat dan overeenkomt met het oudfr. nice, niche, 
afgeleid van het lat. nescMis; zie Manage, Roque- 
fort, Diez (Etym. Wtb. II. 374), Scheler en Cham- 
bers. Anderen, zooals Bailey en Home Tooke (Ep. 
Pter. n. 335), van het angels, hnesc, teeder, zacht. 
Voor de laatste meening pleit wel de geleidelijk- 
heid van den overgang van de bet. van week, 
zwak, tot die van onnoozel, dwaas. Door een an- 
deren overgang van het weeke tot het vochtigeof 
natte brengt men er ook toe ons nesrh, nes, bij 
Kil. humidus, madens, waarvan bij hem nescheyd, 
neschigheyd, humor, mador, bij Oudaan neschach- 
tig; Roomsche Mog. 25: de lager landen, door 
'tovervloeyen der stroomen, somtijds draach^ en 
neschachtig. — Het subst. ne,% bij Weil, en Hal- 
bertsma (Overijss. Wdb.) door Dwaterleegte, zijp" 
verklaard, heeft de aang. Schr. voor »broekland", 
Agrippa, 302: 

Zoo queekt den Ojevaar zijn kiekens met eeciv 

dissen 

En kikkerSy welk hij uit het hroekland w.'et te 

vissen; 

Tot dat den jongen toom het vliegen tnachtig es, 

Die stikkelt insgelijx die diertjes uit de nes. 
Zie Diefenbach, Vergl. Wtb. II. 570. 

Van het adj. nesch heeft het angels, hneocian, 
eng. bij Halliwell to neskin^ zacht maken, oudhd. 
nascon^ snoepen (Graff, IL 1105), middelhd. na- 
achen^ snoepen, minnespel drijven als het vee, 
hoogd. ndschen, met lust eten, snoepen, Dahnert 
naschen, veel fruit eten, minnespel najagen, Schopf 
gnaschen, spaarzaam zijn. Van der Schueren no- 
schen^ bedelen, troggelen ; in het gron. dialect bij 
Laurman nasschen, heimelijk wegnemen. stolen, in 
het vlaamsch bij Schuermans nassen, nasschcn en 
ook het frequent, nasselen, het opeten van 't graan 
door de varkefts. 

Nestelen— NeBten. 

Nesten, d. i. in een nest wonen, en voorts wonen 
in 'talgemeen, is verouderd De Harduyn, Uitgel. 
DichUt. 115: 



De voghelkens ghecleet in pluymigfie livreyeny 
Siet men hier oock ontrent gaen nesten en ver- 

meyen, 
Vlaerd. Redenrijckb 119: 

Waar is 7 Joods rijck geblevetiy 
Daer eendracht niet heeft mogen binnen nesten ? 
Goomhert, Wercken, I. fol. 506: 

Wie dan der minnen list te voren kent. 
En laet haer gheensins nesten in zijn hert. 
Van Someren gebruikt het w. nog en wel weder-^ 
keerig; Ged. II. 60: 

Zoo zwierf dat Spaansche roofgespuis... 
En nestte zich, met woest gedruisch, 
In ket*kgebouw en biirgerhuis, 
Wij zeggen in dozen zin thans nestelen, en dan eig. 
zooals bij Tunnicius, 2<i: AU de lunink (d. i. de 
muschy zie Kil.) nestelen tot/, so socht he vele gette. 
— En oneig. David, Vad. Hist. II. 452: de Sarace- 
nen die daer in de buert... nog nestelden. Zie 
voorts de voorbb. bij Huyd. Proeve, II. 392. In 
den Lancelot, B. IL vs. 44101, leest men genesten, 
naar ik meen voor zich ophouden, zich bevinden : 
Nieman mochte an hem ( Walewein) genesten, 
Dat hem vergasn mochte ten besten^ 
Mine bleef doet oft so gewont, 
Dat hi meer (?) ward gesont. 
De Tristan al thans heeft genisten voor wonen, 
zie Benecke. — Vemesten is onzijdig en bedrij- 
vend, voor verhuizen en doen verhuizen; Hoofl. 
Ned. Hist. fol. 386: stelde Boisot zich in standt, 
om de Spanjaardts te doen vemesten. Van Zeve- 
cote, Ged. 275: 

God sal den stereken toint doen twieyen uyt *t 

Noordwest 
Tot dat den hoogen vloet den Spaignaert heeft 

vemest. 
En 292: 

0<^^ dat er nu een hooge vloet 
Met winden uyt Noordwesten 
Ons quamen geven goeden moet, 
En *t Spaensche heyr vemesten. 
Kil. : T^vemestelen, vemesten^ nidum mutare, et 
nido expellere.*' Het frequentatief leest men in 
Rabelais' Werken, I. 96: Alwa^rse dan den ganr 
schen dag doorbragten,,. met musjes en andere 
vogeltjes te vemestelen. Aid. 4o3 : Lucifer,., zal 
willefi uyt den Hemel vemestelen aile Goden zo 
grooten als kleinen. Vondel, Poezy, I. 629: 

(Hy) de4 den dageraet vemestlen 'tluie Goy, 
Van Merken, David, 4b: 

De trotsche vyand vluchty vemesteld overal, 
Macquet, Proeven van Dichtl. Letteroeff. I. 195 : 
Ulysses die (de ganzen) vemesteide. Vervolg op 



435 



NESTELEN. 



426 



W9genaar, XVII. 378: deeze vrugtlooze pooging 
om den Vyand te veiTiestelen Van der Palm, 
Bijb. voor de Jeugd, VIII. 17 : de Kanadniten te 
vernestelen uit die streken. D. i. steeds bedrij- 
vend; docb ook onzijdig; Van Merken, Nut der 
Teg. 20u: 

. Hoe de fiere maagdenschaaren — 
^t Schuwe wild vernestlen leerden. 
Zie ook Oudemans Wdb. op Hooft. Staring heeft 
daanroor oninestelen^ Ged. II. 3 : 

Een spreeuWj een uU te ontnestelen, in den 

muur 
Van 'tleigataand klooster — 
Nog andera afleidingen zijn de volgende. Bilder- 
dijk, Krekelz. I. 112: 
Een slaapzacU ontfangt hoar in 'tdicktst van 

het hasch,,, 
Omnesteld van zangers in vederendosch, 
Bekker, Bet. Weereld, II. 168: die vooroardeeten^ 
daar my allenians tool en leeraren averlevering in 
benesteld hield, Vr. Van Ackere, geb. Doolaeghe, 
Madelieven, 19 : 's moordera graven Benesteld door 
onz€ielge raven. Westerman, (xed. III. 59: Ver- 
veling nestelt in. — Dit laatste komt overeen . met 
bet boogd. einnisten en einnisteln, 
De samenst. nestelplcuUs beeft a. w. IV. 11 : 
Daar h\j den trots der Adelaren 
Zelfs in hun nestelplaats vergruxet. 
Reeds vroeger gebesigd door Voet, Sticbtel. Ged. 
n. 187 : 
Om 't breed gevogelt tot een nestelplaats t^ 

strekken, 
Het nw. nesteling vind ik in abstracten zin bij 
Bruno, Ps. 104, vs. 9: 
Daer is het dot voor sich een plaets beving 
Het kleyh' 'gevogelt\ tot haer' nesteling. 
Docb bij een brusselscb dicbter voor jonge vogel, 
in V^iUems* Verband. II. 252: 
— als de nestelingb der valcketv, licht en snel, 
Dwelck stoppelvedrich gaet tot vliegen hem ver^ 

kloecken^ 
Eerst Bpringht van tack op ta>ck — * 
Ook in *bet eng. is nestling een jonge vogel. Zie 
mode hiatelen. — Van bet znw. nest mis ik bij 
Weil, de ^volgende bet ; U. van Ualmael, De Edelm. 
Vrinden, 42: 
La4it hem houden^ als deed hy volkoomen zyn 

best. 
En klagen, als of ietnand bet nest 
Van zyn sleutels heeft bedurven — 

Neukelen, zie Kneukelea 
Neutelen, zie Nuaselen. 



Neiuielen'— Neusen. 

Neuzen is eig. deii nei\s ergens in steken en 
voorts met nieuwsgierigheid ergens in kijken; zoo 
zegt de volkstaal : in papieren of in een boek neu- 
zen; zie Bild. Aantt. op Huyg. V. 349. Eenige 
bladzijden te voren (bl. 330) vvras neuzen verkeer- 
delijk door noesten verklaard. lets afneuzen zegt 
men voor in stilte of beimelijk waamemen, beglu- 
ren. Dus Bekker en Deken, Corn. Wildschut, III. 
24 : op onze vrienden en vriendinnen te letten... en 
aUes afteneuzen. Fokke, Boert. Reis, I. 260: (Hij) 
verkeerde,.. als page aan het Hof^ waar hij alle 
geheimen afneusde. — Anders beneuzen; aid. II. 
54 : alles wordt dan bekeken en beneusd. — Men 
vindt ook doomeuzen; Pbysiologie van Den Haag, 41 : 
als ik ons Muzeum doomeus met hooghartige def- 
tichheid. — Wie alleen in de boeken neust en ze niet 
grondig onderzoekt, beet neuswijs; Dus Ck)m. Vet. 47 : 
Hy selve is soo neuswijs, dat hy op een luysduym- 
breedt na seggen unl hoe groot dat de Son is. 
Zie ook Weil. Van dit w. kwamen mij afleidd. voor ; 
Levens van Pint. fol. 524: neuswijselijck teblijven 
8taen».» op de orden des tijts, Fol. 10 verso : Dese... 
dingen sullen misschien de lezers wel aanstaen om 
de nieuwicheyt ende neuswijsicbeyt. — Het znw. 
keert bet w. om; M. Tydeman in Verbandd. der 
leidscbe Maatscb. U. ii. 11: Geene wijsneuzen 
{Sophisten), welken staande houden dat enz. — 
Vandaar bij Kil. neuzelen in dezelfde beteekenis 
als neuzen. Men leest dat bij Poirters, Duyfken 
in de Steenrotse, 339 : Jovius die alle dax^ tyt ge- 
noech hadde om in de boecken en rekeningen te 
neuselen. Nolet de Brauwere, Gred. U. 32: 
God dank, ik ben geen keukenpiet, 
Die alles neuzelt en bespiedt 
Bl. 54: ongemakkelijk in je werken te neuzelen. 
D. m. 114: 

Regt hebben Pruissische onderdanen 
AlU&n op neuzien hier te land. 
In bet dialect van Maastricbt is de bet. overgegaan 
tot dralen, talmen ; zie mijn Arcbief, III. 374. 

Met voorzetsels beeft men, Burlage, Acad. Tafer. 11 : 
niet longer rondgeneuzeld. — Meor gewoon is door- 
neuzelen^ doorkijken, doorsnuffelen ; De Brune, Wet- 
steen, I. 6: hen die dezp bladeren zullen Aoovneu- 
zelen. G. van Spaan, Gelukzoeker over Zee, 37: 
't Schijnt dat deze Jezuitsche Vaderen de Kaap 
ook zoo naauwkeurig deumeuzelt hebben. Rabe- 
lais' Werken, I. Voorr. 2: Derhalven vvil ik, dat 
gy dit werk eerst nijver doorneuselen zult Jan 
Zoet, De Adel. Huisvader, 65: het doomeuzelen der 
geleerde boeken. Bloemkrans, 203: — doomeuzelt 



427 



NEUZELEN. 



428 



eerst meer bladn. Staring bezigt heneuzdeny Ged« 
II. 42: 

— Elk schmirtjen^ elke reel 
Beneuzelt hy : — 
dal echter reeds voorkwam bij Valenlijn, Werken 
van Ovid. I. 58 : ik... sckroomde niet ijder van on- 
der tot hove te beneuselen. 

Met ons ww. neuzelen komt overeen het erfg. 
to nuzzle^ in den grond wroeten, snuffelen ; in het 
Brem. Nieders. Wtb. nusseln, Voorts ndseln bij 
Stalder, ausndseln bij Von Schmid, nu^eln bij 
Schmeller, neusla bij Tobler, nieuwsgierig zoeken, 
uitvorschen. 

Ril. verklaart neuzelen mede door mutire, mus- 
sitare, en Schuermans door vzachtjes en onver- 
staanbaar spreken"; De Bo door »door den neus 
spieken." Zij. ziiUen hetzelfde bedoelen, wat in 't 
hoogd. nieseln heet, d. i door den neus spreken. 
Bvj onze schrijvers kwam het ww. mij in dozen 
zin niet voor. Het schijnt meer hoog- dan neder- 
duitsch. In Reinwalds Idiotikon vindt men het in 
verschillende vormen: nieseln^ niseln, nuseln, neb- 
seln, noaseln^ nischelen, waarbij men uit Stalder 
nog nuschelny nuschem^ voegen kan. Het franscb 
zegt ncutiller, waar nuailUmn^r en ncisillarder vbh 
afgeleid zijn. 

Oudemans' Bijdrage heeft neuzeling (naar het 
ook mij voorkomt) voor nasporing, beter misschien 
toeleg, opzet; doch het ww. neuzelpoUen aid. zou 
ik verklaren door: in den pot neuzen, en dan toe- 
gepast op het Venuswerk. 

De samensteiling rimpe/neuzen bezigde Schonck, 
De Strrjd der Reuzen, 73: 

De Satera d4>en^ door rimpelneuzen 
En schertzend lagcheny duidlijk zien^enz. 
D. i. gi'ijnzerd optrekken van den neus, over welk 
w. de Schr. zich bl. 128 verantwoordt. 

Het Brera Nieders. Wtb. heeft het ww. ndsen 
voor iemand een neus geven. d. i. hem honen door 
een welbekend gebaar. Het eng. zegt daarvoor to 
nose one^ en onze Hooft heeft da a r van beneusd^ in 
onze volkf>taal : met een langen neus ; Ne<). Hist, 
fol. 486: slip te haalen aan zyn' onderzaaten^ en 
beneust te moeten keen en gcuxn. 

Neuzelen*, zie Nusselen. 
Nibbelen— Nibben. 

Nibbelen is bij Halma en Weil, hetzelfde als 
knibbelen^ d. i. kleine stukjes afbijten, zooals knab- 
belen wat grootere; in *teng. to nibble, neders. 
nibbeln en benibbeln, Dus, van een vischje, dat 
aan het aas bijt, in De Toekomst van 1867, bl. 103 : 



Het nibbelt en knibbelt, waar H heeft het, och 

Heer. 
Het primit. ww. nibben is bij Richey en Schutze 
het trekkebekken der vogels, en zoo zingt Gijsb. 
Japicx, in Klioos Kraam, 346: 

Daer 'tDuyffje en Doffer nebbel-nebt. 
En voorts, ook in de vormen nippen, nipfen, nup-. 
pen, nupfet,^ van spijs of drank even proeven, er 
den mond even in of aan steken, bl^kbaar van 
nibbe. nederl. neb, eng. nib, bij Van der Schueren 
nyb, bek of snivel. Ons ww. nippen of neppen, 
met kleine teugen of tor sluik drinken, is geen an- 
der woord ; b. v. Huyg. I. 607 : 
Je gingkt ai staegh je coet*8 ick segh niet as een 

heest, 
Maer as en slaeprigh mens die UMt te veul 

enipt heit. 
De Ketelboeter, 2: 
Ick ben bereyt om met jou eens lustich te 

neppen. 
Jonctijs, Toon, der Jal. I. 358: 

V voijf, wanneerje long uitblijft, 
Waant datf eens anders min gerijft ; 
Of dat gij in de herberg nept 
Hilarides, Humor. Rijmelar. 47: 

— den ganschen dag te nippen, 
De flesch steeds in de hand, den beker aan de 

lippen. 
(Nieuwenhnizen) Keur van Dichtbl. 63: 

Daar moet myn meisje schenkster zyn, 
En, op myn bede, eerst zelve eens nippen. 
Dautzenberg, Ged. 167 : 

Die den Kelder en de totmen 
Vlytiglik bezoeken gaen.., 
Zullen ons met blyde lippen 
Danken by hun geeslig nippen ! 
Dez. Verspr. en Nagel Ged. 28: 

Wie zoude niet in nederigen gehuchten 
Eens nippen aan natuur- en vreugdekruikf 
BL 247 : 

Kent gij het dal, waar vlinder en bij 
Nippen aan lelie- en rozenkelkenf 
De Cort, Liederen, 233 : 

Nog roziger dan kersen, ja! 

Zijn hare frissche lippen : 

'tis wellxist zander wederga, 

Er kusjes van te nippen. 

Men ziet dat het w. bij de vlaamsche zangers dich- 

terlijk is geworden 

Gelijk knibbelen genomen wordt voor t wis ten, 
kijveu, en beknibbelen voor nauw of op kleinighe- 
den dinger), zoo heeft benippelen dien zin bij 
Hooft, Ned. Hist. fol. 398: inziende dat vrydoom 



429 



NIBBELEN. 



490 



von achattingen dikwyls uit noodt benippelt^ oft 
vemietight word. Aid. fol. 1239 : H vemuft apUaen 
op uitvinding van acherpzinnighe duideniaaen^ om 
hei gezagh zytier Doorluchtigheit te benippelen. 

Een* anderen zin bebben nibhelen en nippelen 
in de volgende plaatsen. Oudaan, Pogzy, II. 333 
(van kinderen gesproken) : 

Wen gy ze kual^ en drukt, en>nibbeli, en om" 

armt: 
En moederlyk bezorgt, of vaderlyk beachermt 
Vondel, Samson, 11: 

— (ala) ik u wederkuate^ 
U atreelde, nippelde, en uw doUe vlammen 

bluachte, 
Dez. Hersch. van Ovid. 300: 

— 't vleeach^ dat daa geport^ 
Hem an gat aenjaeght^ ofblaeuvanaldcUmp^len 

wort 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 108: hoe bhmd en 
blau (uw hala) genippelt is in liefkoaertj. Aid. 183 : 
repi u atil bij hoar; nippeltse met de vingera in 
ae a^de. D. III. ilA: de blaauwe vlekken,., die de 
minnaar in 't leffelen met de tanden in den hata 
nippelt. Bl. 269: Gequetate leden ijaen aelfa voor 
U minste nippelen. — Deze wn. werden reeds opge- 
helderd door H boven vermelde nippen, dat Richey 

door achndbeln vertolkt, d. i. bet trekkebekken of 

• 

kussen der vogels ; en nog* nader door neipeln^ dat 
bet Idiotikon van Scbmidt verklaart door »nu bier 
dan daar even aanraken, licbt bij ten of knijpen uit 
liefde of jokkemij, zoowel van menschen als dieren 
gezegd." En biertoe zai dan nippen bebooren, dat 
volgens Wail, nijpen beduidt, als in de spreekwijs 
ala het begin t te nippen. Zoo leest men bij Bek- 
ker en Deken. Com. Wildscbut, m. 340 : Ik denk.,, 
dat ik ook wat te zeggen heb, ala bet nipt en we- 
demipt. — Zoo zegt men ook: als de nood nypt 
of prangt 

Van nippelen beeft men eene all. en eene sa- 
menst. bij den aangeh Valentijn, D. I. 86: H^j be- 
nippelt hoar boeaem, D. III. 248: Mijne wonden 
achrikken benippelt te werden. Aid. 104 : dat hoar 
aanaigt blau en blond geweeat hadt door lip-nip- 
pelen. 

Het WW. vemibbelen^ dat bij enkele onzer vroe- 
gere scbrijvers voorkomt, beteekende met zeker 
aangenaam gevoel den mond of bet bart op iets 
zetten, ei-gens naar baken of snakken, den mond 
als *tware verlangende uitsteken. Job. de Brune, 
Zinnewerck, 308 : Wy zyn zoo verlaft en verleckert 
achter de veranderinghen, dat wy nergena naer 
zoo zeer en ' vernibbelen, ala dat ona een. nieuwe 
amaeck toebrenght De Brune, d. J., Jok en Ernst, 



21 : dat wy ongevoelik meer vernibbelen, en onge- 
lijk aoeter aijn op dingen, die ona haaat ontnomen 
aullen worden. — Hetzelfde drukte men uit door 
vemibbeld zijn ('t welk Tuinman, Spreekw. H. 58, 
te onrecht voor eene verbastering hield van ver- 
nikkert, en waarvan het zuidbevelandscbe vermik- 
keld, Te Winkels Taalmag. 11. 236,. waarschijniijk 
inderdaad eene verbastering is.) Dus De Brune, 
Wetsteen, l. H: de genuchten^ doer op onz^ even- 
menachen.., vernibbelt zijn. Aid. 141: daar zy,„ 
op Leander buiten maat vernibbelt was. Aid. 170 : 
dat minnaara met zoo duldeloae iuat op het kuaaen 
zijn vernibbelt. D. II. 47 : dat zy dapper op wijn 
zijn vernibbelt* Dez. Jok en Ernst, 18: wiert hy 
dcuir ter plaata op een getrouwde Joffer... amoorich 
vernibbelt. Oudaan, Agrippa, 310: op woeker, en 
bankleening onophoudelijk vernibbelt. Aid. 453: 
andere, vernibbelt op de beapiegeling dea opperaten 
levena. H. van Halmael, Overdaad en Gierigh. 58: 
Gy achynt vemibbeld op de rampen, die gy 

voed. 
Van Swaanenburg, De Vervrol. Momus, 134: Had- 
den die {afgoden) van koper geweeat^ Jacoba liefje 
uxia 'er niet op vernibbelt geworden, — Bekkeren 
Deken gebruiken het ww. wederkeerig, Sara Bur- 
gerhart, 11. 560: Ik vemibbel my, oi^r tA zoo zie^ 
dat de jonge lui tot aan de ooren in H werk 
zitten. 

Nietelen — Nieten. 

Nietelen is in Wassenb. Idiot Fris. stooten 
vvooral van koeijen die jeukerig van boomen zijn." 
Het prim, is nieten, bij Kil. mede met de borens 
stooten, neders. niten, Zie Ten Rate, II. 648 en 
Adelung op Nieten, Stalder beeft in de gemelde 
beteekenis niffen en niffelen, 

Nijfelen— Nljfen. 

Nijfelen, in Gelderland ook niffelen^ beteekent 
bij Weil, in bet gemeene leven »eene kleinigheid, 
op eene bedekte wijs, met vinger en duim wegne- 
men; iets op eene diefachtige wijs naar zicb strij- 
ken." Daarmede komt overeen Halbertsma, ia 
zijn Overijss. Wbk.: Mtfcien, na zicb toehalen; of- 
niifelen^ met mooije praatjes of slinkscbe grepen 
afhandig maken." Vandaar het spreekw. Mj ateelt 
niet^ maar hij niffelt", vermeld bij Harrebom^, 
in. Voorw. 136 Bij Strodtmann is nyfeln stolen. 

Het prim, nijfen, d. i. nijpen, eng. to nip, waar- 
van ook knijpen, hoogd. kneifen (imp. knif part. 
gekniffen), is bij Stalder niffen, met de vingers 
vatten, en voorts bij kleine dingen met te veel 
nauwgezetbeid te werk gaan; vandaar bij hem 
niZ/tg, niffelig^ al te stipt of gierig (bij Weil, nij^ 



431 



NIJFELEN. 



492 



felachtig en bij Von Schmid gniffig, kniffig), nif- 
figkeit, le groote nauwgezetheid, en niffelen^ nauw- 
gezet of, zooals wij zeggen, nauw bezet of gierig 
ztjn. Zie mede Nijferen, 

Nippelen, zie Nibbelen. 
Nispelen, zie Enispeleu. 
Nistelen— Nisten . 

Overeenkomstig met het middelhd. heeft ook het 
middelned. in nesten en nestelen den korten i-klank. 
Der Minnen Loep, I. 149: 

Wa>er reyne minne int herie nistet 

Daer off coemi cUle reynicheiL 
D. II. 129: 

Cepfialus worts te hanl ghewair 
Ende meynde^ doe hi hoerde dat ristelen 
Bat een dier daer woude nistelen. 
Aid. 83 komt ook (buiten het rijm) het subst 
voor : 

Goede wercken te bestaen 

Ende uwer niste niet af te gaen. 
Melis Stoke, III. 109: 

Laet ons winnen dat crayen nist. 

Trouwen^ wi wanen dat ghijs misL 
Evenals hier, ook bij lateren, met het rijm; De 
Brune, Nieuwe Wqn, 885 : 

Een vuyl, onnuttigh voghel isf, 

Die daer bekackt zijn eyghen nist. 
De Franschen zeggen mede nicher; gewoonlijk, door 
hunne etymologen van nidificare afgeleid. Beter 
doet Gotsched het van nisten afkomen. 

Nokkelen— Nokken. 

Schuermans heeft nokkelen voor »den draad met 
zeer kleine en rasse trekjes uit den spinrok trek- 
ken, stil en neerstig spinnen, stillekens vooilgaan." 
Het prim, zal zijn nokken, in hetz. Idiot, opgeno- 
men vooi' »breijen of knoopen", bij De Bo ook voor 
knoopen in het algemeen. 

Noppelen— Noppen. 

Yolgens eene onder mij berustende Ms. aantee- 
kening van het einde. der vorige eeuw beteekent 
noppelen in het noordhollandsch dialect Der aan 
toe zijn." Ik merk het aan als het frequent, van 
noppen, bij Cats, I. fol. 577 : 

Treck, visscher, treck terwijl liet nopt. 
D. i terwijl het juiste oogenklik daur is. Gewoon- 
lijk zegt men daarvoor nippen, bij Weil, itaht het 
begin t te nippen of te nijpen, als de nood aan den 
man komt; het is op het nippertje of tiijpertje, de 
zaak lijdt geen uit.ste!." Bij Miiller en Weitz »of) 
het Nippe stohn, auf derSpitzestehen; opetNippe 
kommen, im letzten entscheidenden Augenblicke 



komme; holld. nyper, kritischer Augenblick." 
Van nipp, nip, nipe, bij Richey, Schambacb en 
Outzen nauwkeurig, stipl, scherp, als adj. en 
adverb. 

Noppen en nippen beteekenen derhalve juist 
treffen, en zijn 6^n met het hoogd. noppen, nijpen, 
knijpen, bij Von Schmid stooten ; en naar H mij 
voorkomt ook met ons nopen, d. i. aanstooten, aan- 
dringen, maar ook treffen, raken, ak in nopens, 
dat zooals Ten Kate, I. 310, en na hem Bilderdijk, 
Woordv 62, juist aanmerken, eigenlijk beteekent 
quod attinet. Een merkwaardig gebruik van nopen 
kwam mij voor Belg. Mus. VI, llKi : een stranghe 
ende onghewonelicke sieckte, daer vele van onsen 
susterkens af worden genoept. D. i. getroffen, ge* 
raakt. 

Nuffelen— Nuffen. 

Het WW. nuffen, in iiet'geld. noffen, is bij Weil, 
talmen; daaimede komt overeen naff ken, bij Stu- 
renburg zacht en langzaam spreken, langwijlig ver- 
tellen of handelen; niiffe btj Muller en Weitz 
langzaam en onverstaanbaar spreken ; niffen bij 
Stalder in kleinigheden met te veel nauwgezetheid 
te werk gaan, al te zuinig zijn ; en in ^rem. Nied. 
Wtb. neuswijze aanmerking maken. 

Vandaar nuffelen, brj Stalder niffelen; Wolff, 
Mengelp. II. 97: 

'/ En past geen deftig man, de kamers doorte- 

snufflen ; 

En ginds, en hier, en dus, en zo, en dat te 

nufflen. 
Bekker en Deken, Corn. Wildschut, II. 115: zystond 
altoos laat op, ontbeet langzaam, nuffelde zo wat 
met het theedoekjen, en waschte wel eens een kop- 
jen of schoteltjen af. De bet. van zich al te nauw- 
. gezet met beuzelingen ophouden, door Stalder aan- 
gewezen, komt ook hier te pas. 

Het WW., nuffen zal zijn' oorsprong vinden in 
het nog bekende subst. nuf, een vitachtig, op alio 
kleinigheden te veel lettend, zich te veel inbeel* 
dend meisje; bij Kil. nuf ken, neuswijze vrouw, ter- 
wijl hij nuf op een neuswijs man toepast. Ook 
het nedei-s. heeft nif, nuf, nifke, nufke, voor een 
ingebeelden, neuswijzen pei^soon, inzonderheid eene 
vrouw, en leidt dozen af van het hamburgsche 
nUff', dat neus beteekent. Neus is echter nog geen 
neuswijs. Veeleer acht ik met Tuinman, Fakkel, 
I. -'253, Bilderdijk, Geslachtl. II 284 en Hoeufft 
Bred. Taaleig. 413 nuf gezegd voor nif, d. i. nift 
of nifte, hetz. als nicht of nichte, de vrouwelijke 
vorm van neef, bij Schmeller neff'e, en mede bij 
Weinhold voor nicht. Het middelhd. zei voor nicht 



■ W W" 



433 



NUFFELEN. 



434 



niftel en niiftel, zie Beneckes Wtb. en ook Uuyd. 
op Stoke, III. 427. Dit niftel leeft nog bij Schmel- 
ler voor nicht; bij Yon Schmid voor neef, en bij 
Reinwald vooreene veranderiijke, karakterlooze, ook 
liederlijke vrouw. Voor ons nuf of nufje^ met 
eene gelijksoortige overdracht op een meisje in *t 
algemeen overgebracht als bij com en tante ook 
wel plaats vindt, leest men ook nuffeli)e; Bekker 
en Deken, Will. Leevend, IV. 314: een zoet nuf- 
feltje van een meisje. Dez. Com. Wildschut, II. 
75 : dot bleek ziehelijk nuffeltjen. D. III. 220 : een 
zoet nuffeltjen. — Dat bet gemelde nuf eene \er- 
bastering zou zijn van bet fi^anscbe neuve (zie bet 
Bibliogr. Album van bet Leeskabinet, 1868, n*. 3, 
bL 64)y komt mij niet aannemelijk voor. 

Nukkelen, zie Eneukelen. 
Niuselea— NuBsen. 

Nusselen vermeldt Weil, voor ialmwerk doen. 
Een algemeen nederlandsch woord geloof ik niet, 
dat bet is. AIs tot bet di*ent8cb behoorende heeft 
bet de Dr. Volksalm. 1839, bl. 196. In Maastricht 
spreekt men neuzelen uit, blijkens mijn Archief, 
ni. 374, waar verkeerdelijk aan neuzelen^ den neus 
insteken, gedacbt wordt Het woord is ontleend 
aan verwante dialecten. In het Brem. Nied. Wtb. 
luidt bet nt498eln^ bij Richey en Schutze niisaelny 
in H Idiot von Lief-und-Ehstland nuschelny alien 
in de beteekenis van talmea, dralen, beuzelen; bij 
Reinwald nuueln^ niieeeln en nisaeln, voor lang- 
zaam eten, kieskauwen. 

Primitiefvormen leveren dezelfde tongvallen meer 
dan ^n. Het Brem. Nied. Wtb. heeft nuasen^ be- 
sluiteloos zijn; Reinwald nus8en, besluiteloos zijn, 
en achteloos en zonder emst arbeiden ; Strodtmann 
nOskenj langzaam arbeiden; Stalder niischen^ ach- 
teloos en zonder ijver werken, door *i verrichten 
vai^ kleine zaken de hoofdzaak verzuimen. 

Hiertoe breng ik vemutaeld, bij den Vlaming De 
Uarduyn klein, gei*ing, beteekenende; Goddel. Wen- 
schen, 438 : 

Soud een vemutselt Venus kindt 
My met sijn torts wel dorven brandenf 
Off hebben ooer my bewindtf 
Dez. Uitgel. Dicbtst. 20: 

Sal een vemutselt wicht u meester moeten wesen^ 

En ghy, dien meester grooL van Hselve sijn 

verwesenf 
Kil. heeft daarvoor vemutelt, vemeutelt^ met ver- 
schillend gewijzigde beteekenis. Men leest het 
laatste bij De Brune, Zinnewerck, 45: zijnkleyn en 
verneutelt lichaem. Dez. Bancketw. I. 82: een 



hoop verneutelde rijmerkens, die noyt de poorten 
van de Musen begroet hehben. 

Te recht leidde de hoogl. De Vries, Aant. op 
Warenar, 216, ons ww. neutelen af van *t boogd. 
nusseln, Het eerste is de eigenlijke nederlandsche 
vorm van het laatste en heeft dezelfde beteekenis, 
die t. a. p. dus wordt, omschraven: »zich met beu- 
zelingen ophouden, veel werk aan nietigheden he- 
steden." Kil. : neutelen, frivols agere. Dus Hoofts 
Ged. fol. 281 : 

— Men leit en neutelt 
Mit het gelt, om deze zetting — 
D. i. talmt, draalt, is traag (om te betalen). Van 
Hasselt, (xeld. Maaltyden, 33: met die mesaen zou 
ik veel langer kunnen neutelen. D. i. mij beuze- 
lend ophouden. — Een talmachtig of beuzelachtig 
mensch is in 't hoogd. nusseler^ nHsseler^ nuschler; 
nederl. neutelaar; Kil. neuteler^ neutelersken; dus 
Poirters' Hof van Theod. 253 : 

Hy waSj soo H iemant voas, een plant van hoo- 

gen aert^ 

Met wie geen neutelaer uxis weert te syn ye- 

paert, 
D. i. een geringe, onderblijvende. Lublink, Ver- 
bandd. I. 104: terwijl men.,, onze uilvoerige s^hilr 
ders dls loutere neutelaars aanmer/;^ Weil, heeft 
neutel voor een klein manneken. Eene beuzelach- 
tige vrouw heette neutje, bij Kil. neutken, neule^ 
lerakeny oid neutketi; Westerb. Gred. U. 182: 

Ey^-siet het onbescheyd van 7ouwe neutienoen. 
Met nusselen zal ook ^n zijn het limburgscbe 
nozelen^ talmwerk doen (zie het Idiot, van Schuer 
mans); en noaeln^ in HBrem. Nied. Wtb. arbeiden 
zonder te vorderen; nusselije aid. voor zulk een 
arbeid; waartoe wellicht behoort neuzeling, Kolm, 
Malle Jan Tots Boert. Vryery, i2: 

Hier mee last ons korten, blijtje in je sotte neu- 

selingh. 

Voorts acht ik hieraan verwant nudderen, bij De 
Bo hetzelfde als nusselen. De Schrijver verwijst 
op het eng. to nod; doch dit is eig. neigen, buigen, 
het hoofd knikken. 

Dat het ww. neulen, talmen, dralen, en volgens 
Swaagmans Comment, in Groningen nn een slecbt 
humeur zijn,*' bij Richey ndhlen, talmen, dralen, 
in HBrem. Nied. Wtb. nolen. bij 't werken niet 
opschieten, uit traagheid blijven steken, als eene 
samentrekking van nentelen is aan te merken,ge- 
lijk men wil, kan niet dan aannemelijk voorkomen. 
Er kan dan ook toe behooren neutelig^ bij Swaag- 
man, zoowel als in het Idiot. Fris. van W^assen- 
bergh, verdrietig, kribbig, misnoegd, en het nedera. 
netelig^ dat denzelfden zin heeft en onderscbeiden 



435 



NUSSSLEN. 



496 



moei worden van het nederl. netelig. vol netels, 
fig. licht geraakt, moeijelijk. — Verg. meutelen op 
Mottelen. 

Voor nusselen heeft Schmidts Idiot, niet alleen 
knoatem, maar ook kntuuteln^ aldaar omschreven 
door »allerlei kleinen lichten handarbeid en wel in 
hout te huis verrichten of beproeven, die eigenlijk 
aan den handwerksman behoort." En ziedaar den 
oorsprong en de ware beteekenis van ons'ww. 
knutselen naar de beschaafde, doch knusselen naar 
de volksuitspraak ; b. v. Van Elvervelt, Henrik en 
Pemille, 30 : 

'k Heb ook gezien dat ly hem zoende^ en unit ze 

meer 
Geknusseld hebhen. weet hy-zelf het best — 

Het zegt .dus niet alleen beuzelwerk, maar ook zulk 
werk verrichten, waartoe men onbevoegd is, en 
Tollens gebruikte het zeer gepast in zijnen Clau- 
dius, 27 : 

W^ knutslen uxit en spelen^ 

En timmren luchtkasteeletu 
Dus ook dez. Laatste Ged. I. 110 : 

De onnoosle dwazeni dachten zij 
Dat de Almagt knutselt zoo als wij! 
En reeds bij Berkhey, Nat. Hist, van Holland, V. 
I'iOr mijn Vriend en ik^ die oU dikwerf zamen 
knutselden om iets te ondekken, enz. Fokke, Ver- 
zam. der Werken, IX. 151 : Jupiter tmeed er een 
schoudertje van.., toant hy kon aardig knutselen. — 
Het WW. is ook in bedrijvenden zin gebezigd; 
Fokke, a. w. II. 156: Ik heb daar een versje ge- 
knutseld. Dez. Boert. Reis, II. :i49: al demooijig- 
heden^. op de kunstdraaibank.., te knutselen. Knep- 
pelhout, Greschriften, X. 41 : het voJk is te natuur- 
Itjk voor alien wat schoolsch is, eetiigzins opgesmukt 
en zoo'n beetje geknutseld lijkt. Van den Broek, 
Zomei^roen, 53: 

Al wat door kunst, op doek of hout 
Geknutseld wordt voor stapels goud, 
Wordt hier om niet gegeven, 
Dez. Nag. en Verspr. Ged. 10(3 : 

Al knuiseMde kutisl soms een roos. 
Ten Rate, De Schepping, (3e dr.) 27 : 

Geknutselde praal van verguldsel en leetn! 
Nolet de Brauwere, Ged. lU. 203 : 

Wen 't Ministerie voor de leege kas schermutbelty 
Bezuiniging tot stelsel zamenknutselt. 
Strick van en tot Linschoten, Ged. 162: 
Met den slangenstaf knutzelt ook 
Hermes' dikwijls de banden van H 
Zaamenleyen behendig vast. 
Voor knutselen heeft men ook- knutseren gezegd; 
zie dit woord. 



Oogelen— Oogen. 

Het hoogd. liebdugeln werd door Bilderdijk na- 
gevolgd in liefoogelen, Gycloop 33: 

Liefooglend treedt gy op van uit uw slaapsalet. 
Het vleijend toelonken, door dit woord aangeduid, 
wordt in H hoogd. ook vaak door het enkelvoudige 
dugeln uitgedrukt, alsmede door 't nedens. oegeln, 
en het eng. to ogle. — Toeoogelen, bq Schmeller 
zuedu^eln, bezigt Beets, in het Tijdschr. De Ver- 
eeniging, Sept. 1847, bl. ilS: De lichten van Sheer- 
ness... oogelden ons... flikkerend en uitnoodigend 
toe. Bij Kil. is oogeler een oogendienaar, hoogd. 
dugler, neders. oegeler. 

Maerlant heeft een ww. onloogen^ voor uit het 
oog verliezeh, niet zien; Rijrnl). vs. 27061, van den 
hemelwaarts varenden Heiland: 

— doe hi sinen lieven vrienden, 
Onthoocht was, saghen si nochtan 
Up waerd na den wel lieven man. 
Var ontoghet tms, uten oghen uxu. 



Taegelen^ zie Faggelen. 
Fampelen'— Fampen. 

Pamp is met invoeging der m hetzelfde als pap, 
gelijk trampen met trappen. In het neders. is 
pappe z= pampe, pimpe, en bij Schmidt papch = 
pampch. Bij Vondel is pampzak, wat anders in 
'tgemeene leven papzak heet; Warande, 17: /loe- 
wel hy een luye ende trage pampsack was, soo 
hield hy hemselven nochtans voor raseh ende snel. 

Vandaar jpam|7en, bij Schiltze opeenpakken, samen- 
drukken. Dit ww. heeft ook Oudaan, Agrippa, 
139: de V zaamgepampte veelderleihedeny en ken'- 
nissen des gemoeds, Bij Stalder is bampen gesta- 
dig Qten, bij Von Schmid e. a. bampen, bampfen 
met voile bakken eten, en bij Schmeller vollbampfen 
zich opvullen met spijs, vooral met meel. Het eng. 
to pamper^ bij Ualliwell to pampe, is mede opvul- 
len, vet mesten, en to pample aan zijne lusten 
toegeven. Vandaar bij Sch5pf pams^ dikbuik, bij 
Ueberfeld pamftig, bij Lexer pamstig, eng. bij Hai- 
ti well pammy, gezwollen, opgezet. Hiertoe behoort 
ook misschien pummH, bij Danneil een kort en dik 
mensch, nederl. Tolkstaal pummel, pummlich bij 
denz. kort en rond en daarbvj welgevoed. 

Het WW. pampen komt bij ons Toor in uitpampen, 
d. i. door lustvoldoening uitputten; Werken van 
Rabelais, II. 391: Wanneerje nu gisteren alle uwe 
Zojodvaten geleedigt en uitgepampt hadt. — Het 
fransch heeft hier dpuis^ — :Slampampen is daar- 



437 



PAMPELEN. 



438 



van, een in vele verwante tongvallen en mode bij 
ons bekend ww. voor gulzig of onmatig eten en 
drinkm, eig. zich ai slempend volproppen. Dus 
Vlaerd. Redenrijckb. 419, waar twee onmatige 
drinkers zeggen : 

— wy gaen V saem op 7 oiide weer slampampen. 
A. Bijns, Refer. II. 19 : 

Ghy wilt u meaten^ gkelijck de verckene^ 
Slampampen, boelerefu, slapen tatter noene, 
Westerb. Ged. H 306: 

Ick weet *er geen die so nyyaeU is in sijn dia 

Of die 80 Hfdigh haud van emeeren en slamp- 

pampen, 

En no sijn gaaten soeckt het eeten in te stampen. 
Van Rusting, Ovid. 142: 

Ik kan niet ledig zyn. Slampampen in de kroeg^ 

Of dobb'len, daar van heb ik afkeer. — 
Huydecoper, Hekeld. 34: 

Geweld te pleegen^ en slampampen, en Hn- 

kinkeny 

Hoveereny dag aan dag zich vol en zat te 

dvinken. 
Oudaan, Agnppa, 314: met slampampen, /loereren, 
jagen en vliegen, kostlijk kleeden^ en in alle wel- 
lusten de gilde te epeelen. Jonctijs, Toon, der Jal. 
n. 96 : dat zijn zoon.,. in slampamppen en hoereren 
qttam uit te hreken. — Ook slempempen; Van 
Hasselt, Eerste Vad. Klugtsp. 54: ^t geen van de 
Rederykers Kamer doer in voorkomt^ ziet meer op 
't slempempen dan op uxit goets. — Vandaar ver- 
fi^fnpaxnpen^ d. i. met slampampen doorbrengen 
of verkwisten; €k>orahert, Od. I. 5 verso: 

Verslampampt al utoe goeden^ ick mcusht wel 

^jen. 
Van Mander, Gulden Harpe, 334: 

Diet ai gaet verslampampen, 
Arem hy bUjven moeL 
Bredero, Moortje, 21 : 

Die al sijn goetje hcult verslampampt, en ver- 

aluymt, 
Vondel, Warande, 90 : na z^jns venders doodt heeft 
hii al zyn erfgoedt door de keel ge^aegt ende ver- 
slampampt. — Hij of zij die zicb aan zulke bras- 
serii schnldig maakt is een alampamper of stem" 
pempet en alampdmpster; Visscher, Sinnepoppen, 
70: de trage Slampamper mach hem zijna ghehoorta 
niet roemen^ ala hy de dappere handt niet aen 't 
werck en alaet, Sprankbuisen, Vande Scbepping, 
60 : Slampampers, GtUpera^ welcke haer aelven aoo 
onmaHg opvulleti met geaoden en gebraden, met 
bier en wijn. Van Alkemade en V. d. Schelling, Ned. 
Displ. I. Voorr. § 13: dan zouw Acciua wreed, 
Terendua een slampamper... moeten zyn. Van Has- 



selt, Ai*nb. Oudh. II. 109 (welke plaats teveus ter 
opheldering strekt van de uitdrukking de gilde 
apelen^ in de aanhaling boven uit Oudaans Agrippa): 
Op die GUden-maaltyden en alle anderen^ wierdt 
in den oudin tyd straf gedronken, en meer dan 
overdadig^ zo dat een liefhebber van zulke byeen- 
komaten den naam van Gilde, dat ia van doorbren- 
ger^ slempemper, braaaer^ dronkaart wegdroeg, 
Het bedurven Huisbouwen (Amst. 1703) bl. 13: 

Jy drinkt je, in Wyn en Brandewyn, zo wel 

dronken^ cUa je Man; 

Met jou Slampamsters, Schorrymorrya^ die da- 

gelyka by je verkeeren. 
Hiertoe behoort de afl. bij Bredero, Griane, 57: 
Hy prijat slampamperyen enz. 

Van pampen, in den zin van samendrukken, is 
pampelen btj Schuermans kreuken, verfommelen; 
en in dien van pappen is het gen. frequent, in het 
geldersch en over^selsch gebruikelijk voor lapzal- 
ven, kwakzalveren, eig. met pappen zalven en alzoo 
genezen; zie mijn Mag. III. 62 en 300, enTeWin- 
kels Taalmag. IV. 233. Zoo leest men in den 
Geld. Volksalm. 1862, bl. 97: Doar bi hef zi V 
doanig op de boate.*, doar w* al veulle veur *epam- 
peld en 'emeiaterd hebben zander dat H 'eholpen 
hef. -^ De afiieiding van den hr. Buser, ter voor- 
laatst aangeb. pi. is derhalve alleszins juist. Het 
eng. to pamper^ door prof. Siegenbeek btjgebracht, 
behoort er ook toe, doch dit heeft denzelfden zin 
a is ons pampen in alampampen, d. i. met eten vol 
proppen. Tot den vorm pampelen behoort ook 
pampel, bij Schambach dikke brij en weeke mod* 
der, anders btj hem alampamp 6n prdpe/ geheeten. 
Bij dit alampamp denk ik aan achlamy d. i. modder, 
slijk, zoodat alampamp dan letterlijk is madderpap. 
Van 'tgemelde hoogd. achlam heeft men ook het 
adj. achlammigy modderig, sHjkerig, dat word over- 
genomen door Reisig in zijn Milton, Verl. Par. 
277: vanden {de wateren) hunnen weg en plaeg^ 
den ligtelyk diepe grachten (ioor de slammige moe- 
raaaen, D. i. naar den eng. tekst: the washy ooze, 
— Het neders. propel 'doei aan ons proppen den- 
ken, neders. propen^ hoogd. pfropfen^ in beteeke- 
nis met pappen overeenkomende. Het eten proppefi 
is het op gulzige wijze instampen; prapvol is op- 
eengepakt vol. *k Tw^jfel niet, of tot pappen be- 
hoort mede ons verpaft en paf, »Ik b6n verpaft 
van het eten** zegt degeen, die zich meer dan ver- 
zadigd gevoelt, en zoo leest men in Fokkes Boert. 
Reis, I. 187: fnmiddela werd de Koning, die zich 
nu braaf wat te goed deed, hoe longer hoe dikker 
en logger, en zijn zoon Robert, die nu dacht : oude 
man, $e zit daar wel en wordt in die gaede dagen 



439 



PAMPELEN. 



440 



veel te paf, enz. D. i. te dik gegeten, en voorts te 
log. Weilarld heeft ook pafzak voor